ze den dood zien binnengaan; ’t was of ze het hadden „geroken”. En als
goede buren maakten zij zich bereidwillig van den toestand meester.
Zeker, zij hadden altijd veel te zeggen gehad op dien kalen kapitein,
die zoo dronk, op die luie „Oostersche” vrouw, die de deur uitliep en
haar huishouden verwaarloosde, en die twee „gekke” meisjes, die zich
zoo gemoedelijk het hof lieten maken, die elken avond „straatjes-om”
deden met allerlei jongelui, en die al heel dikwijls „gezien” waren als
ze zich lieten zoenen in het donker om een hoekje van de straat. Wel,
het was, zeiden de buren, een huishouden van Jan Steen! Nu echter de
kille hand van mageren Hein er een greep in had gedaan, verdween alle
nijd en afkeer, verdrongen door een gevoel van medelijden, een zucht om
bijstand te verleenen en een achtergrond van verlangen om zich met een
schoon schijntje en goed fatsoen met eens anders huishouden te kunnen
bemoeien. De arme Roos, die nog altijd hoe langer hoe kwijnender en
hikkender van „moordenaar” sprak en van „slachtoffer”, werd met een
zoet lijntje weggebracht; hij was toch eigenlijk zoo’n best mensch; nu
ja, hij hield van een borreltje; „het” was toch voor de ganzen niet
gebrouwen! En die arme meisjes! Nelly en Corrie werden ook, nadat men
van het ensemble harer droefheid had genoten en er stemming uit had
geput, door weenende buurjuffrouwen weggebracht. Bij dat alles was het
toch maar het beste. Wat hadden zij moeten beginnen? Nu ging door de
vreemde hulp alles vanzelf. Alles werd beredderd, het „afleggen” ook,
en de eene juffrouw, die zich daarmee had belast, zei tegen de andere,
die haar hielp, dat het toch een beetje griezelig was, zoo’n mensch met
zoo’n donker vel; „als je aan den duivel dacht, weet u, die ook zoo
zwart is!”
Er was geen geld in huis, en toen bij Roos de kleine roes had
uitgewerkt, en zijn droefheid over het verlies zijner vrouw, die hij
jaren lang hartelijk had liefgehad, meer normaal was geworden, begreep
hij allereerst dáárvan werk te moeten maken. Hij schreef den slijter,
die dadelijk kwam en met vertoon van vriendschap en goedhartigheid geld
bracht, zonder eenig besef van het kwaad, dat hij dit gezin had
berokkend. Want sedert Roos de boeken van de slijterij bijhield, was
hij van een oud-soldaat, die een gewonen krassen borrel „pakt”, een
geregelde dronkaard geworden, een alcoholist, die elken avond het besef
verloor dat een rechte lijn de kortste afstand is tusschen twee punten.
Hij was nu een huisvriend, en daartoe behoorden ook enkele hoogst
fatsoenlijke, maar slecht bezoldigde ambtenaren van departementen, die
den rumgrog, waarmee de rijke slijter zoo royaal was, letterlijk
aanbaden. En deze drankgod, die zich te hoog achtte om particuliere
kennissen te zoeken onder de kleine bakkertjes, kruideniertjes, smeden
en blikslagers of andere producenten van het nuttige in zijn buurt,
moedigde zijn vrienden altijd sterk aan. Hij verkocht zooveel slechte
jenever aan de smalle gemeente en met zóóveel winst, dat hij licht zijn
vrienden ruimschoots hun genoegen kon schenken aan uitstekende dranken!
Het was mooi, helder weer bij de begrafenis.
