Het was een warme zomerdag: warm en stoffig. In de beschaduwde

laantjes, die de „wandeling” van ’t dorpje Vlietwijk vormden, gonsden

de vliegen en nipten de ijle, kleurige, „juffertjes”, zeilend op haar

glazen vlerkjes. In de kroostslooten smakte en flodderde de baars en

schoof de paling stil golvend door het groezelig glad moeraskruid en de

wuivende waterplanten. Onder de wilgen door zag men in de verte het

landvolk aan den harden arbeid, en hier en daar, tusschen ’t groen der

erven en boomgaarden, kleine bosschen gelijkend in de verte, glinsterde

een stuk wit,—een boerderij of een optrekje. O, ’t was zoo warm! En ’t

landvolk, onwelriekend in oude pilo broeken en baaien rokken, streefde

in het vrije veld naar een boven- en benedenwaartsch décolleté, dat de

balzaal het land kon benijd hebben. Mourant en mevrouw Veninga hadden

nog Indisch goed genoeg om het zich in de warmte draaglijk te maken.

Langzaam wandelden zij door de laantjes: hij in ’t wit met witte

schoenen aan en een helmhoed op; zij in sarong en kabaja, met slofjes

aan haar bloote voeten en een witte pajong boven ’t hoofd. Wat kon ’t

haar schelen? Men kwam hier toch niemand tegen, en ’t was zoo lekker.

Want het kon gloeiend heet zijn op de zomerdagen in het gure Holland,

veel warmer dan in Indië.

Veninga was dood.

Hij kon niet genezen te Davos, begon zich te vervelen, was naar Holland

teruggekomen, en had er, onaangenamer voor zijn jonge vrouw dan ooit te

voren, den geest gegeven, met de hand van zijn eenigen vriend Mourant

in de zijne, en zonder ook maar één oogenblik dien vriend verdacht te

hebben.

In den aanvang had het niemand bevreemd, dat Mourant veel bij de jonge

weduwe aan huis kwam: hij was immers executeur en voogd van de

kindertjes, die „oom” tegen hem zeiden! Doch langzamerhand ontwaakte de

achterdocht. Men zag hen te veel samen en altijd zonder mevrouw

Mourant, die zich geheel had teruggetrokken, maar nog steeds door haar

man op allerlei manieren ten voordeele eener scheiding werd bewerkt.

Toen, om de praatjes der menschen te ontwijken, was mevrouw Veninga

naar buiten gegaan, op een heel stil klein plaatsje; en daar bezocht

haar dikwijls, heel dikwijls de executeur-testamentair; zóó vaak dat

het een domiciliequaestie had kunnen worden!

Hier waanden zij zich aanvankelijk vrij. Er woonden, nu ja, eenige

families in den omtrek op grooter buitenplaatsen dan haar net, maar

klein optrekje; zij had met haar geen kennis gemaakt en kende de namen

alleen door het praten der dienstboden. Weldra bleek dat er ook hier

niet weinig over hen werd gepraat op die enkele buitentjes. Zij

trotseerden het echter.

Maar Henriëtte was ongeduldig.

„Hoe is het er nu mee?” vroeg ze.

„Ik vorder niet,” antwoordde hij zuchtend.

„’t Is pleizierig! In Indië is dat anders.”

„O, in Indië, ja!”

„En waarom hier niet?”

„Ik weet het niet,” zei hij met nog een zucht en recht voor zich

uitstarend. „Het is verschrikkelijk moeilijk hier tot een scheiding te

komen. Alles, alles werkt tegen.”

„En zij?”

De naam van mevrouw Mourant werd tusschen hen nooit genoemd; werd er

over haar gesproken, dan was de aanduiding „zij” voldoende.

„Ik geloof dat ik haar er wel toe krijgen zal. Ze is niet zoo vast meer

als vroeger.”

„Maar dan is het toch klaar, dunkt me.”

„Waarachtig niet. Ik zeg: men ondervindt niets dan tegenwerking hier in

Holland. Bij wie men komt,—het is ’t zelfde. Spreekt men van

separeeren, dan betrekt hun gelaat als de lucht bij een onweersbui.”

Zij antwoordde niet, maar haar mooi donker gezichtje stond allesbehalve

vriendelijk.

