O, er kwamen hoogst fashionabele lieden in haar villa op ’t

INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.

OORSPRONKELIJKE ROMAN

DOOR

MAURITS.

LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.

INDISCHE MENSCHEN IN HOLLAND.

’t Was nog niet ver in het najaar, maar toch reeds vinnig koud. In de

nieuwe wijken van Den Haag, te zamen grooter dan de oude stad, scheen

het guurder dan elders; eentoniger en stiller was het er zeker, vooral

in de straat, waar kapitein Roos met zijn talrijk gezin een bovenhuis

had gehuurd. Wie dien dag den hoek om kwam, kreeg van den scherpen

noordoostenwind de volle laag en zijn deel van het voor den sterken

luchtstroom opstuivend zand, dat de pas gelegde bestrating bedekte.

De twee lange rijen huizen stonden, op enkele uitzonderingen na, nog

leeg. Één lijn vormden de lijsten der dakgoten aan weerskanten, één

lijn de architraven, één lijn de rollagen der trottoirs. De net

gemetselde roode baksteenen van het weinige en dunne muurvlak tusschen

deuren en vensters waren opgebleekt onder den drogen, kouden wind, die

door de reten gierde, het te versche hout der paneelen deed krimpen en

scheuren, of spleten trok in de voegen, waarvan ’t laagje verf week met

een knal. Het was een mislukte bouwspeculatie, die geheele straat,

gelijk er zooveel waren. De huren waren laag, maar toch wilde niemand

er wonen voorshands, en slechts hier en daar zag men een armzalig

winkeltje in een der benedenhuizen genesteld, met een mageren

inventaris, die een parodie leek op de huisdeur à jour en den

porseleinen schelknop.

En over die nare ongezellige straat hing een effen grijze lucht, met

geen kans om een zonnestraaltje door te laten, in de talrijke vensters

zonder gordijnen zijn grauwe tinten weerspiegelend.

Kapitein Roos trok zijn handschoenen aan en nam zijn stok. Hij ging

uit, elken dag en elken avond; hij was bijna niet meer thuis dan om te

eten en te slapen. Zijn woning trok hem niet aan en aantrekkelijks was

er ook bitter weinig. Twee jaren hadden ze geleefd van hun

verlofstraktement en ingeteerd van hun Indischen spaarpot; toen was de

tijd gekomen, dat hij gepensionneerd werd, en nu was van de laatste

dubbeltjes, die zij in Indië zoo zuinig hadden bijeengebracht, nog maar

een kleine som over; zij zagen den dag naderen, dat zij den bodem

zouden zien van hun trommeltje; mevrouw Roos had het kunnen uitrekenen

op haar vingers, maar dat wilde ze niet, en de kapitein deed het

evenmin. Zij vonden het zóó onaangenaam, dat ze er zelfs niet samen

over spraken. ’t Meubilair hunner woning was even troosteloos als de

straat; het zag er kaal en slordig uit; bij de kachel, die reeds

brandde, waardoor het benauwd warm was in de huishoudkamer, zat mevrouw

Roos gewikkeld in een rood en zwart geruite wollen sjaal, met de armen

kouwelijk over elkaar en toch half stikkend uit gebrek aan versche

lucht.

„Nu, bonjour,” zei de kapitein. „Tot straks. Dag jongens!”

Zij bromde iets, dat een groet moest beduiden; de kinderen, die voor

het venster zaten, keerden even met een: „Dag pa!” de donkere hoofdjes

om, en drukten toen weer dadelijk hun reeds platte Indische neusjes

totaal plat tegen de ruiten, waarover zij ademden, om daarna, als de

wasem op het glas neersloeg, er met hun kleine koude vingers groteske

soldaatjes op te teekenen. Zij waren nog niet gewasschen; ze kregen

genoeg te eten, maar ze werden toch slecht verzorgd, geheel overgelaten

als ze waren aan een dienstmeisje, dat, steeds in een vieze jurk

gekleed en met meer gekapte dan gekamde haren, zoowat den baas speelde

in huis, en niet meer of minder deed, dan ze zelve verkoos.

Van een knappe Indische huismoeder, was mevrouw Roos een Hollandsche

huismoeder geworden van treurig allooi. Zij had als ’t ware een heimwee

naar Indië. Terwijl ze zoo huiverend bij de kachel zat en met een

onaangenaam koortsig gevoel de grauwe zandwolken zag opstuiven in ’t

grauwe najaarslicht, dacht ze aan niets dan aan Indië; aan den warmen,

gouden zonneschijn, aan den rijken, diepgroenen plantengroei, aan haar

gezellige achtergalerij. God, God! als ze naging, dat ze dat nimmer zou

terugzien, dan wilde ze maar liever spoedig sterven!

Op straat zette hij er, zooals hij ’t noemde, den pas in. ’t Hoofd meer

dan rechtop, een gewoonte gebleven uit den tijd der stropdassen, en met

den stok zwaaiend stapte hij naar den „Dierentuin”; daar kwamen ’s

morgens eenige oud-gasten van zijn „kaliber” bijeen en dan maakten ze

een partijtje. Er kwam niemand anders. Geen Hagenaar, lid van den Tuin,

zou het ooit in ’t hoofd krijgen in dit vergevorderd seizoen en op zulk

een uur van den dag in ’t lokaal van dien Tuin te gaan zitten. Maar dat

maakte het nu juist voor hen zoo aantrekkelijk. ’t Was fatsoenlijk, en

ze konden er hun bittertjes drinken als in Indië „voor de rijsttafel”,

zonder dat iemand hen aanzag voor dronkaards, omdat ze reeds in den

ochtend sterken drank gebruikten. Hij wist wel, dat hij met zijn groot

gezin en zijn pensioen die leefwijze op den duur niet zou kunnen

volhouden, maar daaraan wilde hij voorshands niet denken. Kwamen die

tijden, dan kwamen die plagen; als het zóó ver was, dacht hij, dan zou

hij wel eens omzien naar een baantje, dat hij er gemakkelijk

bij—wáárbij wist hij eigenlijk niet, maar hij bedoelde zijn

pensioen—kon waarnemen. En zoo ging hij ook nu welgemoed naar den Tuin;

de wind was koud, en hij droeg nog maar een dichtgeknoopte zwarte jas,

maar dat hinderde hem niet, want, placht hij te zeggen, stoffend op

zijn krachtige persoonlijkheid, „zoo’n ouwe soldatenransel” moest

overal tegen kunnen. Hij vond het zoo kwaad niet, dat leven in Holland,

en hij had het pleizierig gevonden als ’t zijn vrouw ook was bevallen.

Zij was erg veranderd, en dat hinderde hem; zij was niet meer voor hem,

wat ze zooveel jaren geweest was, en al werd hij nu een dagje

ouder,—het verdroot hem toch. Welzeker, hij had ingezien dat het heel

iets anders is kapitein te zijn bij het Indisch leger in actieven

dienst in Indië dan in Holland gepensionneerd kapitein van hetzelfde

leger te heeten. Dan, zoo is de wereld, dacht hij, en men moest dat

nemen zooals het was; zijn vrouw moest zich schikken naar de

omstandigheden.