Tusschen de kieren der neergelaten gestreepte gordijnen in de
voorkamer, drongen spelende zonnestraaltjes; het was er vol en warm;
vol van in het zwart gekleede mannen met witte dassen en Indische
officieren in uniform. Zij hielden geen kennis met Roos en zijn
familie, die, sedert hij gepensionneerd was, zoo afgetakeld waren in
hun maatschappelijke positie; zij kwamen niet in de soort van woningen,
waarin zij thans vertoefden; zij hadden niet veel goeds gehoord in den
laatsten tijd van hun oud-collega, en aan zijn gezicht zagen zij wel,
dat hij door drankmisbruik tot décadence kwam. Maar toen ze het bericht
ontvingen van den dood van mevrouw Roos, had geen hunner zich
teruggetrokken: de oude krijgsmakkers, sommigen met den gouden kraag
van hoofdofficier, waren gekomen om haar „de laatste eer” te bewijzen,
en zij stonden in de benauwde voorkamer zacht fluisterend bijeen met
gezichten en houdingen, die aantoonden dat ze daar slechts waren uit
een gevoel van piëteit, zonder meer. De straat—voor zoover die nog
bewoond was—liep uit. Wat een rijtuigen! En dan die officieren! Roos
steeg in de algemeene achting. Allen gevoelden wel, dat hun zoo’n mooie
begrafenis niet zou ten deel vallen!
Aan het graf ging het stil toe. Roos stond als versuft, daar hij nog
geen bittertje had gehad, volkomen abnormaal en buiten staat te denken,
met gebogen hoofd en glimmend gezicht de kist na te kijken, die op de
touwen met een dof gedruisch werd neergelaten in het donker slijkerig
gat, waaruit een benauwde grondlucht opsteeg.
Alles verliep voor hem werktuiglijk. Hij knikte maar met het hoofd, als
iemand zijn hand, die hij slapjes ophield, drukte, en oude bekende
stemmen, hem met een kort woord „sterkte”, „kracht”, „’t beste”, of
„God zegen je” wenschten; dan knikte hij maar en zei soms „merci!”, tot
de slijter, die een erg gelegenheidsvertoon maakte in
gelaats-uitdrukking en gebaren, hem onder den arm nam en met heel veel
voorzichtigheid wegleidde van het kerkhof, als was hij bang dat Roos
onderweg zou omvallen of beschadigen.
De straat was zeer verwonderd toen ze al die heeren en officieren niet
zag terugkeeren; daar was op gerekend ook in het sterfhuis, waar een
groote schaal met sandwiches stond te wachten met „gefiltreerde”
koffie,—een idee van de vrouw van den kamerdienaar aan het hof, die
meende dat gewone broodjes met vleesch voor deze gelegenheid te
ordinair waren. Maar de buren zelf en nog enkele „vrienden” handelden
alsof ze van de bij het kerkhof naar huis gegane officieren generale
procuratie hadden voor het eten van sandwiches. Roos had zich met
bevende hand een bittertje ingeschonken en het met virtuositeit
weggewipt; hij zuchtte van genot; dat was toch maar alles! Na de derde
editie verminderde het beven, en toen ging hij mee in de voorkamer
zitten, waar men een uur later elkaar haast niet zien kon van den
sigarenrook, terwijl onder het genot van cognac voor de heeren en
likeur voor de dames, luid werd gesproken en gelachen, als moest de
achterstand zoo spoedig mogelijk bijgewerkt worden.
Tusschen kapitein Roos en zijn dochters had zich langzamerhand een
gespannen toestand ontwikkeld. Zij waren niet meer de op commando
gehoorzamende kinderen, die met een: „Ajo marsch!” weggezonden konden
worden. Het was zijn eigen schuld. Van den tijd, dat zij hem elken
avond zalig thuis zagen komen, was alle achting verdwenen, en terwijl
Corrie nog van hem bleef houden, al was het niet veel, en hem nog
behandelde als haar vader en het hoofd des gezins, gaf Nelly, die
harder en driftiger van karakter was, hem onverholen haar diepe
minachting te kennen. Dan vloekte hij, en sloeg met de hand op de
tafel; eens zelfs had hij zijn wandelstok opgeheven en toen had Nelly
den steel gegrepen van een kastrolletje met kokende melk, dat op het
petroleum-toestel stond, en hoogst irreverentelijk verklaard, dat zij
dit haar voorzaat in het gezicht zou gooien, als hij haar sloeg. Roos
zag dat zij het doen zou, en trachtte door een waardig terugtrekken vol
minachting, den aftocht te dekken. Maar hij zat er van dat oogenblik
diep onder.
