O, zijn moeder begreep hem terdege. Geen logica kon haar ooit zoo

duidelijk zijn, als dit gebrek aan logica! Zoo volkomen onvatbaar zij

voor redeneering wezen kon,—zoo gereedelijk legde zij zich neer bij de

noodlottige macht van het sentiment. Het had bovendien kunnen gebeuren,

dat Edmund door was gegaan met een paardrijdster of een danseres, dan

wel een gouvernante had willen trouwen of ’t woord „kindermeisje” in

een verkeerden zin had opgevat. Dit was althans een regelmatige

geschiedenis, al was de aanstaande schoondochter slechts een

koopmansweduwe en een half-cast bovendien.

„In Godsnaam, Edmund,” fluisterde zij. „Als het niet anders kan,—in

Godsnaam dan! Ik zal mijn best doen, maar het zal een zware taak zijn.”

„Dat denk ik niet.”

Maar mevrouw Riquelle zag er tegen op, als tegen een berg, en zij was

in hooge mate geagiteerd bij de eerste ontmoeting, ofschoon ze stijf en

afgemeten bleef tegenover haar aanstaande schoondochter.

Louise, die wel wist en gevoelde, wat dat alles moest beteekenen, al

had Edmund haar niets gezegd van de bezwaren, die hij had moeten

overwinnen, nam onmiddellijk haar partij en besteedde niet meer

aandacht aan haar aanstaande schoonmoeder, dan zij welstaanshalve

verplicht was. En haar vader, dokter Van der Linden, inwendig zeer

gevleid met deze verbintenis, was zoo van top tot teen de

old-gentleman, dat hij den meer militairen graaf Riquelle

overschaduwde.

„Hoe is uw indruk, ma?” vroeg Edmund naderhand.

„Zij heeft groote natuurlijke gaven,” was het antwoord, waarop met een

zucht volgde: „en ze weet er partij van te trekken.”

Ontevreden haalde hij de schouders op, en wilde iets antwoorden, maar

zijn moeder viel hem in de rede.

„Je begrijpt me blijkbaar geheel verkeerd, Edi. Het is een compliment.

Beschouw het wezenlijk als zoodanig. Zij is zeer sterk, en de oude

dokter is dat ook. Het is heel gelukkig, Edi. ’t Zal haar althans te

pas komen.”

Dokter Van der Linden zei in een vertrouwelijk oogenblik tot zijn

dochter:

„Zeg Wies, hoe heb je ’m dàt geleverd?”

Zij keek hem aan met woede en verontwaardiging.

„Ik weet niet wat u bedoelt,” antwoordde ze effen.

„Wees nu niet kinderachtig,” ging hij voort met onverbiddelijke ironie.

„Je kunt mij toch wel zeggen hoe je het hebt aangelegd om je dáár in te

dringen.”

’t Woord stak haar als een schorpioen, en er volgde een scène van

geweld, waarbij de dokter, met de pantoffels haast weggezonken in het

dik bloemwerk van een alcatief, de handen in de zakken van zijn

huisjasje en zijn bril op zijn kaal hoofd, haar verbaasd aankeek en

stil liet uitrazen. Ze kwam geweldig los!

„Je bent altijd m’n ongeluk geweest,” beet ze hem ten slotte toe.

„Altijd! En toen je het niet meer wezen kon, heb je me de liefde van

mijn kind ontstolen.”

„Ah zoo! Ja, je bent ’n lieve moeder, dat moet ik zeggen,” zei hij voor

’t eerst zelf boos om die zinspeling op zijn kleinkind. „Als ’t kind

mij niet had gehad, zou hij waarachtig niet veel genoegen van zijn

familie hebben beleefd!”

„Je hebt hem me ontstolen,” siste zij hem toe.

„Och, loop naar de maan!” riep hij buiten zichzelven van woede, omdat

ze alweer zijn afgod er bij haalde. „Je weet zelf heel goed, hoe je ’t

arme kind aan zijn lot hebt overgelaten. Je hebt in ’t geheel geen

hart, zelfs niet als moeder, en zou jij me nu willen wijs maken, dat je

betoel op dat onbeduidende ritmeestertje verliefd bent?”

