De vulkaan ontwaakt.--Het zachtere jaargetijde.--Hervatting
van het werk.--De avond van 15 October.--Een telegram.--Een
verzoek.--Een antwoord.--Vertrek naar de kraal.--Het
bericht.--Een nieuwe lijn.--De basaltkust.--Bij hooge zee.--Bij
lage zee.--De grot.--Een schitterend licht.--Hij is gevonden.
De kolonisten, die door Cyrus Smith gewaarschuwd waren, staakten hun
arbeid en aanschouwden zwijgend den top van den Franklinberg.
De vulkaan was dan weder in werking gekomen, en de dampen waren door
de laag erts op den bodem van den krater gedrongen. Maar zou het
onderaardsche vuur tot een hevige uitbarsting komen? Dit kon men
niet verhoeden.
Maar al gebeurde het, dan was het nog niet waarschijnlijk dat het
eiland Lincoln in zijn geheel er onder zou lijden. De uitbarstingen
van vulkanen zijn niet altijd noodlottig. Zooals de lavastroomen langs
de noordelijke berghelling getuigden, was het eiland reeds aan zulk
een beproeving onderhevig geweest.
Cyrus Smith sprak er met zijn metgezellen over en, zonder den toestand
te overdrijven, deelde hij hun het voor en tegen er van mede.
Men kon er in ieder geval niets tegen doen. Wanneer de grond ten minste
niet door een aardbeving vaneen gescheurd werd, scheen het Rotshuis
nog geen gevaar te loopen. Maar de kraal werd ernstig bedreigd, wanneer
zich aan de zuidelijke helling van den berg een nieuwe krater opende.
Van dien dag af bleef er steeds een rookwolk uit den top van den
berg opstijgen, en men zag zelfs dat zij grooter en breeder werd,
zonder dat er zich echter nog vlammen vertoonden.
Het werk was intusschen weder voortgezet. Men haastte zich zooveel
mogelijk met het bouwen van het vaartuig.
Tegen het eind van de maand September was de romp van het
schip gereed. Het ijzerwerk van de oude brik was grootendeels
behouden. Pencroff en Ayrton hadden er een groot aantal ijzeren bouten
en koperen spijkers uitgehaald. Dit bespaarde werk aan de smeden,
maar de timmerlieden moesten niettemin hard voortwerken.
De arbeid aan de werf moest nogmaals gestaakt worden wegens het
oogsten, hooien en inhalen van hetgeen het bouwland op de bergvlakte
opleverde.
's Avonds waren de ijverige werklieden dikwijls zeer moe. Om geen tijd
noodeloos verloren te laten gaan had men het uur van den maaltijd op
den middag gesteld en zij gebruikten slechts hun avondmaal wanneer
de schemering ingevallen was. Dan keerden zij naar het Rotshuis terug
om zich zoo spoedig mogelijk ter rust te begeven.
Soms, wanneer er een belangrijk onderwerp behandeld werd, bleef men
menigmaal langer op dan gewoonlijk. De kolonisten spraken over de
toekomst en over de verandering, die er in hun toestand zou komen,
wanneer zij een reis naar de meest nabij gelegen kust met hun vaartuig
ondernamen.
Maar met al die plannen bleven zij toch bij de gedachte om later weer
naar Lincoln terug te keeren. Nooit zouden zij die kolonie verlaten,
die met zooveel moeite gesticht was en die zoozeer in bloei zou
toenemen wanneer zij in gemeenschap was met Amerika.
Pencroff en Nab hoopten er hun leven te eindigen.
"Harbert," zeide de zeeman, "zult gij nooit het eiland Lincoln
verlaten?"
"Nooit, Pencroff, en vooral niet als gij er blijft!"
"Dan is het in orde, mijn jongen," antwoordde Pencroff, "ik zal
u wachten! Gij brengt mij uw vrouw en kinderen, en van de kleine
jongens zal ik wakkere kerels maken!"
"Aangenomen!" antwoordde Harbert lachend.
"En gij, mijnheer Cyrus," ging Pencroff opgewonden voort, "gij moet
altijd de gouverneur van het eiland blijven! Hoeveel inwoners zou
het kunnen bevatten? Tien duizend minstens!"
