„Hoe kan je dat toch beweren? Mourant herhaalt alleen wat de dokter

zegt over de reactie....”

„De dokters hier weten niets van ziekten als de zijne. Maar als hij

kans heeft het leven te rekken, dan ligt die niet hier in Holland.”

„Hoe kan je dat weten?”

„Hij heeft den dood reeds op ’t gezicht, en, ril maar niet Jet, je hebt

dat zelve ook wel gezien; je weet dat net zoo goed als ik. Geloof me,”

verzocht ze dringend, „ga met hem naar Nice of zoo! Kasian! hij is toch

al zoo ongelukkig! Weest niet zoo zelfzuchtig jullie, jij en....

Willem.”

„Hemel!” steunde Henriëtte, bevend van ’t hoofd tot de voeten.

„Tot ziens,” ging Louise voort, opgewonden sprekend en zenuwachtig de

handen bewegend. „Tot ziens, ja! Als je gaat, schrijf me dan.”

Zij zat al in haar rijtuig, voordat Henriëtte van den schrik was

bekomen. Welk een wonderlijk schepsel was en bleef dat toch altijd.

„Ze is net gek!” zei ze, de kamer binnentredend.

„Een geëxalteerd schepseltje!” voegde Mourant er met groote

geringschatting in toon en gebaar bij. „Er is altijd heel zonderling

over haar gesproken. Het is waarlijk niet te verwonderen; ze doet al

heel vreemd.”

Veninga echter zei niets. Hij zag nog erg bleek en lag in zijn

luierdstoel achterover met gesloten oogen. Niemand wist welk een

verschrikkelijken schok mevrouw Van Velton hem had gegeven door zoo

onverbiddelijk duidelijk te zinspelen op den grooten vijand, dien hij

zoo angstig vreesde—op den dood!

Dàt was verschrikkelijk! Het was ’t denkbeeld, dat hem reeds in Indië

had geplaagd; dat hem sedert was blijven vervolgen, en waartegen hij

een inwendigen harden strijd voerde; het denkbeeld dat hij met geweld

terugdrong en als ’t ware omver trachtte te redeneeren, maar dat met

elke pijn in de rechterzijde of in den rechterschouder zich

onverbiddelijk weer op den voorgrond werkte.

„Ik hoop,” zei Mourant op hoogen toon, als sprak hij over iets, dat men

vèr weg werpt, „dat je van die nonsens je niets zult aantrekken.”

„Veninga zal wel verstandiger zijn,” vond zij.

Maar de zieke schudde het hoofd en keek hen toen beurtelings aan met

den doodsangst op het gezicht.

„Wat weten jullie er van?” zei hij snel als beet hij hun de woorden

toe. „Kan zij niet heel goed gelijk hebben?”

Mourant en mevrouw Veninga zwegen. De bitse toon van den lijder was hun

een te bekende klank. Hij kon niet de minste tegenspraak velen, als hij

zoo sprak. De stilte was drukkend. Mourant had weer een der kinderen op

zijn schoot genomen om zich met iets bezig te houden. Jet pookte in het

haardvuur.

Langzaam keek Veninga van den een naar de andere. Wat waren zij gezond!

Hij, de vriend, met zijn welgedaan buikje en zijn dikken nek; zij, het

mooie vrouwtje met haar frisch en jeugdig gezicht, en haar slanke,

bevallige taille, waaraan men het niet zien kon, dat ze al kindertjes

had gehad; net een jong meisje.

