dadelijk groote drukte, hij met het pakken van zijn koffers, zij met
allerlei voorbereidende maatregelen; zij gunde zich nauwelijks den tijd
hem „behoorlijk” goeden dag te zeggen, toen hij in het rijtuigje stapte
om zich naar den trein te laten rijden, en het trof hem, dat zij niet
op ’t balkon bleef staan om hem nog in de verte te groeten, gelijk in
vroeger jaren zijn vrouw deed in Indië in de voorgalerij als hij op
reis ging. Met zulk een verhuisboel alweer voor den boeg, had Henriëtte
wel aan iets anders te denken, dan aan „liefheid”. Zij was al begonnen
met uit de rommelkamer achter in den tuin eenige koffers te laten halen
om die met de hulp van de meid vast vol te pakken met goederen, die ze
toch niet meer noodig had. Terloops had ze nog even geluisterd naar het
fluiten van den trein heel in de verte, en ondanks ’t weer zoo’n warme
dag was, ging ze voort met haar bezigheden, zoodat de morgenuren
omvlogen en de kinderen haar plaagden om toch iets te gaan eten.
Zij gaf de meid last om de tafel in de tuinkamer gereed te maken, en
ging zelve naar haar kamer om haar handen te wasschen, die stoffig
geworden waren van het pakken in de koffers. Ze wierp haar kabaja uit
en plaste haar fraaie armen in de groote lampetkan, zonder er op te
letten dat achter haar de deur werd geopend en iemand binnenkwam.
Toen Henriëtte de oogen opsloeg, zag zij het beeld der binnengekomene
in den spiegel. Zij schrikte zoo geweldig dat het maar weinig scheelde
of zij verloor haar bewustzijn. Met het instinctmatig geloof aan een
visioen, aan een spel der verbeelding, keerde zij zich snel om, en
stond toen niet tegenover het spiegelbeeld, maar tegenover de persoon
zelve. Een ijzige kou ging haar door de leden. Wat haar altijd het
ergste van alles had toegeschenen, wat zij meende dat het vreeselijkste
oogenblik zijn moest in haar leven, en waaraan zij thans en hier in het
minst niet had gedacht, geschiedde plotseling en als ’t ware
geheimzinnig: een ontmoeting met mevrouw Mourant. Het was natuurlijk de
eenvoudigste zaak ter wereld voor een netgekleede dame een huis binnen
te gaan, de meid te zeggen dat het onnoodig was haar aan te dienen en
de deur te openen van een kamer; maar in den plotselingen toestand van
zenuwoverspanning, waarin Henriëtte geraakt was, scheen het haar dat
mevrouw Mourant als een geest was neergedaald en op supra
naturalistische wijze een illustratie vormde van de doordringbaarheid
der stof. Zij beschouwden elkaar een oogenblik. Mevrouw Mourant bekeek
de mooie jonge vrouw, wier fraaie lichaamsvormen, zooals ze daar stond
in een sluitende koetang met een smal kantje, allervoordeeligst
uitkwamen, en zoo zij niet vergaf, zoo zij haatte,—zij begreep beter
dan ooit, zij gevoelde met haar kennis van Mourant’s karakter en
eigenschappen, dat als hij eenmaal door zulk een keten was geboeid,
voor haar alles voorbij was, onherroepelijk voorbij. En Henriëtte, die
in ’t geheel niet dacht, gevoelde iets over haar komen, iets kleins en
nietigs; het was haar te moede als toen ze een klein meisje was, dat in
de voorgalerij bij mevrouw Mourant kwam spelen met al het moois, dat
het toen jonge kinderlooze echtpaar voor haar kocht en bewaarde. ’t Was
voor een moment of alles wat tusschen haar en Mourant was voorgevallen,
wegdreef op die herinnering, en zij nog, als vroeger, naar die vrouw
met haar verstandig en oprecht gezicht kon gaan, haar de armen om den
hals kon slaan en haar kussen, zooals ze dat wel eens gedaan had toen
ze nog klein was. Zoolang zij mevrouw Mourant niet had gezien, had zij
zich ingebeeld, dat ze haar haatte en sprak ze met Mourant minachtend
mee over „zij” en „haar”,—maar nu „zij” daar voor haar stond, schoon
verouderd en grijzend, nog altijd hetzelfde goede beeld van zedelijke
rust en psychische kracht,—nu overstelpte een groot gevoel van
droefheid ’t hart der jonge weduwe; nu scheen het alsof zij haar liever
had dan hem; alsof zij hem met een wreed genoegen en een machtige
onverschilligheid zou hebben opgeofferd, om met een gerust geweten van
haar weer de moederlijke genegenheid en de hartelijke opofferende
vriendschap te kunnen genieten, die de zonneschijn was geweest harer
eerste meisjesjaren. Zij stond voor mevrouw Mourant met neergebogen
hoofd en slap langs het lichaam neerhangende armen; haar borst ging in
de onregelmatige beweging van een heftig ademhalen op en neer, en ze
slikte telkens bij haar pogen om de tranen terug te dringen, die heet
in haar oogen drongen, door een droefheid, den eersten schrik
vervangend en lijdenstrekken plooiend om haar mond.
