het is maar houden wat je hebt.... Ik heb moeite genoeg gedaan; het
vuur uit mijn zolen geloopen, maar ’t gaf niets.... Dat is me een land
hier, wat baantjes aangaat! Dan heilig Indië!”
„Konden we maar gaan,” zuchtte ze. Het in den laatsten tijd verdwenen
visioen keerde een oogenblik terug.
„Nonsens, dat weet je wel beter! Enfin, ik zat onder vrienden, en
beklaagde me omdat het leven zoo vervelend begon te worden en ik geen
„bijbaantje” had. Een hunner zei, dat zijn zwager graag iemand had om
’n paar boeken bij te houden, één uur slechts per dag.... Het is meer
om de verveling te verdrijven, dan om die vijftien gulden in de maand.”
„Ja maar Roos, we hebben geld noodig; we kunnen met ons pensioen niet
toe. Wat baat nu vijftien gulden!”
„Wat donder, ik kan het toch niet van de boomen schudden!”
„Maak je niet boos, want dat helpt niets. We zullen moeten verminderen;
goedkooper gaan wonen; de rekening bij den slager kleiner maken en je
verteringen buitenshuis....”
Het beviel hem niets.
„Ja,” ging ze voort, „ik doe het ook niet voor mijn genoegen.”
„Je zult je dan toch ook dienen te behelpen, en niet altijd maar
allerlei noodelooze dingen koopen.”
Als hij eens wist, dat ze speelde! Wat zou hij woedend zijn! Bij die
gedachte zweeg ze maar, en terugkomend op dien meneer met zijn paar bij
te houden boeken, vroeg ze:
„Wat doet die man?”
„Hij heeft.... hm!.... hij is wijnhandelaar.”
„En je gaat er zeker ’s ochtends even heen?”
„Neen, ’s avonds.”
„Hoe gek! Het is immers veel beter....”
„Houd nu asjeblieft den mond met dat gezanik, hé? Ik ga ’s avonds omdat
ik wil.”
Zij haalde de schouders op, en ging de kamer uit alsof ze daarmee wilde
te kennen geven dat ze, zóó redeneerende, geen kans zag verder te
komen. Hij, allesbehalve in zijn humeur, trok zijn jas aan en ging uit.
Hij had juist den knop van de kamerdeur in de hand, toen ze weer
binnenkwam en hoofdschuddend zei:
„Vijftien gulden in de maand! Hoe durft zoo’n man het te presenteeren?
’t Is het traktement van een bediende in Indië!”
Zonder te antwoorden ging hij heen. Het hinderde hem, dat hij gelogen
had, maar de waarheid wilde er niet uit. Vooreerst was het geen
wijnkooper, wiens boeken hij zou bijhouden, maar een slijter; ten
tweede had hij niet het avonduur gekozen omdat hij wilde, maar omdat
hij zich geneerde elken dag gezien te worden, als hij de slijterij zou
binnengaan. Het zou dien avond de eerste maal zijn, en het was een
zware gang, die hem naar het oude gedeelte der stad voerde, in een
doolhof van hobbelig bestraatte wijken, waar onregelmatig gebouwde
huizen, soms zonderling inspringend en met en zonder hoogere en lagere
stoepjes, fantastisch verlicht werden door meest aan de muren
vastgemaakte lantaarns, die hier en daar in den scherpen lichtkring der
onmiddellijke omgeving, een stuk venster opnamen, waarachter een
zuinige eigenaar zich verheugde over de verlichting van zijn kamer van
gemeentewege.
Voor een huis, dat op de omgeving een zeer gunstige uitzondering
maakte, hield hij stil. In deze buurt, waar doorgaans menschen huisden
behoorend tot den fatsoenlijken, kleinen burgerstand, teekende het
uiterlijk der woningen veel meer een zich behelpende bekrompenheid van
middelen, dan bloeiende welvaart met ruimte van geld.
