XIV.

De vulkaan ontwaakt.--Het zachtere jaargetijde.--Hervatting

van het werk.--De avond van 15 October.--Een telegram.--Een

verzoek.--Een antwoord.--Vertrek naar de kraal.--Het

bericht.--Een nieuwe lijn.--De basaltkust.--Bij hooge zee.--Bij

lage zee.--De grot.--Een schitterend licht.--Hij is gevonden.

De kolonisten, die door Cyrus Smith gewaarschuwd waren, staakten hun

arbeid en aanschouwden zwijgend den top van den Franklinberg.

De vulkaan was dan weder in werking gekomen, en de dampen waren door

de laag erts op den bodem van den krater gedrongen. Maar zou het

onderaardsche vuur tot een hevige uitbarsting komen? Dit kon men

niet verhoeden.

Maar al gebeurde het, dan was het nog niet waarschijnlijk dat het

eiland Lincoln in zijn geheel er onder zou lijden. De uitbarstingen

van vulkanen zijn niet altijd noodlottig. Zooals de lavastroomen langs

de noordelijke berghelling getuigden, was het eiland reeds aan zulk

een beproeving onderhevig geweest.

Cyrus Smith sprak er met zijn metgezellen over en, zonder den toestand

te overdrijven, deelde hij hun het voor en tegen er van mede.

Men kon er in ieder geval niets tegen doen. Wanneer de grond ten minste

niet door een aardbeving vaneen gescheurd werd, scheen het Rotshuis

nog geen gevaar te loopen. Maar de kraal werd ernstig bedreigd, wanneer

zich aan de zuidelijke helling van den berg een nieuwe krater opende.

Van dien dag af bleef er steeds een rookwolk uit den top van den

berg opstijgen, en men zag zelfs dat zij grooter en breeder werd,

zonder dat er zich echter nog vlammen vertoonden.

Het werk was intusschen weder voortgezet. Men haastte zich zooveel

mogelijk met het bouwen van het vaartuig.

Tegen het eind van de maand September was de romp van het

schip gereed. Het ijzerwerk van de oude brik was grootendeels

behouden. Pencroff en Ayrton hadden er een groot aantal ijzeren bouten

en koperen spijkers uitgehaald. Dit bespaarde werk aan de smeden,

maar de timmerlieden moesten niettemin hard voortwerken.

De arbeid aan de werf moest nogmaals gestaakt worden wegens het

oogsten, hooien en inhalen van hetgeen het bouwland op de bergvlakte

opleverde.

's Avonds waren de ijverige werklieden dikwijls zeer moe. Om geen tijd

noodeloos verloren te laten gaan had men het uur van den maaltijd op

den middag gesteld en zij gebruikten slechts hun avondmaal wanneer

de schemering ingevallen was. Dan keerden zij naar het Rotshuis terug

om zich zoo spoedig mogelijk ter rust te begeven.

Soms, wanneer er een belangrijk onderwerp behandeld werd, bleef men

menigmaal langer op dan gewoonlijk. De kolonisten spraken over de

toekomst en over de verandering, die er in hun toestand zou komen,

wanneer zij een reis naar de meest nabij gelegen kust met hun vaartuig

ondernamen.

Maar met al die plannen bleven zij toch bij de gedachte om later weer

naar Lincoln terug te keeren. Nooit zouden zij die kolonie verlaten,

die met zooveel moeite gesticht was en die zoozeer in bloei zou

toenemen wanneer zij in gemeenschap was met Amerika.

Pencroff en Nab hoopten er hun leven te eindigen.

"Harbert," zeide de zeeman, "zult gij nooit het eiland Lincoln

verlaten?"

"Nooit, Pencroff, en vooral niet als gij er blijft!"

"Dan is het in orde, mijn jongen," antwoordde Pencroff, "ik zal

u wachten! Gij brengt mij uw vrouw en kinderen, en van de kleine

jongens zal ik wakkere kerels maken!"

"Aangenomen!" antwoordde Harbert lachend.

"En gij, mijnheer Cyrus," ging Pencroff opgewonden voort, "gij moet

altijd de gouverneur van het eiland blijven! Hoeveel inwoners zou

het kunnen bevatten? Tien duizend minstens!"