Zij was zoo’n sensueele natuur niet. Zij had alleen boven de
Europeesche en Christelijke moraal, waarin zij tel quel was
grootgebracht, van haar voormoeders de Oostersche geringschatting
geërfd van ’t sexueel verkeer en ook de zinnelijke nieuwsgierigheid.
Waar die laatste was bevredigd, en gekwetste ijdelheid de waarde van
den eersten niet opdreef tot een hoog gestemden, voor niets
terugdeinzenden naijver, daar had dat verkeer zijn waarde grootendeels
verloren en stond achter, enkele oogenblikken van bevrediging
uitgesloten, bij haast alles wat het leven gaf; bij huishoudelijk
leven, bij eten, drinken, kleederen, meubelen, partijen en gezelschap;
bij vriendschap zonk het geheel in het niet.
En als het gevoel van gekrenkt en beleedigd, bedrogen en verraden te
zijn, niet in het hart van mevrouw Mourant had gezegevierd boven elken
anderen drang; als zij zich niet zoo erg de dupe had gevoeld van dat
jonge vrouwtje, dat zij, ze wist het wel, nog domineerde en overtrof in
alles wat geen jeugd en lichamelijk schoon was,—dan zou ze weer
vriendelijk en lief zijn geweest tegen haar als vroeger. Maar dat
overwoog of gevoelde zij niet; zij hield niet op haar te beschouwen van
het hoofd tot de voeten, en zoo dit haar de zekerheid gaf, dat ze voor
goed verslagen was, het gaf haar in zoover een troost dat het een
physiek natuurlijke nederlaag was.
„Is Mourant hier?”
Het was voor de eerste maal in haar leven dat zij tegen Henriëtte niet
sprak van meneer Mourant.
„Neen, hij is vertrokken.”
„Waarheen?”
„Naar Den Haag.”
„Om wat te doen?”
„Ik weet het niet.... ik denk dat hij.... misschien is zijn
bedoeling....”
„Ik zou maar de waarheid zeggen; je behoeft mij niets te verzwijgen.”
„Hij wilde te Brussel gaan wonen.”
„Zoo. En jij gaat ook naar Brussel?”
„Ja,” antwoordde Henriëtte nauwelijks hoorbaar.
En toen ontstond een geweldig rumoer op den corridor; een der kleintjes
had verteld dat „tante” er was, want hij had haar in de verte zelf
gezien. Nu kwam ’t viertal aan in volle Indische vrije dressuur, zonder
kloppen naar binnen, met blijde gezichtjes, lachende zwarte oogen en
opgestoken kleine handen; ze kwamen op haar af en sprongen als ’t ware
tegen haar op; ze hadden haar lange afwezigheid niet eens
opgemerkt,—dat doen kinderen zoo niet; maar nu de lieve „tante” er was,
die hen aan boord altijd zoo verzorgde, waarmee ze zoo’n pleizier
hadden en die zoo mooi vertelde,—nu herinnerden zich de kinderen dat
weer levendig en ze verwelkomden haar met een juichkreet.