’s Avonds toen de meisjes in bed lagen, dicht bij elkaar met de dekens
over haar neuzen, spraken ze weer van haar moeder en ze klaagden zacht
over haar verlies, maar toen het uit was, kwamen ze op haar eigen
toestand.
„Wat doe jij?” vroeg Corrie.
„Ik weet het nog niet. Wat ik wèl doen zal, weet ik niet, maar wat ik
niet doe, is bepaald.”
„Je wilt weg?”
„Asjeblieft! Voor geen geld blijf ik hier langer in huis.”
„En de kinderen?”
„Moeten wij daarvoor zorgen? Zijn het misschien onze kinderen?”
„Neen maar!”
„Gekkin! Zorgt hij voor de kinderen? Heeft hij voor ons gezorgd?”
„Gezorgd heeft hij zeker niet.”
„Weet je, het is zijn schuld niet, dat we niet bepaald slecht zijn
geworden, en ronduit gezegd: ’t kon mama ook weinig schelen.”
„Foei Nel.”
„Corrie, wees nu niet zoo flauw. Je weet heel goed, dat ik gelijk heb.
Ze hebben ons allebei laten loopen voor wat er van komen wou.”
„Maar dat hebben we nooit zoo heel onpleizierig gevonden.”
„Neen,” zei Nelly met een korten lach, „da’s waar.”
„En als ze ons aan een erg kort lijntje hadden gehouden, dan was het
nog de vraag of het zou geholpen hebben.”
„Geholpen, nu ja! Ik weet, wat ik weet. Wij hoeven elkaar niets te
vertellen, Cor, en ons waarachtig tegenover elkaar niet slechter voor
te doen, dan we zijn.”
„Dat doe ik ook niet. Ik zou heel graag een man hebben en ’t kan me
niet schelen wien, als ik maar te eten heb, mooie kleeren, niet te
werken en geen kinderen.”
Nelly gaf in stilte lachend een stomp in de vleeschmassa harer zuster.
„Je bent net een varken,” zei ze.
„De pot verwijt den ketel dat hij zwart ziet,” gichelde Corrie terug.
„Adoe! Stomp me toch niet zoo of ik geef je ’n schop!”
„Neen, maar zonder gekheid, Cor: ik ga het huis uit.”
„Maar kind, waar moet je heen?”
„’t Kan me niet schelen. Alles liever dan hier te blijven bij mijn
dronken vader en een troep verwende bengels van broertjes en zusjes.”
„En bij mij dan!” zei Corrie spottend.
„Bij jou, dik beest!” ging Nelly stompend voort. „Jij, die geen hand
uitsteekt en mij maar voor asschepoestertje laat spelen.”
„Lieve Hemel! Jij doet ook wat! ’t Is me een mooi boeltje hier! Weet je
wat ik die mevrouw van hiernaast hoorde zeggen?”
„Die juffrouw bedoel je.”
„Nu dan, die juffrouw die getrouwd is.”
„Wel, wat zei ze dan?”
„Ik weet het niet goed, maar er kwam iets in van een kardoes en van een
bende.”
„Soedah, ’t kan me niet schelen; die kardoes was jij zeker.”
„Of jij.”
„Ook goed; ’t is me hetzelfde. Weet je wat we moesten doen?”
„Nu wat?”
„We moesten van papa elk duizend pop zien te krijgen.”
„Maar Nel, ben je heelemaal!.... Hoe zou de man er aan komen? Hij bezit
geen duizend centen.”
„Da’s niks; hij moet maar voorschot nemen op zijn pensioen; die man uit
het jeneverkantoor, die hem altijd dronken maakt, zal het wel willen
leenen.”
„En dan?”
„Dan gaan we naar Indië.”
„En de kinderen?”
„Die doet hij in een weeshuis, dat is heel gemakkelijk.”
„Kasian!”
„Waarom? Ze hebben het beter dan thuis. Papa kijkt in het geheel niet
naar hen om. Ik verdraai het en jij,—nu ja, jij bent net ’n goeie! ’t
Zou hier ’n mooie geschiedenis worden, als ik alleen wegging en jij
zonder mij achterbleef. Ik zal maar niet zeggen wat!”
„Hou jij je nu maar goed. Je bent ook ’n lievertje, zeg!”