Maar het jeneverpaleis maakte een uitzondering; het was hoog
opgetrokken en er hingen dubbele staatsiegordijnen voor de ramen der
twee verdiepingen boven den winkel, waarvan de buitenmuur tot aan de
bel-étage van arduinsteen was, of voor ’t minst een imitatie daarvan;
groote spiegelruiten prijkten in de vensters, voor het inkijken half
met matglas gecoupeerd; wie de dubbele deur binnenging zag aan den
eenen kant een groote open kast het eene muurvlak beslaande, gevuld met
kristallen karaffen, dranken bevattend in allerlei kleur, tot water toe
in de bovenste rijen, waar men niet bij kon komen voor het gebruik! En
achter de toonbank van goed geboend eikenhout, bedekt met door koperen
spijkertjes bevestigd glimmend zink, stond „mijn heer”, de mijnheer van
deze buurt, waarvan het bekend was, dat hij elken bewoner in rijkdom
overtrof; aan de andere zijde rustten op zware stellingen reusachtige
vaten, bruin geverfd op de zwarte ijzeren banden na en de blinkende
kranen, met dito emmertjes er aan, waarin de enkele droppeltjes lekten,
die van het voor ’t Nederlandsche volk zoo kostbare vocht niet verloren
mochten gaan.
Kapitein Roos stond stil in het helle licht, dat door de ruiten en de
glazen deur der groote slijterij naar buiten stroomde. Hij ging
voorbij. Het was verduiveld moeilijk, vond hij; het was beneden zijn
positie. Allerlei tooneelen uit zijn dagelijksch leven als kapitein bij
het Indisch leger, kwamen hem voor den geest, zijn toenmalig
maatschappelijk standpunt verheffend. Zijn positie gaf hem recht op
gelijken voet te staan met allerlei categorieën van notabele burgers en
nu.... boekhouder bij een slijter.... Te duivel, het was hard en dat
voor zoo’n bagatel geld! Hij moest slikken, twee-, driemaal, eer hij ’t
verschil verwerkt had en behoedzaam den bronzen knop der winkeldeur
opendraaide.
De slijter met een pet op, een modern fantasiepakje aan en een zwaren
dubbelen horlogeketting, die naar elken vestzak liep, was juist bezig
uit een helder gepoetste tinnen maat jenever te gieten in den trechter
op een smerig fleschje, dat een armoedig gekleede oude vrouw, die voor
de toonbank stond, zorgvuldig vasthield; toen de kapitein Roos
binnenkwam, streek hij haastig de vier en twintig centen, door de vrouw
neergeteld, in de lade, veegde zijn vingers af aan een helder witten
handdoek, opgehangen aan een stijl van de kast, bracht de hand aan de
klep van zijn pet en vroeg, met beide handen op de toonbank leunend,
wat meneer bliefde.
„Ik ben kapitein Roos.”
„O, kapitein, bent u het; welzoo, dat doet me genoegen; m’n neef, die
ook in de-n-Oost is geweest, sprak er van, en ik zei: dat is net van
pas. Kom binnen!”
De slijter, die Maas heette, ging den kapitein voor naar een net
gezellig vertrekje met gas verlicht en dat door een zijde, geheel van
glasruiten, licht kreeg uit den winkel.
„’t Is hier ’n goed kantoortje; je kan zoo alles zien, wat in den
winkel gebeurt.”
„Ja,” antwoordde Roos, minder ingenomen met de omstandigheid, dat men
hem ook uit den winkel zoo goed zien kon. „Speelt u hier ook piano?”
„Ik? Die is goed! Neen, mijn dochter speelt hier, maar niet als er boek
wordt gehouden, natuurlijk niet. Maar ze zingt anders heel mooi.”
De administratie was allereenvoudigst; het dagboek werd accuraat en
netjes bijgehouden. Dat er zooveel omging in een gewone slijterszaak,
verbaasde Roos, die slechts even had moeten denken aan de bittertjes
door hemzelven geregeld verzonden, om ’t debiet in dezen drankwinkel
verklaarbaar te vinden; maar ’t was een leuke administratie, die een
kind kon voeren. Men liet hem alleen; slechts eens bracht een
dienstmeisje hem een zeer goeden kop thee; overigens stoorde hem
niemand en met zijn bril op den neus, zat hij onder de gasvlam aan den
lessenaar zoo rustig de boeken bij te schrijven, alsof hij het zijn
leven lang gedaan had; eerst toen hij klaar was, kwam de slijter
binnen.
