„Als ik jou liet begaan,” mopperde mevrouw Roos, terwijl ze het

bordesje van den schouwburg opgingen, „dan stond je daar tot

morgenochtend door te slaan. Ze zijn al lang begonnen.”

Met groote schreden en zijn wandelstok zwaaiend, keerde Van Schermbeek

terug; zijn hoofd stond er niet naar, den schouwburg te bezoeken. Roos

was de eenige niet, die zich in „zijn zaak” op zulk een ouderwetsch,

achterlijk standpunt had geplaatst; hij kende dat! Beste, uitstekende

menschen, maar die „er” niets van begrepen. Hij kon zich daar dikwijls

boos over maken, maar van avond was er, meende hij, niemand ter wereld,

die hem uit zijn humeur kon krijgen, en ofschoon hij ’t zichzelven niet

had willen bekennen en tegenover iedereen in gemoede het tegendeel zou

hebben volgehouden, toch kon hij niet zonder vreugde en trots aan die

brochure van hem denken, die bestemd was de politieke atmosfeer zoo

geweldig te beroeren. Het verlichte venster van den boekverkooper trok

hem aan als een magneet; van verre zag hij het en hij ging er op af,

onwillekeurig den pas versnellend, en evenals toen daar straks Roos

voorbijkwam, was hij de eenige kijker. Daar lagen ze in hun grijze

bleekrose omslagen! Daar lag zijn naam gedrukt met vette letters en de

indrukwekkende titel er boven in dubbele grootte. Twee kleine jongens

met de armen fideel om elkaars schouders geslagen kwamen naast hem

staan, drukten de petjes, waarin hun hoofden staken, dicht bij elkaar

en lazen half spellend: „Be...roep... op... het... rechtsge...voel...

der... natie... Een... woord... aan... de... Tweedeka...mer...

derSta...tenGe...neraal.”

„Generaal,” herhaalde de een. „Zouwen ze dien dikken bedoelen van de

grenadiers?”

„Ben je gek? Het beteekent den Koning in z’n glazen koets, je weet wel!

Staten, mot je lezen; Staaten.”

„Nou, eet me maar niet op met je Staaaten! Ik weet het net zoo goed als

jij; als de politie vooroprijdt, met een oranje sjerp.”

Van Schermbeek ging glimlachend verder. Hij verkeerde, bij lotgenooten

vergeleken, in bijzonder gunstige omstandigheden, want hij had geld.

Noch van zijn kant, noch van dien zijner vrouw ontbrak het aan

middelen. Dàt was een voornaam ding. Daarom was het zijn plicht de

kastanjes uit het vuur te halen, en geen onrechtvaardige bejegening te

verdragen. Als gefortuneerde officieren niet eens in de bres sprongen,

wie moesten het dan doen? Wat zou die brochure een effect maken. En

zelfs dáárbij liet hij het niet. Zijn familie had niet alleen geld,

maar op enkele plaatsen ook invloed. Waarom zou hij geen lid worden van

de Tweede Kamer? Duivels, wat zou hij de Regeering dan à faire nemen!

Al voortwandelend schraapte hij alle grieven bijeen, algemeene en

bijzondere, van het Indische leger; hij verwerkte ze tot een

redevoering, en hield die, in zichzelven, als een maidenspeech voor

zijn vooronderstelde waardigheid van volksvertegenwoordiger. Toen hij

den hoek der straat omsloeg, zag hij den lichtstroom, die uit de

vensters van de „Witte” in den donkeren avond hel naar buiten drong en

breede schrille strepen sloeg op den weg. ’t Zag er zoo gezellig uit,

dat hij binnen liep. Er zouden wel altijd lui zijn; misschien

kennissen, en wellicht hadden zij zijn brochure al ontvangen en gelezen

of bij de boekverkoopers zien liggen.

Veel bezoekers waren er niet: de vaste clubjes en enkele losse leden,

die op hun gewone plaatsen zaten, couranten of tijdschriften lezend. Er

waren geen Indische bekenden, maar aan een tafeltje zat een reeds

bejaard heer met een deftig grijs baardje, dat van zijn hoofd scheen

gevallen te zijn, want daarop groeide niets meer; hij zat te genieten,

blijkbaar, van een sigaar, want hij kneep met innig welbehagen de oogen

dicht, telkens als hij trok.