Zoo keuvelde men voort, en de reporter ging zelfs zoover dat hij een

courant oprichtte, de _New-Lincoln-Herald_ getiteld.

Zoo is de mensch nu eenmaal. De behoefte om iets te doen dat

blijft bestaan, dat hem overleeft is het krachtigst bewijs van

zijn meerderheid boven alles wat op aarde bestaat. Daardoor is

zijn heerschappij gevestigd, en wordt zij door de geheele wereld

gerechtvaardigd.

En wie kon zeggen of Jup en Top zich ook niet een toekomst droomden?

Ayrton hoopte in stilte, dat hij lord Glenarvan terug mocht zien en

zich aan allen mocht vertoonen, zooals hij nu was: zedelijk geheel

verbeterd.

Den avond van 15 October was men langer blijven praten dan

gewoonlijk. Het was negen uur. Hier en daar merkte men aan een moeilijk

bedwongen geeuwen dat het uur om naar bed te gaan gekomen was en

Pencroff stond juist op toen het klokje der telegraaf plotseling het

signaal gaf en luide in de zaal weerklonk.

Allen waren aanwezig. Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert, Ayrton,

Pencroff en Nab. Geen der kolonisten waren dus in de kraal.

Cyrus Smith was opgestaan. Zijn metgezellen zagen elkander aan,

meenende dat zij niet goed gehoord hadden.

"Wat beteekent dat!" riep Nab uit. "Is dat de duivel die seint!"

Niemand antwoordde.

"Er is onweer aan de lucht," merkte Harbert op. "Kan de invloed van

de electriciteit?...."

Harbert voleinde zijn zin niet. De ingenieur, op wien aller blikken

gericht waren, schudde ontkennend het hoofd.

"Laten wij wachten," zeide Gideon Spilett. "Wanneer het een sein is,

zal het herhaald worden, wie het dan ook moge gegeven hebben."

"Maar wie zou het geven?" riep Nab uit.

"Wel!" antwoordde Pencroff, "hij die...."

De zeeman had nog niet uitgesproken toen wederom de telegraaf het

klokje in beweging bracht.

Cyrus Smith ging naar den toestel en vroeg langs de lijn:

"Wat verlangt gij?"

Eenige oogenblikken later bewoog de wijzer zich over de wijzerplaat

en gaf hij het volgende antwoord aan de bewoners van het Rotshuis:

"Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal."

"Eindelijk," zeide Cyrus Smith.

Ja! Eindelijk! Het geheim zou ontsluierd worden!

Alle behoefte aan rust had voor de kolonisten opgehouden bij de

gewichtige zaak, die hen naar de kraal dreef. Zonder een woord te

wisselen, waren zij binnen weinige oogenblikken buiten het Rotshuis op

de kust. Jup en Top waren alleen achter gebleven. Men kon hen missen.

De nacht was donker. Het was dien dag nieuwe maan en zij was gelijk

met de zon verdwenen. Zooals Harbert reeds opgemerkt had, hingen er

zware donderwolken, waardoor de sterren onzichtbaar waren. Reeds werd

de horizon verlicht door den bliksem van een verwijderd onweder.

Waarschijnlijk zou, eenige uren later, de donder over het eiland

rollen. Het was een onheilspellende nacht.

Maar hoe diep de duisternis ook ware, zij kon de kolonisten niet

weerhouden, die met den weg naar de kraal genoeg bekend waren om

hem in donker te volgen. Zij volgden den linkeroever van de Mercy,

bereikten de bergvlakte en gingen, dwars door het bosch, naar de kraal.

Zij stapten flink door, ten prooi aan de levendigste

aandoening. Niemand twijfelde of zij zouden eindelijk de oplossing

van het raadsel vernemen, den naam van dat geheimzinnige wezen, dat

van zoo beslissend belang in hun leven was geweest, zoo edelmoedig

in zijne bemoeiingen, zoo machtig in zijn daden! Daar de onbekende

zich in hun lotgevallen gemengd had, konden hem ook de kleinste

bijzonderheden er van niet verborgen zijn en moest hij alles hebben

kunnen hooren wat in het Rotshuis gesproken werd om altijd te juister

tijd te hebben kunnen handelen.