„Je moet niet boos op mij zijn, lieve,” vervolgde hij, toen zij

hardnekkig zweeg. „Ik doe wat ik kan.”

Ze trok ongeduldig met de fijne ronde schouders.

„Het is mogelijk, maar ik vind het niet. Je wilt niet; je wilt niet

serieus. Als je wezenlijk deedt, wat je kunt, dan zou ze al zelf

scheiding hebben geëischt.”

„Lieve Jet, je kent haar niet. Wat een vrouw zedelijk ondergaan kan,

dat heb ik haar laten ondergaan. Maar daar is een wanhopige

onverzettelijkheid, die verschrikkelijk is om te zien. En.... ik kan

haar toch niet mishandelen?”

„Nu ja, mishandelen....”

Hij begreep wel wat ze bedoelde, maar huiverde er van terug. Zóó ver

was hij nog niet, ondanks zijn veertig jaren, en hij zag haar met

verwondering aan.

„Kom,” zei hij, onder den indruk harer bekoorlijkheden, „kom, ’n beetje

geduld nog. We zouden toch niet kunnen trouwen met het oog op zijn

overlijden. Tegen dat de termijn verstreken is, zal ik het er ook wel

doorhebben.”

Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar.

„Het is te hopen,” zei ze vol twijfel en met een zucht.

Snel trok hij den arm terug, want een zestal boerenkinderen lag half

verscholen in ’t lange gras en de biezen aan den slootkant op een

inspringenden berm van den weg: geelblonde raagbollen boven frischroode

maar vuile gezichten met geïllustreerde neuzen staken nieuwsgierig

omhoog en begluurden met een verbazing, die uit de ronde hondenoogjes

duidelijk sprak, het paar Indische menschen.

„Vader zeit, dat-ie ’n Pruus is,” fluisterde er een, doelend op den

helmhoed van Mourant.

„Ze draagt ’n wit hempie bovenop,” verzekerde een ander, die zelf

„onderop” nooit het genoegen van een „wit hempie” had gesmaakt.

Zij hoorde het in ’t voorbijgaan en moest er om lachen.

„In Indië spot men dikwijls met de domheid van den inlander.”

„Ja!” antwoordde hij, blij dat ze het minder aangename onderwerp had

laten varen. „Het is al overal ’t zelfde.”

„Dat is nog de vraag.”

„Hoe bedoel je dat?”

„Wel, ik vind de lagere klassen hier veel dommer en onbeholpener dan

bij ons den kleinen man.”

Mourant, die altijd in de stad had gewoond en zich nooit veel om den

bruinen broeder had bekommerd of van het volksleven notitie had

genomen, gaf dat niet toe.

„Ja,” zei hij bedenkelijk, „als je bedoelt pinter.”

„O neen, dat zijn ze in dien zin hier evengoed, geloof ik.”

„Ei, heb je dat ervaren?”

„Zeker! Als ze iemand bedriegen en bestelen kunnen, dan laten ze het

hier evenmin als ginds.”

Verwonderd zag hij haar aan.

„Ze nemen vooral ons, Indische menschen, „waar”, zooals ze het noemen.

Voor veel geld wordt ons slecht goed in de handen geduwd. Het is of ze

een komplot hebben gemaakt. In de stad is het letterlijk een

rooverbende, waaraan men is overgeleverd.”

Hij lachte.

„Nu maak je het toch wat erg, Jet. Bedenk dat ik een tottoh ben. Al die

lieve landgenooten.....”

„’t Zijn lievertjes! Ze beschouwen ons als niet veel meer dan ganzen,

die zij moeten plukken. Van den grootsten magazijnhouder tot ’t

kleinste winkeliertje; van den voornaamsten hotelhouder tot den

nederigsten kruier,—allen loeren op ons als op een prooi.”

„’t Is veel eigen schuld.”

„Och, wat! Het zijn dieven.”

„Zeker, lieverd! Als de Indische lui niet begonnen waren met in Holland

’t gouden kalf in hun wapen te voeren, zou het anders wezen.”

„Dat is mogelijk. Maar hier dan?”

„Hoe dat, hier?”

„Denk je wellicht, dat deze eenvoudige landlieden, zooals jij ze altijd

blieft te noemen, een haar beter zijn?”