Toen Van Schermbeek hem groette, knikte hij even met het hoofd; de

jonge man aarzelde een oogenblik; het was een oud vriend der familie,

die er druk aan huis kwam, toen hij, Van Schermbeek, nog een kind was.

„Hoe maakt u het?” vroeg hij, plaats nemend.

„Dank je.”

„’t Is hier stilletjes van avond.”

„Ja.”

„Niet naar den schouwburg?”

„Neen.”

Driftig stond Van Schermbeek op.

„Ik wensch u een goeden avond,” zei hij op een toon van geraaktheid,

waaruit men duidelijk kon hooren, dat hij den ouden vriend zijner

familie een ongelikten beer vond.

„Hm! Zeg! Hè.... Van Schermbeek!”

Hij keerde zich om en kwam terug.

„Ga nog even zitten. A propos.... ik heb vandaag een soort van

boekje.... hoe wil je het noemen?.... van je ontvangen.... Jongens, je

moet zulke dingen toch niet doen.”

„Hebt u het gelezen?”

„Och ja.... zoo eventjes doorbladerd.... Maar wezenlijk, het spijt me

erg van je.... Ik kan me niet begrijpen, dat je oude heer in zulke

dingen niet tusschenbeide komt.... Het is heusch.... het is.... het

gaat niet!”

„Wat gaat niet?” vroeg Van Schermbeek, wiens bloed kookte.

„Nu ja.... ik wil wel gelooven, dat je niet geheel ongelijk hebt....

maar je bent altijd veel te net om.... zulke dingen .... pamfletten,

enfin!....”

Hij hield zich kalm, maar ’t kostte moeite! Dat woord „pamflet” was hem

als een klap in ’t gezicht, en wanneer leeftijd en verhouding hem niet

gedwongen hadden zich met geweld te betoomen, zon hij gehandeld hebben

alsof hem zoo’n klap gegeven was. Maar hij kon niet beletten, dat zijn

gezicht op onweer stond toen hij antwoordde:

„Wie geeft u het recht mijn geschrift een pamflet te noemen?”

„Je moet dat zóó niet opnemen; het is bijwijze van spreken.”

„Dan heb ik bijwijze van spreken het genoegen u te groeten.”

„Bonsoir!” zei de ander, en hoofdschuddend liet hij zich weer in zijn

stoel neer, in stille deftigheid voortgenietend van zijn sigaar.

Van Schermbeek kwam heel ontstemd thuis. Zijn jonge vrouw was den

laatsten tijd onwel en hield het bed. Hij wist dat zij het uit den

militairen dienst treden zeer betreurde. Eerst had zij, gelijk veel van

hun vrienden en kennissen, hem aangespoord om te zoeken wat hij zijn

recht achtte, maar toen het zoover kwam, dat hij fatsoenshalve

gedwongen was zijn ontslag te nemen, was zij zeer veranderd, gelijk

velen, die ook niet gedacht hadden, dat het zoo’n vaart zou nemen, en

die nu openlijk vertelden, dat hij, Van Schermbeek, heel voorbarig,

lichtzinnig en dom had gehandeld; immers men wilde wel strijden vóór de

rechtvaardigheid, maar.... tot zekere hoogte; boven die hoogte stonden

relatiën, positie, fortuin, huisgezin, en die moesten, meenden zij,

nimmer worden opgeofferd in zulk een strijd.

En zoo dit groot verschil van gevoelen onder de nog slechts korten tijd

gehuwden al geen merkbare verkoeling had teweeggebracht, het had toch

schreeuwende dissonanten verwekt in hun huiselijk verkeer.

In de huishoudkamer dronk hij een kop thee; het was er stil en

vervelend, maar hij was te verdiept in gedachten om daarop te letten.

Men was er dan toch in geslaagd hem dien avond uit zijn humeur te

helpen! Hij had een beleediging ondergaan en dat kon hij niet

verkroppen. Als hij er aan dacht, terwijl hij met de ellebogen op de

tafel en de handen in het haar, in de eenzame kamer zat, vloekte hij

tusschen de tanden en dreigden de tranen hem in de oogen te springen.