Hij vreesde geen leven nà dit leven. Daaraan geloofde hij in ’t geheel

niet. Het dogma kon naar zijn meening slechts zijn voortgekomen uit een

lapsus linguae. De mensch, nu ja, die plantte zich voort en had de

middelen in de hand om nooit uit te sterven, een ongeval waartegen het

genus zonder aansporing wel zou waken. Dàt was naar zijn vaste

overtuiging de bedoeling; anders niet. Het was, meende hij, een

kapitale dwaasheid, die waarheid als een os zoo verkeerd op te vatten,

dat men er een persoonlijke zaak van ging maken en in allen ernst

gelooven, dat er voor een fragment eener individueele ikheid een eeuwig

voortbestaan was weggelegd. Het niet,—daarin zou hij verzinken als hij

stierf, meende hij; voortleven overdrachtelijk zou hij in zijn

nakomelingen; maar persoonlijk „stof en asch”. Het was geen

schrikbeeld, dat de dood, zóó gezien, opleverde; men kon hem aannemen

als een vervelend, maar bevrijdend einde van een ziekelijk en pijnlijk

bestaan. En toch kon de arme Veninga er niet aan denken zonder dat een

ontzettende vrees hem in groote droppels langs voorhoofd en slapen

gudste. En of hij al zijn redeneering te baat riep, en het algemeene

tegenover het bijzondere stellend, het eerste deed overwinnen,—hij kwam

niet los van den zielsangst, die hem beknelde. Moest hij dan weg? Weg

van Jet en van de kinderen? Weg van het geld, dat hij met arbeid had

verdiend en bespaard? Weg van alles, tot van zichzelven? En als hij nu

eens stierf, wat zou het dan zijn! Natuurlijk kon hij niet verwachten,

dat men om hem en zijn nagedachtenis een uitzondering zou maken op den

regel. Waarom zou men dat doen? Het gebeurde immers met geen anderen!

Hijzelf had nooit langer geliefde dooden betreurd dan eenige weken na

de begrafenis. Nu ja, een enkel maal een weemoedige gedachte, een

zucht, een traan,—maar het leven hernam dan dadelijk zijn rechten,

streng, onverbiddelijk meesleurend, en men ging aan den arbeid, men

waakte en sliep, men werkte en dacht, men leed en streed juist alsof

die anderen, die dood waren, er nooit waren geweest. Hun plaats was

niet aangevuld,—dàt behoefde niet eens; hij was met henzelven

verdwenen, en men zou geen raad hebben geweten met den geliefden doode,

als hij een maand na zijn begrafenis eens ware teruggekeerd met al zijn

rechten en aanspraken, met al zijn gezag en invloed. Want die waren

overgegaan op en als dadelijk vereenzelvigd met anderen, die dan een

afstand zouden moeten doen op een grond door geen rechtsbegrip

gerechtvaardigd; om een reden tot nog toe door niemand aangevoerd of

aangenomen. Zoo zou het precies gaan als hij stierf. Zijn vrouw zou

plichtmatig bedroefd wezen, maar als er een ander man kwam, die haar

beviel, dan zou ze dien nemen, met hem trouwen, andere kinderen bij hem

krijgen. Hij zuchtte diep, schoon het hem pijn deed in de zijde. Het

was ellendig, vond hij. Ternauwernood zou men hem missen! En hij kon

niet eens zijn geld meenemen om zijn gemis voelbaarder te maken.

Integendeel, hij werd een post van uitgaaf minder op het budget!

„Mourant!”

„Wat is er, Veninga?”

„Wezenlijk, ik geloof dat het hier in Holland niet goed voor me is.”

Het gezicht van den advocaat betrok.

„’t Is mogelijk,” zei hij op een toon, die niet bewees dat hij de

mogelijkheid inzag.

„Wees nu niet vervelend. Ik voel immers het best, dat ik hier niet

vooruitga. Die mevrouw Van Velton....”

„Och, wat!”

„Neen, spreek me niet tegen. Het is een alleronaangenaamst openhartig

mensch, maar wat ze zei is waar.”

„Je hebt dat toch niet vroeger opgemerkt,” meende mevrouw Veninga, en

ze zei het ongewoon snibbig. „Welk een dwaasheid! Omdat zij gek is,

behoeven wij het toch ook niet te zijn.”

„Ja, jij zou me, denk ik, wel graag in het graf hebben. Dan kon je

overal heengaan, hé. Dat is een boel pleizieriger dan een zieke man.”

Zij haalde onverschillig de schouders op.

„Als je zóó spreekt, doe ik het best te zwijgen.”

„En waar wou je dan heengaan?” vroeg Mourant.

„Ik wou naar Davos en ik wou jou en je vrouw vragen voor mijn rekening

met ons mee te gaan.”

Bedenkelijk wreef Mourant zijn fijnen neus.

„Het zal niet gaan, amice! Ik heb het natuurlijk gaarne voor je over.

