XXIX.

Een eenzame rots.--Het laatste toevluchtsoord der kolonisten

van Lincoln.--De dood voor oogen.--Onverwachte hulp.--Waarom

en hoe zij komt.--De laatste weldaad.--Een eiland op vasten

grond.--Het graf van kapitein Nemo.

Een verlaten rots van dertig voet lang, vijftig breed en nauwelijks

tien voet uitstekende boven de oppervlakte, was het eenige vaste punt

dat niet door de golven van den Oceaan verzwolgen was geworden. Dat

was al, wat er van het Rotshuis was overgebleven. De muur was omver

geworpen, daarna uiteengerukt, en eenige rotsen van de groote zaal

hadden zich opeen gestapeld, zoodat ze dit verheven punt hadden

gevormd. Al het andere was verdwenen in den afgrond, die hen omgaf:

het inwendige van den Franklin-berg, door de uiteenbarsting van elkaar

gereten, de steenen kieuwen van de Haaiengolf, de vlakte van het Verre

Uitzicht, het Veiligheidseilandje, de rotsen van den Ballonhaven,

de basaltmuren van het gewelf Dakkar, zelfs het Slangenschiereiland,

dat toch zoo ver van den vulkaan verwijderd was! Van het eiland

Lincoln zag men niets meer dan die kleine rots, die nu het eenige

toevluchtsoord was van de zes kolonisten en hun hond Top.

De dieren waren in die verwoesting omgekomen; de vogels zoowel als de

andere vertegenwoordigers der dierenwereld waren allen verpletterd

of verdronken, en de ongelukkige Jup zelfs had den dood gevonden in

een der spleten van den grond.

Dat Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff, Nab en Ayrton

dit overleefd hadden, was slechts daaraan toe te schrijven dat zij

allen bijeen waren onder hun tent, toen zij in zee werden geworpen,

op het oogenblik dat de stukken van het eiland naar alle kanten

zich verspreidden.

Toen zij weder bovenkwamen, zagen zij niets op een halve kabellengte

afstand dan die eene massa rotsen, waar zij allen heen zwommen,

en waarop zij gelukkig vasten voet konden zetten.

Het was op die naakte rots dat zij negen dagen lang leefden! Een

weinig voedsel, dat zij nog gelukkig hadden kunnen redden, een kleine

hoeveelheid zoet water, dat door den regen tusschen de rotsen was

gevallen, dat was al, wat die ongelukkigen bezaten. Hun laatste hoop,

hun schip, was verbrijzeld. Zij hadden geen enkel middel in hun macht

om die klip te verlaten. Geen vuur, en niets om vuur te maken. Zij

waren gedoemd hier om te komen!

Dien dag, 18 Maart, hadden zij nog slechts voedsel voor twee dagen,

hoewel zij slechts het hoog noodige gebruikten. Al hun kennis, al

hun vernuft kon in dezen toestand hun niets verschaffen!

Cyrus Smith was kalm, Gideon Spilett zenuwachtig en Pencroff ter

prooi aan den heftigsten toorn; hij liep gedurig heen en weer op de

rots. Harbert verliet den ingenieur niet en zag hem nu en dan aan

alsof hij hem om hulp smeekte, die dezen toch niet kon verleenen. Nab

en Ayrton berustten in hun lot.

"Ellendig, ellendig!" herhaalde Pencroff dikwijls. "Hadden wij maar een

notedopje, om ons naar het eiland Tabor te brengen! Maar niets, niets!"

"Kapitein Nemo had gelijk dat hij stierf," zeide Nab eens.