Er kwam een glimlach op haar bleek gezicht en trots hief ze het hoofd

op, met de bevende handen de taille van haar japon omlaagstrijkend als

mocht er geen kreukje zijn in de rechtheid van haar figuur.

„Dat ben ik. Ik heb eens een meisjesgril gehad, die ongelukkig wat lang

heeft geduurd; toen heb ik Van Velton getrouwd, die me onverschillig

was, dien ik naderhand haatte. Nu ben ik een vrouw en ik heb Edmund

Riquelle lief, zooals....”

„Tatarata,” schetterde de oude dokter lachend. „Die Riquelle’s zullen

pleizier van je hebben, nou! Ik gun hun van harte het genoegen.”

„Dàt zullen ze.”

Hij zweeg een oogenblik. ’t Was mogelijk, dacht hij. Ze vond daar, wat

ze zoo vurig verlangde, en ze was van een kracht om zich daar vasten

voet te veroveren.

„En ik wensch er jou ook geluk mee. Als je er mij en het kind maar zoo

weinig mogelijk bijhaalt. Ik heb aan die gedwongen fraaiigheid van deze

week meer dan genoeg!”

Fournier en Hortense waren samen zeer verbaasd geweest, zij met een

gevoel van vreugde, hij niet zonder een beetje teleurstelling. Niet dat

hij zich iets voorstelde of voor zichzelven iets wenschte,—maar ’t was

hem duidelijk, dat hij volkomen was weggecijferd, en voor een oude

vlam, zelfs al is die geconverteerd in een stiefschoonzoon, blijft dat

altijd eenigszins vernederend.

Maar het was spoedig voorbij, en toen zag ook hij die verbintenis met

vreugde te gemoet.

„Het is toch wel sterk,” meende Hortense.

„Jaâa!” antwoordde Fournier. „Och, maar dien kant moet het uit in de

maatschappij.”

„En ze is mooi en rijk.”

„Zeker.”

„Vindt je haar mooi, Gérard?”

Hij glimlachte gedwongen. Zij had haar armen om zijn hals geslagen en

zag hem ernstig vragend in het gezicht.

„Wees nu niet flauw, Stance. Wat doet het er nu toe of ik haar mooi

vind of leelijk?”

„Omdat ik het weten wil.”

„Nu dan, ik vind haar heel mooi.”

„Mooier dan mij?”

Hij bedacht zich een oogenblik.

„Ja, Stance-lief, mooier dan jou.”

En toen de tranen haar in de oogen schoten en zij erg bleek werd,

vervolgde hij:

„Hoe is het ook mogelijk, dat je zulke malle vragen kunt doen. Je weet

zelf, dat ze mooier is dan jij, evengoed als ik wist, dat indertijd

mijn vriend Van Schermbeek een veel gunstiger uiterlijk had dan ik. Wat

in ’s hemels naam doet dat ter zake? Als ik zei dat ik haar leelijk

vond, had je misschien reden tot ergernis, want dan zou je kunnen

weten, dat ik onwaarheid sprak.”

„Welzeker, vent. Het is waar. Je hebt gelijk. Ik ben een dom schepsel,

dat is zoo. Maar.... ik kon ’t niet goed velen van haar.”

„A propos,” zei hij. „Ik sprak daar van Van Schermbeek; weet je

wellicht waar die woont?”

„Neen. Ik las zijn ontslag uit ’s lands dienst in de courant.”

„Ja, hij was de laatste. Nu zijn we er alle drie uit: hij, Van Brakel

en ik.”

„Heb je nog wel eens iets gehoord van Van Brakel?”

„Zelden. Hij is op allertreurigste manier aan lager wal geraakt. Ik

moet Van Schermbeek gaan opzoeken; de arme kerel heeft het niet slim

aangelegd.”

Reeds den volgenden dag deed Fournier wat hij gezegd had; hij trof Van

Schermbeek niet tehuis.

„Als u een oogenblik zoudt willen wachten?” vroeg diens vrouw dringend;

zij zag bleek, en Fournier, dit toeschrijvend aan haar zeer

geprononceerde „omstandigheden”, antwoordde:

„Gaarne, mevrouw, maar laat ik u niet derangeeren.”

„Volstrekt niet, meneer Fournier; het tegendeel is waar; ik zou zoo

graag willen, dat u eens met hem sprak.”