Toen in de gang de schel weerklonk, schrikte hij er van, zoo geprikkeld

waren zijn zenuwen.

„Als er bezoek is,—ik ben niet thuis,” zei hij, de kamerdeur openend,

tot de dienstbode, die naar voren ging. Doch niettemin hoorde hij een

voetstap, en toen hij dien herkende, was hij gerust.

„Goeden avond,” zei de oude heer Van Schermbeek.

„Dag pa, ga zitten. Ik ben blij, dat u eens komt.”

„Waarom ben je dan zelf niet eens gekomen?”

„Ik weet het niet.... Misschien.... Enfin, ik kan het niet zeggen.”

Hij ging erg openhartig om met zijn vader, ofschoon die altijd een

tegenstander was geweest van zijn oppositie in vruchtelooze audienties,

verzoeken, adressen en artikelen; maar ’t was een antagonisme, dat geen

afbreuk deed aan de genegenheid en het vertrouwen.

„Anders alles wel?”

„Och zoo! Zij is ’n beetje onlekker in den laatsten tijd.”

„Hm, dat gaat weer over. En jij?”

„Ik? Och, beroerd! Ik ben op ’n vervloekt onaangename manier

bejegend.... en als ’n ander het had....”

„Goed, goed, vertel het maar.”

En toen Van Schermbeek zijn hart gelucht had:

„Hadt ge wezenlijk op iets anders gerekend?”

„Of ik gerekend had op iets anders dan zoo’n bejegening?”

„Nu ja: zóó of tennaastenbij. Je trekt je dat woord „pamflet” nu zoo

aan, doch in dàt opzicht moet je in ’t geheel niet teergevoelig zijn.

Iemand, die voor ’t publiek schrijft, moet zijn huid verharden, althans

tegen de beoordeelingen van hemzelf als auteur en van zijn arbeid als

zoodanig.”

„Niemand is verplicht schelden aan te nemen voor goede munt.”

„Welzeker! Wie iets zegt tegen één mensch of wie ’n bepaald aantal hem

bekende personen bijeenroept en toespreekt, heeft aanspraak op ’n

fatsoenlijke bejegening. Wie echter voor het publiek schrijft, dat is

dus ook voor het rapaille van een maatschappelijke klasse, doet van die

aanspraak afstand.”

„Dus uw eigen oude vriend....”

„Is ’n beste kerel; ’n man van fortuin en goede geboorte; ’n man van

nette vormen en correct fatsoen; zeer achtenswaardig in die opzichten,

maar moreel en intellectueel behoort hij tot het rapaille van zijn

stand.”

„En hij kwam jarenlang bij ons aan huis!”

„Zeker! Als men iedereen als het ware zedelijk en verstandelijk van

alle kanten wou gaan bezien en beproeven en ontleden, dan kwam men tijd

te kort en zou men moeten leven als ’n kluizenaar.”

„Daarom ben ik altijd zoo tegen jou optreden geweest,” ging de oude

heer voort toen zijn zoon zweeg, „dat weet je wel. Telkens heb ik je

gewaarschuwd, maar je wildet niet hooren. Je scheen eerst te moeten

voelen; welnu—voel!”

„Ik heb zóó cynisch niet over de menschen gedacht, en ik doe het nog

niet,” zei Van Schermbeek geraakt, en toch een beetje verlegen.

„Noem het zooals je wilt. De een noemt de waarheid een schotschrift, de

ander noemt haar hondsch; het is lood om oud ijzer! Doch laten we niet

met algemeenheden schermen. Jij hebt nu ’n brochure geschreven, en ik

neem aan, dat als alle menschen deden wat recht en billijk was, jij

volkomen gelijk zoudt krijgen en gerehabiliteerd zoudt worden. Toch zal

die brochure niets uitwerken, hoegenaamd niets. Couranten zullen er

over schrijven, al naar den geest die haar tegenover de Regeering

bezielt,—wat in jou brochure staat, doet er minder toe; in de lagere

volksklasse zal men je brochure niet lezen, en al deed men het, dan zou

ze daar toch niet begrepen worden; de handel en neringdoende standen

bemoeien zich met zulke dingen niet, die gaan haar het eene oor in en

het andere uit; in de politieke sferen geldt alleen de vraag in hoever

je geschrift nu bruikbaar is of in de toekomst kan worden voor gansch

andere belangen, dan die van jou: en de adellijke standen naderen in

dit en veel andere opzichten weer de lagere volksklassen. Maar van al

die categorieën is één ding zeker: 9⁄10 trekt er den neus voor op.”