„Er zijn ten minste magazijnhouders, winkeliers, hotelhouders noch

kruiers onder.”

„Wees nu niet flauw.”

„Ik zou niet weten, wie je derhalve moeten bestelen.”

„Allemaal! De man, die de melk brengt; de groentenman, de

tuinman,—allen bestelen me geducht. Zoo gauw ze maar gemerkt hebben,

dat ik een dame uit Indië was, zijn ze me gemoedelijk aan het plunderen

gegaan.”

„Kasian!” plaagde hij. „Die arme, onnoozele landlieden! Wat krijgen ze

veel op hun rekening.”

„Neen, op de „rekening” krijg ik alleen veel.”

„Ze hebben,” ging hij voort, „een breeden rug. Er kan veel op.”

„En ze nemen er veel op. Als ze naar hun gemoed te werk gingen en de

wet het niet verbood, namen ze mijn geheelen inboedel er op en liepen

er mee heen.”

„Oho!”

„Wezenlijk, Mourant. Je kunt het je niet voorstellen. Jullie, heeren,

komen daar niet zoo mee in aanraking. Maar als ik zie wat anderen

betalen en wat mij wordt gevraagd....!”

„Boleh tawar!”

„Dat kan je begrijpen!”

„En als ze het anderen er voor laten!”

„Dan weigeren ze het mij en laten me onverrichterzake heengaan. Het is

wezenlijk net of ze het hebben afgesproken, of het een geheim

genootschap is.”

„Lieve Jet, ik geloof dat je verschrikkelijk overdrijft.”

„In het geheel niet. Het is de zuivere waarheid.”

„En de prix fixes dan!”

„Nu ja, maar het is ook ’n soort van goed, dat tegen prix fixes wordt

verkocht! Dat veel Indische menschen, die van een bescheiden inkomen

moeten leven en het in Indië ook nooit meer dan „gewoon” hadden, er

zich aan vergapen en aan te buiten gaan, weet ik; maar voor ons!”

Hij vond dat air de dédain verrukkelijk en kuste haar weer.

„Toe, nu geen gekheid! We zijn dicht bij huis! Ik zie de kinderen al in

de verte in den tuin spelen.”

En de kinderen kwamen hen weldra juichend te gemoet, door niets

belemmerd in hun snelle bewegingen, maar integendeel opgewekt door den

vurigen zonnegloed, verzengend als die in hun eigen geboorteland.

Mevrouw Veninga ging het huis binnen om even naar het tweede ontbijt te

zien; de kleinen volgden haar; Mourant zette zijn hoed af en liep in de

schaduw van een paar groote boomen langzaam op en neer over het

grasveld in den tuin.

Hij had het eerste deel van hun discours dien ochtend niet vergeten;

het zat hem dwars, al was hij blij geweest toen zij ophield; wezenlijk,

hij zag het eind niet der historie. Hij hield dol veel van Henriëtte en

waarschijnlijk zou hij ook op haar verliefd zijn geraakt al had ze geen

cent bezeten. Maar dan zou hij er geen quaestie om gekregen hebben met

zijn vrouw; dan zou hij zich vergenoegd hebben met de bereiking van het

dichtstbijgelegen doel.

Nu was hem ook het andere, haar fortuin, zeer aantrekkelijk, want met

het zijne ging het in den laatsten tijd slechter dan ooit; eigenlijk

was het nog slechts een klaterfortuin, dat wel revenuën gaf, maar geen

realisabel kapitaal vertegenwoordigde.

Zij had den spijker wel op den kop geslagen, toen ze zei dat het in

Indië zooveel gemakkelijker ging. Wat had hij er dáár niet veel den

doorniggeworden huwelijksband helpen ontbinden. Dat ging als papier de

musique zoo constant en regelmatig. Onverschillig wat er gebeurd

was,—’t ging voor den vorm haast altijd eender. Hetzij men van elkaar

wilde wegens incompatibilité d’humeur, of omdat mevrouw was afgeweken

van het „pad der deugd” dan wel meneer,—’t verloop was dat zij hem

aanklaagde wegens onzedelijk gedrag, hij niet compareerde en

veroordeeld werd bij verstek.