Of echter mijn vrouw er toe zal te bewegen zijn, betwijfel ik zeer.”

„Als ik het haar dringend verzoek?”

„Doe dat niet. Laat het aan mij over. Ik zal er met haar over spreken;

van avond zal ik je antwoord brengen. En,” vervolgde hij, na een vasten

blik op Jet, die hem in gespannen verwachting aankeek, „of zij wil of

niet, in elk geval ga ik mee.”

Een vriendelijke glimlach gleed over het gelaat van den lijder, en zijn

gezicht teekende dankbaarheid en vriendschap, toen hij met een uiterst

flauw idee van verzet zei, dat hij zóóveel opoffering niet vergen

mocht.

„Kom, kom! De opoffering is waarlijk zoo groot niet. Ronduit gezegd,

zou het gezonde, rustige klimaat van Davos mij ook vrij wat meer goed

doen, dan het ruwe gure weer in Holland.”

Mevrouw Veninga draaide ook bij.

„Het spijt me voor ’t lieve huis,” zei ze, „dat we moeten verlaten;

ziedaar alles. Voor het overige spreekt het wel vanzelf, dat ik óók

liever naar een zachter klimaat ga, en als het voor jou gezondheid

is.....”

„Het doet me pleizier, dat we het eens zijn. Dat stelt me gerust. Kom

hier Jet, en geef me een zoen. Je neemt het me niet kwalijk, ja, dat ik

je daar straks zoo aanviel?”

Zij maakte dezelfde onverschillige beweging met de schouders, alsof ze

wilde zeggen: Stel je voor, dat ik me zoo iets aantrok. Doch ze zei het

niet en gaf hem een kus. Mourant wendde het hoofd af, pratend tegen de

kinderen met een gemaakt lachje.

„De vraag is nu maar wanneer?” wierp hij op, toen hij meende dat het

wèl was.

„Zoo gauw als het kan.”

„Minstens drie dagen,” meende Henriëtte met het oog op de kinderen.

„Drie dagen!” zuchtte Veninga, als zag hij op tegen een termijn van

jaren.

„Mij dunkt,” zeide Mourant, „’t zou overmorgen ook wel kunnen. Laat ons

’t maar dáárop houden.”

Doch mevrouw Veninga schudde het hoofd.

„Ik kan niet klaar komen dan na drie dagen. We gaan geen minuut

eerder.”

„In Godsnaam dan!”

„Zeur nu niet, Veninga. Je ziet wel, dat we alles doen wat we kunnen om

je te believen.”

„Ja, ja, ik zeg niets! Ik wou alleen maar, dat die drie dagen reeds

voorbij waren.”

„En een paar uren geleden dacht je nog niet aan heengaan: dat komt

allemaal door dat malle spook.”

Veninga zweeg; hij lag stil in zijn stoel met gesloten oogen. Mourant,

die zijn hoed had genomen, stond met het hoofd in den nek naar een

schilderij te kijken aan den wand, glimlachend om haar woede tegen

Louise; hij wist waaruit die voortkwam en kon wel nagaan, dat tusschen

die twee een openhartig woordje was gevallen.

Zij gaf haar hart lucht. De geheele levensgeschiedenis van Louise,

zooals die metterdaad niet was, maar „men” haar gemaakt had, borrelde

op uit het vertoornd gemoed van het jonge vrouwtje, tot Veninga de

magere hand omhoogstak, er een gebiedend afwijzend gebaar mee maakte,

en op zijn gemelijksten toon uitriep:

„Schei dan toch uit met dat gezanik over die mevrouw Van Velton. Als je

nergens anders over wilt praten, ga dan asjeblieft de kamer uit!”

„O ja, ik weet het wel. De heeren kunnen nooit iets van haar hooren. En

al praat zij den grootsten onzin, dan handelen ze er nog naar.”

Driftig verliet zij de kamer.

„Adieu,” zei Mourant, zich omkeerende en Veninga de hand reikend. „Ik

zal dat thuis wel in orde maken en kom dan van avond nog eens aan.”

„Kom hier eten!”

„Misschien. Reken niet op me; als ik kom, zie je me.”

