Hervatting van den arbeid op de werf.--De 1ste Januari
1869.--Een rookkolom op den top van den vulkaan.--Eerste
verschijnselen eener uitbarsting.--Ayrton en Cyrus Smith in
de kraal.--Onderzoek van de grot Dakkar.--Wat kapitein Nemo
aan den ingenieur gezegd had.
Bij het aanbreken van den dag hadden de kolonisten de rotsholte
verlaten, die zij voortaan de "grot van Dakkar" noemden, ter
herinnering aan kapitein Nemo.
Pencroff, Nab en Ayrton haalden de boot op het strand, op een plaats
waar zij veilig lag.
Van de galerij volgden Cyrus Smith en de zijnen het pad naar de
kraal. Onderweg namen Harbert en Nab den telegraafdraad weg, dien
kapitein Nemo tusschen de kraal en de Nautilus gespannen had, en dien
men later misschien nog kon gebruiken.
Allen vervolgden zwijgend hun weg. Het scheen hun toe, dat zij nu
meer dan ooit verlaten waren. Vroeger rekenden zij als het ware op
dien krachtigen steun, die hen voortaan ontbrak; zelfs Gideon Spilett
en Cyrus Smith waren onder den indruk daarvan.
Tegen negen uur in den morgen betraden de kolonisten het Rotshuis.
Cyrus Smith wijdde zich meer dan ooit aan het bouwen van het schip. Men
kon niet weten wat de toekomst zou baren. En gebruikten de kolonisten
het vaartuig al niet om, hetzij den polynesischen archipel, hetzij
de kust van Nieuw-Zeeland te bereiken, zij moesten in ieder geval
trachten zoo spoedig mogelijk naar het eiland Tabor te gaan, om er
een bericht omtrent Ayrton te brengen. Deze voorzorg was noodzakelijk
voor het geval, dat het Schotsche jacht weder in deze wateren mocht
komen en men moest in dit opzicht niets verzuimen.
Het jaar 1868 verliep en bijna zonder ophouden werkten nu allen op
de werf; Gideon Spilett en Harbert zonderden zich nu en dan eens af
voor de jacht, want de winter-provisie mocht niet vergeten worden.
De zomer was ondraaglijk heet en zelden ging er een dag voorbij dat
men niet, hetzij van dichtbij of van verre, den donder hoorde rollen.
Den 1sten Januari 1869 woedde er een vreeselijk onweer. Stond dit
natuurverschijnsel in eenig verband met hetgeen er in het binnenste
der aarde voorviel? Cyrus Smith was wel geneigd dit te gelooven, want
het toenemen van die onweersbuien ging gepaard met eene vermeerdering
van vulkanische verschijnselen.
Toen Harbert den 3den Januari naar de oppervlakte ging om een der
onagga's te zadelen, zag hij, dat groote rookwolken den top van den
vulkaan omringden.
Harbert waarschuwde onmiddellijk de andere kolonisten, die allen naar
den top van den Franklinberg kwamen zien.
"Wel!" riep de zeeman uit, "het is geen damp! Het komt mij voor dat
de reus zich nu niet bepaalt tot ademen, maar dat hij nu ook rookt!"
Deze woorden van den zeeman drukten met juistheid uit, wat er op den
Franklinberg voorviel. Reeds sedert drie maanden stegen er dampen uit
den krater op, maar ze kwamen nog slechts voort uit het gloeien der
delfstoffen in den vuurspuwenden berg. Ditmaal was de damp in rook
veranderd, die zich als een grijze kolom verhief, waarvan de basis
meer dan drie honderd voet breed was en die, als een reusachtige
paddenstoel, tot zeven à acht honderd voet boven den berg opsteeg.
"Er is brand in den schoorsteen," zeide Gideon Spilett.
"En wij kunnen dien niet blusschen!" antwoordde Harbert.
"Men moest die vulkanen kunnen vegen," merkte Nab op, die met den
grootsten ernst scheen te spreken.
"Goed Nab," riep Pencroff uit. "Wilt gij de schoorsteenveger zijn?"
Pencroff barstte in een hartelijk lachen los.
Cyrus Smith keek aandachtig naar de dikke rookwolk en luisterde zelfs
of hij geen verwijderd geraas hoorde.