En niemand trok zich iets daarvan aan; men ging stil zijns weegs, alsof

er niets was gebeurd, zoo spoedig mogelijk nieuwe huwelijksbanden

smedend.

Maar hier!

Hij wischte met den zakdoek, waarmede hij zich wuivend trachtte te

bekoelen, het zweet van zijn voorhoofd en ging de tuinkamer binnen,

waar hij zich een glas Rijnschen wijn met selterswater schonk, als een

gepasten morgendrank tot wegspoeling der onaangename gedachten, die hem

op den snikheeten zomerdag bestookten. Henriëtte kwam spoedig met de

kinderen terug, lachend en zingend. Hij zag haar aankomen in den

corridor; ’t was veeleer of zij een zuster was van de kleintjes dan hun

moeder. Wat was zij vroolijk en opgewekt! Welk een verschil tusschen

haar gemoedsstemming nu en gedurende het laatste jaar bij de gestadige

kwellingen van den zieken Veninga. ’t Deed hem genoegen haar zoo te

zien, en dit gevoel scheen hem toe iets zoo vaderlijks te bevatten, dat

hij er om glimlachte. Hij stond op, liep haar te gemoet, dreigde de

kleintjes dat hij hen „krijgen” zou, en vervolgde hen, als ze

schreeuwend lachten van de pret en om de rokken van hun maatje hem

„krijgertje” lieten spelen.

Het was een benauwende exercitie op zoo’n warmen dag en voor iemand,

die een reeds geprononceerden aanleg had tot gezetheid. Maar het

behoorde tot de eigenaardigheden van deze soort candidatuur; als hij

eenmaal door het examen was, zou hij voor die liefheid óók feestelijk

bedanken! Nu moest hij wel den kindervriend en action vertoonen, en hij

executeerde zich gracieuzelijk.

„Kom, wees nu stil,” zei Henriëtte, die het zelve te warm kreeg. „Ga nu

zitten, dan krijg je limonade. Toe, Willem, geef me ook wat ajer

blanda.”

Maar de kinderen waren met geen limonade te houden; zij liepen den tuin

in om in het gras te rollen en de bonne volgde hen daar, doch kwam

binnen een paar minuten terug met een dik pak couranten en brieven uit

Indië en van elders. Zij sorteerden ze, en ieder nam zijn aandeel; ze

lazen hun brieven, ieder voor zich, stil, en slechts nu en dan

afgebroken door een korte opmerking of mededeeling. Maar daarmede hield

Mourant spoedig op; zijn wenkbrauwen trokken samen, en al lezende werd

de uitdrukking van ongenoegen op zijn gelaat voortdurend sterker. Het

was een brief van een zijner oudste vrienden; hij had altijd veel van

hem gehouden en had in zijn huis steeds een groote mate van

gastvrijheid en vriendschap genoten; nu schreef hij hem hartelijk, maar

hoogst ernstig. Men was het in Indië te weten gekomen, en men had er

veel over gesproken. Er werden inlichtingen gevraagd. Was het waar, dat

hij wilde scheiden van zijn vrouw, en dat hij wilde trouwen met de

weduwe Veninga? Als dat waar was, wat echter zijn vrienden in Indië

niet konden en wilden gelooven, dan was het andere óók waar, n.l., dat

hij zijn vriend en zijn vrouw laaghartig bedrogen had. En op die wijze

ging het voort tot het einde; zijn vrouw werd in dien brief

verheerlijkt; al de goede, schoone hoedanigheden, die ze bezat, werden

gereleveerd en in een helder, scherp licht gesteld.—Het was alles

volkomen waar; hij wist het, hij wist het!—Maar Henriëtte was toch zoo

mooi, en ze had zooveel geld. Toen hij daaraan dacht, keek hij haar

even aan. Zij weende.

„Wat is er?” vroeg hij ongerust en opstaande.

„’t Is schande!” snikte ze. „Waar bemoeien ze zich mee? Ben ik niet

vrij om te doen en te laten wat ik wil?”