Van Schermbeek antwoordde ook ditmaal niet; hij meende dat zijn vader

schromelijk overdreef, maar moest zich eerst op weerspraak bedenken,

want zijn levenservaring schoot te kort in die richting.

„Men moet zich dus, volgens uw meening, maar laten trappen,” zei hij

eindelijk met een mismoedigen grijns.

„Blijf bij uw eigen omstandigheden. Je waart officier, en je kreeg

quaestie met een hooger geplaatst officier om ’n kleinigheid.”

„Waarin hij ongelijk had.”

„Goed! En dan nog? Waren er geen honderd goede redenen voor één om hem

in zijn ongelijk te laten, en je er verder niets van aan te trekken?”

„Dus je moet je laten trappen..... Daar kom ik maar weer op terug.”

„Als je dat „trappen” noemen wilt, ga dan je gang; dan heb ik al heel

wat menschen getrapt, want ik heb dikwijls ongelijk gehad tegenover

inferieuren en anderen, en dan heb jij, schoon vijf en twintig jaren

jonger, ook zeer dikwijls in dien zin ondergeschikten getrapt.”

„Dat is allemaal de zaak niet, pa. Gesteld dat ik werkelijk beter had

gedaan, alles te slikken als koek, wat ik niet toegeef, dan blijft nog

het verder verloop een schreeuwende onrechtvaardigheid!”

„Zeker, je bent gemeen behandeld. Alleen je hadt alles zelf kunnen

voorkomen. Nu heb je overal den indruk gemaakt van een weerspannig en

recalcitrant militair; dat duldt men niet, en zelfs zij, die zeer goed

inzagen, dat ge het recht op je zij hadt, konden je niet handhaven.

Onze maatschappij is geen ideale zaak, en het militair gedeelte wel het

allerminst. Absoluut recht, gesteld dat het bestaat, is voor toepassing

ongeschikt; bij een streven naar recht, zal men toch altijd nu en dan

zich gedwongen zien de macht er boven te stellen.”

„Ik ben het niet met u eens,—en soedah! ik zal het nooit met u eens

worden. Al dat opstapelen van bezwaren tegen de toepassing van het

eenvoudigste beginsel ter wereld, noem ik een doekje voor het bloeden.

Wel, wat zou het verschrikkelijk zijn geweest als de legercommandant

eens had gezegd: Van Schermbeek is in zijn recht en hij zal dus hebben

wat hem toekomt! Kijk, pa, dat zou ’n paar hoofdofficieren hun positie

hebben gekost. Verschrikkelijk, hè? Die hadden het dan niet aan

henzelven te wijten, die arme slachtoffers van het recht! En wat zou

het slecht gewerkt hebben op het leger, als zelfs de mindere man had

gezien....”

„Dat een jong luitenant met verzet, gemopper en klachten er in slaagde

hoofdofficieren een beentje te lichten!”

„Neen, dat er recht was te krijgen bij het Indische leger.”

„Enfin, ééns worden we het toch niet,” zei de oude heer Van Schermbeek

opstaande. „Laat je echter zóó ver overtuigen, dat je met al de moeite,

die je in het werk stelt, niets hoegenaamd zult bereiken. Het eenige

is, dat de meeste menschen zich van je zullen afwenden en je er op

aanzien. Voor een schande zal men het je niet bepaald aanrekenen....”

„Dat ontbrak er slechts aan!”

„Maar het scheelt dan toch niet veel! En de Regeering zal je

wijselijk....”

„Wat zegt u, wijselijk?” schreeuwde Van Schermbeek verontwaardigd.

„Houd je gemak! Ik zeg wijselijk, want zij kan niet anders. Zij zal dan

je wijselijk negeeren, doodzwijgen als je ’t liever hebt. Het is haar

niet mogelijk zich in het bijzonder bezig te houden met een zaakje als

dat van jou. Jullie hebt eigenaardige begrippen daaromtrent! Je denkt

dat, wat voor jou heel belangrijk is, dit ook per se voor de heele

wereld wezen moet.”