Zoo maakten ze stil ruzie onder de dekens in de duisternis, elkaar van
allerlei verwijtend, waar en onwaar, tot ze weer terugkwamen op het
denkbeeld om samen naar Indië te gaan; „Tjari laki”, zooals Corrie
gichelend zei.
De meisjes sliepen reeds lang, toen Roos nog op en neer liep in de
huishoudkamer, die gemeenschap had met het vierkante hokje, waarin zijn
ledikant stond en dat alkoof heette. Hij had dien avond zijn gewonen
roes niet, en hij had dien reeds sedert den dood zijner vrouw niet
gehad; hij meende het ook wel te kunnen doen met „klare” jenever met
water, apenmelk, zooals hij ’t noemde. Maar het ging toch niet. Gewoon
aan de lekkere rum, stond hem het ordinaire goed nu geweldig tegen; na
eenig aarzelen kleedde hij zich, verliet in den laten avond stil het
huis, liep met zijn kraag in de hoogte naar den naasten drankwinkel,
kocht er een flesch rum en keerde met groote stappen naar huis terug,
de geliefde aan het hart drukkend. Hij dronk thuis zijn eerste glas met
welbehagen, keek het tegen het licht, bij zichzelven mompelend van
„godendrank” en van „’n edele vrucht!” Hij ging er op zijn gemak bij
zitten met een pijpje in den mond, drinkend en rookend. De drinker won
het op den rooker; reeds lang lag de pijp in rust vóór hem toen hij nog
langzaam en met de domme uitdrukking van bedwelming op het opgezet
gelaat, het eene glas ledigde na het andere, nu niet meer met water,
maar „kring”. Wel trachtte hij nu en dan de pijp weer aan te steken,
maar hij zat vruchteloos te smakken, want hij hield den lucifer een
handbreed er vandaan, tot hij hem liet vallen, als hij zich de vingers
brandde. Het was stil in huis: alles sliep; om ’t half uur sloeg de
Amerikaansche klok met luiden metaalklank; hij hoorde het nog tot
halfdrie, toen zonk hij langzaam van zijn stoel af op het vloerkleed en
lag daar als een zware onbeweeglijke massa, waaruit een heesch geluid
bij het snorkend ademhalen en een akelige benauwende dranklucht
opstegen.
Nelly haalde haar zuster, die altijd langer sliep, den volgenden morgen
uit het bed.
„Kom nu toch eens mee!” zei ze heftig.
Corrie, slaapdronken en met haar dikke beenen over den ijzeren rand van
het ledikant getrokken, wreef haar oogen.
„Och, laat me toch met rust; ’t is nog zoo vroeg!”
„Slaapkop, word toch wakker. Je moet nu toch eens meekomen om het
schandaal te zien.”
Dat woord deed Corrie ontwaken.
„Wat is het dan?” vroeg ze nieuwsgierig, opstaande.
Maar Nelly ging de kamer uit en zij liep haar na, naar de
huishoudkamer.
Roos lag nog altijd op den grond te ronken; de rumflesch op de tafel
was bijna leeg.
„Kom help me maar eens,” zei Nelly vol toorn en verontwaardiging, „dan
zullen we probeeren onzen dronken papa in zijn bed te leggen.”
Ze waren jong en sterk, maar ze hadden er toch moeite mee; zij stootten
zijn hoofd bij ongeluk zoo hard tegen een stoel, dat ze er van
schrikten; maar hij voelde er niets van en werd geen oogenblik wakker.
„En nu hier blijven,” zei Nelly, „nu door den dood van ma het hek
heelemaal van den dam is?—Ik zou je danken!”
Corrie zuchtte en zei niets.