Allen waren in gedachten verzonken. Onder die zware boomen was de

duisternis zóo dicht, dat men zelfs het einde van den weg niet

kon zien. Het bosch was doodstil. Vogels en andere dieren zaten

onbeweeglijk en gedrukt door de zwaarte der atmosfeer. Geen blad

bewoog zich. Alleen hoorde men de stappen van de kolonisten op den

harden grond weerklinken.

Het stilzwijgen werd slechts afgebroken door de opmerking van Pencroff.

"Wij hadden een lantaarn mee moeten nemen."

Het antwoord van den ingenieur luidde:

"Wij zullen er in de kraal een vinden."

Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden ten negen uur twaalf minuten

het Rotshuis verlaten. Ten negen uur zeven en veertig minuten hadden

zij drie mijlen afgelegd van de vijf die de monding der Mercy van de

kraal scheidde.

Op dat oogenblik schoten helle bliksemschichten over het eiland en

verlichtten de scherpe, donkere omtrekken van het gebladerte. Die

felle stralen verblindden de voetgangers; het onweder kon niet ver

af zijn. De bliksem werd al feller en feller: in de verte rolde de

donder door het zwerk. Loodzwaar drukte de dampkring.

De kolonisten gingen voort als door een onweerstaanbare kracht

gedreven.

Eindelijk zagen zij bij het felle licht van een bliksemstraal de

omheining van de kraal, en nauwelijks waren zij er binnen of de bui

barstte hevig los.

Snel begaven allen zich naar de woning.

Mogelijk was het huis door den onbekende bewoond, daar het telegram

van daar was uitgegaan. Het venster was echter niet verlicht.

De ingenieur klopte aan.

Geen antwoord.

Hij opende de deur en de kolonisten traden de donkere kamer binnen.

Nab maakte vuur, en een oogenblik later doorzocht men met de lantaarn

alle hoeken van het vertrek....

Er was niemand. Alles was zooals men het verlaten had.

"Zijn wij dan door zinsverbijstering misleid?" mompelde Cyrus Smith.

Neen! dat was niet mogelijk! Het telegram luidde:

"Kom zoo spoedig mogelijk naar de kraal."

Men ging naar het tafeltje dat uitsluitend voor den telegraafdienst

bestemd was. Alles was op zijn plaats.

"Wie is hier het laatst geweest?" vroeg de ingenieur.

"Ik, mijnheer Smith," antwoordde Ayrton.

"Dat was?...."

"Vier dagen geleden."

"Een briefje!" riep Harbert uit, terwijl hij naar een papier op

tafel wees.

Op dat papier stonden in het Engelsch de woorden:

"Volgt de nieuwe lijn."

"Voorwaarts!" beval Cyrus Smith, die aanstonds begreep, dat het

telegram niet van de kraal was afgezonden, maar van de geheimzinnige

schuilplaats die door een zijlijn in onmiddellijk verband stond met

het Rotshuis.

Nab nam de lantaarn en allen verlieten de kraal.

Het onweder woedde vreeselijk. De seconden die verliepen tusschen

den bliksem en het invallen van den donder werden elk oogenblik

minder. Weldra zou de bui den berg Franklin en het geheele eiland

omhullen. Bij het licht zag men den top van den vulkaan door een

rookwolk omringd.

Van het huis naar de omheining vond men geen zijlijn; maar Cyrus Smith

volgde de lijn en bij den eersten paal zag hij den nieuwen draad van

den isolator naar den grond loopen.

"Daar is hij!" zeide hij.

De lijn liep over den grond, maar was geheel door een isoleerende

zelfstandigheid omkleed, als een onderzeesche kabel, zoodat de stroom

niet verbroken werd. De zijlijn liep naar het westen.

"Laten wij haar volgen!" zeide Cyrus Smith.

Dan eens geleid door het licht van den lantaarn dan weder door de

bliksemstralen hielden de kolonisten den weg, welken de lijn aangaf.