En toen de advocaat bedenkelijk glimlachte:

„Och, ik weet wel, dat het hem officiëel niets zal baten; dat verlang

ik ook niet. In het eerst had ik verdriet van zijn ontslag, maar dàt is

voorbij. Als hij het er nu maar bij wilde laten en rustig voortleven.”

„Gaat hij veel uit?”

„Hij is altijd uit, en als hij ’n oogenblik thuis is, dan praat hij

voortdurend over die ongelukkige zaak; dan windt hij zich op en vrees

ik dat hij krankzinnig zal worden van overspanning. ’s Nachts droomt

hij er van, spreekt hardop en twist in zijn slaap met ministers en

generaals tot hij er wakker van wordt; dan staat hij op, en ik hoor hem

het overige van den nacht in de kamer heen en weer loopen. Hij wordt

mager en met den dag zenuwachtiger. Toe, spreek u eens met hem.”

„Ik zal ’t graag beproeven; alleen: ik vrees dat het op den duur niet

zal baten.”

„U is zoo’n oud vriend van hem, en hij spreekt altijd van u met zooveel

achting.....”

„’t Verwondert me dat ik Van Schermbeek nog niet ’reis gezien heb.”

„Die ongelukkige zaak neemt hem heelemaal in beslag. Hij denkt aan

niets. Zijn papa en ik moeten voor alles zorgen; hij bemoeit zich

nergens mee.”

„’t Is treurig!” zei Fournier, en te gelijk hoorde hij iemand den

sleutel omdraaien in het slot van de straatdeur.

„Daar is hij,” fluisterde de jonge vrouw, die zelve in niet geringe

mate zenuwachtig was.

Fournier schrikte van ’t vervallen uiterlijk van zijn ouden

contubernaal, die op zijn beurt een verwonderden blik liet gaan over de

tot een licht embonpoint neigende figuur van den advocaat. Ze drukten

elkaar met groote hartelijkheid de hand.

„Je weet er zeker alles van?” vroeg Van Schermbeek binnen de twee

minuten.

„Waarvan?”

„Waarvan? Vraag je waarvan? Wat zou ik anders bedoelen dan de

schandelijke wijze, waarop ik er ben uitgekaaid!”

„Och, je weet: daar staat men aan bloot. Je bent de eerste niet, zoomin

als je de laatste zult zijn.”

„Nu ja maar..... Zou jij je dat dan laten welgevallen?”

„Van laten welgevallen is eigenlijk in ’t geheel geen quaestie.

Misschien zou ik er ’t land over hebben; laat ons zelfs aannemen dat

dit zeker was.”

„Welnu..... En dan?”

„Dan? Dan zou ik trachten hun niet ’t pleizier te gunnen van mij in

machtelooze woede te zien fulmineeren en ondergaan.”

„Mijn brochure.....”

„Je brochure heeft niets uitgewerkt en zal niets uitwerken. Je loopt

met het hoofd tegen de bierkaai, dat is alles. En intusschen ben je de

risée van de lui, die het je aandeden.”

„Donders,” barstte Van Schermbeek los met de vlakke hand op tafel

slaande, „dat is niet waar, Fournier. Ik ben van ochtend dien smeerlap

tegengekomen en ik heb hem vierkant van het trottoir geloopen; ik wou

dat je den angst op zijn ploertentronie gezien had, dan zou je niet

zeggen, dat ik de risée was van hem.”

„Het is geen waardige handelwijze,” merkte Fournier op.

„Praat jij nu ook al van waardig! Is het waardig van hen, wien zooveel

macht en gezag is toevertrouwd, te handelen, gelijk ze deden tegenover

mij? Was het waardig mij, toen ik me niet verweren kon, te plagen, te

kwellen en het leven te verbitteren? Moet ik dan ten slotte alleen

altijd maar „waardig” zijn tegenover het schandelijk onrecht, dat zij

me aandeden? God, God!” ging hij zenuwachtig en hartstochtelijk voort,

terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen, „jullie bent met de beste

bedoelingen toch zulke dorre, hartelooze menschen, met je voorpreeken

van waardigheid aan verongelijkten en je liefde voor wat „netjes” is

tegen verbitterde, wanhopige menschen, die nog maar tot één ding de

toevlucht kunnen nemen; tot.....”