„Het” lokaal in ’t kleine stadje in het noorden, waar dien avond de
candidaat der kiesvereeniging „Vrijheid en Ontwikkeling” als spreker
zou optreden, was vol kiezers, meest boerenlieden uit den omtrek, maar
die voor deze gelegenheid hun Zondagspak voor den dag hadden gehaald en
wier gezichten kleurig als de wijnappelen in hunne boomgaarden boven de
breede zwartsatijnen dassen uitstaken. Hier en daar een gewoon
burgerheer, de notaris, de secretaris, de ontvanger en zoo. Men was in
die streek heel erg liberaal, behalve op ’t stuk van belastingen. De
naam van den candidaat was algemeen geacht; hij behoorde tot eene
deftige familie van grondeigenaars de père en fils; persoonlijk kenden
hem maar weinigen; hij was eerst aan de academie geweest en toen,
niemand wist waarom, maar zeker niet uit eenigen nooddwang naar
de-n-Oost gegaan. Nu was hij terug en hadden zijn bloedverwanten hem
candidaat gesteld. Het was, meenden allen, opperbest. Neen, ze zouden
hem kiezen, dat stond vast; men behoefde hun niet te vertellen wie de
Fourniers waren; dat wist een kind wel. De spreekbeurt was dus meer
voor den vorm: men moest toch zijn candidaat eens hooren! En dan: het
was toch eigenlijk ook wel noodig, meenden zij, want iemand die in
de-n-Oost geweest was,—men kon nooit weten! daar kwamen zulke rare
menschen vandaan.
Toen Fournier, die zich op aandrang van zijn familie en vooral van
Hortense de candidatuur had laten welgevallen, de zaal binnentrad, kon
hij eerst haast niet zien van den tabaksrook. Hij werd voorgesteld,
drukte vele handen, was „heel aardig” in zijn manier van spreken, en
ging den katheder op met de zekerheid van iemand, die een vak verstaat,
waarbij het spreken voor het publiek behoort. ’t Was de eerste maal
niet, dat hij als redenaar was uitgenoodigd. In een andere vereeniging,
waar men uitsluitend sprak over Indische aangelegenheden, was hij
meermalen „uitgenoodigd” door de leden van het bestuur, maar hij had er
zich altijd op de een of andere wijze afgemaakt. Dáár te spreken, dacht
hij, was allesbehalve le moyen de parvenir.
Hij keek eens rond voor zoover de dikke rookwolk het veroorloofde, en
hij moest zich bedwingen om niet te hoesten, zoo sloeg hem de
onaangename lucht van het Amersfoorter bocht op de borst. Maar hij
wilde niet hoesten, om geen indruk van lichamelijke zwakte te geven;
hij hield zich goed en ving zeer bedaard, langzaam en duidelijk zijn
rede aan.
Zij konden het opperbest verstaan, de kiezers, en er waren er, die
elkaar toeknikten; zóó mochten zij het hooren; dat ten minste kon
iedereen verstaan.
En wat was hij liberaal!
Hij wilde onderwijs van den Staat, armverzorging door den Staat en nog
heel veel meer; maar hij wilde vermindering van belastingen, vooral op
’t stuk van grondlasten.
Fournier zei dat alles, nu en dan, voor den indruk, er een paar
Latijnsche woorden tusschenduwend.
En terwijl hij daar stond te oreeren over dingen, die hem haast in ’t
geheel niet interesseerden, en waar hij eigenlijk, indien hij er een
studie van had gemaakt, een heel andere opinie van zou gehad hebben,
kwam hem met onweerstaanbare kracht zijn eigen beeld voor den geest;
het beeld zijner persoonlijkheid als jong rechterlijk ambtenaar. Wat
had hij toen een eigen meening, en wat hechtte hij daar een waarde aan!
Voor geen schatten zou hij er afstand van hebben gedaan, en hij
verachtte diep ieder man, die niet sprak naar heilige overtuiging.
Het scheen hem lang, zeer lang geleden; ’t was of hij dacht,—in dit
soort van dualisme pratend voor het publiek en te gelijk denkend over
iets anders,—aan een gansch ander man, hem geheel vreemd.
„Wij moeten de handen ineenslaan,” ging hij plotseling op luiden
declameerenden toon voort, met stille woede het pak zijner vroegere
ideeën terugdringend en overstemmend. „Wij moeten al onze krachten
inspannen tot verdediging en handhaving der vrijzinnige beginselen, die
vooral het noorden van ons dierbaar vaderland bezielen, en het zoo
krachtig doen medewerken tot beschaving en veredeling van ons nationaal
volksleven.”