Zoo keuvelde men voort, en de reporter ging zelfs zoover dat hij een
courant oprichtte, de _New-Lincoln-Herald_ getiteld.
Zoo is de mensch nu eenmaal. De behoefte om iets te doen dat
blijft bestaan, dat hem overleeft is het krachtigst bewijs van
zijn meerderheid boven alles wat op aarde bestaat. Daardoor is
zijn heerschappij gevestigd, en wordt zij door de geheele wereld
gerechtvaardigd.
En wie kon zeggen of Jup en Top zich ook niet een toekomst droomden?
Ayrton hoopte in stilte, dat hij lord Glenarvan terug mocht zien en
zich aan allen mocht vertoonen, zooals hij nu was: zedelijk geheel
verbeterd.
Den avond van 15 October was men langer blijven praten dan
gewoonlijk. Het was negen uur. Hier en daar merkte men aan een moeilijk
bedwongen geeuwen dat het uur om naar bed te gaan gekomen was en
Pencroff stond juist op toen het klokje der telegraaf plotseling het
signaal gaf en luide in de zaal weerklonk.
Allen waren aanwezig. Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Ayrton,
Pencroff en Nab. Geen der kolonisten waren dus in de kraal.
Cyrus Smith was opgestaan. Zijn metgezellen zagen elkander aan,
meenende dat zij niet goed gehoord hadden.
"Wat beteekent dat!" riep Nab uit. "Is dat de duivel die seint!"
Niemand antwoordde.
"Er is onweer aan de lucht," merkte Harbert op. "Kan de invloed van
de electriciteit?...."
Harbert voleinde zijn zin niet. De ingenieur, op wien aller blikken
gericht waren, schudde ontkennend het hoofd.
"Laten wij wachten," zeide Gideon Spilett. "Wanneer het een sein is,
zal het herhaald worden, wie het dan ook moge gegeven hebben."
"Maar wie zou het geven?" riep Nab uit.
"Wel!" antwoordde Pencroff, "hij die...."
De zeeman had nog niet uitgesproken toen wederom de telegraaf het
klokje in beweging bracht.
Cyrus Smith ging naar den toestel en vroeg langs de lijn:
"Wat verlangt gij?"
Eenige oogenblikken later bewoog de wijzer zich over de wijzerplaat
en gaf hij het volgende antwoord aan de bewoners van het Rotshuis:
"Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal."
"Eindelijk," zeide Cyrus Smith.
Ja! Eindelijk! Het geheim zou ontsluierd worden!
Alle behoefte aan rust had voor de kolonisten opgehouden bij de
gewichtige zaak, die hen naar de kraal dreef. Zonder een woord te
wisselen, waren zij binnen weinige oogenblikken buiten het Rotshuis op
de kust. Jup en Top waren alleen achter gebleven. Men kon hen missen.
De nacht was donker. Het was dien dag nieuwe maan en zij was gelijk
met de zon verdwenen. Zooals Harbert reeds opgemerkt had, hingen er
zware donderwolken, waardoor de sterren onzichtbaar waren. Reeds werd
de horizon verlicht door den bliksem van een verwijderd onweder.
Waarschijnlijk zou, eenige uren later, de donder over het eiland
rollen. Het was een onheilspellende nacht.
Maar hoe diep de duisternis ook ware, zij kon de kolonisten niet
weerhouden, die met den weg naar de kraal genoeg bekend waren om
hem in donker te volgen. Zij volgden den linkeroever van de Mercy,
bereikten de bergvlakte en gingen, dwars door het bosch, naar de kraal.
Zij stapten flink door, ten prooi aan de levendigste
aandoening. Niemand twijfelde of zij zouden eindelijk de oplossing
van het raadsel vernemen, den naam van dat geheimzinnige wezen, dat
van zoo beslissend belang in hun leven was geweest, zoo edelmoedig
in zijne bemoeiingen, zoo machtig in zijn daden! Daar de onbekende
zich in hun lotgevallen gemengd had, konden hem ook de kleinste
bijzonderheden er van niet verborgen zijn en moest hij alles hebben
kunnen hooren wat in het Rotshuis gesproken werd om altijd te juister
tijd te hebben kunnen handelen.