„Van Schermbeek, ik zal je eens wat zeggen. Weet je wat je bezig bent

te doen?”

„Ik denk van ja.”

„Ik denk van neen. Je bent bezig jezelven gek en je arme vrouw

ongelukkig te maken, die dan van een man, als jij op die wijze

voortgaand worden moet, nog ongelukkige kinderen kan krijgen

bovendien.”

Het scheen dat de onverbloemde waarschuwing voor een oogenblik indruk

maakte; maar voor een oogenblik slechts.

„Onzin,” zei hij ’t hoofd schuddend, „dat zijn maar praatjes, die

jullie verzint om me van mijn doel af te houden.”

En ’t hielp niet of Fournier al zijn redenaarstalent uitputte, zich op

de zuiverheid zijner vriendschappelijke bedoelingen beriep, en

herhaaldelijk ook een beroep deed op Van Schermbeek’s hoedanigheden van

echtgenoot en bloedverwant voor het tegenwoordige of van vader voor de

naaste toekomst,—het wantrouwen van den gewezen officier kon hij niet

overwinnen.

„Jullie legt allen onder één deken en tracht me te bepraten. Zonder dat

je ’t zelf weet, wordt je allemaal opgestookt door die oude kliek, die

me vreest.”

Daartegen hielp geen redeneeren; dáárop kwam hij maar steeds terug en

Fournier ging heen, overtuigd dat zijn oude vriend reddeloos verloren

was, bezeten door een idée fixe.

In ’t Voorhout kwam hij den ritmeester Riquelle tegen met Louise aan

den arm. Hij groette, doch sprak hen niet aan. ’t Was in het licht, dat

door de hooge bladerkronen speelde, een schilderijtje, vond hij. Hoe

weinig hij ook dacht aan Louise, en hoeveel hij tegenwoordig ook van

zijn vrouw hield,—’t hinderde hem toch, dat Louise daar aan den arm

liep van dien cavalerie-officier met zijn zeker ongezocht air de

grandeur als ’t zuiver cachet der Haagsche beau-monde. Schuin oogde hij

hen na. ’t Was merkwaardig! Zooveel jaren was het nog niet geleden, dat

hij haar gekend had als jong meisje, meer Indisch, dan goed was; dat

hij haar in de armen genomen en gekust had, toen ze getrouwd was met

Van Velton; toch, hoe scheen dat alles te behooren tot een ver

verleden! En daar liep ze nu, alsof ze nooit anders gewoon was geweest.

Aller élégantst en toch zeer eenvoudig gekleed, en door haar houding en

manieren volkomen thuisbehoorend in die omgeving.

Twee lange armen zwaaiden hem toe; ze zaten aan de lichamen van twee

Indische kennissen.

„Dag, Fournier, hoe gaat het jou in ’t Haagje?”

„Wel, Fournier, het doet me pleizier je eens te zien.”

Hij groette terug en vroeg van waar ze kwamen.

„Uit de kampong Amsterdam. Fameus veel lol gehad, zeg! ’n Goeie boel!”

„Al m’n duiten zijn op,” lachte de ander. „We zullen den boel naar den

lommerd moeten brengen. En dan maar pindjam; de Bank is er goed voor!”

De ernst van Fournier stak af bij de onverschillige gezichten dier

beide jonge mannen, wier luidruchtigheid hem niet hinderde, omdat hij

haar begreep. Jaren achtereen hadden zij in ’t binnenland gezeten;

jaren, waarin jongelui in Holland alles wordt vergeven onder de leus:

il faut que jeunesse passe. In dien tijd moesten zij hard werken en

droegen zij zorg en verantwoordelijkheid, zonder andere dan die stille

genoegens, door het landelijk leven in Indië geschonken, met zijn

uiterst gemakkelijk sexueel verkeer en zijn wijsgeerige rust. Nu waren

zij los gekomen, en kootten wat laat.

„Je mag wel oppassen,” zei Fournier lachend. „De jongste berichten

waren niet te best.”

„Sst!” riep de een: „daar willen we hier niet van hooren; ’t is tijd

genoeg als we in Indië terug zijn.”