Toen keerde hij naar zijn metgezellen terug, waarvan hij zich eenige
schreden verwijderd had en zeide:
"Inderdaad, vrienden, er heeft een gewichtige verandering plaats
gehad. De vulkanische stoffen zijn niet slechts in werking, zij
hebben ook vlam gevat en wij worden binnen kort door een uitbarsting
bedreigd!"
"Welnu, mijnheer Cyrus, wij zullen die uitbarsting zien," riep Pencroff
uit. "Wij zullen haar bewonderen en toejuichen! Ik geloof niet dat
wij ons daarover behoeven te bekommeren!"
"Neen, Pencroff, want de vroegere lavaweg is nog altijd vrij en dank
zij zijn ligging heeft de krater zijne uitwerpselen tot nog toe naar
het noorden uitgestort. En toch...."
"En toch, daar wij geen voordeel kunnen hebben bij een uitbarsting,
ware het maar beter als die niet plaats had," merkte de reporter op.
"Wie weet?" antwoordde de zeeman. "Misschien is er in dezen vulkaan
een nuttige en kostbare stof, die hij nu uit zal werpen en waarvan
wij een goed gebruik kunnen maken!"
"Het komt mij voor," zeide Ayrton, die met zijn oor op den grond
was gaan liggen, "het komt mij voor, dat ik een dof geraas hoor,
evenals een kar maakt, die met ijzeren staven beladen is."
De kolonisten luisterden en bevonden dat Ayrton gelijk had. Soms
klonk het rollen harder om vervolgens weder zacht weg te sterven,
maar er deed zich nog geen slag hooren. Men kon hieruit opmaken,
dat de damp en rook een vrijen uitweg vonden door den middelsten
schoorsteen en dat, daar de veiligheidsklep groot genoeg was, er nog
geen uitbarsting te vreezen was.
"Maar zullen wij dan nooit naar ons werk terugkeeren!" riep Pencroff
ongeduldig uit. "Laat de Franklinberg dampen, rooken, sissen en
vuurspuwen, zooveel hij wil, dat is geen reden voor ons om niets te
doen! Kom, Ayrton, Nab, Harbert, mijnheer Cyrus en mijnheer Spilett,
vandaag moet iedereen aan het werk! Binnen twee maanden moet onze
nieuwe Bonadventure gereed zijn--want dien naam mag zij dragen,
niet waar?--Laten wij dan geen tijd verliezen."
Dien dag werd er hard gewerkt, want het was nu van het grootste belang
om het vaartuig zoo spoedig mogelijk gereed te hebben. Wie weet of
dat schip niet hun eenig toevluchtsoord zou worden?
Na het avondeten begaven Cyrus Smith, Gideon Spilett en Harbert
zich naar de bergvlakte. De nacht begon reeds te vallen en door de
duisternis zou men kunnen zien of er zich onder den damp en de rook
ook vlammen of gloeiende stoffen mengden.
"De krater staat in vuur!" riep Harbert uit, die vlugger dan zijn
metgezellen het eerst op de vlakte was.
De Franklinberg, die ongeveer zes mijlen verwijderd was, scheen
een reusachtige toorts, die aan het boveneinde met donkere vlammen
brandde. Er was misschien zooveel rook, asch en puin onder gemengd
dat de gloed daardoor zeer verminderde en niet zoo sterk afstak tegen
het donkere zwerk.
"De uitbarsting vordert snel!" zeide de ingenieur.
"Dat is niet te verwonderen," antwoordde de reporter. "De vulkaan
is reeds sedert geruimen tijd in werking. Herinnert gij u, Cyrus,
dat wij de eerste dampen reeds zagen toen wij den berg doorzochten
om de schuilplaats te vinden van kapitein Nemo? Dat was, geloof ik
15 October?"
"Ja," antwoordde Harbert, "dat is twee en een halve maand geleden!"
"Dat onderaardsche vuur heeft dus zestien weken gebroeid," hernam
Gideon Spilett, "en het is geen wonder, dat het nu snel in kracht
toeneemt."
"Voelt gij geen trillingen van den grond?" vroeg Cyrus Smith.
"Ja, inderdaad; maar dit is nog geen aardbeving..." antwoordde Spilett.
"Ik zeg niet, dat wij door een aardbeving bedreigd worden, God
beware ons daarvoor! Neen. De trillingen worden veroorzaakt door de
krachtige werking van het vuur. De aardkorst is niets dan de wand van
een stoomketel, en gij weet dat de wand van een stoomketel onder de
drukking van het gas trilt, als een zware plaat. Hier is hetzelfde
verschijnsel."