Allen waren in gedachten verzonken. Onder die zware boomen was de
duisternis zóo dicht, dat men zelfs het einde van den weg niet
kon zien. Het bosch was doodstil. Vogels en andere dieren zaten
onbeweeglijk en gedrukt door de zwaarte der atmosfeer. Geen blad
bewoog zich. Alleen hoorde men de stappen van de kolonisten op den
harden grond weerklinken.
Het stilzwijgen werd slechts afgebroken door de opmerking van Pencroff.
"Wij hadden een lantaarn mee moeten nemen."
Het antwoord van den ingenieur luidde:
"Wij zullen er in de kraal een vinden."
Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden ten negen uur twaalf minuten
het Rotshuis verlaten. Ten negen uur zeven en veertig minuten hadden
zij drie mijlen afgelegd van de vijf die de monding der Mercy van de
kraal scheidde.
Op dat oogenblik schoten helle bliksemschichten over het eiland en
verlichtten de scherpe, donkere omtrekken van het gebladerte. Die
felle stralen verblindden de voetgangers; het onweder kon niet ver
af zijn. De bliksem werd al feller en feller: in de verte rolde de
donder door het zwerk. Loodzwaar drukte de dampkring.
De kolonisten gingen voort als door een onweerstaanbare kracht
gedreven.
Eindelijk zagen zij bij het felle licht van een bliksemstraal de
omheining van de kraal, en nauwelijks waren zij er binnen of de bui
barstte hevig los.
Snel begaven allen zich naar de woning.
Mogelijk was het huis door den onbekende bewoond, daar het telegram
van daar was uitgegaan. Het venster was echter niet verlicht.
De ingenieur klopte aan.
Geen antwoord.
Hij opende de deur en de kolonisten traden de donkere kamer binnen.
Nab maakte vuur, en een oogenblik later doorzocht men met de lantaarn
alle hoeken van het vertrek....
Er was niemand. Alles was zooals men het verlaten had.
"Zijn wij dan door zinsverbijstering misleid?" mompelde Cyrus Smith.
Neen! dat was niet mogelijk! Het telegram luidde:
"Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal."
Men ging naar het tafeltje dat uitsluitend voor den telegraafdienst
bestemd was. Alles was op zijn plaats.
"Wie is hier het laatst geweest?" vroeg de ingenieur.
"Ik, mijnheer Smith," antwoordde Ayrton.
"Dat was?...."
"Vier dagen geleden."
"Een briefje!" riep Harbert uit, terwijl hij naar een papier op
tafel wees.
Op dat papier stonden in het Engelsch de woorden:
"Volgt de nieuwe lijn."
"Voorwaarts!" beval Cyrus Smith, die aanstonds begreep, dat het
telegram niet van de kraal was afgezonden, maar van de geheimzinnige
schuilplaats die door een zijlijn in onmiddellijk verband stond met
het Rotshuis.
Nab nam de lantaarn en allen verlieten de kraal.
Het onweder woedde vreeselijk. De seconden die verliepen tusschen
den bliksem en het invallen van den donder werden elk oogenblik
minder. Weldra zou de bui den berg Franklin en het geheele eiland
omhullen. Bij het licht zag men den top van den vulkaan door een
rookwolk omringd.
Van het huis naar de omheining vond men geen zijlijn; maar Cyrus Smith
volgde de lijn en bij den eersten paal zag hij den nieuwen draad van
den isolator naar den grond loopen.
"Daar is hij!" zeide hij.
De lijn liep over den grond, maar was geheel door een isoleerende
zelfstandigheid omkleed, als een onderzeesche kabel, zoodat de stroom
niet verbroken werd. De zijlijn liep naar het westen.
"Laten wij haar volgen!" zeide Cyrus Smith.
Dan eens geleid door het licht van den lantaarn dan weder door de
bliksemstralen hielden de kolonisten den weg, welken de lijn aangaf.