Keetje en Pietje,—neen, zoo heetten ze sedert lang niet meer, de twee

oudste dochters, die ondanks ze nu reeds vijftien en zestien jaren oud

waren, nog in de hoogste klasse zaten van de meisjesschool voor gewoon

lager onderwijs; ze heeten nu Corrie en Nelly, zooals Haagsche meisjes,

’t zij par droit de naissance of par droit de conquête, betaamt.

O, die konden het best stellen, als de jongens van de burger- en andere

scholen het haar niet zoo lastig maakten op den duur. Toen ze pas op

school kwamen, moesten ze in een lage klasse met veel jonger meisjes,

in wier blonde, bleeke hoofdjes reeds meer schoolwijsheid stak dan in

haar arme bruine kopjes, en die met een zeker air naar de ontwikkelde

bustes keken van de „Oostersche nieuwelingen” alsof er persoonlijke

schande stak in zulk een vroegtijdige physieke ontwikkeling, en

diezelfde Haagsche meisjes vonden onder elkaar, dat Corrie en Nelly er

met haar breede neuzen en krachtig gebouwde figuren net uitzagen als

bruin gebraden, aangekleede dienstmeisjes; maar het mannelijk deel der

schooljeugd dacht daar heel anders over en ontwikkelde een profusie van

kalverliefde, erg hinderlijk voor de donkere zusjes, en alleen

gecompenseerd door een regen van geschenken aan potlooden, papeteries,

ulevellen en chocolaadjes. Zij leidden met haar beiden een vroolijk

leventje, zich weinig bekommerend om de rest of om de toekomst, en als

ze met haar lederen schooltasschen aan de hand, en in haar strak

gespannen met astrakan afgezette manteltjes van school huiswaarts

keerden, met moeite ontsnapt aan de overal wachtende en loerende kus-

en knijplievende jongens, en gierend van pret, dan stond menig eigenaar

van een perkamenten tronie stil, en zag met innig welbehagen dat

tweetal donkere meisjes na, in de volheid harer vormen, met de rozen op

het gezicht, een glinsterend licht in de guitige zwarte oogen, en twee

rijen prachtige tandjes tusschen de lachende, kersroode lippen.

Voor haar huis drukten zij met kracht en aanhoudend op den schelknop,

tot de meid boven aan het touw trok en de deur openging. Stampend op de

houten met geen loopers bedekte treden der trap, stoven zij met groot

geraas, lachend en zingend naar boven; de kleintjes juichten haar te

gemoet; bij de halve ellende van het huishouden en de heele van haar

moeder, vormden zij het rumoerig element van het frisch ontluikende

jonge leven; het eenige opwekkende, dat de doorgaans gedrukte stemming

in de woning van kapitein Roos verlevendigde.

Dien middag hadden zij vrij van school, en zij plaagden haar moeder

zoolang tot ze er in toestemde zich te kleeden en te gaan wandelen.

Mevrouw Roos had er eigenlijk eerst geen lust in, maar ze deed het om

de kinderen, en toen ze eenmaal in de drukke straten wandelde,

stilstaand om de tien schreden en luisterend naar het gesnap der

meisjes, och, toen vermaakte het haar toch zelve wel, al het moois te

bewonderen, achter de vensters der winkels en magazijnen uitgestald. En

naar haar Indische opvatting zoo goedkoop! Zóó goedkoop, dat ze,

ondanks haar geringe middelen, altijd hier of daar binnenging, en nooit

thuis terugkwam zonder eenige guldens minder in haar portemonnaie en

eenige noodelooze kleinigheden meer in haar bezit. Maar er was ook

veel, dat haar hinderde op straat en haar bloed deed koken van

verontwaardiging. Hoeveel Indische dames kruiste ze niet in die volle

straten, evenals zij, wandelend om te zien, maar ook, niet gelijk zij,

om gezien te worden! Zij zag er daaronder, die ze gekend had toen ze

nog kinderen waren; anderen, die haar buren waren geweest; zij zag er,

die, gezegend door de fortuin, ’t zij door een huwelijk, ’t zij door

snelle bevordering van een vader of echtgenoot, in de gelegenheid waren

zich prachtig te kleeden en te rijden in equipages. En daarbij waren

er, die deden of zij de eenvoudig gekleede vrouw van den

gepensionneerden kapitein en haar dochtertjes nooit te voren hadden

gezien; anderen, die haar groetten uit de hoogte op een haast

beleedigende manier met een genadig knikje. Dan was mevrouw Roos voor

een oogenblik weer de kloeke vrouw van vroeger; ze richtte het hoofd

op, glimlachte even en keek met haar groote zwarte oogen zoo inlandsch

minachtend, dat zij, wien het gold, zich haastten voorbij te komen.

„Dag Jeanne, hoe maak jij het?”

Verrast, haast verschrikt, wendde mevrouw Roos ’t hoofd om.

„Hé, dag Julie, hoe gaat het?”

Ze gaven elkaar de hand en ze kusten elkaar. Nette Haagsche menschen

vonden die demonstratie op het trottoir van een der hoofdstraten hoogst

onfatsoenlijk; die Indische lui geneerden zich ook nergens voor! En een

Haagsche straatjongen, blijkbaar ook in zijn fatsoen getast, riep

luidkeels „pakt-em!”—De dames Roos en Van Stralen letten daar niet op.

Ze waren zulke goede oude vriendinnen, en ze hadden elkaar in zoo lang

niet gezien! Toen Roos nog luitenant was, diende Van Stralen reeds als

oud kapitein, en van toen dagteekende de vriendschap der dames, die

echter, hoe hartelijk zij zich ook liet vernieuwen, nu men elkaar weer

persoonlijk zag, zich nooit in briefwisseling had voortgezet.

„En dat zijn je oudste meisjes?” vroeg mevrouw Van Stralen, met een

klein beetje afgunst in het oog de kloeke kinderen beschouwend; zij

zelve had er geen.

„Groot geworden, hè?”

„Verbazend! ’t Zijn haast heele menschen. Dat is, als ik me niet

bedrieg, Keetje en dat Pietje.”

Mevrouw Roos lachte om de verontwaardigde gezichten harer dochters.

„Nu ja, wij noemen haar Corrie en Nelly.”

Mevrouw Van Stralen lachte ook.

„Je hebt wel gelijk, Jeanne. ’t Klinkt veel aardiger. En hoe bevalt het

jou hier?”

„Och zoo! Wat zal ik je er van zeggen? ’t Bevalt me eigenlijk volstrekt

niet.”

„Kom,” zei mevrouw Van Stralen, die ook een Indische was. „Wij kunnen

’t hier wel vinden; maar,” ging ze voort met een blik op het eenvoudig

toilet harer vriendin, „wat de duurte betreft, valt het leven hier niet

mee.”

Ze praatten nog een oogenblik, intusschen het publiek, dat langs het

trottoir wandelde, zeer in den weg staande, en het werd mevrouw Van

Stralen onder het discours heel duidelijk, dat Jeanne verdriet had.

„Je moet me komen opzoeken, ja? Beloof je het?”

Mevrouw Roos aarzelde.