In de gang stond mevrouw Veninga hem op te wachten; ze was werkelijk

heel boos, en toen hij haar een kus wilde geven, weerde zij hem heftig

af.

„Kom, maak asjeblieft maar geen gekheid! Met die malle nonsens! Dat

heele naar Davos gaan is onzin.”

„Och, dàt dienen we toch voor hem over te hebben.”

„En dan: overmorgen!”

„Misschien kom ik straks eten; in elk geval tot van avond. Er zit thuis

bij me weer een lief leventje op!”

Dat denkbeeld verteederde haar, en ze nam vriendelijker afscheid van

hem, dan eerst haar plan was.

De woning der Mourants was kleiner en veel minder luxueus, dan die der

Veninga’s; niet alleen door het verschil in fortuin, dat nog grooter

was geworden, sedert Mourant uit Indië bericht had gekregen van een

paar kleine „bankroetjes”, waarbij hij nogal erg betrokken was, maar

ook omdat ’t zoo’n klein gezin was: man en vrouw zonder kinderen.

Zij zat bij het venster te lezen, eenvoudig gekleed als altijd. Hij had

haar getrouwd in Indië, waar zij onderwijzeres was en als zoodanig een

uitstekende reputatie had, dubbel en dwars verdiend. Zij had altijd

haar best gedaan hem zijn intellectueele minderheid niet te doen

gevoelen, en hij, de advocaat, ijdel in hooge mate, die erg graag deed

uitkomen, dat hij een „academische opleiding” had genoten, wist niet

dat zijn eigen vrouw en menig ander met haar, inzagen dat die opleiding

slechts een dun vernisje op een poveren ondergrond gestreken had. Zij

begreep wel, en ook hierin waren het meer menschen met haar eens, dat

Mourant’s bekwaamheid niet verder ging, dan tot de soort gewone

bruikbaarheid, waarbij alles moet afhangen van het goed geluk. En dàt

had Mourant gediend. Hij viel, in Indië komend, met den neus in de

boter van een goed beklant kantoor, met een goed rechtsgeleerde tot

associé. Maar zoo het toeval hem zijn carrière als koeli had doen

aanvangen, zou het een open vraag zijn gebleven of hij haar wel als

mandoer zou hebben geëindigd!

Intusschen,—zij, Mourant en zijn vrouw, hadden goed geleefd met elkaar,

in dien zin, dat zij heel wèl waren zonder buitengewoon diepgaande

genegenheid. In den laatsten tijd echter was hun leven een hel, en men

kon het haar aanzien dat zij leed. Dat maakte haar uiterlijk schooner

noch jeugdiger. Men behoefde naar de veertig jaren, die zij telde, niet

te raden. Indien zij het zich niet had aangetrokken, alles had

aangewend om met wat haar overbleef te woekeren, en gekoketteerd had

met anderen, zou zij er wellicht in geslaagd zijn een zoo ijdele en

zelfgenoegzame persoonlijkheid als Mourant te blijven boeien.

Hij groette niet toen hij de kamer binnentrad, en zij zag niet op van

het boek, dat ze las. Voor den spiegel schikte hij zijn das een weinig

recht, trok aan zijn boordje en zei heel kort en nurksch:

„Ik ga over drie dagen naar Davos. Hoe lang ik daar blijf, weet ik nog

niet.”

„Heb je het niet verstaan?” vroeg hij toen zij geen antwoord gaf.

„Welzeker! Doch het was geen vraag; alleen een mededeeling.”

„Ik ga naar Davos,” herhaalde hij nog eens.

„’t Is me onverschillig. Moet ik meegaan, dan zal ik het doen, schoon

ik liever hier blijf.”

„Als je mee wilt gaan, zal het mij hoogst aangenaam zijn!” riep hij met

bitteren spot. „We gaan met de Veninga’s.”

„Schaam je je niet?”

„Om met Veninga en z’n vrouw op reis te gaan?” ging hij op denzelfden

toon voort: „Daar behoeft men zich waarlijk niet voor te schamen!”

„Och!” zei ze zuchtend, „je aardigheden vallen volmaakt in het water.

Er blijft niets over dan je laagheid. Ik wil niet van mijzelve spreken.