„Het is niet „mijn zaakje,” zei Van Schermbeek somber. „Het is een zaak

van principe voor het Indische leger.”

„Volgens jou opvatting, die maar weinigen deelen. Hoe het zij, ik wilde

je slechts waarschuwen, beste jongen, tegen mogelijke illusiën.”

„God bewaar me! illusiën!” riep de ex-luitenant, de kamer op en neer

stappend met groote schreden en de armen omhoog, terwijl hij in dien

uitroep zijn geheelen gedachtengang van voor een paar uren

verloochende.

„Nu des te beter! Ik heb je stil je gang laten gaan, hoezeer ’t me ook

hinderde. Maar je bent jong.... en, enfin, ik heb ook mijn sociale

Sturm- und Drang-periode doorgemaakt. Je weet altijd bij wien je komen

kunt, als er iets noodig mocht zijn.”

Hij drukte de hand zijns vaders stijf in de zijne, en zag hem aan met

een innige ontroering. Ja, dat wist hij wel! Wat er ook gebeurde, hij

kon op zijn ouden heer rekenen, en dit anders heel gewoon, volstrekt

niet bijzonder gevoel van hartelijke genegenheid, roerde hem, nu zijn

zenuwen een beetje in de war waren door de opwinding telkens, nu eens

al pratende met anderen, dan schrijvende of in gedachten.

De Mourants en de Veninga’s hadden zich in Den Haag gevestigd. Hortense

was naar Marseille gereisd om haar man van de boot te halen, en mevrouw

Van Velton, die zich gruwelijk te huis verveelde en niet mee was willen

gaan om als facheuse troisième bij den glorierijken intocht van den met

smart verbeiden Fournier te assisteeren, maakte bij de Veninga’s een

contra-visite. De zieke voelde zich niet beter; hij zag, vond Louise,

er zelfs slechter uit.

„’t Klimaat helpt me nog niet veel,” zei hij op haar vraag hoe het hem

ging.

„Langzaam aan, dan zult u er óók wel afkomen.”

„Nietwaar?” zei Mourant, die mede een bezoek bracht. „Er zijn hier al

zooveel zieke Indische levers genezen, dat Veninga er wel ’n beetje op

kan vertrouwen.”

Mevrouw Veninga—ze was nog zoo jong, dat iedereen haar Henriëtte of Jet

noemde, bij haar vóórnaam—gunde Louise den tijd niet over den

ziekte-toestand van haar man en zijne kansen op beterschap voort te

gaan. Ze nam de bezoekster dadelijk in beslag en leidde haar het huis

rond. Het was niet zoo weelderig, zoo grandioos, als de villa op het

Plein 1813, noch wat ’t gebouw, noch wat den inboedel betrof. Maar

niettemin was het een mooi, solied huis met ruime vierkante kamers en

groote balkonvensters, en het rook in de breede corridors niet naar

verf, versch hout en natte kalk.

„Je woont hier uitstekend,” meende Louise.

„Nietwaar? Het is nu wel zoo’n paleis niet als bij u; maar het kan toch

volstaan.”

„Dat zou ik denken. En ik maak je wel mijn compliment, Jet. Je hebt het

keurig, keurig netjes en met smaak gemeubileerd.”

Het jonge vrouwtje bloosde van genoegen. Men mocht te Batavia en in Den

Haag over het humeur, het karakter en de antecedenten van mevrouw Van

Velton-Van der Linden denken en spreken zooals men wilde,—dáárover was

men het eens, dat ze een onberispelijk goeden smaak had; een compliment

in dat opzicht was vleiend. En men kon het Louise aanzien, dat ze er

pleizier in had, toen ze rond zag in het boudoir in vieux or gemeubeld

en dat er, ofschoon ’t nog geen week was betrokken, zoo gezellig

gebruikt uitzag, zonder eenig stuitend kenmerk van het nieuwe.

„’t Is hier waarlijk lief,” zei ze, op een laag stoeltje plaats nemend,

„maar ’t is goed dat je er geen zwart bij hebt genomen. Dat zou te

zwaar zijn geweest en bruin kon het ook niet velen.”