„Je moet zeker komen, Jeanne. Wij hebben een aardig clubje als dames

onder elkaar. De heeren loopen toch altijd maar naar de sociëteit!

Heusch, je moet komen....” en lachend bracht zij den mond bij het oor

harer vriendin en ging fluisterend voort.

Met een uitdrukking van komieke verbazing op het gezicht, keek mevrouw

Roos haar aan.

„Loh! Wat zegje? Kepl....”

„Sst!” viel mevrouw Van Stralen haar in de rede. „Niet zeggen! Het gaat

maar om ’n kleinigheid, want we zijn haast allemaal gepensionneerd. Ik

wed....”

Snel trok zij haar kleed ter zijde voor de wielen van een prachtige

coupé, die juist stilhield bij het modemagazijn, waarvoor zij stonden

te praten.

Er traden twee nog jeugdige dames uit ’t geopend portier, beiden

prachtig gekleed: een klein, donker vrouwtje, met een gezond en

levendig uiterlijk, en een lange, statige blondine, met een bleek en

lijdend gezicht. De eerste zag snel rond, trad op mevrouw Van Stralen

toe en gaf haar de hand.

„Dag mevrouw,” zei ze met een fraaie, muzikale stem. „Gaat het goed? En

hoe vaart de kolonel?”

„Uitstekend! En dokter Van der Linden, en de kleine?”

Ook dàt was in orde. Men sprak een minuut, en toen wipte ’t mooie,

gracieuze vrouwtje den winkel in.

„Ken je haar niet?” vroeg mevrouw Van Stralen, en toen Jeanne ’t hoofd

schudde, ging zij zachtjes voort:

„Zij is de dochter van dokter Van der Linden van Batavia, die met dien

rijken Van Velton getrouwd is geweest, ’n heele tjerita, weet-je! Wij

hebben nu geen tijd, maar je moet me vast beloven eens aan te komen,

dan zal ik je zoo een en ander vertellen. Ik heb de reis met haar

gemaakt, weet-je?”

Toen mevrouw Roos tegen etenstijd weer thuis kwam, keerde haar heimwee

met volle kracht terug; zuchtend en langzaam klom zij de trap op: de

meisjes waren haar reeds vooruitgevlogen naar haar kamer. Terwijl ze

voorbij de keuken kwam, hoorde zij de meid mopperen. Ze liep even

binnen, en zag Kaatje met een roode kleur voor het fornuis staan, bezig

den onvermijdelijken Hollandschen biefstuk te braden, waarvan de

familie Roos nog altijd niet verzadigd was.

„Wat is er?” vroeg ze.

„Er is niets, mevrouw. Als meneer asjeblieft maar niet zoo familiaar

is! Ik ben daar in ’t geheel niet op gesteld, en hij moet uit de keuken

blijven. Hij moet niet denken dat hij zoo’n zwarte negerin voorheeft!”

Mevrouw Roos ging gauw heen. Zij wist genoeg van ’t Hollandsche

keuken-idioom om te begrijpen, waarop die laatste uitdrukking der in

land- en volkenkunde niet ervaren Kaatje doelde; ze wist ook, dat wat

de „familiariteit” van den kapitein betrof, ’t meisje volkomen gelijk

had, en ze voelde, dat haar eigen zoo veranderd gedrag tegenover hem

daar mede schuld aan had.

’t Kon haar echter weinig schelen; het vooruitzicht nimmer weer naar

Indië terug te kunnen en haar leven lang in het koude, onaangename land

te moeten blijven, ontnam haar allen levenslust. Ze zou weinig jaren te

voren in de grootste woede zijn ontstoken, als Roos haar ook maar

eenige reden had gegeven tot jaloezie; thans was het haar volkomen

onverschillig, al deed hij ’t ergste. Maar och! dat deed hij niet. Het

is waar, dat hij, die jong naar Indië gegaan en nooit met verlof in

Europa geweest was, thans vaak een zwaren strijd had te strijden,

waarin hij althans zijn uiterste best deed telkens overwinnaar te

blijven. Zelf van nederige afkomst, l’eau remontait à sa source: Roos

toonde namelijk een hoogst gevaarvolle neiging voor dienstmeisjes. Hij

kon de handen niet thuis houden; hij streek haar onder de kin of kneep

haar in wangen of armen,—allemaal kleine, onschuldige misgrepen,

gepleegd in volle eer en deugd, maar die Kaatje in woede deden

ontsteken, alleen omdat zij het van zoo’n bejaard mensch, zei ze, in ’t

geheel niet velen kon.

Met het onschuldigste gezicht ter wereld, zat de kapitein, een beetje

verhit van ’t langdurig partijtje in den Dierentuin, aan de reeds

gedekte tafel, de courant lezend van den vorigen dag.

„Marsch!” riep hij, toen zijn vrouw binnenkwam. „Dat heb ik wel zien

aankomen: Van Schermbeek is er uit.”

„Kasian,” zei ze, „hij is zoo’n goed en fatsoenlijk man!”

„Van top tot teen ’n gentleman. Maar ik heb ’t hem voorspeld. Dat

beroerde reclameeren ook! ’t Is of dat jonge volk den duivel in ’t lijf

heeft!”

„Dat heeft oud volk soms ook.”

Hij keek haar eenigszins verbluft aan en las toen verder, zonder te

vragen wat ze bedoelde. Zij vervolgde heel bedaard:

„Daarom wou ik je verzoeken, de meid aan haar werk en met rust te

laten, en niet meer in de keuken te komen.”

Hg schoof onrustig heen en weer, draaide met nog hooger kleur aan zijn

knevels en zette zijn bril recht.

„Je moest je schamen!” zei ze nog.

Toen frommelde hij aan de courant, dat het papier rammelde, en eerst

langzaam en stootend, daarna met een toenemend flux de bouche kwam hij

los in klachten en verwijten van hoogst intiemen aard, waaruit hij de

conclusie trok, dat het alles haar schuld was. Hij was zoo niet, maar

als men.... enfin nog gezond en krachtig was, en men had een vrouw als

een dubbel bevroren ijsklomp....

Zij hoorde het aan zonder iets tegen te zeggen; zij wist het wel, en ze

gaf hem in veel gelijk. ’t Was haar echter onmogelijk anders te zijn

dan zij was; hij begreep niet hoe doodelijk ongelukkig ze zich voelde,

en hoe dit leven haar walgde en tegenstond. Er kwam een pijnlijke trek

op haar gelaat, en toen de kapitein dat zag, sprak hij ingetogener en

kalmer; zijn liefde voor haar kwam weer boven, maar ’t hielp niet. En

intusschen luisterden Corrie en Nelly met Kaatje aan de deur, half

stikkend van ingehouden lach. Toen het „standje” uit was, liepen ze

alle drie naar de keuken, waar ze het uitschaterden.

Bij het diner was het alles vrede.

„Kom, ga eens mee naar de opera,” zei kapitein Roos tegen zijn vrouw.

Zij schudde het hoofd.

„Ik blijf liever thuis.”

„Thuis sterven de meeste menschen,” merkte hij wijsgeerig aan. „Het is

wezenlijk verkeerd van je, Jeanne! Ze geven van avond de Cloches.”

„Ga jij maar,” antwoordde ze schouderophalend. „Heusch, ik geef er niet

om; ik blijf veel liever hier.”

Hij drong niet verder aan, maar stond op en ging zich kleeden. De

meisjes vroegen of ze met Kaatje mee mochten boodschappen doen in de

buurt, en dat werd haar vergund; de kleintjes werden naar bed gebracht;

ze sliepen in een ommezien onder de warme dekens, en toen de huisdeur

dichtviel, hoorde mevrouw Roos den harden militairen stap van haar man

door de leege straat en in de holle onbewoonde huizen weerklinken in de

eene richting, en het droge tikken der hakjes van de meisjes en van de

meid, die gearmd en gichelend den anderen kant uit gingen. Daarna werd

het stil in de eenzame buurt, en slechts de onverbiddelijke koude wind

hoorde men door de schoorsteenen gieren met klagend geluid.

Zij had haar sjaal weer omgedaan, en na de kachel te hebben opgestookt,

haar stoel er bij geschoven. De tafel was nog niet „afgenomen”; dat zou

Kaatje wel doen, als zij terugkwam, en ’t kon mevrouw ook weinig

schelen. Zij verzonk weer in de droomen en phantasmagorieën, die haar

heimwee vergezelden. ’t Ging haar als de schipbreukeling, die, op diëet

van zoet water, gekweld wordt door grooten dorst, en in een staat van

geestelijke verdooving geen andere beelden ziet dan heerlijke glazen

ijswater, die hem aan de lippen worden gebracht, maar meedoogenloos

verdwijnen bij elke gretige poging er iets van te drinken; allerlei

visioenen had ze van Indië; het was haar leven in al zijn phasen, dat

achtereenvolgens opdoemde, van haar eerste jeugd als dochter van een

opziener op een onderneming in het gebergte tot haar later huwelijk met

den toen 2den luitenant Roos; zij zat met gesloten oogen en glimlachte

tegen haar hallucinaties gelijk haar man wel zou gewenscht hebben, dat

zij het tegen hem deed.

In den foyer van de opera stond deze gedurende de pauze met een groepje

zijner oude vrienden een glas grog te drinken. Een enkel woord was

gesproken over ’t stuk, dat werd opgevoerd, doch heel spoedig verviel

men vanzelf in gesprekken over Indië, over expedities, promotie,

traktementen, schandaaltjes, regeeringsfouten en intriges. Ook hen

vervolgde en bezat het land, waar ze zooveel van hun beste levensjaren

hadden doorgebracht; het had hen vast en ’t wilde hen niet loslaten; ze

droegen er ’t onuitwischbaar stempel van in woord en gebaar, in houding

en uiterlijk. En het bleek ten slotte, dàt wat hun ’t meeste

belangstelling inboezemde, al waren de meeningen der meesten in het

koude klimaat aanmerkelijk afgekoeld, en deden velen hun best anders te

denken en te spreken, dan hun aandrift meebracht, om de andersdenkenden

en sprekenden in wier midden hun gewoon dagelijksch leven verliep.

Maar toch hadden ze voor alle van vreemde smetten vrije Nederlanders

nog eigenaardigs te over: de weinigen, die aanvankelijk hadden gestaan

bij het groepje in den foyer, uit gepensionneerden, verlofgangers en

een enkel particulier saamgesteld, trokken spoedig af; zij verstonden

het discours maar half en konden er niet aan deelnemen. En menige

onvriendelijke blik gleed over dat groepje, en menige kwaadaardige

grijns ging aan het adres der kern-gezonde, grog- en bierlievende

verlofgangers, die „wegens ziekte” pierewaaiden in Den Haag, met

behoorlijke verlofstraktementen, waarvoor ze niets behoefden te

doen,—twee omstandigheden, die de Haagsche ambtenaarswereld haast deden

stikken van woede en spijt.—Men moest hun niet vertellen, dat die

menschen doodziek Indië hadden verlaten, en door de zeereis reeds voor

het grootste deel herstelden, zoodat ze na een kort verblijf in Europa

geheel beter waren; men moest hen er niet op wijzen, dat velen van die

menschen in afgelegen oorden jaren achtereen een droefgeestig,

eenzelvig bestaan hadden moeten leiden, haast afgesloten van allen

Europeeschen omgang,—want zij geloofden het toch niet; ze hoorden het

aan, schouderophalend en met een: „nu, ja”, maar voor de rest bleven

zij er bij, dat het meer dan ergerlijk was, om, als zij in ’t Lange

Voorhout uit hun bureau-vensters zaten te kijken, zulke verlofgangers

in datzelfde Voorhout te zien wandelen.

„Heb je mevrouw Van Velton gezien?” vroeg een oud-hoofdambtenaar, en op

die vraag staken allen de hoofden bijeen met oolijke gezichten. Er werd

gefluisterd en gelachen, tot luid en brutaal de schel weerklonk, die

hen terugriep naar de zaal, omdat de pauze uit was. ’t Scheen wel, dat

de naar de deur stroomende menigte door den dikken rook heenbrak, dien

zóóveel brandende sigaren binnen een kwartier in den foyer hadden doen

opgaan en die, met de massa, vergezeld van een echte kroeglucht, zich

in de kromme gangen en gangetjes verbreidde.

„Doe de deur dicht,” had Louise Van Velton tegen haar stiefdochter

gezegd, die in haar loge er het dichtst bij zat. „Er komt zoo’n nare

lucht binnen.”

Hortense strekte zwijgend een langen arm uit en sloot de deur. Ze

geeuwde achter haar waaier en ook Louise had geweldig ’t land. Zij zag

er keurig uit in ’t ponceau fluweel met parelgrijze kant gegarneerd en

een gezichtje om te stelen; haar diamanten schitterden oogverblindend.

Ook Hortense was altijd keurig en smaakvol gekleed; het was bekend, dat

zij prachtig woonden, schitterende equipage hielden,—kortom, dat ze

rijk waren, rijk, schoon en elegant, en toch hielp ’t niet!

O, er kwamen hoogst fashionabele lieden in haar villa op ’t Plein 1813,

doch zij behoorden niet tot den stand, welken Louise er had wenschen te

zien. Zelfs vroeger, toen zij met haar vader te Brussel woonde,

verkeerde zij in hooger kringen. Van Indische clubs wilde zij niets

weten, en met oud-gasten liet zij zich zoo weinig mogelijk in.

Natuurlijk kon ze niet beletten, dat kennissen visites maakten, maar

zij moedigde dat zoo weinig mogelijk aan, en bracht slechts

tegenbezoeken als ’t niet anders kon. Zij werden nu begeleid door een

neefje van Hortense, een jongmensch uit Arnhem met een bloemzoet

gezicht en hoogst affabele manieren, doch in de oogen van Louise, die

verzot was op grooten chic, niet veel meer dan een heerenboertje. Toen

haar naam werd afgeroepen, bracht neef André de dames naar haar coupé

en nam hij afscheid.

„Ik heb me gruwelijk verveeld van avond,” zei Louise, haar sortie

nauwer aanhalend en tegen de zacht geelzijden doffen leunend.

„En ik dan!” geeuwde Hortense uit het andere hoekje.

De fraai geornamenteerde lantaarns aan het hek van den tuin brandden en

de jonge gitzwarte paarden sloegen vonken uit den bestraten

toegangsweg. En nauwelijks stond het rijtuig stil of de deuren onder de

koetspoort vlogen open, en in een stroom van zacht goudgeel licht uit

de albasten lampen, beklommen ze de marmeren trap van den corridor.

„Bonsoir!” zei Louise, stilstaand voor de deur van Hortenses kamer en

haar de wang toestekend.

De stiefdochter drukte er even haar lippen tegen.

„Wel te rusten!” zei ze, haar kamer binnengaande.

Er moest een einde aan komen,—dàt was mevrouw Van Velton met zichzelve

eens. Zulk een saai leven, ondanks haar groot vermogen en weelderige

levenswijze slechts verveling brengende, wilde zij op den duur niet

leiden. Papa zag men alleen aan het ontbijt en bij het diner; voor de

rest ging hij geheel op in haar kind, zijn eenigen kleinzoon, waarvan

zij intusschen meer en meer vervreemdde. Het was reeds zóó ver, dat de

oude heer jaloersch werd en boos, als zij zich zelfs maar met de

kleeding van ’t jongske bemoeide; ’t was zijn afgod, en ofschoon

physiek een allerliefst ventje, een naar, vervelend, bedorven kind, dat

altijd zijn zin moest hebben. Hortense.... neen maar die was à propos

van verveling een wereldwonder! Die zeurde nu niet met haar kind, dat

evenwel heel aardig en lief werd, zoo’n bleek wurm als het in Indië

was, maar die zeurde over haar man. En dat was nu juist voor Louise

geen aangenaam onderwerp. Niet dat zij thans nog iets hoegenaamd om hem

gaf! Wat zij voor hem gevoeld had, en wat nog een oogenblik bij haar

laatste bezoek te Batavia hel had opgeflikkerd, was thans voor goed

gestorven, en zij had overigens, hoewel weduwe, weinig behoefte aan een

huwelijk of aan omgang met een man, schoon ze gevoelig was voor

vleierij en wel hield van een aardigheid. Maar zoo mooi ze overigens

was, zoo lief en levenslustig zij er uit zag, zoo koket zij wezen kon

en zoo schijnbaar hartstochtelijk soms haar groote zwarte oogen

gloeiden, zoo rustig en normaal werkte haar gestel, dat trouwens in

haar eerste huwelijk niet was verwend. Zij had haar gevoel onder

bedwang.

De altijd eenigszins vermoeid uitziende Hortense daarentegen, met haar

rustig onverschillig gezicht en kalmen oogopslag, leed geweldig onder

de afwezigheid van Fournier. Nacht en dag stond hij haar voor den

geest; zij had hem reeds lang vergeven, dat hij haar bedrogen had, door

zijn vroegere verhouding tegenover haar stiefmoeder voor haar te

verzwijgen. Naderhand, toen ze alles wist, vond zij het weinig, alleen

rekenend met den uitslag, niet met het doel. ’t Was een

kinderachtigheid geweest, een vergissing vond ze; en eenmaal uitgemaakt

hebbende, dat het niet meer was, achtte zij het de moeite niet waard er

verder over na te denken. En nu streed de arme Hortense een zwaren

strijd tegen haar isolement. Zij ging, toen ze uit de opera kwamen,

eens kijken in de kinderkamer,—de kleine sliep als een roos, en in het

ledikant naast het kinderbedje deed de bonne hetzelfde. ’t Was alles

stil en rustig in het groote huis. Langzaam en zuchtend ontkleedde zij

zich, nam een boek en ging aan de tafel zitten lezen; daarmede verzette

zij zich tant bien que mal, en tot laat in den nacht verslond zij

boeken, haar best doende zooveel mogelijk belang te stellen in de

handelende personen, tot ze, doodmoe, naar bed ging en dadelijk

insliep.

’t Was een koude, heldere ochtend, den volgenden dag; de wind woei

hardnekkig uit denzelfden guren hoek, maar de grauwe wolkenmassa was

weggedreven; de zon scheen vroolijk en vriendelijk aan de staalblauwe,

strakke lucht; haar reeds bleeker schijnend licht verguldde de gele

uiteinden der met zacht geruisch over ’t Plein dwarrelende bladeren.

Zij ontbeten nog in de tuinkamer.

„Het is zulk lekker weer; we moesten eens naar Scheveningen rijden,”

meende Louise.

„Ga gerust je gang; maar ik blijf thuis met het kind,” zei dokter Van

der Linden, nu reeds met een bezorgden blik op zijn kleinzoon.

„U zult hem nog heelemaal verwennen.”

„Laat dat maar aan mij over! Ik ga met hem spelen in den tuin. Rijdt

jullie maar naar den zeekant; wij hebben hier zeewind genoeg.”

Doch Hortense wilde wel, en ze hadden reeds orders gegeven om in te

spannen, toen de knecht een paar visitekaartjes binnenbracht.

„God, hoe vervelend!” zei Louise. „Natuurlijk weer Indische lui.”

Voor één presentabele Haagsche jonkersfamilie had zij gaarne ’t heele

visschersdorp ook als badplaats een jaar lang willen ontberen.

Het waren kennissen uit Indië. Zij had hun namen gelezen onder de

passagiers der Fransche mail, en had wel gedacht, dat ze den een of

anderen dag haar voor den neus zouden staan. Nu kwamen ze al heel

ongelegen, maar enfin! ze moesten maar in de ontvangkamer worden

gelaten, waar mevrouw Van Velton een oogenblik later, met een gezicht

stralend van genoegen en een vriendelijken lach op de lippen, hen

verwelkomde.

De twee heeren behoorden niet tot ’s lands dienst; de een, ’s lands

welvaren in persoon, was Mr. Mourant, advocaat, en de ander met het

uiterlijk van een leverlijder, heette Veninga en was planter. Beiden

bezaten een aardig fortuintje, maar de advocaat had met pleiten toch

niet half zooveel verdiend als de planter met koffie-oogsten. Zoo de

heeren van denzelfden leeftijd waren,—de dames scheelden veel in dat

opzicht; mevrouw Mourant liep naar de veertig en zag er in uiterlijk

schoon zeer gewoon Indisch uit; wel kon men ’t haar aanzien, dat zij

een zeer intellectueel ontwikkelde vrouw was, maar al mocht mevrouw

Veninga op dit laatste niet bogen, toch stelden haar groote schoonheid

en haar twintig jaren de oudere vriendin ver in de schaduw; die deden

zelfs afbreuk aan de mooie Louise en dat voelde zij toen ze binnenkwam

en het jonge vrouwtje in een snoeperig reiskostuum haar om den hals

vloog en hartelijk kuste.

„We zijn nog heel vreemd in patria,” zei Mourant lachend.

„Het is al zoo vèr in het seizoen,” meende Louise.

„Dat is het ook,” gaf Veninga toe, „en we zouden ook gewacht hebben tot

den volgenden zomer, als mijn gezondheid het had gepermitteerd!”

„En ’t is erg lief van de Mourant’s—vindt u niet?—dat ze hun vertrek

uit Indië om onzentwil hebben vervroegd.”

„Och,” zei mevrouw Mourant, „Jet overdrijft dat; wij hebben elkaar zoo

lang gekend; zij zijn, dat weet je, uit ons huis getrouwd, en als kind

was ze altijd bij ons thuis....”

„Toch vind ik het erg hartelijk,” viel Louise met haar liefsten

glimlach in, en intusschen dwaalde haar vlugge blik over dat viertal,

waarvan twee der dames naast haar zaten op de ottomane, en Veninga zich

vermoeid had neergevleid in een leunstoel, terwijl Mourant achter dien

stoel staande met de armen rustend op de leuning en een glimlach om den

mond naar de dames keek, nu en dan zich met een gepast woord in het

gesprek mengend. En er lag zoo iets meesterachtigs en cynisch in dien

glimlach, dat Louise er zich inwendig boos over maakte en de

wenkbrauwen samentrok.

Er werd een glas morgenwijn rondgediend, en Veninga, die geen idéetje

van spiritualiën aandurfde, uit vrees voor zijn lever, dronk een glas

soda-water. Al pratende en zich, ondanks zichzelve, weer warm makend

over wat sedert haar vertrek in bekende families was voorgevallen,

vloog voor mevrouw Van Velton de tijd voorbij.

„We moeten nu weg, anders komen we niet op tijd,” zei Mourant, op zijn

horloge ziende.

„Blijft u dan niet hier?” vroeg Louise.

Hij zag eens rond.

„We hadden afgesproken terug te gaan naar Amsterdam. Voorloopig namen

we onzen intrek in het Amstel-hotel. Daarna denken we hier te komen.”

Mevrouw Veninga was reeds opgestaan.

„En we gaan nu terug naar Amsterdam,” zei ze op een toon, die duidelijk

aangaf, dat nu het itinéraire onherroepelijk was vastgesteld.

Men nam hartelijk afscheid.

„Die vervelende lui,” klaagde Louise toen ze terugkwam bij Hortense,

die droomerig voor zich uit zat te kijken met de handen in den schoot

en zeker aan Fournier dacht: „die vervelende lui hebben me

verschrikkelijk opgehouden. Het is nu te laat om naar Scheveningen te

gaan.”

„Och,” antwoordde Hortense, als ontwakend: „’t kan me eigenlijk ook

niets schelen.”

„Ik heb,” ging ze voort, toen ze zag dat Louise zich ergerde aan haar

verregaande onverschilligheid, „hen even in ’t rijtuig zien stappen. Ze

zagen er netjes uit.”

„O ja! Ze zijn in Amsterdam mensch geworden. Ik heb zoo gelachen om het

verhaal van dien Mourant. Het is een naar, pedant heer, maar hij praat

wel aardig.”

„Wat was het?”

„Och, the old story: ze hebben nette familie te Amsterdam, een beetje

stijf en vervelend, maar die toch goed meeleven. Nu, zij hadden zich

maar vast in Indië van Europeesche kleederen voorzien, en meenden dat

ze poes mooi waren.”

„Die is aardig!”

„Nietwaar? Wel, ze begrepen er niets van, toen hun in vertrouwen

verteld werd, dat ze zich moesten laten kleeden, want dat niemand van

de familie zich op straat met hen durfde vertoonen. Ha, ha! Aardig,

ja!”

Ook Hortense vond het erg grappig en lachte hartelijk mee.

„Waarom heb je een hekel aan dien meneer Mourant?”

„Ik.... ik.... kan het je haast niet zeggen, Stance! Het is misschien

heel leelijk, maar ik vermoed iets....”

Hortense keek op; zij zou geen vrouw moeten geweest zijn om tegenover

onuitgesproken vermoedens geen nieuwsgierige belangstelling of

belangstellende nieuwsgierigheid aan den dag te leggen.

„Zeg het maar,” drong ze aan, en met een uitdrukking op ’t gezicht, die

gebrek aan vertrouwen verweet, voegde ze er bij.... „onder ons!”

„Hij heeft iets in zijn gezicht en in zijn manieren; iets waarvoor ik

geen naam weet, maar dat elke parvenu, die niets gewoon is, over zich

heeft als hij op zijn manier een conquête heeft gemaakt. Men kan ’t hem

aanzien, dat hij het wel zou willen uitschreeuwen van de daken; dat hij

er in stikt, en het springt te meer in het oog, naarmate hij haar

behandelt, alsof er niets.... niets....”

„Maar dàt is nu toch ’n beetje erg! Mijn hemel, ik zou niet graag zoo

iets beoordeelen op zoo’n manier! Je hebt ’n hekel aan den man, en dat

is, geloof ik, alles! En nu maar te denken, dat hij dien armen zieken

Veninga....”

„En toch is het zoo, of bijna zoo! Geloof me, Stance, men begrijpt en

gevoelt zulke verhoudingen ’t best bij intuïtie. Er zijn onder die vier

menschen bedriegers en bedrogenen. Daar zou ik mijn hoofd op durven

geven.”

Er werd een groot pakket binnengebracht. Het knappe werkmeisje, koket

gekleed en met een heel air, lei het op de tafel en zei nonchalant-weg:

„Asjeblieft, mevrouw, de mijl,”—zoo scherp, alsof ’t woord mail met zes

lange ij’s werd geschreven.

Mevrouw Van Velton verroerde zich niet, maar keek met boozen blik de

netgebouwde figuur der dienstbare fee na, die met een trippelpas de

kamer verliet in een paars japonnetje, dat haar als geschilderd aan ’t

lijf zat, iets wat kapitein Roos in verrukking zou hebben gebracht.

Louise ergerde zich geweldig aan de vrouwelijke dienstboden. De mannen

waren beleefd en onderdanig, vond ze, maar de meisjes haatte ze, en ze

bleef er altijd een beetje bang voor. Die hadden ook iets in haar

houding en manieren, dat sprak, en een zoo scherpzienden blik als die

van mevrouw Van Velton-Van der Linden ontging het niet, dat haar

vrouwelijke bedienden voor haar niet de deferentie betoonden, als zij

waarnam dat in echt Hollandsche voorname families aan den dag werd

gelegd. En of zij al vorstelijke loonen betaalde,—het baatte niet. Het

was, integendeel, of de schepsels insolenter werden, naarmate ze meer

geld verdienden.

Zenuwachtig had Hortense het pakket losgemaakt, de couranten ter zijde

geworpen en, onder de brieven grabbelend, er een uitgehaald; ze

scheurde er haastig ’t couvert af en verslond den inhoud. Langzaam

naderde Louise de tafel. ’t Kon háár zoo bitter weinig schelen, wat de

post bracht! ’t Waren meest brieven over haar geldzaken, en die gaf ze

ongelezen aan haar vader, of enkele korte episteltjes van oude

vriendinnen, kennisgevingen van huwelijken en overlijden, en zoo—enfin,

dingen, waarin zij slechts matig belangstelde.

Ze liet ze één voor één onverschillig door de handen gaan.

„Hij komt! hij komt!”

’t Was een juichtoon, zóó luid, dat Louise er van schrikte.

„Hij komt!” riep Hortense nog eens, den brief als een zegeteeken boven

haar hoofd houdend, met een kleur op de wangen en licht in de oogen,

wat haar altijd zoo mooi maakte.

„Het is jammer, Stance, dat je niet altijd zoo verheugd bent. Als je

eens wist hoe goed het je staat!”

„Hij kan al over een week of drie hier wezen. God, hoe heerlijk!”

En in de overstelping harer blijdschap kuste ze Louise telkens en

telkens weer.

„Ik ga hem halen van Marseille,” riep ze: „wat een heerlijke winter zal

dat zijn!”

’t Deed hare jonge stiefmoeder pijnlijk aan. Niet om Fournier; maar zij

benijdde Hortense, die zoo gelukkig kon zijn om ’t vooruitzicht van

hereeniging. Was dat geluk, en zou zij, die dat nooit had gesmaakt, ook

nimmer te weten komen, wat het was?

En intusschen dacht Hortense hardop; ze sprak nu in tien minuten meer

dan anders vaak in een heelen dag; ze maakte allerlei

vooronderstellingen en verwierp die weer; hij zou toch wel

telegrapheeren, of neen, dat zou hij niet, want hij zou haar verrassen;

zij zou het wel tijdig lezen in de passagierslijsten, tenzij hij voor

de grap zijn naam niet liet publiceeren. Zou hij dadelijk naar Den Haag

komen en bij haar zijn intrek nemen, of zouden ze eerst een reisje doen

door Italië en Duitschland? Zij gaf zichzelve taal en antwoord, en toen

zij nog met den brief in de hand, vroolijk en opgewonden naar haar

kamer ging, hoorde Louise haar zingen—voor de eerste maal sedert zij

daar woonden!

In eentonige regelmaat tikte zacht de slinger der pendule, die een

marmeren Phryne, in verleidelijke houding haar schoone lijnen toonend,

omhooghield; tusschen de donker damasten gordijnen drong flauw het

weemoedig licht van den dalenden najaarsdag; Louise leunde met den

elleboog op de tafel en keek naar buiten zonder te zien; zij voelde

zich zoo verlaten, zoo heel, heel erg alleen! Was er dan niets voor

haar op de wereld? Volstrekt niets? Niets wat ze zóó liefhad, dat ze er

voor leefde, en dat haar gelukkig kon maken? Er welde als het ware iets

op in haar binnenste, iets dat haar verschrikkelijk benauwde; zij

voelde dat het zou losbarsten met teugellooze kracht, en ze vloog de

kamer uit, de trappen op, naar de vertrekken van den dokter,—die waren

eenzaam; haar vader noch haar kind waren er, maar door het venster zag

ze hoe de erg verouderde dokter in het zweet zijns aanschijns samen met

njo een toren bouwde in den tuin van aarde en steenen, en hoe ze zich

allebei kolossaal amuseerden, hij, met zijn weinige zilverwitte haren,

’t jongske met den dichten blonden krullebol. Ook die twee hadden

elkaar lief en leefden voor elkaar. En zij was voor niemand iets,

gelijk niemand iets was voor haar. Ging er dan zulk een afstootende

kracht van haar uit, zóó, dat alles van haar vervreemd raakte:

moederliefde, kinderliefde, de liefde....? De groote opwelling van

smart, die haar daareven haast had doen stikken, kwam niet tot een

uitbarsting; slechts zuchtte zij diep en streek haar donker fraai

gevormd handje over haar voorhoofd. Soedalah! fluisterde zij en terwijl

de inlandsche uitdrukking der machtigste onverschilligheid over haar

gezicht gleed, werd die als ’t ware onderstreept door een licht

schouderophalen.

Wat kon ’t háár ook eigenlijk schelen? ’t Was toch alles maar grand

bruit et.... bien peu de besogne!

Langzaam kwam ze de trap weer af, die ze in zoo vliegende vaart was

opgevlogen. Hortense zat met haar dochtertje op den schoot en kuste

het.

„Wat zal hij van haar staan kijken!”

„Zeker! ze is hier goed vooruitgegaan.”

„’t Is een heel ander kind geworden, nietwaar!” riep de gelukkige

moeder, haar baby omhooghoudend.

„Ik ga een paar boodschappen doen. Ga je mee?”

„Ik kan niet! Morgen sluit de mail....”

„Nu ja,” antwoordde mevrouw Van Velton driftig, „maar daarmee zal je

toch geen brief zenden, want die bereikt hem immers toch niet meer.”

„Misschien.... als ik hem adresseer naar Port-Saïd of Suez.”

„En je weet niet eens, met welke boot! Kom, ga maar mee, dan kunnen we

daar meteen naar informeeren.”

Toen ze uitreden zagen ze weer de dames Van Stralen en Roos op het

Plein 1813 wandelen.

„Zijn dat zulke vriendinnen?” vroeg Hortense.

„Het schijnt zoo. Mevrouw Van Stralen woont in de photografen-straat

[1]; het gaat er erg Indisch toe; ze houden er damesclubjes en God weet

wat nog meer; die kapiteinsvrouw is er zeker geweest, en gaat nu naar

huis; natuurlijk hier of daar in den Indischen archipel.” [2]

Het was inderdaad zoo. Mevrouw Roos had gevolg gegeven aan de

uitnoodiging harer oude vriendin. Zij had haar een bezoek gebracht aan

haar huis in de Willemstraat, en zij trof het goed, want juist dien dag

was er koempoelan besar van Indische dames bij mevrouw Van Stralen. Er

waren oude kennissen en geheel vreemden, maar met wie zij spoedig heel

eigen was: allen waren uit ’s lands dienst, levend van pensioen,

bespaarde sommetjes, en een enkele zag haar inkomen vergroot door den

ijver van een nog in de kracht zijns levens zijnden man, die er een min

of meer lucratief, maar altijd hoogst fatsoenlijk „baantje bij”—dus bij

zijn pensioen—had weten machtig te worden.

Toen men veel en geweldig dooreengepraat had bij een glas limonade, dat

men zich „onder elkaar” niet geneerde „stroop” te noemen, begonnen de

onschuldige spelletjes inderdaad niet hoog, maar waarbij men zich toch

opwond en betrekkelijk nog heel wat winnen of verliezen kon. Eerst had

mevrouw Roos geaarzeld, maar toch deed ze mee. En terwijl ze vroeger in

Indië meest altijd verloor, won ze nu en ging ze een beetje rijker naar

huis dan ze gekomen was. Toen Roos dien dag uit den Dierentuin kwam,

was zij tot zijn verbazing nog niet thuis, terwijl de meisjes reeds

lang van school waren gekomen.

„Waar ben je heen geweest?”

„Ik heb een paar boodschappen gedaan, en ik ben even bij mevrouw Van

Stralen geweest.”

„Zou het waar zijn, dat ze daar dobbelen?” vroeg hij, ’t manuaal van

kaartspelen er bijmakend.

„Ik weet het niet,” antwoordde ze onverschillig; „’t kan me ook niet

schelen.”

Mevrouw Roos was dien avond vroolijker dan anders, en dat zag de

kapitein met genoegen; ze stemde er zelfs in toe na het eten een

wandeling te doen, en ze was zoo opgewekt, dat hij er ’t beste van

durfde hopen.

„Ga je mee?”

Hij had het haast werktuiglijk gevraagd en uit gewoonte.

„Waarheen?”

„Naar de Hollanders,” antwoordde verbaasd de kapitein, den Hollandschen

schouwburg bedoelend.

„Och ja. ’t Is nogal goed weer.”

„Zeker, het weer is uitmuntend. ’t Is jammer, dat het stuk van avond

niet van de nieuwste is.”

„’t Zal voor mij nog nieuw genoeg zijn.”

„Ja, je gaat zóó weinig uit! Het doet me pleizier, dat je nu eens mee

wilt. Je weet niet, welk een genoegen me dat doet!”

Hij had als ter bekrachtiging een zijner dikke handen op de tafel laten

vallen met een harden slag. Toen zij zich had gekleed was hij een en al

voorkomendheid, met een ouderwetsche, eenigszins overdreven galanterie.

In de straat stapte hij met zijne vrouw aan den arm en ’t hoofd meer

dan rechtop, met zekeren trots voort; het was in geen maanden gebeurd,

dat ze samen uitgingen.

„Wezenlijk, Jeanne, we moeten dat meer doen.”

Zij glimlachte achter haar dikke voile.

„Jij weet anders alleen ook wel den weg te vinden.”

„Ik ben een oud militair, Jeanne; dien maakt geen sterveling tot een

kniesoor. Als jongen heb ik al geleerd de zaken te nemen zooals ze

zijn.”

„Ja, je hebt een gelukkig gestel,” zei ze met een zucht, die naar Indië

ging.

„’t Is heelemaal naar men zichzelven went, vrouwtje! Achter de kachel

zitten, kan ik niet. Ik moet beweging hebben in de frissche lucht en ik

vraag er niet naar of ’t warm is of koud.”

Een oogenblik wachtte hij, maar toen ze zwijgend en eenigszins

huiverend zacht tegen hem aandrong, vervolgde hij:

„Er uit moet ik, dat vat je, en ik moet zeggen....”

„Dat ik je nooit tegenhoud.”

„Nnneen.... dat ’s waar. Ik heb wel eens gedacht.... hm!.... Enfin, ik

wil maar zeggen, dat het toch veel beter zou zijn voor ons beiden, als

we meer samen uitgingen. Waarachtig, in Indië waren we meer bij

elkaar....”

„O.... dat is een verschil! In Indië!”

„Dat is geen verschil. Je zoudt immers precies evengoed met me mee

kunnen gaan naar de opera en de komedie. Ik heb er met pleizier nog ’t

geld van een abonnement voor over, dat weet je wel!”

„Praat in Godsnaam niet van geld!”

„Larie!” riep Roos in zijn echte troupiers-opvatting van de waarde van

het geld. „Als de bok zijn ribben toont, neem ik er een baantje bij.”

Zij geloofde inderdaad, dat hij zoo’n baantje slechts voor het nemen

had; wat wist ze ook van Hollandsche toestanden, en wat wist hijzelf er

van?

Roos stootte haar aan met zijn elleboog; zij keek op en zag hoe hij

door een zijwaartsche beweging met het hoofd, haar aandacht vestigde op

een heer, die alleen voor het helder verlichte venster van een

boekwinkel stond te kijken. Eerst herkende zij het mager en scherp

profiel met de lange neerhangende knevels niet, maar toen ze dichterbij

kwamen, keek ze verrast haar man aan.

„Van Schermbeek?” fluisterde zij vragend.

Hij knikte bevestigend en versnelde een weinig den pas met de blijkbare

bedoeling te trachten ongezien achter hun vroegeren mede-passagier

voorbij te gaan.

’t Gelukte bijna, maar net op ’t laatste oogenblik keerde Van

Schermbeek zich om, zag hen en groette.

„U hebt zeker gehoord, dat ik den dienst heb verlaten?” vroeg hij

meeloopend.

„Ja! Het is net gegaan, zooals ik aan boord voorspeld heb.”

Van Schermbeek lachte schamper.

„Ze zijn nog niet van me af!”

„Nu ja, dat is ook ’n schrale troost.”

„Er is in zoover nog niets verloren.”

„Hè?.... Wat zeg je?.... Nog niets verloren? Maar kerel, hoe heb ik het

met je! Je bent er uit, voor den donder! Heelemaal....”

„Sst! Roos, schreeuw toch zoo niet!” zei zijn vrouw kwaad, terwijl ze

hem heftig aan den arm trok. „De menschen zullen denken, dat je dronken

bent.”

„Laat de menschen naar de maan loopen. Ik kan niet velen dat Van

Schermbeek, wien ze genoodzaakt hebben op zijn jongen leeftijd en als

luitenant z’n ontslag te nemen, beweert, dat daarmee niets verloren

is.”

„Begrijp me goed,” zei de jonge man: „ik bedoel alleen dat ik er weer

in kom.”

„Dat denk je maar!”

„Ik heb ’n brochure geschreven, waarop de Regeering vallen moet. Ze is

vandaag uitgekomen. Ik zal er u morgen een exemplaar van zenden. Ze

liggen daarginds geëtaleerd bij dozijnen voor het venster van den

boekverkooper. Dat is de genadeslag. Die moet me gelukken, en dan zal

men iets anders zien! Dan kom ik er weer met eer en glorie in.”

Zij twistten voort tot groote woede en ergernis van mevrouw Roos. Dicht

bij de komedie bleven ze staan, disputeerende over de oude

strijdvragen, wat een officier doen moet, mag en kan in bepaalde en

onbepaalde gevallen. De kapitein beriep zich telkens op het niet te

loochenen feit, dat de ervaring hem in ’t gelijk had gesteld; Van

Schermbeek erkende dat alleen wat zijn gedwongen ontslag uit den dienst

betrof, maar hij hield vol, dat daarmee ’t laatste woord in zijn zaak

nog niet was gezegd; dat hij „herstel van grieven” zou krijgen en weer

herplaatst worden. Dat gaf Roos in het geheel niet toe. De Tweede Kamer

.... nu ja, ’t was mooi en de heeren zeiden veel, maar men had ten

slotte met het legerbestuur in Indië te maken, en dat stoorde er zich

bitter weinig aan. En in de drukte van dit belangrijk twistgesprek,

waarbij zij opnieuw hun gansche arsenaal van argumenten leeghaalden,

vergaten zij bijna geheel de arme mevrouw Roos, tot zij, terwijl haar

een lichte huivering van kou door de schouders voer, besloot er een

einde aan te maken.

„Nu, goeden avond, mijnheer Van Schermbeek; van harte ’t beste succes,

ja! Wij gaan binnen, want de komedie is reeds begonnen.”

„O dank u zeer, mevrouw .... Neem me niet kwalijk, dat .... Bonsoir,

kapitein, tot genoegen.”

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 1 / 17 段