Gedurende de vijf volgende dagen, leefden de kolonisten uiterst

zuinig, en gebruikten slechts het hoognoodige, om niet van honger

om te komen. Zij waren uiterst zwak. Harbert en Nab gaven reeds

teekenen van waanzin. Bleef hun in dezen toestand nog een straaltje

hoop over? Neen! Wat was hun eenige kans? Dat een schip voorbij de

klip kwam? Maar zij wisten bij ondervinding dat de schepen nooit dit

gedeelte van den Stillen Oceaan bezochten! Konden zij nog op het jacht

van Lord Glenarvan hopen? Dat was onwaarschijnlijk, en zoo dit al kwam,

daar zij geen bericht op het eiland Tabor hadden kunnen achterlaten,

in welken toestand Ayrton verkeerde, zou de kapitein van het jacht,

na het eiland vruchteloos te hebben doorzocht, wel weder het ruime

sop kiezen.

Neen! er was geen hoop op redding, en een vreeselijke dood, de

hongerdood stond hun op deze rots te wachten!

Reeds lagen zij als levenloos op die klip en hadden niet het minste

bewustzijn meer van hetgeen om hen heen gebeurde. Ayrton alleen kon,

door een schier bovenmenschelijke poging, het hoofd nog optillen en

een wanhopenden blik op die verlaten zee werpen!...

Eensklaps op den morgen van 24 Maart strekten de armen van Ayrton

zich naar een punt uit; hij richtte zich op, wierp zich op de knieën,

en stond eindelijk op zijn beenen, en met bevende hand gaf hij een

teeken....

Een schip was er in het gezicht van het eiland! Dat schip bevond zich

niet doelloos in de zee. De klip was voor hem het doel waarheen het

zich in snelle vaart richtte, en de ongelukkigen zouden het reeds

sedert eenige uren gezien kunnen hebben, zoo zij nog de kracht hadden

gehad den horizon waar te nemen.

"De Duncan!" mompelde Ayrton, en hij viel weder in onmacht.

Toen Cyrus Smith en zijn vrienden weder tot bewustzijn kwamen, dank

zij de zorgen, waarmede zij nu overladen werden, bevonden zij zich

in een kajuit van de stoomboot, zonder zich te kunnen begrijpen,

op welke wijze zij den dood ontsnapt waren.

Eén woord van Ayrton was voldoende om hun alles te doen begrijpen.

"De Duncan!" mompelde hij.

"De Duncan!" antwoordde Cyrus Smith.

Het was inderdaad de Duncan, het jacht van lord Glenarvan, waarover

Robert, de zoon van kapitein Grant, bevel voerde, dat naar het eiland

Tabor was gezonden om Ayrton te halen, en hem weder na een twaalfjarige

afwezigheid in zijn land terug te brengen!

De kolonisten waren gered, zij waren reeds op hun terugweg!

"Kapitein Robert," vroeg Cyrus Smith, "wie heeft u op de gedachte

gebracht om, toen gij het eiland Tabor verlaten hadt en Ayrton niet

weder hadt gevonden, nog honderd mijlen noordwestelijk te stevenen?"

"Mijnheer Smith," antwoordde Robert, "het was niet alleen om Ayrton

te gaan zoeken, maar ook u en uw vrienden!"

"Mij en mijn vrienden?"

"Zeker! Op het eiland Lincoln!"

"Het eiland Lincoln!" riepen allen ten hoogste verbaasd uit.

"Hoe kent gij het eiland Lincoln?" vroeg Cyrus Smith, "daar dit eiland

zelfs op geen kaarten vermeld is?"

"Ik kende het, door het bericht dat gij op het eiland Tabor hadt

achter gelaten," antwoordde Robert Grant.

"Een bericht!" riep Gideon Spilett.

"Zeker, en hier is het," zeide Robert hem het document overhandigende,

waarop de ligging van het eiland Lincoln vermeld stond: "tegenwoordige

verblijfplaats van Ayrton en vijf amerikaansche kolonisten!"

"Kapitein Nemo!...." zeide Cyrus Smith, toen hij dit gelezen en

dezelfde hand herkend had, die het bericht had geschreven dat zij in

de kraal gevonden hadden.

"O," zeide Pencroff, hij had dus onze Bonadventure genomen, hij had

zich dus alleen gewaagd naar het eiland Tabor!...."