"Welke prachtige vlammen!" riep Harbert uit.
Na een uur keerden de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert naar het
Rotshuis terug. Cyrus Smith was in gedachte verzonken, hetgeen Gideon
Spilett aanleiding gaf tot de vraag, of hij meende dat de uitbarsting
voor hen noodlottige gevolgen kon hebben.
"Ja en neen," antwoordde Cyrus Smith.
"Het grootste ongeluk, dat ons zou kunnen overkomen, zou een aardbeving
zijn, die het eiland verwoestte, niet waar? En ik geloof niet dat
dit te vreezen is, daar de rook en de lava een vrijen uitweg hebben
gevonden om te ontsnappen."
"Ik vrees juist geen aardbeving, in den zin, dien men gewoonlijk
geeft aan de trillingen, veroorzaakt door de werking van onderaardsche
dampen. Maar uit andere oorzaken kunnen groote rampen voortspruiten."
"Welke, mijn beste Cyrus?"
"Ik weet het niet zeker.... ik moet den berg
zien.... onderzoeken.... Binnen weinige dagen zal ik zekerheid hebben
omtrent dit punt."
Gideon Spilett drong niet verder bij hem aan. Alle bewoners van het
Rotshuis begaven zich weldra ter ruste en sliepen in, niettegenstaande
het geraas in den vulkaan sterker en door de echo van het eiland
luider weerkaatst werd.
Drie dagen verliepen. De top van den Franklin-berg bleef door een
dikke rookwolk omhuld; maar de lava scheen de opening van den krater
nog niet bereikt te hebben, althans op de noordelijke helling, die
voor een gedeelte zichtbaar was, bespeurde men nog geen verschijnselen
van een uitstorting.
De arbeid op de werf moest nu en dan gestaakt worden, omdat de zorg
der kolonisten ook op andere plaatsen vereischt werd. Vooreerst
moest de kraal niet vergeten worden, waar men het voedsel voor de
muffeldieren en geiten ververschen moest. Er werd besloten dat Ayrton
in den morgen van 7 Januari derwaarts zou gaan, en daar een persoon
voor dezen arbeid voldoende was, waren Pencroff en de overigen zeer
verwonderd, toen zij den ingenieur tot Ayrton hoorden zeggen:
"Als gij morgen naar de kraal gaat, zal ik u vergezellen."
"Mijnheer Cyrus!" riep de zeeman uit, "onze werkdagen zijn geteld,
en wanneer gij ook heengaat, hebben wij vier armen minder!
"Wij komen den volgenden morgen terug," antwoordde Cyrus Smith,
"maar ik moet noodzakelijk naar de kraal.... Ik wil weten hoe het
met de uitbarsting gesteld is."
"De uitbarsting! de uitbarsting!" bromde Pencroff. "Die uitbarsting,
dat is me ook iets van gewicht; ik bekommer er mij volstrekt niet om!"
Den volgenden morgen deed de ingenieur zooals hij gezegd had. Harbert
had hem gaarne vergezeld, maar hij wilde Pencroff niet te veel
tegenwerken, door ook heen te gaan.
Voor het aanbreken van den dag zaten Cyrus Smith en Ayrton in het
wagentje, met twee onagga's bespannen, en begaven zij zich naar
de kraal.
Boven het bosch hingen groote wolken, die steeds aangroeiden door de
dampen, welke uit den krater opstegen. Gewoonlijk vallen deze wolken
neer in kleine stofdeeltjes, en dit was ook nu het geval. Toen Cyrus
Smith en Ayrton bij de kraal kwamen, viel er een soort van zwarte
sneeuw evenals jachtkruit, dat oogenblikkelijk den grond een geheel
ander voorkomen gaf. Boomen, weiden, alles verdween onder een zwarte
laag van eenige duimen dikte. Maar gelukkig was de wind noordoost en
ontlastte zich de wolk grootendeels boven zee.
"Dat is zeer zonderling, mijnheer Smith," zeide Ayrton.
"Dat is zeer ernstig," antwoordde de ingenieur. "Die vulkanische
tufsteen, die fijne puimsteen, in éen woord, al die minerale stoffen
bewijzen, dat in de onderste lagen van den vulkaan een groote beroering
ontstaan is."
"Maar is er dan niets aan te doen?"