„Hoelang denk je te blijven?”

„Nog zes maanden.”

„In dien tijd,” lachte de ander, „kan de boel net op den flacon zijn.”

„Jullie steekt er den gek maar mee,” zei Fournier; „ik maak me over de

daling der prijzen ongerust. Waar moet het heen?”

„Je hebt er duiten in, hè?” zei de een, en hij noemde het land, waarin

Fournier een groot deel van zijn vermogen had gestoken.

„Och, ben je gek,” riep de ander met een elleboogstoot: „denk je, dat

hij er wat om geeft? Hoe beroerder de tijden worden, des te beter gaat

het de advocaten!”

„Men kan in ondernemingen binnen één halfjaar meer verliezen, dan men

met zijn kantoor in twaalf jaren verdient.”

„Wat doe je in de kou!”

„Neen zeg, ik heb ’t land om hier over die dingen te spreken. Ben je

gek! Dáárvoor ben ik niet in Europa. Maar weet je wat? Je bent advocaat

en beau parleur, en je kent hier zeker ’n heeleboel Kamerleden en zoo.

Zie, dat je vermindering van belasting voor ons krijgt. Als de boel

misloopt, dan komt het voornamelijk omdat we zoo onder den druk

zitten.”

Fournier werd boos.

„Hoeveel slaan jullie nu wel stuk bij zoo’n uitstapje?” vroeg hij

scherp.

De een wilde antwoorden, maar de ander trok hem mee.

„Niet zaniken, zeg! We zijn niet hier om boomen op te zetten over al

die narigheid. Die Fournier ook! Ajo, vooruit!”

En groetend en lachend gingen ze heen, jong, sterk en gezond, met een

air vol overmoed en levenslust, dat in ’t geheel niet paste binnen het

kader van ’t Lange Voorhout.

Fournier schudde het hoofd. Het waren toch rare kerels! Wie weet of ze

niet over een jaar straatarm waren, en als ze met hun tweeën in den

tijd, dien ze rondboemelden door Europa, geen halven ton verteerden,

zou het wonder zijn. De ontmoeting had hem Louise doen vergeten en

teruggebracht tot zijn vroegere bezorgdheid voor het geld, dat hij had

in Indische landelijke ondernemingen; doch hij schudde haar van zich.

De wereld was schoon en het leven zoo zwaar niet. In het ergste geval

was ’t niet eens zoo vreeselijk. Wat jaren langer in Indië blijven,—dàt

was toch ook geen straf! Het geld van Van Velton zat er mede in;

daarvoor was hij meer bevreesd. Als dáárvan een deel verloren ging,

kwam het niet weer terecht. Hij had er ’t beheer over, alsmede over de

fortuin van den ouden heer Van der Linden. Het denkbeeld, dat hij

verplicht was hen voor zware verliezen te behoeden, hield hem vast; ’s

middags sprak hij er Hortense over.

„En ons geld?” vroeg ze.

„Nu ja, ons geld.... Het is voor ons lang zoo erg niet.”

„Wel, dat zie ik niet in. Moeten wij niet net zoo goed waken voor de

belangen van onze kinderen?”

„Het is er pas een!” zei hij.

Zij keek hem lachend van ter zijde aan.

„In elk geval,” ging hij voort, „blijft het minder erg voor ons, want

ik heb ’n levensverzekering van een ton, en ik ben in mijn zaken. Als

zij verliezen, is er geen de minste kans ooit iets terug te krijgen,

ook niet door haar aanstaanden man.”

Maar Hortense gaf niet toe. Zij was de dochter van een koopman, en zij

had een practischen blik in zaken; bovendien kon ze in den laatsten

tijd haar geëngageerde schoonmoeder, die hoe langer hoe mooier scheen

te worden, niet uitstaan, en de bezorgdheid van Fournier hinderde haar.

„Ik heb er niets tegen,” zei ze, „dat je voor het geld van Louise en

van papa Van der Linden zorgt. Maar eerst voor het onze. Dat ben je

verplicht. Het is geen edelmoedigheid anderen te helpen ten koste van

zijn eigen gezin. Charité bien ordonnée....”

„Jawel, dat weet ik. Alleen de kansen zijn zoo ongelijk. Als zij hun

geld kwijt raken, dan zouden wij ten slotte hen toch moeten helpen....”

