Een eenzame rots.--Het laatste toevluchtsoord der kolonisten
van Lincoln.--De dood voor oogen.--Onverwachte hulp.--Waarom
en hoe zij komt.--De laatste weldaad.--Een eiland op vasten
grond.--Het graf van kapitein Nemo.
Een verlaten rots van dertig voet lang, vijftig breed en nauwelijks
tien voet uitstekende boven de oppervlakte, was het eenige vaste punt
dat niet door de golven van den Oceaan verzwolgen was geworden. Dat
was al, wat er van het Rotshuis was overgebleven. De muur was omver
geworpen, daarna uiteengerukt, en eenige rotsen van de groote zaal
hadden zich opeen gestapeld, zoodat ze dit verheven punt hadden
gevormd. Al het andere was verdwenen in den afgrond, die hen omgaf:
het inwendige van den Franklin-berg, door de uiteenbarsting van elkaar
gereten, de steenen kieuwen van de Haaiengolf, de vlakte van het Verre
Uitzicht, het Veiligheidseilandje, de rotsen van den Ballonhaven,
de basaltmuren van het gewelf Dakkar, zelfs het Slangenschiereiland,
dat toch zoo ver van den vulkaan verwijderd was! Van het eiland
Lincoln zag men niets meer dan die kleine rots, die nu het eenige
toevluchtsoord was van de zes kolonisten en hun hond Top.
De dieren waren in die verwoesting omgekomen; de vogels zoowel als de
andere vertegenwoordigers der dierenwereld waren allen verpletterd
of verdronken, en de ongelukkige Jup zelfs had den dood gevonden in
een der spleten van den grond.
Dat Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff, Nab en Ayrton
dit overleefd hadden, was slechts daaraan toe te schrijven dat zij
allen bijeen waren onder hun tent, toen zij in zee werden geworpen,
op het oogenblik dat de stukken van het eiland naar alle kanten
zich verspreidden.
Toen zij weder bovenkwamen, zagen zij niets op een halve kabellengte
afstand dan die eene massa rotsen, waar zij allen heen zwommen,
en waarop zij gelukkig vasten voet konden zetten.
Het was op die naakte rots dat zij negen dagen lang leefden! Een
weinig voedsel, dat zij nog gelukkig hadden kunnen redden, een kleine
hoeveelheid zoet water, dat door den regen tusschen de rotsen was
gevallen, dat was al, wat die ongelukkigen bezaten. Hun laatste hoop,
hun schip, was verbrijzeld. Zij hadden geen enkel middel in hun macht
om die klip te verlaten. Geen vuur, en niets om vuur te maken. Zij
waren gedoemd hier om te komen!
Dien dag, 18 Maart, hadden zij nog slechts voedsel voor twee dagen,
hoewel zij slechts het hoog noodige gebruikten. Al hun kennis, al
hun vernuft kon in dezen toestand hun niets verschaffen!
Cyrus Smith was kalm, Gideon Spilett zenuwachtig en Pencroff ter
prooi aan den heftigsten toorn; hij liep gedurig heen en weer op de
rots. Harbert verliet den ingenieur niet en zag hem nu en dan aan
alsof hij hem om hulp smeekte, die dezen toch niet kon verleenen. Nab
en Ayrton berustten in hun lot.
"Ellendig, ellendig!" herhaalde Pencroff dikwijls. "Hadden wij maar een
notedopje, om ons naar het eiland Tabor te brengen! Maar niets, niets!"
"Kapitein Nemo had gelijk dat hij stierf," zeide Nab eens.