Je weet dat ik geen achting meer voor je heb en ook geen genegenheid

voor je koester. Maar dat je dien armen Veninga zoo schandelijk

bedriegt, is een misdaad.”

„Welnu, klaag me aan!” antwoordde hij met gemaakte vroolijkheid. „Niets

liever, dat weet je.”

Een gloed van toorn kwam op haar gezicht.

„Als ik kans zag jou en haar voor een rechter te brengen, die je

allebei de straf gaf, door je verdiend, dan zou ik het wezenlijk niet

laten.”

„Haar?.... Nu?.... En dan die arme Veninga? je zoudt hem moedwillig den

dood doen. Foei, dat is óók een misdaad.”

Dat was inderdaad het eenige, waartegen zij opzag. Ze mocht Veninga

zeer gaarne, en ze had slechts geaarzeld om zijnentwil. Dat het zijn

dood zou wezen, betwijfelde zij niet, en daarvoor vreesde zij. Maar

niettemin was het voor haar een marteling. Toen ze voor het eerst

achter de waarheid was gekomen, en de schuldigen betrapte op een

oogenblik, dat deze zich niet spoedig genoeg konden verwijderen, had ze

een moreelen schok ontvangen, waarvan ze voelde dat ze nimmer zou

herstellen. Want wat ze gezegd had, was ook niet waar. Ondanks alles

hield ze veel van Mourant, en nu misschien meer nog dan vroeger,

ondanks ze hem wezenlijk minachtte.

Hij had dadelijk den knoop doorgehakt door pogingen voor te stellen om

tot een scheiding te komen; zij had die voor goed verworpen, door één

voorwaarde, die ze vooraf wist dat hij niet zou aannemen. Zij vroeg

haast zijn geheele vermogen, en bij die gelegenheid had hij geraasd en

getierd als een bezetene. Neen, daarvan kwam niets, en dat wist ze wel.

Sedert zinspeelde hij voortdurend op scheiding en noemde er nu en dan

cijfers bij. Hij wist wel, dat zij het niet doen zou, en dat hij in

geen geval behoefde te handelen vóór den dood van Veninga. Was die

eenmaal ad patres, dan kon hij zien wat er te doen was. Zijn vrouw zou

niets zeggen, dat wist hij zeker, alleen om Veninga te sparen.

„Dus je gaat niet mee naar Davos?” vroeg hij, toen zij de kamer

verliet.

Maar zij antwoordde hem niet, en hij, een deuntje fluitend, ging naar

zijn kamer, kleedde zich, liep eens naar de sociëteit, waar de

oud-gasten hem gaarne zagen, mengde zich in allerlei gesprekken over

Indië en landde nog voor etenstijd weer bij de Veninga’s aan.

De zieke glimlachte vroolijk.

„Dat doet me pleizier,” zei hij.

„Ja, ik ben met moeite gereedgekomen; ik had nog een en ander te

beredderen.”

„Weet je wat ik morgen toch wel wilde doen?”

„Neen, nog niet.”

„Ik wou mijn testament laten maken.”

„Het kan nooit kwaad. Het mijne bestaat reeds jaren. ’t Is

ordelijk.....”

„Zeker! Het is schande, zeg het maar gerust, dat ik er geen heb. Een

van vroeger tijd heb ik vernietigd.”

„Een uit Indië.”

„Ja. Nu moest je me een pleizier doen en zorgen, dat morgen de notaris

hier komt. Je wilt toch wel executeur zijn?”

Mourant bedwong een glimlach en zei met kalmen ernst:

„Waarom niet? Ik hoop intusschen dat ik nimmer de functie zal behoeven

uit te oefenen.”

„Nu maar, ik vrees dat het ’t eind van het lied wel wezen zal.”

„Gekheid! Je knapt weer op.”

Met groote zorg werd Veninga drie dagen later en nadat hij zijn

testament had gemaakt, volgens Mourant uitsluitend om de „goede orde”

van zaken, voorzichtig en in een plaid gewikkeld, vervoerd; hij

gevoelde zich zieker dan ooit en kon den steun niet missen der

krachtige handen van Mourant, die hem als ’t ware in en uit rijtuigen

en waggons tilden.