De donder rolde nu zonder ophouden en was zoo hevig dat men geen

woord verstaan kon. Men behoefde ook niet te spreken; men moest

slechts voorwaarts, de lijn volgende.

De ingenieur had gemeend, dat de draad in de vallei zou eindigen en

dat daar de schuilplaats van den onbekende zou wezen.

Hij had zich vergist. Men ging steeds voort in zuidwestelijke

richting, over de basalt-rotsen heen. Van tijd tot tijd tastte

een van de kolonisten naar den draad om zoo noodig de richting aan

te geven. Maar het leed geen twijfel meer of deze liep recht naar

zee. Daar, verborgen in de een of andere rots, zou de woning zijn,

die men tot nog toe te vergeefs gezocht had.

De hemel was geheel en al vuur. De eene bliksemstraal volgde

onmiddellijk op den andere. Menigmaal werd de top van den vulkaan

getroffen en schoot de bliksem dwars door de dikke rookwolk in

den krater. Soms had men kunnen meenen dat er vlammen uit den berg

opstegen.

Na een uur kwamen de kolonisten op de westkust van den Oceaan. De

wind was opgestoken; de stroom bruischte op een diepte van vijf

honderd voet.

Cyrus Smith berekende, dat hij en zijn metgezellen een afstand van

anderhalve mijl hadden afgelegd sedert zij de kraal verlaten hadden.

Op dat oogenblik verdween de lijn tusschen de rotsen en volgde de

steile helling van een enge en kronkelende kloof.

Ook daar volgden de kolonisten den hun aangegeven weg op gevaar af,

dat de rotsen afbrokkelden en zij in zee zouden storten. Het was een

gevaarlijk pad, maar zij telden geen gevaar, zij waren zich zelven niet

meer meester, en werden even onwederstaanbaar naar dat geheimzinnige

punt getrokken als het ijzer naar den magneet.

Zij daalden de helling af, die zelfs bij dag bijna onbegaanbaar was. De

steenen rolden en schitterden als gloeiende kolen wanneer zij verlicht

werden. Cyrus Smith liep aan de spits, Ayrton sloot den stoet. Zij

gingen nu langzaam voort, dan eens gleden zij over gladde rotsen,

dan weder stonden zij op en volgden voorzichtig den weg.

Plotseling maakte de lijn een bocht, raakte tegen de rotsen van de

kust, die bijna geheel uit klippen bestond waarop de golven beukten. De

kolonisten hadden het laagste gedeelte van den basaltmuur bereikt.

Honderd schreden gingen zij nog voorwaarts; toen stonden zij voor

de zee.

De ingenieur greep den draad en bemerkte dat deze in de golven

verdween.

Zijn metgezellen stonden sprakeloos naast hem.

Een kreet van teleurstelling, schier van wanhoop ontsnapte aan hun

lippen! Moest men zich dan in de golven werpen en een onderzeesch hol

zoeken? In den overspannen toestand, waarin zij zich zoo naar geest als

naar lichaam bevonden, zouden zij niet geaarzeld hebben dit te doen.

De ingenieur hield hen terug.

Cyrus Smith bracht zijn metgezellen onder een vooruitstekende rots,

en zeide:

"Laten wij wachten. Het is vloed. Bij eb zal de weg open zijn."

"Maar waarom gelooft gij?...." begon Pencroff.

"Hij zou ons niet hebben geroepen, wanneer de middelen ontbraken om

bij hem te komen!"

Cyrus Smith had met zulk een overtuiging gesproken, dat niemand meer

een aanmerking maakte. Zijn opmerking was ook zeer juist. Men moest

wel aannemen dat er een opening aan den voet van den berg was, die nu

door de golven verborgen werd, maar die bij eb toegankelijk zou zijn.

Eenige uren moesten verloopen. De kolonisten bleven zwijgend onder

een uitstekende rots. Het begon te regenen en weldra ontlastten zich

de wolken in een zwaren stortvloed. De echo herhaalde het rollen van

den donder en somber en lang dreunden de slagen.

De kolonisten verkeerden in groote spanning. Duizenden zonderlinge

bovennatuurlijke gedachten rezen in hun geest op en zij verwachtten

een groote bovenmenschelijke verschijning, want deze alleen had kunnen

beantwoorden aan de voorstelling, welke zij zich van den geheimzinnigen

genius van het eiland gevormd hadden.