De donder rolde nu zonder ophouden en was zoo hevig dat men geen
woord verstaan kon. Men behoefde ook niet te spreken; men moest
slechts voorwaarts, de lijn volgende.
De ingenieur had gemeend, dat de draad in de vallei zou eindigen en
dat daar de schuilplaats van den onbekende zou wezen.
Hij had zich vergist. Men ging steeds voort in zuidwestelijke
richting, over de basalt-rotsen heen. Van tijd tot tijd tastte
een van de kolonisten naar den draad om zoo noodig de richting aan
te geven. Maar het leed geen twijfel meer of deze liep recht naar
zee. Daar, verborgen in de een of andere rots, zou de woning zijn,
die men tot nog toe te vergeefs gezocht had.
De hemel was geheel en al vuur. De eene bliksemstraal volgde
onmiddellijk op den andere. Menigmaal werd de top van den vulkaan
getroffen en schoot de bliksem dwars door de dikke rookwolk in
den krater. Soms had men kunnen meenen dat er vlammen uit den berg
opstegen.
Na een uur kwamen de kolonisten op de westkust van den Oceaan. De
wind was opgestoken; de stroom bruischte op een diepte van vijf
honderd voet.
Cyrus Smith berekende, dat hij en zijn metgezellen een afstand van
anderhalve mijl hadden afgelegd sedert zij de kraal verlaten hadden.
Op dat oogenblik verdween de lijn tusschen de rotsen en volgde de
steile helling van een enge en kronkelende kloof.
Ook daar volgden de kolonisten den hun aangegeven weg op gevaar af,
dat de rotsen afbrokkelden en zij in zee zouden storten. Het was een
gevaarlijk pad, maar zij telden geen gevaar, zij waren zich zelven niet
meer meester, en werden even onwederstaanbaar naar dat geheimzinnige
punt getrokken als het ijzer naar den magneet.
Zij daalden de helling af, die zelfs bij dag bijna onbegaanbaar was. De
steenen rolden en schitterden als gloeiende kolen wanneer zij verlicht
werden. Cyrus Smith liep aan de spits, Ayrton sloot den stoet. Zij
gingen nu langzaam voort, dan eens gleden zij over gladde rotsen,
dan weder stonden zij op en volgden voorzichtig den weg.
Plotseling maakte de lijn een bocht, raakte tegen de rotsen van de
kust, die bijna geheel uit klippen bestond waarop de golven beukten. De
kolonisten hadden het laagste gedeelte van den basaltmuur bereikt.
Honderd schreden gingen zij nog voorwaarts; toen stonden zij voor
de zee.
De ingenieur greep den draad en bemerkte dat deze in de golven
verdween.
Zijn metgezellen stonden sprakeloos naast hem.
Een kreet van teleurstelling, schier van wanhoop ontsnapte aan hun
lippen! Moest men zich dan in de golven werpen en een onderzeesch hol
zoeken? In den overspannen toestand, waarin zij zich zoo naar geest als
naar lichaam bevonden, zouden zij niet geaarzeld hebben dit te doen.
De ingenieur hield hen terug.
Cyrus Smith bracht zijn metgezellen onder een vooruitstekende rots,
en zeide:
"Laten wij wachten. Het is vloed. Bij eb zal de weg open zijn."
"Maar waarom gelooft gij?...." begon Pencroff.
"Hij zou ons niet hebben geroepen, wanneer de middelen ontbraken om
bij hem te komen!"
Cyrus Smith had met zulk een overtuiging gesproken, dat niemand meer
een aanmerking maakte. Zijn opmerking was ook zeer juist. Men moest
wel aannemen dat er een opening aan den voet van den berg was, die nu
door de golven verborgen werd, maar die bij eb toegankelijk zou zijn.
Eenige uren moesten verloopen. De kolonisten bleven zwijgend onder
een uitstekende rots. Het begon te regenen en weldra ontlastten zich
de wolken in een zwaren stortvloed. De echo herhaalde het rollen van
den donder en somber en lang dreunden de slagen.
De kolonisten verkeerden in groote spanning. Duizenden zonderlinge
bovennatuurlijke gedachten rezen in hun geest op en zij verwachtten
een groote bovenmenschelijke verschijning, want deze alleen had kunnen
beantwoorden aan de voorstelling, welke zij zich van den geheimzinnigen
genius van het eiland gevormd hadden.