Mevrouw Mourant streed niet tegen het overweldigend gevoel, dat in haar
opkwam; ze ging op haar hurken zitten, nam de kinderen in haar armen en
kuste ze met den hartstocht der droefheid.
Maar het beurde haar toch op; ’t gaf een oogenblik van verlichting; een
gelegenheid om op heur verhaal te komen. Ze stond langzaam op, mevrouw
Mourant, bracht de kinderen buiten de kamer en zond ze naar den tuin,
belovend dat ze straks terug mochten komen, en belovend ook dat zij
blijven zou den heelen dag. Toen kwam ze terug bij Henriëtte, die
intusschen haar kabaja had aangeschoten, maar van zenuwachtigheid de
knoopjes niet dicht kon krijgen.
„Wanneer is Mourant naar Den Haag gegaan?”
„Van ochtend met den eersten trein.”
„Ik had je het verdriet kunnen besparen.”
Henriëtte klemde de lippen opeen en keek, ’t hoofd afwendend, door het
venster naar buiten. Zij wist niet hoe het kwam of wat haar aandreef,
maar ze voelde een lafhartigen lust Mourant af te vallen en te
verloochenen; naarmate die bekende en van vroeger geliefde stem haar
langer in de ooren klonk, werd die aandrift, waartegen zij eerst
streed, sterker en onweerstaanbaarder.
„Het was geen verdriet voor me.”
De groote oogen met smalle groefjes in de huid der leden boven en onder
het been der holten, werden grooter van verwondering.
„Ik heb je al gezegd, dat je voor mij niet behoeft te veinzen.”
„Ik veins niet.”
„Maar ongelukkig schepsel,” riep mevrouw Mourant met plotselinge
hevigheid: „wat bedoel je dan?”
„Ik wou dat er niets gebeurd was; nooit iets. Ik had zoo’n ongelukkig
leven met Veninga!”
„Je wist hoe kort dat duren zou.”
„Elke dag was lang. U weet niet wat het is. Men heeft u nooit verdacht,
geloof ik.”
Er kwam een harde uitdrukking over ’t gezicht van mevrouw Mourant.
„Ik heb er nooit aanleiding toe gegeven.”
„Ik ook niet!” riep Henriëtte, haar gezicht nat van tranen toonend.
„Toen niet, toen nooit! Maar als men elken dag van den ochtend tot den
avond niets hoort dan de geraffineerdste verwijten, dan ruw en ronduit
de beschuldiging van ontrouw, dan weet men op het laatst niet meer wat
men doet; dan zou men den eersten den beste, die lief en vriendelijk
was en het er op toelei....”
„Houd den mond maar. Ik ken dat. Het is ’t gewone excuus. De een is zoo
arm, de ander heeft zoo’n onaangenaam leven, de derde werd door mooie
beloften bedrogen,—ik ken dat. Het zijn allemaal praatjes, anders
niet!”
„O, zeg dat niet, mevrouw! Het is waarachtig waar; het was geen liefde
of voorkeur van dien aard.”
„Dus je houdt niet van hem?”
Langzaam schudde Henriëtte het hoofd; ze keek mevrouw Mourant vlak in
het gezicht.
„Neen!” zei ze.
„Het kan mij ook eigenlijk niets schelen. Het is eenmaal gebeurd en ik
heb besloten mij er niet langer tegen te verzetten. Ik ben hier gekomen
om dat te zeggen. Ik had het even goed kunnen schrijven of beter nog:
laten schrijven, maar ik was nieuwsgierig om dit nestje eens te zien.
Nu heb ik het gezien, nu weet ik wat ik wilde weten, en ik groet je.”
Zij ging de kamer uit, stil zooals ze gekomen was.