"Niets, dan de vorderingen van dit verschijnsel waar te nemen. Doe dus
wat gij in de kraal te doen hebt, Ayrton. Ik zal in dien tusschentijd
naar de bronnen van de Roode Beek gaan en de noordelijke berghelling
opnemen. Dan...."
"Dan.... mijnheer Cyrus?"
"Dan zullen wij de galerij van Dakkar bezoeken.... Ik wil zien.... In
ieder geval kom ik u over twee uur halen."
Ayrton ging in de kraal en verzorgde, in afwachting dat de ingenieur
terugkwam, de muffeldieren en geiten, die ook onder den indruk schenen
der eerste verschijnselen eener uitbarsting.
Cyrus Smith begaf zich intusschen naar de Roode Beek en kwam bij de
plaats waar hij en zijn metgezellen een zwavelbron hadden ontdekt,
toen zij die voor de eerste maal onderzochten.
Daar was alles veranderd! In plaats van éen rookkolom telde hij
er dertien, die uit den grond opstegen, alsof zij met geweld naar
boven gestuwd werden. De aardkorst was hier zichtbaar aan een sterke
persing onderhevig.
Aan de noordelijke helling van den Franklinberg zag Cyrus Smith dikke
rookwolken en vlammen uit den vulkaan opstijgen; een hagel van stukken
metaal viel op den grond, maar nergens nog stroomde de lava uit den
krater, hetgeen bewees dat de vulkanische stoffen de opening van den
middelsten schoorsteen nog niet bereikt hadden.
"Toch had ik liever, dat het zoo gebeurde," zeide Cyrus Smith bij zich
zelf. "Dan had ik ten minste de zekerheid dat de lava haar gewonen
loop had genomen. Wie weet of ze nu niet door een nieuwe opening een
uitgang vindt? Maar daar is het gevaar nog niet in gelegen! Kapitein
Nemo heeft het wel voorzien! Neen! Daarin ligt het gevaar niet!"
Tegen negen uur was hij weder in de kraal teruggekeerd.
Ayrton wachtte hem daar.
"De dieren zijn van alles voorzien, mijnheer Smith," zeide deze.
"Goed Ayrton."
"Zij schijnen onrustig, mijnheer."
"Ja, het instinct spreekt in hen en het instinct bedriegt zich niet."
"Wanneer ge wilt...."
"Neem een lantaarn en een vuurslag, Ayrton," antwoordde de ingenieur,
"en laten wij vertrekken."
Ayrton deed wat hem gezegd was. De onagga's liepen uitgespannen in
de kraal. De buitendeur werd gesloten, en Cyrus Smith, gevolgd door
Ayrton, volgde nu in westelijke richting het smalle pad, dat naar de
kust leidde.
Zij konden niet snel vooruitgaan. De lucht was zwaar, alsof de deelen
zuurstof verbrand en niet meer tot inademen geschikt waren. Bij elke
honderd schreden moesten zij stil staan en adem scheppen. Het was
dus over tienen toen de ingenieur en zijn metgezel den top van dien
reusachtigen basaltklomp bereikten, die de noord-westkust van het
eiland vormde.
Ayrton en Cyrus Smith daalden nu langs deze steile kust neder en
volgden ongeveer denzelfden onbegaanbaren weg als in dien stormachtigen
nacht, toen zij naar de grot van Dakkar waren gegaan. Op klaarlichten
dag was die weg niet minder gevaarlijk, ofschoon de laag asch, die
de rotsen bedekte, oorzaak was dat zij hun voet nu met zekerheid op
dien glibberigen weg konden neerzetten.
Zij vonden spoedig de opening van grot Dakkar terug, en stonden stil
onder de laatste rots, die een soort van trap vormde.
"Is de sloep er nog?" vroeg de ingenieur.
"Ja, mijnheer."
"Laten wij er ingaan."
Spoedig waren zij dieper binnengedrongen, en daar stak Ayrton zijn
lantaarn aan. Daarop nam hij de riemen en nadat zij de lantaarn in
den top hadden geheschen, zoodat zij haar lichtstralen naar voren
wierp, nam Cyrus het roer en stuurde de boot te midden der diepste
duisternis door de grot.
De Nautilus lag daar niet meer om dit sombere hol met haar stralen
te verlichten.
Toch was het zwakke licht van de lantaarn voldoende om voort te
stevenen en den rechterwand van het gewelf te volgen.