„Ik ben u maar niet komen storen,” zei hij. „Ik denk altijd maar: eerst
de zaken. Blijft u niet nog ’n oogenblik zitten, ’n grogje drinken?
Steek ’n sigaar op.”
De sigaren zagen er goed uit; het vooruitzicht op ’n grogje was niet te
verwerpen. Een oogenblik aarzelde de gepensionneerde kapitein, maar het
was, vond hij, hier alles zoo behoorlijk, zoo netjes en comfortabel,
dat hij eigenlijk niet begreep waarom hij zou weigeren. Hij bleef; hij
werd voorgesteld aan mevrouw Maas en aan de jongejuffrouw Maas, die hem
om ’t hardst „kaptein” noemden, wat haar eigen ijdelheid scheen te
streelen. En juffrouw Maas zong met verschrikkelijke oogverdraaiingen
en wegsleepende armbewegingen het miserère uit de Trouvère, zoodat de
kapitein tot aller vreugde verklaarde het in de opera nooit mooier
gehoord te hebben.
Toen hij naar huis ging en zijn kraag opzette tegen den kouden wind,
was hij opgewekt en vroolijk. Het waren beste menschen, de grog was
voortreffelijk, de sigaren goed, de toon gemoedelijk en fatsoenlijk.
Wat kwam het er ten slotte opaan, dat ze een slijterij hielden? Deze
lui waren waarachtig beter dan menig ander, die geur maakte met
„positie”. Hij was met dat boekhouderschap en wat er bij scheen te
behooren, geheel verzoend. Eigenlijk kwam hij daardoor meer en meer
terug in de sfeer, waarin hij thuishoorde. Het ophouden van den
officiersstand had hem in Indië—schoon hij ’t zichzelven niet had
willen bekennen, laat staan een ander—vaak moeite gekost en over het
algemeen gruwelijk verveeld; de kring, door hem thans verlaten, was
zijn element; dáár voelde hij zich lekker.
’t Was tamelijk vol in de groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en
Wetenschappen, althans voor een concertavond en voor die zaal, en aan
Indische menschen geen gebrek; zij voornamelijk waren het, die de
zijloges vulden en de stoelen bezetten. Men kon velen herkennen aan den
toon, waarop ze spraken; aan hun minder correct Hollandsch met hè’s,
ja’s, hier’s, zeg’s en kasian’s rijkelijk doorspekt; aan hun glanzende
zwarte haren en getinte huid; aan het eindeloos handjesgeven der leden
van elkaar ontmoetende families; aan de onvermijdelijke waaiers der
dames. Maar de Haagsche aandeelhouders in het Gebouw, die plichtmatig
zooveel mogelijk concerten, opera’s en tooneelvoorstellingen bezochten,
zagen dit Indisch contingent, deze steunpilaren der onderneming, met
vreugde.
Dicht bij het tooneel zat mevrouw Van Velton en naast haar mevrouw
Fournier, die haar man had gehaald van Marseille en na een soort van
huwelijksreisje met hem in Den Haag was aangekomen.
Hij zat achter haar; hij zag er welgedaan en gezond uit; haar wezen
straalde als het ware van genoegen; ’t was of zij alle melancholie en
zwaarmoedigheid had afgelegd, en als ze zich ter zijde boog om hem iets
te zeggen achter haar waaier, dan klonk haar zachte lach frisch en
vroolijk, teruggevonden, gelijk zijzelve herboren was.
Maar zij was nog niets bij Louise vergeleken, achter wier stoel een
ritmeester stond der cavalerie, erg chic, schoon overigens gewoon van
uiterlijk; hij had een fraaien naam, een adellijken titel en, naar men
zeide, eenig fortuin.
Hij maakte der jonge mooie weduwe het hof, en deze te midden der
wereld, welke haar zoo bitter weinig genegenheid toonde, partij nemend,
was op hem verliefd.