Gedurende de vijf volgende dagen, leefden de kolonisten uiterst
zuinig, en gebruikten slechts het hoognoodige, om niet van honger
om te komen. Zij waren uiterst zwak. Harbert en Nab gaven reeds
teekenen van waanzin. Bleef hun in dezen toestand nog een straaltje
hoop over? Neen! Wat was hun eenige kans? Dat een schip voorbij de
klip kwam? Maar zij wisten bij ondervinding dat de schepen nooit dit
gedeelte van den Stillen Oceaan bezochten! Konden zij nog op het jacht
van Lord Glenarvan hopen? Dat was onwaarschijnlijk, en zoo dit al kwam,
daar zij geen bericht op het eiland Tabor hadden kunnen achterlaten,
in welken toestand Ayrton verkeerde, zou de kapitein van het jacht,
na het eiland vruchteloos te hebben doorzocht, wel weder het ruime
sop kiezen.
Neen! er was geen hoop op redding, en een vreeselijke dood, de
hongerdood stond hun op deze rots te wachten!
Reeds lagen zij als levenloos op die klip en hadden niet het minste
bewustzijn meer van hetgeen om hen heen gebeurde. Ayrton alleen kon,
door een schier bovenmenschelijke poging, het hoofd nog optillen en
een wanhopenden blik op die verlaten zee werpen!...
Eensklaps op den morgen van 24 Maart strekten de armen van Ayrton
zich naar een punt uit; hij richtte zich op, wierp zich op de knieën,
en stond eindelijk op zijn beenen, en met bevende hand gaf hij een
teeken....
Een schip was er in het gezicht van het eiland! Dat schip bevond zich
niet doelloos in de zee. De klip was voor hem het doel waarheen het
zich in snelle vaart richtte, en de ongelukkigen zouden het reeds
sedert eenige uren gezien kunnen hebben, zoo zij nog de kracht hadden
gehad den horizon waar te nemen.
"De Duncan!" mompelde Ayrton, en hij viel weder in onmacht.
Toen Cyrus Smith en zijn vrienden weder tot bewustzijn kwamen, dank
zij de zorgen, waarmede zij nu overladen werden, bevonden zij zich
in een kajuit van de stoomboot, zonder zich te kunnen begrijpen,
op welke wijze zij den dood ontsnapt waren.
Eén woord van Ayrton was voldoende om hun alles te doen begrijpen.
"De Duncan!" mompelde hij.
"De Duncan!" antwoordde Cyrus Smith.
Het was inderdaad de Duncan, het jacht van lord Glenarvan, waarover
Robert, de zoon van kapitein Grant, bevel voerde, dat naar het eiland
Tabor was gezonden om Ayrton te halen, en hem weder na een twaalfjarige
afwezigheid in zijn land terug te brengen!
De kolonisten waren gered, zij waren reeds op hun terugweg!
"Kapitein Robert," vroeg Cyrus Smith, "wie heeft u op de gedachte
gebracht om, toen gij het eiland Tabor verlaten hadt en Ayrton niet
weder hadt gevonden, nog honderd mijlen noordwestelijk te stevenen?"
"Mijnheer Smith," antwoordde Robert, "het was niet alleen om Ayrton
te gaan zoeken, maar ook u en uw vrienden!"
"Mij en mijn vrienden?"
"Zeker! Op het eiland Lincoln!"
"Het eiland Lincoln!" riepen allen ten hoogste verbaasd uit.
"Hoe kent gij het eiland Lincoln?" vroeg Cyrus Smith, "daar dit eiland
zelfs op geen kaarten vermeld is?"
"Ik kende het, door het bericht dat gij op het eiland Tabor hadt
achter gelaten," antwoordde Robert Grant.
"Een bericht!" riep Gideon Spilett.
"Zeker, en hier is het," zeide Robert hem het document overhandigende,
waarop de ligging van het eiland Lincoln vermeld stond: "tegenwoordige
verblijfplaats van Ayrton en vijf amerikaansche kolonisten!"
"Kapitein Nemo!...." zeide Cyrus Smith, toen hij dit gelezen en
dezelfde hand herkend had, die het bericht had geschreven dat zij in
de kraal gevonden hadden.
"O," zeide Pencroff, hij had dus onze Bonadventure genomen, hij had
zich dus alleen gewaagd naar het eiland Tabor!...."