Henriëtte was onbeweeglijk voor het venster blijven staan. Zij zag haar
door den tuin gaan, vergezeld van de kinderen, die haar wilden houden
en luid protesteerden tegen het vertrek; zij zag haar rustig
voortwandelen onder haar bruin-zijden pajong, nu en dan bukkend om een
der kleine jongens een handje te geven of een zoen; zij weende nog een
paar minuten, waschte haar gezicht opnieuw en ging toen naar de
tuinkamer, waar zij met smaak at en met de kinderen sprak over „tante”,
die zoo ondeugend was om dadelijk maar weer weg te gaan.
Fournier en Hortense deden een groote reis door Europa; zij reisden
samen en genoten van het leven, van hun kind en van elkaar. Zij was
geheel opgefleurd met rozen op de wangen, zooals die daar vroeger nooit
hadden gebloeid. Hun tocht door de Alpen was een aaneenschakeling van
genietingen; ze waren geen ras-touristen, die verschrikkelijke
klimpartijen waagden; er was, vonden zij, zooveel moois te zien zonder
bovenmatige inspanning, dat men niet meer kon verlangen. Toch deden ze
vrij verre uitstapjes tot zelfs in den nacht als het koud glinsterend
schemerschijnsel der maan al wat omhoogstak in de lucht verzilverde, al
wat inzonk met roetzwarte schaduw sloeg. Ze stonden op vóór den dag en
gingen met hem ter ruste; het was, vond Hortense, de gelukkigste tijd
haars levens. En dat vond Louise ook op het rustige groote buiten, waar
zij vertoefde met haar man den ritmeester, die verlof had gekregen. Zij
was zoo kalm gelukkig, als ze zich nooit te voren had gevoeld; zij had
in Riquelle haar man gevonden en de zekerheid was over haar gekomen,
dat daarmee alles voor haar leven was gezegd. Zij hield veel van hem,
niet als een romantisch meisje, dat van ideale aesthetische liefde
droomt, maar als een gezonde vrouw, die het geluk heeft gehad haar
andere helft te ontmoeten en nu gevoelt, dat aan den hoogsten
levenseisch is voldaan. Want zij was er zeker van, dat ze gelukkig met
hem zijn zou, blijvend gelukkig. Zijn geheele persoonlijkheid, zijn
eenvoudige rustige figuur, zijn openhartig gezicht en zijn niet
hoogvliegende maar correcte begrippen, waarborgden dat. Men had haar
spoedig „opgenomen” in de kringen, die de Riquelle’s frequenteerden;
het was goed gegaan, bijzonder goed zelfs. En nu waren zij hier, en zij
wandelde in de donkere breede lanen van het park, onder de reuzeneiken,
aan den arm van Riquelle in een licht zomerpakje en met een stroohoed
in de hand en zelf gekleed in licht gebloemde mousseline, die met een
sleep zacht ruischte over het pad. Ze waren eindelijk alleen en ze
genoten er van als volop gelukkige lui.
„Wat is dat voor ’n aardig huisje daar in de verte?” vroeg zij haar
kamenier, wijzend naar het optrekje, waar Henriëtte gewoond had en dat
met enkele plekken grijs en wit door het groen gluurde.
„Het staat leeg. Er heeft een dame uit Indië gewoond.”
„Ah!”
„Zij woonde er met haar kindertjes; ze was jong en mooi.”
„Zoo.”
„Ja mevrouw. En er kwam heel dikwijls een meneer uit Den Haag.”
„Och.”
„Die meneer heette Mourant en zij was een weduwe; een zekere mevrouw
Veninga.”
Geen trek bewoog op ’t gelaat van Louise, die de kamenier rustig met
kappen liet voortgaan. Ze maakte alleen een lichte beweging met de
schouders.
„Nooit hooren noemen,” zei ze.
„’t Waren toch, behalve die rare visite van dien meneer aan die
mevrouw, menschen van stand. Die meneer Mourant zag er zeer deftig uit;
de mevrouw was rijk; het ging er, al woonden zij in dat kleine huis,
alles erg royaal.”
Maar mevrouw Riquelle zei geen woord meer en deed als ging haar al dat
gepraat volstrekt niet aan.