Tegen middernacht daalde Cyrus Smith tot de kust af om de rotsen te

verkennen. Reeds voor twee uur was de eb begonnen.

De ingenieur had gelijk gehad. Het gewelf van een groot hol teekende

zich reeds boven de oppervlakte. Daar boog de lijn zich in een rechten

hoek en verdween in een gapenden muil.

Cyrus Smith keerde naar zijn lotgenooten terug en zeide kalm:

"Binnen een uur kunnen wij door de opening."

"Zij bestaat dus?" vroeg Pencroff.

"Hebt gij er aan getwijfeld?" antwoordde Cyrus Smith.

"Maar dat hol zal tot op zekere hoogte met water gevuld zijn," merkte

Harbert op.

"Of dat hol loopt geheel droog," sprak de ingenieur, "en in dat geval

kunnen wij er te voet ingaan; loopt het niet droog, dan zal er het

een of andere middel van vervoer tot onze beschikking zijn."

Weder verliep er een uur. Onder een stortregen begaven zij zich naar

zee. In drie uur was de vloed vijftien voet gedaald. Reeds stak

het bovenste gedeelte van het gewelf minstens acht voet boven het

water uit.

Toen de ingenieur zich voorover boog, zag hij een zwart voorwerp op

de oppervlakte der zee drijven. Hij trok het naar zich toe.

Het was een boot, waaraan een touw was vastgemaakt. Deze boot was

van plaatijzer. Onder de banken lagen twee riemen.

"Laten wij ons inschepen," zeide hij.

Een oogenblik later bevonden de kolonisten zich in het vaartuig. Nab

en Ayrton hadden de riemen gegrepen. Pencroff vatte het roer. Cyrus

Smith stond vooraan en verlichtte den weg door de lantaarn boven den

voorsteven te houden.

Het gewelf, waaronder de boot verdween, verhief zich plotseling, maar

de duisternis was te dicht en het licht der lantaarn te onvoldoende

dan dat men de breedte, hoogte en diepte van de grot kon berekenen. De

stilte werd door niets verbroken. Geen gedruisch drong tot hen door;

geen bliksemstraal verlichtte dit hol.

Op sommige plaatsen van den aardbol bestaan van die onmetelijke

holen, een soort van onderaardsche gaanderijen, die van de schepping

dagteekenen. Sommigen zijn in de macht van de golven, anderen

bevatten geheele meren binnen hare wanden. Voorbeelden daarvan zijn:

de Fingal-grot op het eiland Staffa, de Morgat-grotten in de baai van

Douarnenez in Bretagne; de Bonifacio-grotten op Corsica, de grotten

van Lyse-Fjord in Noorwegen en eindelijk het onmetelijke Mammouth-hol

in Kentucky, dat een hoogte van vijfhonderd voet heeft en langer is

dan twintig mijlen.

Strekte het hol, waarin de kolonisten voortgleden zich dan tot midden

onder het eiland uit? Reeds een kwartier lang volgde de boot den

koers dien Cyrus Smith Pencroff aangaf, toen hij plotseling beval:

"Meer rechts houden!"

Het vaartuig veranderde van richting en naderde den rechterwand. De

ingenieur wilde zich overtuigen of de lijn nog steeds langs dien

wand liep.

Het was zoo.

"Vooruit!" zei Cyrus Smith.

De riemen plasten weder in de donkere golven en stuwden de boot voort.

Nog verliep er een kwartier en men moest den afstand van een halve mijl

hebben afgelegd, toen Cyrus Smith opnieuw zijn stem verhief en zeide:

"Halt!"

De boot hield stil en de kolonisten zagen een helder schijnsel, dat

de galerij, die zoo diep onder het eiland doordrong, geheel verlichtte.

Toen kon men dit gewelf opnemen waarvan men het bestaan nooit

vermoed had.