Zij had hem leeren kennen sedert de komst van Fournier. Het was vreemd
en opvallend, maar niettemin waar, en het stemde Louise tot een soort
van eerbiedige bewondering,—het was alsof „de” wereld, waarvoor zij
zich vruchteloos zooveel moeite had gegeven, ongevraagd zijn intrede
had gedaan in haar huis te gelijk met Fournier. En hij behandelde dat
als de eenvoudigste zaak ter wereld; hij maakte met zijn vrouw en zijn
schoonmoeder visites bij eerste families, die hem hartelijk ontvingen
en contra-bezoeken brachten, maar die nooit spraken over Indië, dan als
’t niet anders kon en dan nog zoo spaarzaam mogelijk. Noch haar eigen
vader, noch een algemeen geacht medicus, noch de in de handelswereld
zoo uitstekend bekende naam van Velton, noch haar wijze van leven
hadden haar een schrede dichter kunnen brengen tot Haagsche coterieën,
waarnaar zij hunkerde en waarin Fournier werd toegelaten als de
natuurlijkste zaak der wereld, en waar hij sprak over zijn oom den
staatsraad met een jonkheerstitel en zijn zwager, den Commissaris des
Konings, met een langen Frieschen naam vol ka’s, ma’s en ouderwetsche
verbindingen. Hij had, als zij het indertijd had gewild, haar man
kunnen zijn; haar kinderachtige „tinka’s” en grillig humeur hadden dat
belet, en ofschoon ze geen liefde hoegenaamd meer voor hem gevoelde—het
beestje was betoel „dood en begraven”—kon ze toch nog boos op zichzelve
worden om haar groote domheid. Wat baatten al die praal en pracht, wat
gaf het geld, als men toch door hen, naar wier omgang men haakte,
eenigszins beschouwd werd als een paria?
Intusschen genoot ze van de omstandigheid, dat zij als het ware „op
sleeptouw” werd meegenomen. Inderdaad had Fournier ’t liever niet
gedaan, maar hij was te dankbaar voor de gastvrijheid, zoo schitterend
door zijn vrouw en kind genoten, en te kiesch om zelfs maar te trachten
dit servituut te ontduiken.
En op een dier bezoeken had zij kennis gemaakt met den ritmeester bij
diens familie aan huis. De oude graaf Riquelle woonde op den
Kneuterdijk in een deftig huis, dat in ’t geheel niet met den tijd was
meegegaan, en zeker als het minder solied was geweest, van schaamte zou
zijn ingestort, toen het door zijn glazen oogen van bescheiden
afmetingen—geen ploertige spiegelruiten!—moest aanzien dat een zoo
archi-democratisch voertuig als een paardentram met fluitende
conducteurs en rinkelend tuigage den heelen dag langs zijn stijf en
rustig ijzeren stoephek holde en rolde! En het stille huis zou, ware
het een mensch geweest, tot achter zijn dakgoot gebloosd hebben om de
majesteitschennis gelegen in het buurschap van een meubelmaker en een
prins van den bloede!
Als de oude heer dááraan dacht, zuchtte hij diep, verschoof zijn met
gouddraad doorstikt kalotje, en trok peinzend aan zijn sneeuwwitte
impériale, en als mevrouw Riquelle de décadence van het vroeger zoo
„lieflijk ’s-Graevenhaege” herdacht, schudde zij bedenkelijk het hoofd,
dat nog een mooi hoofd was, ondanks de grijze haren en de rimpels van
den leeftijd.
Neen, zij waren niet meegegaan met den sleur des tijds, gelijk zoo
menige andere familie, waarvan de leden thans links en rechts
verstrooid, tot kolenhandelaars en zoo gedegradeerd waren. Dáárover
echter dacht men, maar men sprak er niet van.
Doch in één opzicht, maar één enkel opzicht slechts, was de tijdgeest
den ouden heer te machtig geweest. Voorspiegelingen van hooge renten
bij zekere kapitaalsbelegging hadden hem gebiologeerd; hij had een deel
van zijn matig vermogen er aan gewaagd, en was er volkomen kaalgeplukt
afgekomen.
Sedert was hij conservatiever dan ooit.
Maar sedert ook was hem ’t leven moeilijker, want ofschoon Edmund, zijn
zoon de cavalerist, volstrekt geen panier percé was, kostte hij toch
veel geld; dáárvoor was hij ook bij het bereden wapen!