Hij nam een brief van haar schoot en keek dien in; ’t was van hetzelfde

laken een pak. Een harer vrouwelijke bloedverwanten had hetzelfde

onderwerp gekozen en zong, schoon op gansch anderen toon, hetzelfde

lied. Die toon was scherper, hatelijker en meer beslist; hij vergunde

geen twijfel meer; er werd niet gevraagd om inlichtingen; de

mogelijkheid van laster werd niet aangenomen; tante schreef met de

zekerheid van iemand, die gevoelt dat het zoo is, en die niets

verschoont en niemand spaart.

„Dat onbeschofte wijf!” zei Henriëtte.

„Het beste is dit,” meende Mourant, en te gelijk maakte hij een

beweging om den brief te verscheuren. Maar zij hield hem terug; hoe

vernederend de inhoud ook voor haar was,—ze wilde dien toch nog eens

overlezen à tête reposée.

„Neen, Willem, verscheur hem niet.”

„Och, waarom niet? Eén is waarachtig genoeg.”

„Heb jij dan ook?....” vroeg ze met verwondering.

„Welzeker! Waarom niet? Maar de mijne is ’n beetje fatsoenlijker,

schoon het op ’t zelfde neerkomt.”

Hij gaf haar den anderen brief en zij las hem, met saamgeknepen lippen

van boosheid om al de loftuitingen op mevrouw Mourant.

„Hm!” deed ze schamper. „Er kan niets meer bij! Het is waarlijk

jammer!”

„Nu ja.”

„En zal jij daarop antwoorden?”

„Natuurlijk! Ik zal hem een uitvoerigen brief schrijven en er valt niet

aan te twijfelen of hij zal overal rondvertellen, wat daarin staat.”

„Maar je zult toch niet alles schrijven?”

„Waar denk je aan? Ik zal hem schrijven, dat ik met verontwaardiging,

maar zonder verbazing heb kennis genomen van de schandelijke

lasterpraatjes in Indië verspreid over u en mij; praatjes, die het

beneden mijn waardigheid en uw fatsoen is te wederleggen.”

Hij zag er zoo oprecht verontwaardigd en waardig uit toen hij deze

woorden vergezeld deed gaan van een breede geste, die alle

lasterpraatjes op zij schoof, dat Henriëtte haar lippen, die zich met

geweld tot een lach plooiden, met haar schitterend witte tandjes in

bedwang moest houden.

Mourant zag het niet; als de geest der advocaterij over hem kwam, zag

hij niets; dan oreerde en gesticuleerde hij, aangevuurd en opgewekt

door den klank van zijn eigen stem; dan had hij evengoed een jury om

den vinger gewonden, als een rechtsgeleerd college hem sous cape zou

hebben uitgelachen.

„Ik zal hem schrijven,” dus vervolgde hij, „dat een onverwachte

samenloop van noodlottige familie-quaesties een ernstige vervreemding

heeft teweeggebracht tusschen haar, die voor de wet mevrouw Mourant is,

en mij; dat ik niet kan noch mag toegeven op dat punt; dat het moet

buigen of barsten, en dat derhalve een scheiding in de toekomst niet

tot de onmogelijkheden behoort.”

Zij keek hem bewonderend aan; ze vond hem welsprekend. Het was immers

onmogelijk te twijfelen aan de woorden van iemand, die zóó sprak en zóó

schreef.

„En verder?” vroeg ze.

„Hoe bedoel je dat?”

„Wel verder.... over mij.... over ons?”

„Niets. Ik zal wel zorgen zóó dom niet te zijn. Alleen heel aan het

slot zal ik er nog een oogenblik op terugkomen.”

„In welken geest?”

„Dat weet ik nog niet. Ik zal het je in elk geval laten lezen.”

„Ja, doe dat, Willem. Het is wel niet waarschijnlijk, dat wij weer naar

Indië teruggaan, maar men kan nooit weten.”

En toen hij haar ’s avonds den brief bracht, werd haar bewondering voor

hem nog grooter. Men kon nauwelijks met droge oogen kennis nemen van de

diepe droefheid, die Mourant verklaarde, dat de vuige laster hem had

berokkend. Het was „pijnlijk,” het was „ontmoedigend,” het was

„treurig,” het was „grievend,”—het was alles wat het woordenboek aangaf

om zich terecht of ten onrechte te drapeeren in het woordenkleed van

den miskenden mensch.