„O neen,” zei mevrouw Veninga levendig, „bruin in het geheel niet! Maar

ik wist in het eerst heusch niet wat ik er bij zou nemen, tot ik op dit

dubbel cérise ben gevallen.”

„Het was gewaagd. Eén toontje te licht....”

„O, afschuwelijk! dat vind ik ook; zooals het nu is, kan het net en het

gaat met het palissander. Willem zei....”

„Welke Willem?”

„Ik bedoel Mourant. Hij heeft heel veel kijk op wat goed is. Waarom

lach je?” vroeg zij plotseling, eenigszins geraakt en blozend.

„Lach ik? God, dat wist ik niet eens. Welnu, wat zei.... Willem?”

„Hè, wat ben je flauw!”

„Hoe is ’t mogelijk! Het schijnt, dat wat hij zei ’n geheim is! Ten

minste je bent niet van plan het te zeggen.”

„Hij zei alleen, dat het zelfs met mahonie niet gaan zou, ofschoon

ik....”

„Nu, daarin had hij gelijk.”

„Hoe vindt ge dat Veninga er uit ziet?”

Louise keek haar vlak in de oogen, maar zij had een Indische voor,

gelijk zijzelve er een was. In het eerst had Jet zich verpraat,

verdiept in de schakeeringen der kleuren van haar ameublement, maar nu

ze zag, dat ze aanleiding had gegeven haar te verdenken en werkelijk

verdacht werd, was ze ondoorgrondelijk. Zij keek, toen ze zoo na haar

vraag werd gefixeerd, met een gezicht volkomen zonder uitdrukking in ’s

Blaue.

„Hij ziet er slecht uit.”

„Dat vind ik ook. Het is zóó naar.”

„Het zal wel beter worden.”

„Geloof je het?”

„Ik hoop het althans; het is heel moeielijk iets te gelooven tegenover

die ziekte; zij heeft soms zulk een vreemd verloop.”

„Het duurt nu al zóó lang, en hij wordt zoo verschrikkelijk lastig.”

„Dat brengt zijn kwaal mee.”

„Het is waarlijk soms niet uit te houden. Ik maak het me hier in huis

maar zoo comfortabel mogelijk, weet je, want weldra zie ik er van

komen, dat hij in ’t geheel niet meer wil uitgaan.”

„Daarom zou jij je nog niet behoeven op te sluiten.”

„Denk je dat hij me permitteert alleen uit te gaan?”

„Maar kind....!”

„Geen quaestie van. Dat is juist het ergste. Hij is razend jaloersch,

zóó dat het soms voor me is om wanhopig te worden. Als ik voor ’t

venster zit beneden en er passeert een heer, die inkijkt, of als we

boven zitten en er kijkt iemand omhoog, dan moet je wat hooren! Alle

brieven, die ik krijg, doet hij open....”

„Maar is hij dan krankzinnig? En Mourant?”

„O,” zei mevrouw Veninga, de mooie oogen zedig neerslaande: „dat is

iets anders. In hem heeft hij zoo’n onbeperkt vertrouwen!”

„Dus dat is dan ’n uitzondering.”

„Zeg dàt wel! Zij zijn zulke vrienden! Mourant behandelt zijn zaken en

beheert ons vermogen. Veninga kan niet buiten hem.”

Weer gleed het ironisch lachje om den mooien mond van Louise.

„Neen, dat laat zich hooren,” zei ze. „En dan zie je zeker mevrouw

Mourant ook dikwijls. Die hield altijd zoo ontzaglijk veel van je en

was altijd zóó goed voor je!”

„Dikwijls.... ja!.... ze is in den laatsten tijd niet zoo erg wel....

Anders komt ze hier heel veel....”

Het dralende antwoord ontging Louise niet.

„Wat scheelt haar?”

„Wat haar scheelt? Ze heeft een.... een zware kou gevat, geloof ik.”

„Weet je ook het nummer van hun huis?”

„Zeker, ik zal het je opgeven. Maar ik zou het liever nog een paar

weken uitstellen. Zij zijn nog volstrekt niet klaar; ’t is nog zoo’n

beetje een rommel en dan ontvangen ze niet graag.”