De ritmeester was werkelijk geen viveur. Hij had het leven meegemaakt,
en nu hij de dertig achter den rug had, was er weinig nieuws voor hem
onder ’t Haagsche zonnetje. Toch was het niet uit vrijen wil, dat hij
zich veel onthield, wat hem anders het bachelorsleven zou veraangenaamd
hebben; hij had gaarne meer uitgegeven voor mooie paarden, fijne
wijnen, fraaie apartementen en zoo, maar hij kende de gevaarlijke
finantiëele omstandigheden zijner kleine familie, en hij wist welke
kunststukken en goocheltoeren mama in alle stilte moest verrichten om
het „evenwicht” te bewaren. En daar hij een goed mensch was, onthield
hij zich van alles, wat die moeilijkheden kon vergrooten, spottend met
„mooie” paarden als parade-goed voor kinderen, afkeer voorwendend van
wijn—slechte lustte hij inderdaad niet,—groote gehechtheid veinzend aan
zijn oude, volstrekt niet schitterend gemeubelde kamers.
Het was niettemin geen geldzucht geweest, die hem tot Louise Van Velton
had aangetrokken. Toen ze meekwam met de Fourniers, was hij toevallig
bij zijn oudelui. En daar de donkere teint van Louise zijn mama
eenigszins op een afstand hield, was hij bij haar gaan zitten met de
banale vraag, hoe het haar in Den Haag beviel.
„Tamelijk goed,” zei ze. „’t Is ’n lieve plaats. Ze heeft zoo geen
eigen cachet, als veel andere Hollandsche steden, maar daarentegen iets
huiselijks, iets prettigs.”
„Nietwaar, mevrouw?” zei hij opgewekter dan gewoonlijk. „’t Is juist
wat ik ook altijd vind. Ik dacht alleen dat het vooringenomenheid wezen
kon.”
„Ik weet het niet. Misschien komt er die van uw kant wel ’n beetje
bij.”
Zoo praatten ze voort over de stad, ’t bosch, Scheveningen; ze traden
in de gewone vergelijkingen met ’t Bois de Boulogne als bosch, met
Brussel als stad, met Oostende als badplaats, en men verheugde zich in
een voor de aangename conversatie steeds zeer bevorderlijke sympathie.
„Wat is die mevrouw Van Velton voor ’n dame?” vroeg zijn mama toen de
visite was afgeloopen.
„Ik weet het niet,” zei Edmund. „De tweede vrouw van Van Velton, die in
Indië is gestorven.”
„Den naam heb ik meer gehoord.... Van Velton.... Zoo heet, meen ik, een
groot koopmanshuis in Amsterdam of Rotterdam,” lichtte de oude heer
toe.
„Zij is een zeer lieve, beschaafde vrouw,” verzekerde de ritmeester.
Mevrouw Riquelle zei niets, maar keek met gefronste wenkbrauwen naar
buiten. Zij had nu en dan wel met angst opgemerkt, dat Edmund bijzonder
lief was voor die donkere, maar mooie vrouw; zij kende hem en ze maakte
zich bang, want hij had tot nog toe haast nooit meer dan spot over
gehad voor ’n vrouw of ’n meisje, dat de echtgenoote had kunnen worden
van een graaf De Riquelle; haar moederlijk hart zag hier een gevaar, en
toen het kort daarna wezenlijk kwam, vond het de oude dame althans niet
onvoorbereid; zij had het van het eerste oogenblik zien aankomen.
Toch had Edmund Riquelle met zijn moeder den zwaarsten strijd. Papa
vond het nu wel niet aangenaam, dat zijn zoon wilde trouwen met de
weduwe van een koopman—zelfs zeer onaangenaam vond hij het,—maar twee
overwegingen gaven spoedig den doorslag: als man begreep hij hoe zijn
zoon op ’t mooie vrouwtje verliefd was geraakt; als vader en financier
zag de rijkdom van datzelfde vrouwtje er in zijn oog zeer aanlokkelijk
uit.