„Ik weet niet wanneer de mail sluit,” zei hij. „Men leeft hier buiten

de wereld.”

„Spijt het je?”

„Lieve Henriëtte!”

„Het is mooi weer; de meid kan den brief bezorgen. Het hulpkantoor is

aan den grooten weg, geen tien minuten van hier, en ’t is mooie

maneschijn.”

De kinderen waren naar hun bedjes. Doodmoe van het spelen den ganschen

dag in de open lucht, sliepen ze reeds half toen ze nog voor hun

bordjes met brood en vruchten zaten. Toen de krachtige boerendeern de

straatdeur had dichtgetrokken en den weg opliep om den brief in de bus

te werpen, was het stil geworden in huis, en buiten stoorde ook haast

niets de heerlijke kalmte van den prachtigen zomeravond; slechts een

enkel insect gonsde door de zoele lucht, een zich stil door de boomen

reppende vleermuis deed de bladeren ruischen en uit de verte kwamen

zachtjes de volle klanken over van een nachtegaal, die, door de maan

bekoord, zijn rol- en waterslag-romances zong met sedert eeuwen

beroemde virtuositeit.

De straatweg voor het huis was onzichtbaar in de schaduw van het

omzoomend groen, maar de breede met kroost bedekte sloot schiep in het

tooverachtig maanlicht een fata morgana en scheen de weg te zijn. Zij

hadden de lampen laag gedraaid en zaten op het balkon in de schaduw der

marquise onzichtbaar voor de buitenwereld, dicht naast elkaar,

verzonken in het genot hunner meer door den schoonen avond, dan door de

sociale omstandigheden geïdealiseerde liefde.

Onwillekeurig richtte Henriëtte zich op, toen de dienstmeid terugkwam

en met den sleutel de deur opende.

„Zij zal wel even hier komen, Willem. Draai de lampen op.”

Hij deed het, en in het licht, dat hoog opvlamde, zagen zij er beiden

een beetje verward uit, kleuriger van wangen, slordiger van coiffure,

onbestemder van blik.

„Het groote buiten is verhuurd,” zei de meid binnenkomend en met den

deurknop nog in de hand.

„Och kom, en aan wien?”

„Ik ben den naam vergeten, maar de posthouder schreef hem op een

papiertje, en dat heb ik, geloof ik, verloren,” antwoordde de

dienstbare geest, met een teleurgesteld gezicht in haar grooten zijzak

tusschen allerlei voorwerpen grabbelend.

Het „groote buiten” was een fraai landgoed; ’t behoorde tot den

sterfboedel van een millionnair en was door den tegenwoordigen eigenaar

op speculatie van de erven gekocht. Maar aanvankelijk scheen de

speculatie geheel te mislukken, want het seizoen was reeds eenigszins

gevorderd en nog altijd stond de plaats leeg.

„Hier is het briefje, mevrouw. Het is een gekke naam. Ik kan hem haast

niet uitspreken; maar het moet heel voornaam volk uit Den Haag zijn.”

Henriëtte hield het met potlood bekrabbelde en verfrommelde stukje

papier onder een der lampen.

„Ik kan het niet lezen, Willem. Zie jij eens!”

Hij zette zijn lorgnet op en keek over haar schouder naar den naam op

het briefje.

Plotseling hief zij het gelaat naar hem op, met een uitdrukking van

schrik en ontzetting in de oogen.

„Mijn God, Willem, zij is het!”

„Graaf De Riquelle?.... Verduiveld, ja, dat is beroerd; dat is

verduiveld onaangenaam.”

„Ik houd het hier niet uit, Willem. Geen week, geen dag!”

„Nu, nu! zóó is het nu niet.”

„Geen dag! Denk je dat ik hier wil zitten in dit optrekje met jou, en

zij, daar ginder onder mijn oogen als het ware, op dat groote

buitengoed met haar man, dien graaf. Nooit, Willem! Nooit in m’n

leven!”

De meid had den uitval gehoord, die niet voor haar ooren bestemd was,

en ofschoon slechts een boerendeern, was ze wel zoo wijs net te doen

alsof ze niets begreep.

„Is er nog iets, mevrouw?” vroeg ze onnoozel.

Henriëtte schrikte er van; ze had om ’t heele schepsel niet meer

gedacht.