Weer knikten de kiezers elkaar toe; de gouden ringetjes om hun dikke,
ronde oorlellen dansten op en neer en schitterden in het licht. Dàt
waren zij, die medewerkers tot beschaving en veredeling! O, maar ze
wisten het reeds lang! Vroegere candidaten hadden het immers ook
gezegd.
Zij drukten hem allen met warmte de hand toen hij had uitgepraat, en
zoo hij al niet heel zeker was van hun roeping tot veredeling van ons
nationaal volksleven,—tot het hanteeren van den vaderlandschen ploeg
waren zij ongetwijfeld in staat; dat voelde hij.
„We zullen er verder maar niet veel drukte over maken,” zei lachend de
burgemeester. „Gaat u met mij thuis soupeeren?”
Veel lust had Fournier er niet in, maar wat zou hij doen? Hij was
immers de candidaat, en als zoodanig weigert men niet bij den
burgemeester te eten.
„Wel?” vroeg Hortense, hem hartelijk omhelzend toen hij thuiskwam: „hoe
is ’t gegaan?”
„Och zoo! ’t kwam zoo ongeveer uit als ik gedacht heb.”
„Waren er veel heeren?”
„Neen, heel weinig.”
„Hè?”
„Maar boeren waren er des te meer.”
„Nu ja, ik bedoel natuurlijk kiezers,—publiek enfin!”
„Het is ’n raar troepje.”
„Foei, Gérard!”
„Kind, wees toch verstandig en tracht niet jezelve iets wijs te maken.
Ik geloof niet, dat ik mezelven ooit dieper heb geminacht, dan toen ik
voor die menschen allerlei common places opdreunde, ja hen zelfs gewoon
voorloog.”
„Ajakkes, vent!” riep Hortense met een teleurgesteld gezicht, een
toetje makend van haar mond, „wat kan je toch nare dingen zeggen.”
„Maar ware!”
„Dat denk je maar. Je hebt toch ook wel geweten wat het was, en je zei
nog zelf, dat je niet in die andere vereeniging als spreker wou
optreden vóór je ’n plaats in de Kamer had.”
Hij haalde de schouders op.
„Wat heeft nu dat er mee te maken?”
„’t Is alleen maar, zie je, dat je nu op die kiezers niet moet smalen.
Ik vind het beste menschen.”
„Charmante kerels,” zei hij half lachend. „Je moet ze eens op de thee
vragen. Ze dampen in een kwartier alles zwart met hun stinkende tabak.”
„Men kan een eenvoudig mensch wezen en slechte tabak rooken.....”
„Stance-lief, schei nu uit, ja? We weten volkomen juist waarop het
staat. Ik moet lid der Kamer worden, dass ist bestimmt in Gottes Rath,
en in die van jou en de familie.”
„’t Is volstrekt niet aardig van je. ’t Is net of wij je dwingen tot
een opoffering.”
„Volstrekt niet. Ik ben al zoover, dat mijn eigen ijdelheid er zeer
door zal gevleid zijn. Maar geloof me, Stance, er zijn momenten, waarin
ik walg van mijzelven; waarin ik het betreur, dat ik ’s lands dienst
heb verlaten om in de praktijk te gaan. Het is waar, dat men in dien
dienst veel kostbaren tijd met onbeduidendheden vermorst en men er
maatschappelijk alles moet ontleenen aan zijn betrekking; de betrekking
absorbeert den persoon; zij is alles, hij niets; zij merkt hem
tegenover het publiek met een onverbreekbaar rangnummer; achter nummer
tien of vijftig kan een groot man staan, achter nummer één of twee een
nul; ’t doet er niets toe; het nummer geeft de waarde aan.”
Hortense begreep het niet best; zij was nooit sterk geweest op het punt
van vergelijkingen. Zij haalde zwijgend de schouders op, volstrekt niet
wetend waar hij heen wilde.
„Doch overigens,” ging hij voort, „is het toch veel waard, dat men op
zijn opinie geen zelfmoord behoeft te plegen; men kan haar als
rechterlijk ambtenaar vrij laten gelden; men moet dat zelfs doen,
tenzij men tot die ongelukkigen behoort, die geen eigen meening hebben
en maar altijd varen naar het kompas van de letter of naar dat van eens
anders meening.”