„Je behoeft me daaromtrent niets te zeggen,” zei zijn mama, toen hij
zinspeelde op de „onafhankelijke positie” van Louise. „Je kunt me toch
niets zeggen Edi, waarover ik niet reeds lang heb gedacht. Maar dáárom
wil je dat huwelijk niet doen.”
„Zeker niet. In mijn omstandigheden beteekent het echter niet weinig.”
„Dat is wel zoo, maar je hadt ’t zelfde kunnen vinden zonder tot lager
af te dalen. Ik vind het zóó verschrikkelijk!”
„Nu ja, maar, dat zijn erg verouderde begrippen, mama, waaraan u niet
moet vasthouden. Als u nu jong waart, zoudt u die ook laten varen.”
„Edmund, dat zou ik niet. Het is mogelijk dat mijn ideeën niet meer
passen in den tegenwoordigen tijd. Ik meen dat ook wel op te merken.
Maar ik kan en wil niet meegaan met dien tijd; ik verfoei hem!”
„Lieve, beste ma, wees nu niet zoo halsstarrig. Ik respecteer zeer uwe
ideeën, maar u kunt de wereld toch niet noodzaken zich daarnaar te
richten.”
„Zeg ik dat dan, Edi? Ik hoor wel aan den toon van je spreken, hoe
bespottelijk je het vindt, dat een oude dame, die niets doet dan
bezoeken ontvangen en zorgen voor haar klein huishoudelijk
familie-leven, zich permitteert met die wereld van gevoelen te
verschillen. Wel, ik ben zoo vrij, Edi.—Ik durf dat gerust zeggen, want
die wereld regardeert me niet. Ik heb niets dan papa en jou. Dat is
mijn wereld hier in huis, en daarbuiten bepaalt ze zich tot vrienden en
vriendinnen uit onzen eigen stand. Blijf dáárin, Edi; ik bid je, blijf
dáárin.”
„Lieve mama!” zei de ritmeester met een luiden zucht.
„Neen, spreek me niet tegen. Breng in onze familie geen elementen, die
er niet in behooren, waarmee we niet aangenaam kunnen leven en die ons
omlaagtrekken, omdat wij ze onmogelijk omhoog kunnen krijgen.”
„Er is volstrekt geen reden, waarom de familie niet goed met haar zou
kunnen omgaan; zij is een vrouw van smaak en opvoeding. Als men u zoo
hoorde praten en men wist niet het tegendeel, dan zou men ’n heel
vreemd idee krijgen van onzen stand. Bovendien: ik ben in onze familie
de eerste niet....”
Mevrouw Riquelle had die opmerking wel verwacht. Edmund doelde op haar
grootmoeder, die niet eens zoo intellectueel ontwikkeld was geweest
noch zoo gefortuneerd als mevrouw Van Velton.
„Het is geen reden om in die richting verder te gaan. Het tegendeel is
waar. Het is nu juist zaak herhalingen te vermijden. Toe, Edi, doe je
ma het genoegen van dat ongelukkige plan af te zien; je weet niet
hoeveel verdriet ik er van heb. Het zou mijn laatste levensjaren
verbitteren. Je bent ons eenigst kind, Edi, en ik zou gerust sterven,
als ik je gelukkig getrouwd zag. Maar zóó niet.... zóó niet. Niet met
dat zwarte mensch, die weduwe van een koopman.”
Over het eenigszins vale en kale tapijt der groote bovenkamer, liep de
ritmeester bleek en zenuwachtig op en neer bij die laatste woorden; hij
trok met korte, heftige bewegingen aan zijn lange, rossige knevels, en
wist niet goed wat in ’t midden te brengen, dat geen onaangenaamheden
zou verwekken tusschen zijn moeder en hem. De oude dame, die het „hooge
woord” gezegd had, zweeg onder den indruk van haar eigen woorden, en
ging niet minder zenuwachtig voort aan een handwerkje, als haar zoon
zijn knevels mishandelde; ook zij zag zeer bleek en had van opwinding
tranen in de oogen.
„Het spijt me, dat u er zoo over denkt.”