"Om er ons bericht neer te leggen!" antwoordde Harbert.
"Ik had dus wel gelijk," riep de matroos uit, "toen ik zeide, dat,
zelfs na zijn dood, de kapitein ons nog een laatste weldaad zou
bewijzen!"
"Waar moet ik dit kistje zetten?" vroeg Ayrton op dit oogenblik den
ingenieur naderende.
Het was het kistje dat Ayrton, op gevaar af van zijn leven te
verliezen, nog gered had op het oogenblik dat het eiland overstroomde,
en dat hij nu weder aan den ingenieur teruggaf.
"Ayrton! Ayrton!" zeide Cyrus Smith op ontroerden toon.
Daarop wendde hij zich tot Robert Grant met de woorden:
"Mijnheer, gij hadt een misdadige achtergelaten, gij vindt een eerlijk
man terug, wien ik trotsch ben de hand te mogen drukken!"
Zij stelden toen Robert Grant op de hoogte van de merkwaardige
geschiedenis van kapitein Nemo en de kolonisten van het eiland
Lincoln. Daarop, nadat zij de ligging van die klip hadden opgenomen,
welke voortaan op de kaarten zou te vinden zijn, gaf hij bevel het
schip te wenden.
Veertien dagen later stapten de kolonisten in Amerika aan wal en vonden
zij in hun vaderland de rust hersteld na dien vreeselijken oorlog,
waarin toch de overwinning aan rechtvaardigheid en recht was gebleven.
De schatten, welke in het kistje waren, dat kapitein Nemo had
vermaakt aan de kolonisten van het eiland Lincoln, werden voor
het grootste gedeelte besteed tot het aankoopen van grond in den
Staat Iowa. Een enkele paarl echter werd er uit gehouden en aan
lady Glenarvan gezonden, uit naam der schipbreukelingen die door de
Duncan in hun vaderland waren teruggebracht. Op die gronden lieten
de kolonisten allen, aan wie zij een woonplaats op het eiland Lincoln
hadden toegedacht, werken om er hun fortuin en geluk te zoeken. Daar
werd een groote kolonie gesticht, waaraan zij den naam gaven van het
eiland, dat door den Stillen Oceaan verzwolgen was. Ook stroomde daar
een rivier, die zij de Mercy noemden, een berg welke den naam van
Franklin kreeg, een meer dat hen aan het meer Grant zou herinneren,
en bosschen die voor hen de bosschen van het Verre Westen werden. Het
was als een eiland op het Vasteland.
Daar bloeide alles onder de verstandige leiding van den ingenieur
en van zijn vrienden. Geen van de oude kolonisten van het eiland
Lincoln ontbrak er, want zij hadden gezworen altijd bij elkaar te
blijven. Nab, steeds daar waar zijn meester was, Ayrton altijd bereid
zich op te offeren, Pencroff meer boer dan hij ooit zeeman was geweest,
Harbert, die zijn studiën onder het oog van Cyrus Smith voltooide,
en Gideon Spilett, die de _New-Lincoln-Herald_ oprichtte, een blad,
dat het best van de geheele wereld op de hoogte van alles was. Daar
ontvingen Cyrus Smith en zijn vrienden menigmaal een bezoek van Lord
en Lady Glenarvan, van kapitein John Mangles, Robert Grant en majoor
Mac Nabbs, van allen die eenig deel hadden aan de geschiedenis van
kapitein Grant en kapitein Nemo.
Daar, eindelijk, leefden allen gelukkig, vereenigd in het
tegenwoordige, gelijk zij in het verledene vereenigd waren geweest;
maar nooit konden zij het eiland vergeten, waar zij arm en naakt waren
aangeland; dat eiland hetwelk gedurende vier jaren in hun behoeften
had voorzien en waarvan nu slechts een stukje rots overgebleven was,
dat door de golven van den Stillen Oceaan bespoeld wordt en dat het
graf was van kapitein Nemo!