Weldra ging het rommelen in het inwendige van den berg vergezeld
van een scherpe lucht; zwaveldampen deden den ingenieur en Ayrton
bijna stikken.
"Dat was hetgeen kapitein Nemo vreesde!" mompelde Cyrus Smith, terwijl
hij een weinig bleek werd. "Toch moeten wij tot het einde toe gaan."
"Vooruit dus," zeide Ayrton en richtte de boot naar het uiteinde van
het gewelf.
Vijf en twintig minuten later, nadat zij de opening waren
voorbijgegaan, bereikte de sloep den eindmuur. Hier hield zij stil.
Cyrus Smith klom nu op de bank, doorzocht met zijn lantaarn alle
gedeelten van den muur, die de grot van den middelschoorsteen van
den vulkaan scheidde. Hoe dik was die muur? Was hij honderd of tien
voet? Men kon het niet zeggen. Maar het onderaardsch gerommel was te
duidelijk hoorbaar dan dat hij zeer dik kon wezen.
De ingenieur bevestigde daarop de lantaarn aan een der riemen en
onderzocht nu een hooger gedeelte van den basaltmuur.
Daar ontsnapte, door nauw zichtbare spleten, die zwaveldamp, welke
zich in de grot verspreidde. Scheuren waren hier en daar in den muur
en sommigen, een weinig grooter, waren nog slechts twee of drie voet
verwijderd van het water in de grot.
Cyrus Smith bleef een oogenblik in gepeins verzonken staan.
Toen mompelde hij weder deze woorden:
"Ja, de kapitein had gelijk! Daar is het gevaar! Daarin schuilt dat
ontzettend gevaar!"
Ayrton zeide niets; maar op een teeken van Cyrus Smith nam hij weder
de riemen op en een half uur later kwamen de ingenieur en hij uit
het onderaardsche gewelf weder te voorschijn.