„Nietwaar,” barstte zijn moeder met hartstochtelijke heftigheid los,
terwijl ze zich niet langer bedwong, maar haar tranen vloeien liet,
„nietwaar, het spijt je, Edmund; maar of het je spijt of niet, je zult
haar toch tot vrouw nemen. Denk je, dat ik het te voren niet wist? Denk
je, dat ik niet wist hoe weinig je verzoek om mijn toestemming meer was
dan een formaliteit? O, je moet me pardonneeren, Edi, dat ik me
verstout heb in die aangelegenheid een meening te koesteren, die niet
strookt met de uwe. Je moet het je mama vooral niet aanrekenen, zal
je?”
„Maar maatjelief!.... Mijn God!.... Pff!....”
„Ja, ’t is om het te warm te krijgen bij een moeder, die zoo het
welzijn en het belang van haar zoon uit het oog verliest. Die niet
juicht omdat hij trouwt met een vrouw uit Indië, de weduwe nog wel van
een burgermannetje; die wel zwart ziet, maar geld heeft;—die ’t niet
heerlijk vindt, dat haar zoon aan ’n dwazen hartstocht voor ’t vreemde
toegeeft, en die niet met open armen zoo’n fortuin aan ’t hart drukt,
waarvan niemand weet hoe men er aan is gekomen; die niet....”
De ritmeester liep met een: „Dag ma, ik groet u,” heel onbeleefd de
kamer uit; hij kon ’t niet langer houden.
„Pa,” zei hij in een der benedenkamers, waar de oude heer was, „ga u
asjeblieft bij mama en tracht haar te kalmeeren; zij is zóó vreeselijk
opgewonden, en ik zie er geen kans toe.”
’s Middags kwam hij terug. Ofschoon mevrouw Riquelle nog bleek zag van
de sterke ontroering in den ochtend, was ze nu geheel bedaard, en in
haar gewonen doen even deftig. Edmund deed maar alsof hij niet zag, dat
ze hem in het oogvallend koel behandelde, trok een vouwstoeltje bij en
ging naast haar zitten. Hij moest geheel open kaart spelen, dat stond
bij hem vast en strookte ook met den aard der Riquelle’s, die het
veinzen nooit goed hadden verstaan. Maar van het geld sprak hij in ’t
geheel niet meer; hij trachtte haar alleen te vertellen, dat hij van
Louise hield, en hoeveel. „Ik weet niet, ma,” zei hij, „hoe het kwam. U
weet wel dat ik geen dichterlijken aard heb en met spontane
verliefdheid altijd den draak heb gestoken. Nu zou ik er haast aan gaan
gelooven, want het is waar wat u hebt gezegd: het was eigenlijk reeds
beslist op dien eersten dag, toen ik haar toevallig met de Fourniers
hier ontmoette. Het is hoe langer hoe machtiger geworden, en ik geef er
alles, alles aan. U weet hoe veel ik altijd van u heb gehouden, en hoe
ik nu twee en dertig jaren lang zoover ik weet steeds heb gedaan wat u
aangenaam was, kleine „jeugdigheden” niet meegerekend. Ik ben toch
waarlijk geen kind meer, in jaren zoomin als in ondervinding; en in
mooie oogen heb ik dikwijls genoeg gekeken zonder gevaar. Maar voor die
van Louise zou ik alles doen; er is niets wat me zou tegenhouden;
niets, zelfs mijn eer niet, geloof ik, als die er mee gemoeid was.”
Mevrouw Riquelle begreep het volkomen. Zij knikte toestemmend met het
hoofd, alsof ze zeggen wou: zoo is het en niet anders; maar niettemin
zei ze hardop en met een diepen zucht:
„Het is verschrikkelijk!”
Even bedaard als hij gesproken had, zonder emphase, zonder eenigen
nadruk zelfs, maar op dien gewonen, alledaagschen toon, waarin
uitgemaakte zaken worden geëxpliceerd, vervolgde hij:
„Ik wil niet in discussiën treden, mama, over stand of positie, geld of
geen geld. Zij is een ontwikkelde en fatsoenlijke dame met fortuin. Het
doet er niets toe. Als ze onontwikkeld, onfatsoenlijk en arm was, nam
ik haar nog. Het is gek, ik vind het zelf gek,—maar het is zoo.”