„Die Oostersche menschen,” zei de kamenier naderhand tegen de
keukenmeid, „hebben net ’n bord voor het hoofd. Je kunt nooit iets zien
aan die donkere mombakkesen. Nu weet ik toch zeker, dat zij die mevrouw
Veninga kende, en goed ook, want haar meid stond er zelf bij, toen ’t
mensch de vlucht ging nemen, omdat wij hier kwamen, en nu ik van morgen
over die mevrouw Veninga spreek, doet de onze net of ze van ’t mensch
nooit gehoord heeft.”
Mourant had intusschen wel gelijk gehad, toen hij Louise beoordeelde
naar zichzelven. Ze hadden best in het optrekje kunnen blijven; mevrouw
Riquelle zou hen in ’t geheel niet herkend hebben!
Hij keek vreemd op toen hij in Den Haag van de dienstboden vernam, dat
zijn vrouw juist dien ochtend op reis was gegaan. Het maakte hem
ongerust, schoon hij niet wist waarom, en daar hij toch niets doen kon
om zekerheid te krijgen, besloot hij niet langer thuis te blijven
wachten, dan dien eenen dag. Was zijn vrouw ’s avonds niet terug, dan
wilde hij den volgenden ochtend met den eersten trein naar Brussel
gaan.
’s Middags uit de sociëteit komend, vond hij haar thuis.
„U schijnt pleizierreisjes te maken,” zei hij.
„Ik zou kunnen vragen, wat u dat aangaat.”
„O neen.... mijnentwege!”
„Ik ben naar Vlietwijk geweest.”
Hij werd bleek, fronste nijdig ’t voorhoofd en ging met groote stappen
op en neer loopen, ’t bewijs, dat hij erg het land had.
„Zoo!” zei hij met een booze stemmodulatie.
„Ik heb ’n heel interessant discours gehad met de weduwe van Veninga.”
„Dat zal wel,” vervolgde hij steeds kwaadaardiger.
„Ik meende u daar ook te vinden en ik kwam zelf om een blijde tijding
te brengen.”
Hij was stil gehouden en keek haar wantrouwend aan, maar zweeg.
„De bezwaren, die ik vroeger tegen een scheiding had, zijn thans
opgeheven. Ik stem toe. Dat wilde ik u en de weduwe van Veninga
meedeelen.”
Maar Mourant, die op dit bericht stond te kijken als hoorde hij het te
Keulen donderen, zei nog altijd niets, wantrouwender dan ooit. Wat
moest hij er van denken? Zou het waar wezen? Zou zij inderdaad met de
voorwaarden genoegen nemen? Of was het een bespotting? Zijn oogen
loerden wantrouwend naar zijn vrouw, die rustig voorthaakte. Wat hij
zeggen zou, wist hij op ’t eerste oogenblik niet.
Zij glimlachte met een neertrekkende uitdrukking van de diepste
minachting.
„Het is wonderlijk! Ik dacht door mijn toegevendheid twee menschen al
heel gelukkig te hebben gemaakt. Het tegendeel schijnt waar te zijn.”
„Er zal veeleer niet aan geloofd worden.”
„Wie mij kennen, weten wel dat ik niet lieg. De weduwe van Veninga
geloofde het; ze wist, dat ze geen oogenblik behoefde te twijfelen,
maar ze scheen er niet bijzonder mee ingenomen te zijn.”
Met een kort schamper lachje haalde hij de schouders op. Wat gaf hij om
hatelijkheden! Hij meende immers als advocaat dat hij zich nimmer iets
mocht aantrekken van de schimpscheuten eener tegenpartij, en reeds
sedert lang was hij gewoon zijn vrouw alleen uit dat oogpunt te
beschouwen.
„Het verheugt me zeer,” zei hij op gemaakten toon, „dat je dit
verstandig besluit hebt genomen. Wij kunnen nu wat verder komen.”
„Zeker, en hoe eer hoe liever.”
„U schijnt nu plotseling haast te krijgen.”