Tegen middernacht daalde Cyrus Smith tot de kust af om de rotsen te
verkennen. Reeds voor twee uur was de eb begonnen.
De ingenieur had gelijk gehad. Het gewelf van een groot hol teekende
zich reeds boven de oppervlakte. Daar boog de lijn zich in een rechten
hoek en verdween in een gapenden muil.
Cyrus Smith keerde naar zijn lotgenooten terug en zeide kalm:
"Binnen een uur kunnen wij door de opening."
"Zij bestaat dus?" vroeg Pencroff.
"Hebt gij er aan getwijfeld?" antwoordde Cyrus Smith.
"Maar dat hol zal tot op zekere hoogte met water gevuld zijn," merkte
Harbert op.
"Of dat hol loopt geheel droog," sprak de ingenieur, "en in dat geval
kunnen wij er te voet ingaan; loopt het niet droog, dan zal er het
een of andere middel van vervoer tot onze beschikking zijn."
Weder verliep er een uur. Onder een stortregen begaven zij zich naar
zee. In drie uur was de vloed vijftien voet gedaald. Reeds stak
het bovenste gedeelte van het gewelf minstens acht voet boven het
water uit.
Toen de ingenieur zich voorover boog, zag hij een zwart voorwerp op
de oppervlakte der zee drijven. Hij trok het naar zich toe.
Het was een boot, waaraan een touw was vastgemaakt. Deze boot was
van plaatijzer. Onder de banken lagen twee riemen.
"Laten wij ons inschepen," zeide hij.
Een oogenblik later bevonden de kolonisten zich in het vaartuig. Nab
en Ayrton hadden de riemen gegrepen. Pencroff vatte het roer. Cyrus
Smith stond vooraan en verlichtte den weg door de lantaarn boven den
voorsteven te houden.
Het gewelf, waaronder de boot verdween, verhief zich plotseling, maar
de duisternis was te dicht en het licht der lantaarn te onvoldoende
dan dat men de breedte, hoogte en diepte van de grot kon berekenen. De
stilte werd door niets verbroken. Geen gedruisch drong tot hen door;
geen bliksemstraal verlichtte dit hol.
Op sommige plaatsen van den aardbol bestaan van die onmetelijke
holen, een soort van onderaardsche gaanderijen, die van de schepping
dagteekenen. Sommigen zijn in de macht van de golven, anderen
bevatten geheele meren binnen hare wanden. Voorbeelden daarvan zijn:
de Fingal-grot op het eiland Staffa, de Morgat-grotten in de baai van
Douarnenez in Bretagne; de Bonifacio-grotten op Corsica, de grotten
van Lyse-Fjord in Noorwegen en eindelijk het onmetelijke Mammouth-hol
in Kentucky, dat een hoogte van vijfhonderd voet heeft en langer is
dan twintig mijlen.
Strekte het hol, waarin de kolonisten voortgleden zich dan tot midden
onder het eiland uit? Reeds een kwartier lang volgde de boot den
koers dien Cyrus Smith Pencroff aangaf, toen hij plotseling beval:
"Meer rechts houden!"
Het vaartuig veranderde van richting en naderde den rechterwand. De
ingenieur wilde zich overtuigen of de lijn nog steeds langs dien
wand liep.
Het was zoo.
"Vooruit!" zei Cyrus Smith.
De riemen plasten weder in de donkere golven en stuwden de boot voort.
Nog verliep er een kwartier en men moest den afstand van een halve mijl
hebben afgelegd, toen Cyrus Smith opnieuw zijn stem verhief en zeide:
"Halt!"
De boot hield stil en de kolonisten zagen een helder schijnsel, dat
de galerij, die zoo diep onder het eiland doordrong, geheel verlichtte.
Toen kon men dit gewelf opnemen waarvan men het bestaan nooit
vermoed had.