Met groote belangstelling bekeek Hortense een paar roode vlekjes in den
hals van hun kind; zij onderzocht ze met gefronste wenkbrauwen, ernstig
overwegend of die vlekjes ook iets met mazelen te maken konden hebben.
Naar Fournier luisterde ze in ’t geheel niet meer; zij bleef altijd
veel te veel de dochter van Van Velton om naar zulk onpractisch gezeur
te luisteren.
En Fournier, die ook eigenlijk meer tegen zichzelven sprak, uit
behoefte om een formule te geven aan hetgeen hij de laatste dagen vaak
had gedacht en om die formule zelf uit te spreken en ook weer zelf te
hooren, vervolgde:
„Voor iemand, die zich nog iets anders voelt dan een ledepop tegenover
de maatschappij en een komediant tegenover het recht, is de praktijk
onuitstaanbaar. Tegen haar eischen tornt men vruchteloos op. Geen
karakter is er tegen bestand. Men moet zich onderwerpen of heengaan.
Men komt als in een stroom, die medevoert; soms, in het begin, houdt
men een oogenblik worstelend stand; maar de stroom gaat ’t volgende
oogenblik voort en sleurt toch mee, als men er niet meer aan denkt. En
men eindigt....”
„Zou jij denken, Gérard, dat het mazeltjes werden?” vroeg Hortense heel
ernstig.
„’t Is de besmettelijkste ziekte, die ik ken,” ging hij voort, starend
in ’s Blaue en zijn gedachtenloop vervolgend, „men eindigt met den
stroom mee te roeien om het hardst, en het wordt een wedstrijd om de
glorie het best en ’t gemakkelijkst zijn eigen persoonlijkheid te
kunnen vertrappen.”
„Och, wees nu niet zot! ’n Besmettelijke ziekte.... kom!”
„Hm?”
„Hè, wat ben je raar vandaag! Ik vroeg of je denkt dat dit mazeltjes
zullen worden; dit.”
Hij lei zijn vinger op de aangeduide plekjes en keek aandachtig.
„Wel neen.”
„Zoo, en waar zie je dat aan?”
„Och, dat weet ik niet. Het komt mij zoo voor. Ik houd het voor ’n
muggebeet.”
„Ze regeeren anders erg, de mazelen.”
Fournier, dien dag erg uit zijn humeur, werd boos.
„Nu, als je het dan bepaald wilt.....”
„Hè, wat ben je onaardig, Gérard.”
Lachend gaf hij haar een kus.
„’t Was niet zoo gemeend, Stance. Maar je moet je niet ongerust maken
voor niemendal.”
„Zoo! Is ons kind niemendal?”
„Neen, maar mazeltjes, dat geen mazeltjes zijn.”
„Ik wou toch zoo graag, vent, dat je gekozen werdt.”
„Ja, dat weet ik. Ik had vroeger nooit gedacht, dat je zoo’n belang
stelde in het Nederlandsche volk.”
„Groote goden ja!” antwoordde zij lachend: „dat volk interesseert me
erg!”
Hij wist wel, dat slechts ijdelheid haar drijfveer was, en de zijne
stond maar weinig hooger. Sedert Louise gravin De Riquelle was, had
Hortense geen vuriger verlangen dan een of andere verheffing voor haar
en haar man. Een graaf was van hem niet te maken, dat stond nu eenmaal
vast. Hoe knap hij ook was, hoe verstandig en rijk aan ervaring, en hoe
erg gewoon de intellectueele ontwikkeling van den ritmeester
daartegenover stond,—het baatte niets; de liefelijkst kweelende
nachtegaal kan nu eenmaal geen goudvink worden. Zij moesten het dus
vinden op ’t maatschappelijk gebied; dáár was hun terrein, en Hortense
vond dat iemand, die lid was van de Tweede Kamer, een groot man mocht
heeten en dat zoo’n lidmaatschap tegen een altijd toch betrekkelijk
nominaal graafschap best kon opwegen.
Zij was toen de dag aanbrak zenuwachtiger dan Fournier.