„Hoe eer hoe liever, dat zeg ik nogmaals. Het zal me een waar genoegen
zijn u zoo spoedig mogelijk met de weduwe van Veninga getrouwd te
zien.”
„Woudt u wellicht ook hertrouwen?” vroeg hij met een spottenden blik op
haar grijze haren.
„Och, dat doet er niets toe. Ik heb alleen haast om het u te zien doen,
met die jonge weduwe; met niemand anders dan met haar en haar vermogen.
Daartoe wil ik met alle genoegen medewerken. Er is geen schooner middel
om me de voldoening te geven, die ik verlang.”
Het werd hem toch te machtig, en hij ging naar zijn eigen kamer. Nu ja,
het waren maar praatjes van een booze, wraakzuchtige vrouw,—doch
niettemin hinderden ze hem, omdat hij ze in verband bracht met de
onverschilligheid nu en dan van Henriëtte. Wie weet of ze niet samen
gepraat hadden,—maar dat kon toch niet. Als eens.... hij moest er niet
aan denken! Hij moest niet doordenken over zijn meer dan veertig jaren,
qui sonnaient, omdat hij zich in zijn jeugd allesbehalve onbetuigd had
gelaten. Hij moest die dwaze schrikbeelden terugdringen. Wat drommel,
zij was toch waarachtig niet veel gewoon geweest bij Veninga!
In het kleine benedenhuis, dat de familie Roos in den diepsten
achterhoek van den „Indischen Archipel” bewoonde, was het zeer stil. De
kinderen waren bij een der buren, een kamerdienaar of zoo iets aan het
hof, met wiens finantiëele positie die van den gepensionneerden
kapitein ongeveer op één lijn stond. De groote meisjes, die thans van
school waren, zaten in oude jurken met winkelhaken en scheuren er in,
elk aan een kant van het bed, met roodgeweende oogen, maar in de kracht
harer buitengewoon ontwikkelde lichaamsvormen, haast berstend uit de
oude, vette japonnen en ondanks hun slordige onverschilligheid de
incarnatie van ’s lands welvaren. En te midden van een weelderigen
rijkdom nog altijd gitzwart haar lag op het beduimelde kussen het vaal,
vermagerd gezicht van haar moeder, die ze zwaar en reutelend hoorden
ademhalen.
Corrie klemde haar handen angstig samen en boog zich voorover naar haar
zuster.
„God, God, Nel, ik wou dat pa kwam. Ik ben zoo bang!”
„Houd je stil!” antwoordde Nelly met een diepen zucht.
„Waar zou hij zijn?”
„Weet ik het! Hij is immers haast altijd de deur uit.”
„Zouden we geen dokter kunnen roepen?”
Nelly haalde de schouders op met een bedroefd gezicht, dat voor de
honderdste maal op schreien stond.
„Waar? Het is zoo ver, en de dokters zijn niet thuis. Ach! en het zal
haar toch niet helpen!”
Zij zwegen weer en zagen, met een arm op den rand van het ledikant
geleund, naar de stervende moeder, die geen ander geluid gaf dan het
mechanische door haar belemmerde en vernauwde luchtpijp teweeggebracht.
Zij had het hard te verantwoorden, maar ze voelde het niet. Ze was vèr,
vèr weg buiten de schraal gemeubelde kamer in de koude, „fatsoenlijke”
achterbuurt van de nieuwe hofstad; zij had, sedert zij ziek was
geworden en niet meer uit kon gaan om het partijtje te maken, dat zoo
krachtig tot hun achteruitgang had meegewerkt, aanhoudend haar oude
visioenen over Indië weer gehad, en het was of die sterker werden
naarmate haar lichaam, door de ziekte ondermijnd, verzwakte. Maar dien
dag, terwijl ze daar lag in een halve verdooving, niet bij machte zich
te bewegen of zelfs de oogen te openen, was alles verwarder, en ze had
daarover een flauw gevoel van verwondering; er kwamen geen bepaalde
voorstellingen meer voor haar geest; het warde alles dooreen in den
warmen zonneschijn; de hooge klapperboomen, de lage pisangs, de
weelderige varens, de dispenskasten, de baboes,—het dwaalde alles rond
in een flauwen onbestemden chaos met nevelachtige, samensmeltende
lijnen en ineenvloeiende kleuren; het was om te lachen zoo dwaas, en de
zwakke weerschijn van een glimlach plooide de akelig strak gespannen
huid op haar magere kaken.