"Om er ons bericht neer te leggen!" antwoordde Harbert.

"Ik had dus wel gelijk," riep de matroos uit, "toen ik zeide, dat,

zelfs na zijn dood, de kapitein ons nog een laatste weldaad zou

bewijzen!"

"Waar moet ik dit kistje zetten?" vroeg Ayrton op dit oogenblik den

ingenieur naderende.

Het was het kistje dat Ayrton, op gevaar af van zijn leven te

verliezen, nog gered had op het oogenblik dat het eiland overstroomde,

en dat hij nu weder aan den ingenieur teruggaf.

"Ayrton! Ayrton!" zeide Cyrus Smith op ontroerden toon.

Daarop wendde hij zich tot Robert Grant met de woorden:

"Mijnheer, gij hadt een misdadige achtergelaten, gij vindt een eerlijk

man terug, wien ik trotsch ben de hand te mogen drukken!"

Zij stelden toen Robert Grant op de hoogte van de merkwaardige

geschiedenis van kapitein Nemo en de kolonisten van het eiland

Lincoln. Daarop, nadat zij de ligging van die klip hadden opgenomen,

welke voortaan op de kaarten zou te vinden zijn, gaf hij bevel het

schip te wenden.

Veertien dagen later stapten de kolonisten in Amerika aan wal en vonden

zij in hun vaderland de rust hersteld na dien vreeselijken oorlog,

waarin toch de overwinning aan rechtvaardigheid en recht was gebleven.

De schatten, welke in het kistje waren, dat kapitein Nemo had

vermaakt aan de kolonisten van het eiland Lincoln, werden voor

het grootste gedeelte besteed tot het aankoopen van grond in den

Staat Iowa. Een enkele paarl echter werd er uit gehouden en aan

lady Glenarvan gezonden, uit naam der schipbreukelingen die door de

Duncan in hun vaderland waren teruggebracht. Op die gronden lieten

de kolonisten allen, aan wie zij een woonplaats op het eiland Lincoln

hadden toegedacht, werken om er hun fortuin en geluk te zoeken. Daar

werd een groote kolonie gesticht, waaraan zij den naam gaven van het

eiland, dat door den Stillen Oceaan verzwolgen was. Ook stroomde daar

een rivier, die zij de Mercy noemden, een berg welke den naam van

Franklin kreeg, een meer dat hen aan het meer Grant zou herinneren,

en bosschen die voor hen de bosschen van het Verre Westen werden. Het

was als een eiland op het Vasteland.

Daar bloeide alles onder de verstandige leiding van den ingenieur

en van zijn vrienden. Geen van de oude kolonisten van het eiland

Lincoln ontbrak er, want zij hadden gezworen altijd bij elkaar te

blijven. Nab, steeds daar waar zijn meester was, Ayrton altijd bereid

zich op te offeren, Pencroff meer boer dan hij ooit zeeman was geweest,

Harbert, die zijn studiën onder het oog van Cyrus Smith voltooide,

en Gideon Spilett, die de _New-Lincoln-Herald_ oprichtte, een blad,

dat het best van de geheele wereld op de hoogte van alles was. Daar

ontvingen Cyrus Smith en zijn vrienden menigmaal een bezoek van Lord

en Lady Glenarvan, van kapitein John Mangles, Robert Grant en majoor

Mac Nabbs, van allen die eenig deel hadden aan de geschiedenis van

kapitein Grant en kapitein Nemo.

Daar, eindelijk, leefden allen gelukkig, vereenigd in het

tegenwoordige, gelijk zij in het verledene vereenigd waren geweest;

maar nooit konden zij het eiland vergeten, waar zij arm en naakt waren

aangeland; dat eiland hetwelk gedurende vier jaren in hun behoeften

had voorzien en waarvan nu slechts een stukje rots overgebleven was,

dat door de golven van den Stillen Oceaan bespoeld wordt en dat het

graf was van kapitein Nemo!

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 34 / 37 题