„Wij?” vroeg Hortense verbaasd.

„Zeker.”

„Mijn hemel.... Wij?.... En waarom?”

„Maar Stance, hoe heb ik het met je? Ze is uw stiefmoeder, en onze

verhouding in den laatsten tijd.....”

Ze zag haar man strak in het gezicht en over haar trekken gleed een

uitdrukking, die op de ongunstigste manier aan haar vader herinnerde.

„Wij zijn haar niets verplicht,” zei ze stroef. „Het eenige wat ik haar

heb te danken, is het ongelukkig leven, dat ze papa bezorgde, het

inslikken van een goed deel zijner nalatenschap en haar pogingen om mij

mijn man te ontrooven. Ik geloof niet, dat ik haar daarvoor dankbaar

behoef te zijn.”

Fournier zweeg een oogenblik.

„Je oordeelt erg hard, Stance; hard en onrechtvaardig.”

„Ik oordeel juist.”

„Toch niet, en.....” maar hij ging niet verder. Hij had haar aangezien

en was zeer getroffen over de uitdrukking van doodelijken haat op haar

gezicht. Nooit had hij dat lijdelijk uitziende gelaat van zooveel

expressiefs verdacht. Dat er hartstocht school achter het bleeke masque

met de soms doffe blauwe oogen, wist hij, maar hij meende dat die

slechts eenzijdig was ontwikkeld en in elke andere richting door een

overweldigende, aan het onverschillige grenzende, gemoedelijkheid werd

overtroffen.

„Dat wist ik niet?” zei hij onwillekeurig en de verwondering sprak uit

den toon zijner stem.

Hortense, nu weer zichzelve meester, scheen er eenigszins verlegen mee,

doch ze zinspeelde er niet verder op en vervolgde:

„Als je ons uit dat land kunt krijgen, doe het dan gauw. Maar ons het

eerst, Gérard. Dat is niet meer dan recht en billijk; niet meer dan

plicht.”

Aan tafel vond hij haar opvallend stil, en ze hield zooveel mogelijk de

oogen op haar bord gericht. Fournier daarentegen was de vriendelijkheid

zelf; hij vond haar veel belangwekkender, al speet het hem, dat zij

Louise zulk een geweldigen haat toedroeg. Na het dessert volgde hij

haar in haar kamer en kuste haar.

„Hoe is ’t mogelijk, Stance,” zei hij erg intiem, „dat je met haar hebt

kunnen wonen!”

„Waarom niet?”

„Wel.... als je zoo’n hekel aan haar hebt.”

„Toen nog niet.”

„Och, wat? Er is toch niets gebeurd!”

Zij lei haar gezicht op zijn schouder.

„Er is ook niets gebeurd, Gérard. Maar sedert je weer hier bent, haat

ik haar gruwelijk, en dat is jou schuld.”

„Kom, hoe is ’t mogelijk! Ik heb ’t mensch niet meer dan de burgerlijke

beleefdheid bewezen.”

„Neen, dat heb je ook niet.”

„Welnu dan?”

„Je hebt aan haar gedacht, Gérard. O, spreek het maar niet tegen! Je

hebt aan haar gedacht op oogenblikken, dat het voor mij ’n doodelijke

beleediging was.”

De jonge advocaat zag zoo wit als zijn boordje. Zulk een perspicaciteit

ontroerde en verschrikte hem geweldig. Hij moest het tegenspreken, hoe

waar het was, en met de houding van een beleedigde, richtte hij zich op

en lei haar arm van zijn schouder.

„Foei! Ik begrijp niet hoe iemand aan zulke gedachten kan komen.”

Zij glimlachte een beetje pijnlijk en antwoordde vergoelijkend:

„Goed, goed! Laat het onbegrijpelijk zijn; laat ik ongelijk hebben en

heel onrechtvaardig en onjuist zijn in wat ik zeg. Het doet er niet

toe. Je wildet weten, waarom ik haar haat en sedert wanneer,—je weet

het nu.”

Ze waren er een oogenblik beiden stil van. Toen lachte hij en kuste

haar weer en deed zijn best het wettig en overtuigend bewijs te

leveren, dat ze ongelijk had. En zoo hij al niet slaagde voor het

verleden,—voor het heden gelukte het hem.