„Ze lacht,” zei Corrie met een harden snik en den arm grijpend van haar
zuster; samen bogen zij zich voorover en kusten het gezicht harer
moeder, waarlangs haar groote tranen afrolden.
Daar scheen de zieke toch iets van te bemerken, want de glimlach van
zooeven verdween en maakte plaats voor een uitdrukking van bevreemding
en angst. Waren dat de meisjes, de kinderen? Zonder dat ze het wist,
had zij de hand opgelicht en rondgetast; de meisjes grepen haar beiden.
Ja, dat waren ze. Een oogenblik werkten de hersenen wat vlugger en
krachtiger als namen ze een aanloopje op den naderenden stilstand. Ja,
dat waren de meisjes, nu hoorde ze haar schreien. Ze wilde wel vragen
waar Roos was, maar ze kon niet. Als zij stierf zouden Corrie en
Nelly.... doch dezelfde verwarring kwam als daareven in Indië; de
beelden van haar man en haar kinderen dwarrelden dooreen in een lichten
nevel, die over haar heenkwam, dikker en donkerder, tastbaar zwart....
Nelly gaf een luiden schreeuw. De glimlach was teruggekomen op het
gezicht harer moeder; het hoofd had even bewogen, zacht krakend had
zich het lichaam uitgerekt en als een onbelemmerde vrije zucht was de
laatste adem uitgegaan.
Zij wierpen zich met hartstochtelijke droefheid op het lijk; zij
noemden haar maatje bij al de lieve namen, die ze haar gaven als
kinderen en die ze al lang vergeten waren; zij kusten haar en smeekten
haar om één enkel woord.....
Toen kapitein Roos de deur van zijn woning met den sleutel opende,
hoorde hij het en stond verlamd van schrik en ontroering wel een halve
minuut stil met den sleutel in de deur.
Bevend, kon hij de deur toen bijna niet achter zich sluiten; hij liep
naar de achterkamer; Corrie kwam hem te gemoet en viel hem luid
weenende om den hals.
„O pa, ze is dood, ze is dood!”
Roos, verschrikkelijk bleek, maakte zich los van het meisje, ging naar
het ledikant en nam de hand der doode in de zijne; hij moest op een
stoel gaan zitten, zoo knikten zijn knieën. Hij had haar vermoord, dat
stond bij hem vast; dat was sedert haar ziekte zijn idée fixe; hij had
haar gebracht in de ellende van een klimaat, waar zij niet tegen kon,
en in een levenswijze, waaraan zij niet gewoon was en niet kon
gewennen. Dat idée fixe bezat hem geweldig, nu ze daar dood neerlag en
het groot aantal bittertjes, dat hij dien ochtend reeds had
„verschalkt”, om „zijn zinnen te verzetten,” scheen mee te werken om
hem in dat akelig idee te versterken.
Hij keek naar de meisjes, die half geknield schreiend voor het bed
zaten, en hij strekte zijn vrije hand uit.
„Daar ligt mijn slachtoffer,” zei hij pathetisch.
Zij weenden stil voort, zonder veel acht op hem te geven.
„Daar ligt mijn slachtoffer!” herhaalde hij op denzelfden toon. „Ik ben
haar moordenaar.”
Nelly, die nogal driftig was, kon het niet aanhooren. Zij stond op, nam
haar vader bij den arm en trok hem weg.
„Ga de kamer uit, leelijke vent. Je bent weer dronken.”
Hij scheen het niet te hooren en bleef onafgebroken naar het bed
staren, steeds op hartbrekenden, maar door den toenemenden invloed van
den drank onvasten, hikkenden toon herhalend: „Daar ligt mijn
slachtoffer; ik ben haar moordenaar.”