In de benedenkamer zat Mourant zijn zieken vriend nog gezelschap te

houden; op elke knie had hij een Veningaatje zitten.

„De kinderen noemen hem oom,” zei Jet met een gezicht, waarop de

vreugde glansde over de huiselijke gemeenzaamheid, die zelfs graden van

bloedverwantschap in het leven riep!

Louise ergerde zich geweldig. Men kon aan haar gezicht en aan haar

houding zien, dat zij zich boos maakte, en de vroolijke trek verdween

er door van het gezicht van den kindervriend. Regelrecht ging ze naar

Veninga.

„Ik zou, als ik u was, hier niet blijven.”

„Waarom niet?” vroeg hij verschrikt.

„Omdat ik vrees, dat u hier niet beter zult worden, en dan wordt u dus

erger.”

Hij had zich half opgericht; zijn toch reeds niet kleurig wezen was

grauwbleek geworden bij deze onverwachte openhartigheid.

„Ik heb dit huis pas gehuurd, wij zijn nauwelijks ingericht.”

Zij haalde de schouders op met dat groote air de dédain, dat zelfs haar

vader te machtig was.

„Ik sprak niet over huishuur of meubilair, maar over uw gezondheid.”

„Geduld maar!” zei Mourant zalvend. „Keulen en Aken zijn niet op één

dag gebouwd! Het klimaat zal ook in dit geval wonderen doen.”

Toen Louise hem even aankeek, schrikte hij, en trok een leelijk gezicht

vol vrees, met de mondhoeken naar achter en de wenkbrauwen naar boven.

Zij deed overigens precies alsof hij niets had gezegd, en vervolgde

tegen Veninga:

„Ik zou u aanraden naar het Zuiden te gaan.”

„Lieve, beste mevrouw, als ik het van de warmte moet hebben!....”

„Neen niet om de warmte, want die hebt ge in Indië volop gehad. Te

veel, dat blijkt! Maar in dit gure land zult ge sterven.”

„Maar mevrouw!” kon Mourant toch niet nalaten uit te roepen, terwijl

hij de kleintjes van zijn schoot zette.

„Kom!” zei mevrouw Veninga met neergeslagen oogen, „je hebt hem geheel

ontsteld.”

„Dat weet ik, en het is me in zoover onverschillig. Ik moet zeggen wat

ik denk in dit geval. Wezenlijk, meneer Veninga, ga naar het Zuiden.

Hier houdt ge ’t niet uit, geloof me. U ziet er bepaald slechter uit

dan de vorige maal.”

„Ik voel me ook minder goed,” zei Veninga met weifelende stem en bleek

gezicht.

„Dat is niets anders dan een gevolg van de reactie op het gestel,”

meende Mourant.

Mevrouw Van Velton keek hem nog eens aan met de diepste minachting,

maar ditmaal deed hij alsof hij ’t niet bespeurde. Hij was een te oude

rat om zich zoo gemakkelijk te laten intimideeren.

Een oogenblik met zichzelve in tweestrijd, liet Louise den blik

doelloos dwalen door het nette vertrek.

„Het is mijn opinie,” herhaalde ze daarna, „en ik blijf er bij.

Intusschen, ik heb haar nu gezegd en voor mijzelve mijn plicht gedaan.

Adieu, en beterschap.”

Vriendelijk knikte ze Veninga toe, die haar heel onhandig groette,

sterk onder den indruk van dat akelige visioen van den dood, door het

schoone, levenslustige jonge vrouwtje opgeroepen. Ze ging Mourant, die

opgestaan was en een buiging maakte, snel voorbij zonder hem aan te

zien, laat staan te groeten. Henriëtte, erg boos en niet minder

ongerust, volgde haar in de gang.

„Daar heb je me in ’t geheel geen dienst mee gedaan,” zei ze bits. „Wie

zegt nu zulke dingen tegen ’n zieke!”

„Wil je hem vermoorden?”

„Mijn God!” riep mevrouw Veninga doodsbleek: „hoe kom je er aan?”

„Welnu, jullie doen net of je den stakkerd naar ’t kerkhof wilt helpen.

Ik zeg je, Jet, dat hij hier sterven zal, nog vóór er weer groen aan de

boomen is.”

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 2 / 17 段