Op een hoogte van honderd voet rustte een gewelf op zuilen van
basalt, die allen in denzelfden vorm schenen gegoten; onregelmatige
rotsblokken, schachten van den grilligsten omtrek verhieven zich op
deze kolommen, die de natuur bij duizenden had opgericht toen de wereld
ontstond. De basaltzuilen, waarvan de eene voortsproot uit de andere,
waren veertig en vijftig voet hoog en de golven zoo woelig en onstuimig
daar buiten, bespoelden kabbelend hare grondvesten. De schitterende
glans van het licht dat de ingenieur had ontdekt, deed elk prisma
uitkomen, dat schitterde in den gloed en drong als het ware door de
wanden heen, alsof deze doorschijnend waren, terwijl hij de geringste
uitstekende punten van dit onderaardsch gebouw deed flikkeren. Door de
weerkaatsing gaf het water al die vormen en lichtpunten weer, zoodat de
boot scheen te drijven tusschen twee gordels van oogverblindend licht.
Omtrent de natuur van het licht, dat uit het midden voortsproot en
de scherpe rechte stralen, die op de hoeken en op de aderen Van het
gewelf braken, kon geen onzekerheid bestaan. Dat licht moest teweeg
gebracht zijn door electriciteit en zijn witte kleur duidde dien
oorsprong aan. Dat was de zon van de onmetelijke grot, waardoor deze
geheel verlicht werd.
Op een teeken van Cyrus Smith daalden de riemen weder in het water;
vonkelend spatte het schuim omhoog en het vaartuig richtte zich naar
het licht, waarvan het weldra slechts eene kabellengte was verwijderd.
Op dat punt had de watervlakte eene breedte van ongeveer drie honderd
vijftig voet; men kon aan gene zijde van het verlichte gedeelte
een grooten basaltmuur onderscheiden, welke den toegang van die
zijde afsloot. De zee vormde hier een meer; te midden van dat meer
zag men een voorwerp op het water drijven; het lag daar zwijgend en
onbeweeglijk. Het licht, dat zich verspreidde scheen voort te komen
uit zijne zijde als uit twee ovens, die gloeiend gestookt waren. Deze
toestel, waarvan de vorm eenige overeenkomst had met dien van een
walvisch, had eene lengte van twee honderd vijftig voet en verhief
zich tien à twaalf voet boven de oppervlakte der zee.
De boot naderde hem langzaam. Op den voorsteven stond Cyrus Smith. Hij
staarde voor zich, ten prooi aan de hevigste aandoening. Toen zeide
hij eensklaps, terwijl hij den arm van den reporter greep:
"Maar dat is hij! Dat kan niemand anders zijn dan hij! hij!...."
Toen zonk hij op de bank neder en mompelde een naam, dien Gideon
Spilett alleen verstond.
Het leed geen twijfel of de reporter kende dien naam, want hij had
een zonderlinge uitwerking op hem, en hij antwoordde op doffen toon:
"Hij! een man buiten de wet!"
"Hij!" zeide Cyrus Smith.
Op bevel van den ingenieur naderde de boot den drijvenden toestel. Zij
bereikte een venster met dikke glazen ruiten, waardoor een helder
licht straalde.
Cyrus Smith en zijn metgezellen stapten op het dek. Daar was een
geopend luik. Allen daalden er in neder.
Onder aan de trap was een electrisch verlichte gang. Aan het eind
van die gang een deur, die Cyrus Smith openstootte.
Een rijk gemeubeld vertrek, dat de kolonisten doorliepen, kwam uit
in een soort van bibliotheek, die door het plafond haar licht ontving.
In deze bibliotheek was een groote deur, die eveneens door den
ingenieur geopend werd.
De kolonisten zagen een ruime zaal, een soort van museum, voor zich,
waarin zich met een aantal schatten uit het delfstoffenrijk, de
prachtigste kunstwerken en de fijnste voortbrengselen der nijverheid
bevonden; zij meenden in een tooverwereld te zijn verplaatst.
Op een prachtig rustbed zagen zij een man, die hunne tegenwoordigheid
niet scheen te bemerken.
Toen verhief Cyrus Smith zijn stem en sprak, tot groote verwondering
van zijn metgezellen, de volgende woorden:
"Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen. Hier zijn wij."