„Neen, dank je; je kunt wel naar beneden gaan.”

Ze spraken geen woord verder. Mourant was aan de ronde tafel gaan

zitten met de ellebogen op het blad, en blies, starend in het

lamplicht, den grijsblauwen rook van zijn manilla naar het lampeglas,

waaromheen die, door de warmte op een afstand gehouden, in krullen en

esvormen optrok. Henriëtte zat tegenover hem met ’t verfomfaaide

papiertje nog tusschen de vingers, ontstemd, met saamgetrokken

wenkbrauwtjes en pruilenden mond, omdat ze nu hier ook vandaan moest!

Dat ze nu werd gedreven tot zelfs uit dit stille hoekje!

„’t Is verschrikkelijk onaangenaam.”

Maar Mourant gaf er zoo dadelijk geen antwoord op. Hij zat zich hoogst

gemoedelijk met het denkbeeld te verzoenen. Ronduit gezegd beviel hem

het leven niet best op die manier. Zij had nog haar huishouden, dat

haar bezig hield; hij had niets dan de courant van den vorigen dag.

„Onaangenaam, zeker, maar zoo verschrikkelijk is het bij nader inzien

niet. Het hierblijven zou toch niet langer geweest zijn, dan voor ’n

maand of wat.”

„Och, dat weet ik nog zoo niet.”

„Je hadt hier toch niet willen blijven tot den winter?”

„En waarom niet? Ik vind het hier goed. Ik houd van het land. Je weet,

dat ik in Indië op het land ben opgevoed.”

„O, maar dat is heel iets anders. Hier in Holland.... in den winter....

op het land. Brrr!”

„Laat ons er maar niet over redeneeren,” zei ze met een diepen zucht.

„Het kan toch niet. Ik ga nu hier vandaan, zoo spoedig mogelijk; liever

vandaag dan morgen.”

„Zoo’n haast heeft het toch niet.”

„O ja, Willem, dat heeft het wel.... Je weet niet welk een mensch zij

is.”

„Ik meen dat wel te weten; maar haar gravenkroontje zal haar wel

veranderd hebben. Zij zal net doen of ze ons nooit heeft gezien.”

„Denk je dat? Nu, dan ken je haar niet. Maar in elk geval: ik wil nu

hier niet blijven.”

Het trof hem. Zóó had zijn vrouw nooit gesproken. Hij vond het nu wel

aardig zoo’n dametje met een wil. Als ze getrouwd waren, dan kreeg hij

er ook een!

„Waarheen dan?”

„Ja, waarheen?”

„Brussel?”

„Och, Brussel is niet onaardig. Ik wil er wel weer naar toe voor ’n

tijdje. En jij?”

„Ik zit er juist over te pikiren; mij dunkt, ik zou er ook wel kunnen

gaan wonen.”

„Gaan wonen? En zij?”

„Ze kan in Den Haag blijven. Ça n’empêche pas les sentiments.”

Doch Henriëtte lachte niet om de mislukte aardigheid. In haar fraai

hoofdje woelde het verhuisplan met al de drukte voor haar, de kinderen,

de goederen.

„Het beste zou wezen,” ging hij voort, „dat ik naar Brussel ging, een

geschikte woning voor je zocht of een garni, en je dan zoo spoedig

mogelijk telegrapheerde.”

Het denkbeeld lachte hem toe. Dáár had hij kennissen, die wel wisten

wat er gaande was, maar net deden, als wisten zij niets. Daar wist men,

waar men heen kon gaan, en hoe onaangenaam en stil het in dit seizoen

ook vergelijkenderwijze was in zoo’n groote stad,—’t was toch nog voor

Mourant een paradijs vol genietingen tegenover een Hollandsch

boerendorp.

„Dat zal wel ’t beste zijn,” meende zij, nog altijd bezig in gedachten

met voorbereidende maatregelen.

„Dan zal ik morgen eerst naar Den Haag gaan om daar een en ander te

regelen.”

En nu had zij tal van bijzonderheden. De hoofdzaak was besloten; dat

was gemakkelijk; maar voor de détails had Mourant een papiertje noodig

en een potlood, want die kon hij onmogelijk onthouden.

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 6 / 17 段