Louise Van Velton had nog één visite gemaakt na de geagiteerde bij de

Veninga’s. Ze kwam bij mevrouw Van Stralen in de Willemstraat, en moest

heel lang anti-chambre maken, voor ze boven mocht komen. Daar vond ze

een zestal Indische dames en ze begreep heel goed, dat ze die allen

door haar bezoek erg dérangeerde. Mevrouw Van Stralen zou dan ook voor

ieder ander, die het speelpartijtje kwam verontrusten, belet hebben

gegeven, maar zij hield wel van mevrouw Van Velton en zij was er in

ieder geval zeer op gesteld de kennismaking met de villa op het Plein

1813 aan te houden. Daarom waren spoedig de kleine kaartjes en de

andere dobbelwerktuigen opgeruimd en weggeborgen, waren de dames van

den grond opgestaan en hadden zij op stoelen plaats genomen, en ontving

de vrouw des huizes haar bezoekster allervriendelijkst.

Maar het standje bij de Veninga’s werkte na in het prikkelbaar gemoed

van Louise. Geen vijf minuten hield ze het praten over koetjes en

kalfjes vol. Ze deed er gedachtenloos aan mee, en er behoefde eigenlijk

ook niet bij gedacht te worden. Intusschen dwaalden haar oogen

droomerig door de kamer en over de min of meer behoorlijk gekleede

dames van dit kransje. Het was de voorbode van iets onaangenaams, dat

altijd onvermijdelijk volgde als zij zoo droomerig keek.

„Komen de dames dikwijls bij elkaar?” vroeg ze zeer onverwacht en op

een vinniger toon, dan de aard der vraag en de gelegenheid scheen mee

te brengen.

„Och, dat gaat nogal,” antwoordde mevrouw Van Stralen leukjes; maar

mevrouw Roos, die Louise alleen op het gezicht niet kon uitstaan en ook

woedend jaloersch was op haar groot fortuin, zei zeer beslist, maar

niet vriendelijk:

„Zeker, mevrouw Van Velton, wij zien elkaar haast om den anderen dag.”

Zij keken allen eenigszins verbluft de kapiteinsvrouw aan, die, niet

gewoon veel te spreken, zich zoo onverwacht en beslist op den voorgrond

stelde. Ook Louise nam haar op van het hoofd tot de voeten. Daarna

glimlachte ze met minachting.

„En ik wed, dat de dames dan op Indische manier een partijtje maken,”

vervolgde zij tegen mevrouw Van Stralen, die, tamelijk verlegen met

deze onverhoopte wending van het gesprek, niet zoo dadelijk wist wat te

antwoorden.

„Och!” vervolgde Louise: „U behoeft u er volstrekt niet voor te

geneeren. Wanneer men wat geld heeft, een goed pensioen en bovendien

geen kinderen, dan heeft men groot gelijk als men zich op de een of

andere manier amuseert.”

„Er is waarlijk geen fortuin voor noodig,” verzekerde mevrouw Van

Stralen. „Wij spelen haast om des keizers baard.”

Doch daar geloofde Louise niets van.

„Nu ja,” zei ze, „dàt ken ik. Er wordt op die Indische partijtjes om

goed geld gespeeld, en menigeen....”

„.... Herinnert zich niet u iets gevraagd te hebben,” viel mevrouw

Roos, met een kleur als een Malmaison, haar heftig in de rede.

Er volgde een oogenblik van stilte; daarna vervolgde mevrouw Roos op

denzelfden opgewonden toon:

„Het past u in ’t geheel niet u met eens anders zaken te bemoeien. Houd

u maar bij uw eigene, dan hebt u genoeg te doen, en als u dat deedt

zouden er niet allerlei praatjes te Batavia over u in omloop zijn. Ik

ten minste verwacht van u geen complimenten, verstaat u?”

Deze ruwe aanval bracht Louise eenigszins van haar stuk. In groote

haast greep ze zenuwachtig haar mof, stond op en verliet zonder een

woord te spreken met trotsche houding het salon; mevrouw Van Stralen,

bleek van vrees, volgde haar en zei in de gang:

„Je moet het haar niet kwalijk nemen; ze heeft vandaag een beetje veel

verloren en daar kan zij niet goed tegen.”

