Kapitein Nemo.--Zijn eerste woorden.--Geschiedenis van een
held der onafhankelijkheid.--De haat der vijanden.--Zijn
metgezellen.--Het onderzeesche leven.--Alleen.--De laatste
schuilplaats van de Nautilus op het eiland Lincoln.--De
geheimzinnige geest van het eiland.
Bij deze woorden richtte de man zich van zijn rustbed op en het
volle licht viel op zijn gelaat; het was een prachtige kop met hoog
voorhoofd, fieren blik, witten baard en weelderig haar, dat naar
achteren gestreken was.
Hij steunde met zijn hand op de leuning van het rustbed. Zijn blik was
kalm. