Het verhaal van Cyrus Smith omtrent zijn verkenningstocht.--Men
haast zich met het schip.--Een laatste bezoek aan de
kraal.--Strijd tusschen vuur en water.--Wat van het eiland
overbleef.--Men besluit het schip van stapel te laten
loopen.--De nacht van 8 op 9 Maart.
Den anderen morgen, 8 Januari, nadat zij een dag en een nacht in de
kraal hadden doorgebracht, was alles in de beste orde en keerde Cyrus
Smith met Ayrton naar het Rotshuis terug.
Terstond riep de ingenieur zijn vrienden bij elkander en deelde
hun mede, dat het eiland Lincoln in groot gevaar verkeerde en geen
menschelijke macht dat gevaar kon bezweren.
"Vrienden," zeide hij--en zijn stem verried de diepste ontroering--"het
eiland Lincoln behoort niet tot die eilanden, welke zoolang zullen
bestaan als de aarde zelf. Het is bestemd voor een min of meer spoedige
geheele verwoesting, waarvan het zelf de oorzaak is, en die wij niet
in staat zijn te verhinderen!"
"Spreek duidelijker, Cyrus," zeide Gideon Spilett.
"Ik ben bereid," antwoordde Cyrus Smith, "u het geheim onderhoud,
dat ik met kapitein Nemo gehad heb, mede te deelen."
"Met kapitein Nemo!" riepen de kolonisten.
"Ja, het was de laatste dienst, die hij mij, voor hij stierf, wilde
bewijzen."
"De laatste dienst!" herhaalde Pencroff.
"De laatste dienst! Gij zult zien, dat al is hij dood, hij er ons
nog menigeen zal bewijzen."
"Maar wat heeft kapitein Nemo u gezegd?" vroeg de reporter.
"Weet dan, vrienden, dat het eiland Lincoln niet in denzelfden
toestand verkeert als de andere eilanden in den Stillen Oceaan, en
een bijzondere toestand, dien kapitein Nemo mij heeft doen kennen,
moet oorzaak zijn dat vroeg of laat zijn onderzeesche grondvesten
uiteenbarsten."
"Uiteenbarsten! Het eiland Lincoln! Kom!" riep Pencroff uit, die
ondanks den eerbied, dien hij voor Cyrus Smith koesterde, toch niet
nalaten kon om hierover zijn schouders op te halen.
"Luister, Pencroff," hernam de ingenieur. "Ziehier wat kapitein Nemo
bemerkt heeft, en ik zelf gisteren ook, toen ik het onderaardsche
gewelf Dakkar bezocht. Dit gewelf strekt zich onder het eiland tot
aan den vulkaan uit, en is van den middelschoorsteen gescheiden door
een muur, die tegen het gewelf sluit. Deze muur is gespleten en hier
en daar zijn openingen waardoor het zwavelachtig gas, dat zich in
den vulkaan ontwikkelt, kan ontsnappen."
"Welnu?" vroeg Pencroff, wiens voorhoofd zich rimpelde.
"Welnu, ik heb ontdekt dat die openingen door de inwendige drukking
steeds grooter worden, dat de basaltmuur langzamerhand zal splijten en
in korter of langer tijd een doorgang zal verschaffen aan de wateren
uit de zee, waarmede de grot gevuld is."
"Goed!" antwoordde Pencroff, die het nog niet gewonnen wilde geven. "De
zee zal den vulkaan uitdooven en alles zal gedaan wezen."
"Ja, alles zal gedaan wezen!" hernam Cyrus Smith. "Den dag waarop
de zee door den muur heendringt, door den middelschoorsteen tot in
het diepst van het eiland, waar de bestanddeelen zich bevinden,
die vatbaar voor ontploffing zijn, dien dag, Pencroff, zal het
eiland Lincoln springen, zooals Sicilië springen zou, wanneer de
Middellandsche zee zich in de Etna wierp!"
De kolonisten gaven geen antwoord op deze woorden, welke de ingenieur
op overtuigenden toon sprak. Zij hadden het gevaar, dat hen dreigde
begrepen.
Bovendien moet gezegd worden, dat Cyrus Smith volstrekt niet
overdreef. Velen zijn van meening geweest dat men de vulkanen zou
kunnen blusschen, die voor het meerendeel aan den oever der zee of
van een meer liggen, wanneer men de golven er in deed stroomen. Maar
zij bedachten niet, dat men op die wijze gevaar liep om een gedeelte
van de aarde te doen springen, gelijk een stoomketel, waarvan de
stoom plotseling een hoogere spanning erlangt, door een schot. Het
water zich werpende in een gesloten kom, waar de temperatuur eenige
duizenden graden bedraagt, zou verdampen met zulk een plotseling zich
ontwikkelende kracht, dat geen wanden, hoe sterk ook, weerstand bieden.
Zij mochten er dus niet meer op hopen dat het eiland langer zou
bestaan dan de muur van het gewelf Dakkar zou duren. Het was zelfs
geen quaestie van maanden, noch van weken, maar een quaestie van dagen,
van uren misschien!
Het eerste gevoel dat zich van de kolonisten meester maakte, was
diepe smart! Zij dachten niet aan het oogenblikkelijke gevaar, dat
hen dreigde, maar aan de verwoesting van dien grond, die hun een
schuilplaats had geboden, aan dat eiland, dat zij hadden ontgonnen,
aan het eiland, dat zij liefhadden, dat zij zoo gaarne hadden zien
bloeien. Zooveel vermoeienissen nutteloos doorstaan! zooveel arbeid
verloren!
Pencroff kon een traan niet weerhouden, die over zijn wang biggelde,
en hij trachtte ook niet dien te verbergen.
Nog eenigen tijd spraken zij over dit onderwerp. De verschillende
kansen werden overwogen, maar allen waren van oordeel dat zij geen
uur te verliezen hadden, dat de bouw en de uitrusting van het schip
met den uitersten spoed moesten voortgezet worden en dat de eenige
hoop op redding voor de bewoners van Lincoln daarin gelegen was!
Alle handen werden dus aan het werk geslagen. Den 23sten Januari was
het schip half gereed. Tot nog toe had er geen verandering aan den top
van den vulkaan plaats gegrepen. Rook vermengd met vlammen en steenen
waren uit den krater voortdurend ontsnapt. Maar gedurende den nacht
van 23 op 24 Januari werd de kegel, die een soort van hoed vormde,
er afgeworpen door de kracht van de lava, die tot aan den rand van de
eerste verdieping van den vulkaan reikte. Een oorverdoovend geraas
dreunde door het eiland! De kolonisten dachten dat het verging. Zij
snelden uit het Rotshuis.
Het was ongeveer twee uur 's nachts. De hemel was als vuur. Het
bovenste gedeelte van den kegel, een klomp van duizend voet hoogte
en milliarden wegende, was op het eiland geworpen, welks bodem
dreunde. Uit den krater, nu veel wijder van opening, straalde een hel
licht en door de afkaatsing scheen de gansche dampkring te gloeien,
terwijl tegelijkertijd een stroom van lava als een breede waterval
zich uitstortte en duizend vurige slangen langs de helling van den
berg voortschoten.
"De kraal! de kraal!" riep Ayrton.
Het was inderdaad in de richting van de kraal dat de lava stroomde.
Op dezen kreet van Ayrton waren de kolonisten naar den stal van de
onagga's gesneld. De wagen was ingespannen. Allen hadden slechts éen
gedachte! Naar de kraal rijden en de dieren, die daar waren opgesloten,
in vrijheid stellen.
Vóór drie uur waren zij in de kraal. Een vreeselijk gebrul gaf
hun reeds te kennen in welk een toestand de schapen en geiten
verkeerden. Ayrton opende terstond de deur en de beangste dieren
snelden in alle richtingen er uit.
Een uur later was er niets meer van de kraal te zien.
De kolonisten hadden de geheele verwoesting willen te keer gaan, maar
alle pogingen waren vergeefs geweest, want de mensch is machteloos
tegenover zulke natuurverschijnselen.
De dag brak aan--24 Januari--Cyrus Smith en zijn vrienden wilden,
voordat zij naar het Rotshuis terugkeerden, de juiste richting die
deze lava-overstrooming nemen zou, gadeslaan. De helling van den grond
werd bij den Franklinberg aan de oostzijde geringer, en het was te
vreezen dat, ondanks het bosch van het Verre Westen, de stroom zich
zelfs tot de vlakte het Verre Uitzicht zou verspreiden.
"Het meer zal ons beschermen," zeide Gideon Spilett.
"Ik hoop het!" was het eenige antwoord van Cyrus Smith.
Tegen zeven uur 's morgens was de toestand van de kolonisten niet
langer houdbaar. Zij hadden een schuilplaats gezocht aan den zoom
van het bosch Jacamar. Niet alleen regende het steenen rondom hen,
maar de lava die uit de bedding van de Roode Beek vloeide, dreigde
hun den weg van de kraal te versperren. De eerste rijen boomen hadden
reeds vlam gevat, en hunne vruchten waren spoedig in rook verteerd;
zij barsten als vuurwerk uiteen, terwijl anderen, minder vochtig,
onbeschadigd te midden der overstrooming bleven.
De kolonisten hadden den weg naar de kraal weder ingeslagen. Zij
liepen langzaam en schier meer achter dan voorwaarts. Maar, tengevolge
van de grondgesteldheid had de stroom spoedig het oosten bereikt,
en zoodra de inwendige lagen van de lava verhard waren, kwamen er
anderen die ze terstond bedekten.
Intusschen werd de hoofdstroom van het dal de Roode Beek al
dreigender. Dit heele gedeelte van het bosch was ingesloten en groote
wolken rook dreven er boven de boomen, waarvan de wortels reeds door
de lava verteerd waren.
De kolonisten stonden bij het meer stil, op een halve mijl afstands
van den mond der Roode Beek. Nu zou er over leven of dood voor hen
beslist worden.
Cyrus Smith die gewoon was om de ernstige toestanden te berekenen,
en wist dat hij tot mannen sprak, die de waarheid wilden vernemen,
welke zij ook zijn mocht, zeide toen:
"Of het meer zal dien stroom tegenhouden, en een gedeelte van het
eiland zal aan de geheele verwoesting ontsnappen, of de stroom zal de
bosschen van het Verre Westen met zich nemen en geen boom, geen plant
zal er op dezen grond blijven. Wij hebben op deze kale rotsen slechts
den dood in het vooruitzicht, waarop het vergaan van het eiland ons
niet lang zal doen wachten!"
"Dan," riep Pencroff, zijn armen over de borst kruisende en met
zijn voet op den grond stampende, "dan is het onnoodig, niet waar,
dat wij langer aan de boot werken?"
"Pencroff," antwoordde Cyrus Smith, "wij moeten onzen plicht vervullen
tot het einde toe."
Op dit oogenblik bereikte de lava-stroom het meer, nadat hij zich een
weg had gebaand door de prachtige boomen, die hij verzwolgen had. Daar
vormde de grond een ondiep dal en zoo dit breeder ware geweest,
zou het misschien voldoende zijn geweest om den stroom in te perken.
"Aan het werk!" riep Cyrus Smith.
Allen begrepen de gedachte van den ingenieur. Zij haalden spaden,
bijlen en houweelen, en eindelijk gelukte het hun met steenen en
boomstammen binnen weinige uren een dijk gereed te hebben van drie
voet hoog en eenige honderden passen lang. Het scheen hun toe alsof
zij niet langer dan eenige minuten hadden gewerkt!
Het was tijd. De stroom zwol op als een wassende rivier, die haar
oevers wil overschrijden, en dreigde den eenigen hinderpaal te
vernielen, welke haar verhinderen kon om het bosch van het Verre
Westen te verwoesten.... Maar de dijk was er tegen bestand, en na
een oogenblik aarzelen, een vreeselijk oogenblik, wierp hij zich in
het meer Grant, van een hoogte van twintig voet.
De kolonisten aanschouwden met ingehouden adem, zonder zich te
verroeren, zonder een woord te spreken, dezen strijd tusschen de
beide elementen.
Welk een tooneel was die worsteling tusschen het water en het vuur! De
eerste lava die in het meer viel versteende terstond en hoopte zich
opeen, zoodat zij weldra boven het water zou uitsteken. Boven de
oppervlakte dreef nog andere lava, die zich op hare beurt tot steen
vormde, maar het midden bereikte.
Hierdoor ontstond er een steenmassa, die het geheele meer dreigde
te vullen, dat niet buiten zijn oevers kon treden, want het water
dat te veel was, werd damp. Het sissen en knarsen der steenen
vervulde de lucht met een oorverdoovend geraas, en de loog door den
wind voortgesleept viel als regen in de zee neder. De steenstroom
werd langer en de versteende blokken lava klemden zich aan elkaar
vast. Daar, waar vroeger het kalme water kabbelde, verhief zich
thans een reusachtige klomp rookende rotsen, alsof een verheffing
van den bodem duizenden klippen had doen ontstaan. Wanneer men zich
deze wateren voorstelt door een orkaan in beweging gebracht, en dan
plotseling door een koude van twintig graden tot een vast lichaam
gemaakt, dan heeft men een denkbeeld van het meer, drie uur nadat die
onwederstaanbare stroom er inviel. Ditmaal moest het water door het
vuur overwonnen worden. Toch was het zeer gelukkig voor de kolonisten,
dat de lavastroom zich in het meer Grant had geworpen. Zij hadden nu
nog eenige dagen gewonnen. De vlakte het Verre Uitzicht, het Rotshuis,
de werf waren voor het oogenblik gespaard gebleven. Die dagen moesten
besteed worden om het schip met zorg te kalfaten. Dan zouden zij het
in zee brengen en zouden zij daar tenminste een wijkplaats vinden,
al konden zij het eerst optuigen wanneer het zich eenmaal in het
ruime sop bewoog. Daar zij vreesden voor een nieuwe uitbarsting,
die het geheele eiland dreigde te verwoesten, was er op de kust voor
hen geen veiligheid meer. Het Rotshuis tot hiertoe zulk een goede
schuilplaats, kon elk oogenblik zijn muren voor hen sluiten!
Gedurende de zes dagen, die nu volgden, van 25 tot 30 Januari arbeidden
zij met den ijver van twintig man aan het schip. Nauwelijks gunden
zij zich eenige rust, en bij het schijnsel der vlammen waren zij in
staat nacht en dag door te werken. De uitstorting van den vulkaan
ging steeds voort, maar misschien met minder grooten toevloed. Het
was gelukkig, want het meer Grant was bijna gevuld en zoo nieuwe lava
weder op de vroeger gevormde laag stortte, zou het onvermijdelijk
over de vlakte het Verre Uitzicht en het strand zijn gestroomd. Maar
zoo dit gedeelte van het eiland beschermd werd, in het westen was
het slechter gesteld. De brand, die in het bosch van het Verre Westen
woedde, nam geen einde. Het scheen dat de toppen der boomen nog eerder
vuur vatten dan dat de lava de wortels verteerde.
Alle dieren, zoowel wilde als andere, kwamen een toevluchtsoord
zoeken bij de Mercy en in de moerassen boven de Ballonhaven. Maar de
kolonisten waren te zeer met hun werk vervuld, dan dat zij eenige acht
sloegen, zelfs op de meest gevreesde onder hen. Zij hadden bovendien
het Rotshuis verlaten en zelfs geen onderkomen in de Schoorsteenen
willen zoeken; zij overnachtten onder een tent, die zij bij de monding
der Mercy hadden opgeslagen.
Iederen dag beklommen Cyrus Smith en Gideon de vlakte het Verre
Uitzicht. Soms vergezelde Harbert hen, maar nooit Pencroff, want deze
wilde het eiland niet in dien staat van verwoesting aanschouwen.
"Het is om het hart te doen breken," zeide Gideon Spilett eens,
bij het aanschouwen van de vreeselijke verwoesting, welke het eiland
had ondergaan.
"Ja, Spilett," gaf de ingenieur ten antwoord. "Dat de hemel ons ten
minste den tijd geve om ons schip te voltooien, dat thans ons eenige
toevluchtsoord is!"
"Schijnt het u niet toe, Cyrus, alsof de vulkaan tot bedaren komt? Wel
werpt hij nog lava uit, maar toch is de toevoer geringer, zoo ik mij
niet bedrieg!"
"Het doet er weinig toe," antwoordde Cyrus Smith. "Het vuur is in
het inwendige van den berg toch nog even hevig, en de zee kan elk
oogenblik daarin stroomen. Wij verkeeren in den toestand van reizigers
wier schip verwoest is door een brand, dien zij niet konden stuiten,
en die weten dat het vuur vroeg of laat de kruitkamer zal bereiken! Kom
Spilett, ga mede, wij mogen geen uur verliezen."
Het was thans 20 Februari. Nog een maand hadden zij noodig om het schip
te voltooien. Zou het eiland zoolang bestaan? Cyrus Smith en Pencroff
waren van plan om het schip in zee te brengen, zoodra de romp gereed
was. Het overige konden zij later doen, maar het belangrijkste was
dat de kolonisten een toevlucht hadden buiten het eiland. Misschien
was het goed het schip in de Ballonhaven te leggen, namelijk, zoover
mogelijk verwijderd van den vulkaan; want bij de monding der Mercy,
tusschen het eilandje en den granietmuur, liep het gevaar vernield
te worden bij een nieuwe uitbarsting. Alle krachten werden dus in
het werk gesteld om den romp te voltooien.
De 3de Maart brak aan en zij konden er op rekenen dat zij binnen tien
dagen het vaartuig in zee konden brengen.
De hoop keerde dus terug in de harten der kolonisten, die dit
vierde jaar van hun verblijf op het eiland aan zooveel beproevingen
waren blootgesteld. Pencroff zelf scheen weer moed te vatten en de
somberheid, waarin de verwoesting van zijn eiland hem gestort had, te
verliezen. Hij dacht wel is waar aan niets anders dan aan het schip,
waarop hij thans alle hoop gevestigd had.
Gedurende de eerste week van Maart kreeg de berg Franklin weder een
dreigender aanzien. De krater vulde zich weder met lava, en verdelgde
nog hetgeen tegen de eerste uitbarsting bestand was gebleven. De
stroom volgde ditmaal den zuidwestelijken oever van het meer Grant,
strekte zich tot aan de Glycerine-rivier uit en verwoestte de geheele
vlakte het Verre Uitzicht. Die laatste slag, welke aan de schepping
der kolonisten werd toegebracht, was verpletterend.
Zij waren tot in hun laatste verschansing teruggedrongen, en, hoewel
het bovengedeelte van het schip nog niet gekalfaterd was, zoo besloten
zij het toch in zee te laten.
Pencroff en Ayrton hadden zich belast met de maatregelen hiertoe te
nemen, die den volgenden dag, den 9de Maart zouden plaats hebben.
Maar, gedurende den nacht van 8 op 9 Maart ontsnapte er een ontzaglijke
kolom damp uit den krater, en steeg onder een oorverdoovend geraas
tot een hoogte van drie duizend voet. De muur van de Dakkar-grot
had blijkbaar moeten zwichten onder de drukking van het gas, en de
zee stroomde nu den middelschoorsteen binnen, in den vuurspuwenden
afgrond, doch verdampte daar terstond. Maar de krater was tot het
ontsnappen dezer dampen niet groot genoeg. Een uiteenbarsting, die
op honderd mijlen afstand gehoord had kunnen worden, deed de lucht
daveren. Stukken van bergen stortten zich in den Stillen Oceaan, en
in weinige oogenblikken stroomde die onafzienbare zee over de plaats
waar eenmaal het eiland Lincoln geweest was.