Nog dienzelfden dag maakte hij er werk van bij een nieuwe

bankinstelling, die emplooi voor haar geld in Indië zocht en waarvan de

leiding was toevertrouwd aan menschen, heel gedistingeerd, uiterst

solied en in veler oogen onfeilbaar, maar die weinig verstand hadden

van Indische cultuurzaken. En dat behoefde ook niet. Immers zoo goed

als iedereen deed in of aan die zaken, zonder er veel meer van te weten

dan weinig of niets. En in Indië waren ze vertegenwoordigd door

menschen niet minder fatsoenlijk, gedistingeerd, solied en onfeilbaar

en met niet meer kennis van bedoelde zaken. Ze waren ongeduldig, dat

wist Fournier; ze moesten de beschikbare gelden rentegevend maken voor

hun aandeelhouders, en ze maakten zich niet bezorgd over de eerst

onlangs ingetreden daling der prijzen. Hij moest het slim aanleggen, en

hij verzon een speculatie, welke hij op touw had gezet voor de familie,

die mislukt was en waardoor hij gedwongen werd zijn eigen geld en dat

van mevrouw Van Velton en van dokter Van der Linden los te maken. De

directeuren der Bank geloofden hem op de overigens onschadelijke

noodleugen; er werd heen en weer getelegrapheerd, en de Bank nam de

hypotheek over.

Toen hij ’t zijn vrouw vertelde, lachte zij en riep:

„Die is heel aardig! Wat zijn ze er in geloopen!”

„Er in geloopen? Wel neen kind. De onderneming is uitstekend.

Alleen.....”

„Alsof je er ’t geld zou hebben uitgenomen als het een goede zaak was!”

„Och, dat is betrekkelijk! Ik weet niet of het geen goede zaak is.

Alleen: ik ben bang.”

„En waarom die vrees?”

„Zoo in het algemeen! En als men ergens geen vertrouwen in heeft, trekt

men zijn geld terug. Ik heb er hen niet in laten loopen.”

Ze antwoordde niet; ze wist, dat hij in staat was zichzelven in gemoede

op te dringen, dat hij er de Bank een genoegen mee had gedaan.

Toen Fournier ’s middags bij Louise kwam, vond hij haar in het salon

met den ritmeester Riquelle en den dokter, die nu wel moest

verschijnen, hoe onaangenaam hij het ook vond.

De heeren luisterden met belangstelling naar zijn verhaal; verstrooid

hoorde Louise toe en dacht onwillekeurig aan die geschiedenis op haar

trouwdag met Van Velton, toen haar vader zoo dicht bij den afgrond der

armoede stond en niemand het wist dan de aanstaande schoonzoon.

Riquelle zuchtte vol satisfactie toen hij hoorde dat Fournier zoo goed

geslaagd was; de dokter drukte hem dankbaar de hand.

„Het is heel verstandig gehandeld,” zei hij.

„Ongetwijfeld,” meende de ritmeester, die zich de mislukte speculatiën

van zijn vader herinnerde en doodsbang was voor geldelijke risico’s.

Louise haalde de schouders op. Wat kon haar ’t geld schelen, en toen ze

zag dat Fournier daar boos om was, vroeg ze:

„Was het zoo erg?”

„Erg genoeg. Zóó, dat je, als ’t fout was gegaan, zeer had moeten

verminderen, iets wat zich nimmer zou hersteld hebben.”

Een oogenblik keek ze peinzend uit het venster; toen naar den

ritmeester en naar haar vader. ’t Was waar! Als ze haar fortuin

verloor, was dat verlies volkomen onherstelbaar.

Snel trad ze op Fournier toe en reikte hem haar handje met een lieve,

dankbare uitdrukking op haar gezicht. Het werd hem weer zonderling om

’t hart; hij antwoordde op haar betuiging van dank iets

onverstaanbaars, en ging, meer zaken voorwendend, spoedig heen. Haar

beeld volgde hem op de straat; hij zag het nog wel een kwartier lang

voor zijn geest. Zou dat dan nooit heelemaal slijten? vroeg hij bij

zichzelven.

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 5 / 17 段