„Mevrouw Van Stralen, ik noem het een schande. Het is een schande, dat

u hier een dobbelhuis houdt. U moest u schamen! Ik zal het overal

vertellen en nooit, nooit kom ik hier meer over den drempel.”

„Kom, wees nu niet zoo opgewonden!” hield mevrouw Van Stralen aan,

inwendig kokend van woede, maar doodsbang juist voor dat vertellen.

„Het is een schande! Jullie praten van inlanders,—je bent veel slechter

dan de inlander, want die weet niet beter.”

„Ta, ta, ta! Er gebeurt hier niets, dan wat je al te levendige

verbeelding er van maakt. Wij spelen een gewoon partijtje whist om een

cent het punt. Daar maak je nu zooveel noodeloos alarm over.”

Louise was reeds bij de straatdeur en strekte de hand uit naar het

slot, maar bij die woorden keerde zij zich om, stond een oogenblik

mevrouw Van Stralen met groote oogen aan te kijken, boog toen een

weinig voorover en siste haar toe:

„Zal ik je wat zeggen? Je liegt, je liegt!”

In een wip was zij de deur uit en haar rijtuig in, dat voor het

trottoir wachtte. In het dameskransje was het een leven als een

oordeel! Daar waren al de tongen losgegaan, onder aanvoering van

mevrouw Roos, die eenparig bewonderd, geprezen en bewierookt werd om

haar moed en om de flinke manier waarop zij dat gemeene mensch, die

mevrouw Van Velton, op haar plaats had gezet. Het was een gekakel van

belang en zonder einde, en toen mevrouw Roos naar huis ging, scheen het

haar, ondanks de kleine geldelijke verliezen, dien dag geleden, een

overwinningstocht.

Maar niettemin hinderden diezelfde verliezen haar buitengewoon. Het in

Indië overgespaarde geld was op; het laatste gedeelte was overgegaan in

de beurzen harer medespelende vriendinnen. Roos zocht reeds een paar

weken naar een „bijbaantje”—bij zijn pensioen!—maar was tot zijn groote

verwondering en teleurstelling tot de ervaring gekomen, dat het zoeken

heel gemakkelijk, maar het vinden verbazend moeilijk is.

Het was reeds ver in den pensioenstermijn. Zij moest er niet aan

denken! Zij kwam niet toe met haar huishoudgeld, dàt was wel zeker, en

haar man had ook niets meer. Enfin, zij zou wel „zien”; in het ergste

geval zou zij wat leenen van haar vriendin Van Stralen. Maar de

gedachte aan het dreigend geldgebrek vergalde toch al de vreugde.

De meisjes kwamen haar op de onbelegde houten trap harer woning te

gemoet.

„Gelukkig dat u thuis bent, ma! We hebben zoo’n honger!”

„Is papa al thuis?”

„Neen, dat is waar; die is er ook nog niet. Toe, geef ons maar wat

vooraf.”

„Papa komt al!” riep een der kleintjes van boven; hij had door het

venster zijn vader zien aankomen.

Aan tafel was de kapitein erg stil, en daar ook zijn vrouw weinig lust

tot praten had, snapten en lachten de meisjes voort naar hartelust.

„Ik heb iets gevonden,” zei Roos, toen het servies was afgenomen en ze

beiden alleen in de kamer waren.

„Gelukkig!” zei ze, maar meteen keek ze hem heel verwonderd aan. Ze had

gedacht, dat hij over het vinden van het gezochte „bijbaantje” zeer

verheugd zou zijn en dat op zijn gewone luidruchtige manier aan den dag

zou leggen. Niets van dat alles. Hij vertelde zijn gewichtig nieuws

zonder eenig enthousiasme, als het ware met tegenzin.

„En hoeveel?” vroeg ze.

„Honderd en tachtig.”

„Heerlijk!” riep ze verheugd: „dat maakt met ons pensioen....”

„Halt!” commandeerde de kapitein. „Het is.... in het jaar.”

Verstomd bleef ze hem aanstaren. Had hij zich dan ergens verhuurd als

toekang sepèn?

Hij begreep dat hij het er niet bij kon laten.

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 3 / 17 段