Op een hoogte van honderd voet rustte een gewelf op zuilen van

basalt, die allen in denzelfden vorm schenen gegoten; onregelmatige

rotsblokken, schachten van den grilligsten omtrek verhieven zich op

deze kolommen, die de natuur bij duizenden had opgericht toen de wereld

ontstond. De basaltzuilen, waarvan de eene voortsproot uit de andere,

waren veertig en vijftig voet hoog en de golven zoo woelig en onstuimig

daar buiten, bespoelden kabbelend hare grondvesten. De schitterende

glans van het licht dat de ingenieur had ontdekt, deed elk prisma

uitkomen, dat schitterde in den gloed en drong als het ware door de

wanden heen, alsof deze doorschijnend waren, terwijl hij de geringste

uitstekende punten van dit onderaardsch gebouw deed flikkeren. Door de

weerkaatsing gaf het water al die vormen en lichtpunten weer, zoodat de

boot scheen te drijven tusschen twee gordels van oogverblindend licht.

Omtrent de natuur van het licht, dat uit het midden voortsproot en

de scherpe rechte stralen, die op de hoeken en op de aderen Van het

gewelf braken, kon geen onzekerheid bestaan. Dat licht moest teweeg

gebracht zijn door electriciteit en zijn witte kleur duidde dien

oorsprong aan. Dat was de zon van de onmetelijke grot, waardoor deze

geheel verlicht werd.

Op een teeken van Cyrus Smith daalden de riemen weder in het water;

vonkelend spatte het schuim omhoog en het vaartuig richtte zich naar

het licht, waarvan het weldra slechts eene kabellengte was verwijderd.

Op dat punt had de watervlakte eene breedte van ongeveer drie honderd

vijftig voet; men kon aan gene zijde van het verlichte gedeelte

een grooten basaltmuur onderscheiden, welke den toegang van die

zijde afsloot. De zee vormde hier een meer; te midden van dat meer

zag men een voorwerp op het water drijven; het lag daar zwijgend en

onbeweeglijk. Het licht, dat zich verspreidde scheen voort te komen

uit zijne zijde als uit twee ovens, die gloeiend gestookt waren. Deze

toestel, waarvan de vorm eenige overeenkomst had met dien van een

walvisch, had eene lengte van twee honderd vijftig voet en verhief

zich tien à twaalf voet boven de oppervlakte der zee.

De boot naderde hem langzaam. Op den voorsteven stond Cyrus Smith. Hij

staarde voor zich, ten prooi aan de hevigste aandoening. Toen zeide

hij eensklaps, terwijl hij den arm van den reporter greep:

"Maar dat is hij! Dat kan niemand anders zijn dan hij! hij!...."

Toen zonk hij op de bank neder en mompelde een naam, dien Gideon

Spilett alleen verstond.

Het leed geen twijfel of de reporter kende dien naam, want hij had

een zonderlinge uitwerking op hem, en hij antwoordde op doffen toon:

"Hij! een man buiten de wet!"

"Hij!" zeide Cyrus Smith.

Op bevel van den ingenieur naderde de boot den drijvenden toestel. Zij

bereikte een venster met dikke glazen ruiten, waardoor een helder

licht straalde.

Cyrus Smith en zijn metgezellen stapten op het dek. Daar was een

geopend luik. Allen daalden er in neder.

Onder aan de trap was een electrisch verlichte gang. Aan het eind

van die gang een deur, die Cyrus Smith openstootte.

Een rijk gemeubeld vertrek, dat de kolonisten doorliepen, kwam uit

in een soort van bibliotheek, die door het plafond haar licht ontving.

In deze bibliotheek was een groote deur, die eveneens door den

ingenieur geopend werd.

De kolonisten zagen een ruime zaal, een soort van museum, voor zich,

waarin zich met een aantal schatten uit het delfstoffenrijk, de

prachtigste kunstwerken en de fijnste voortbrengselen der nijverheid

bevonden; zij meenden in een tooverwereld te zijn verplaatst.

Op een prachtig rustbed zagen zij een man, die hunne tegenwoordigheid

niet scheen te bemerken.

Toen verhief Cyrus Smith zijn stem en sprak, tot groote verwondering

van zijn metgezellen, de volgende woorden:

"Kapitein Nemo, gij hebt ons geroepen. Hier zijn wij."

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 28 / 37 题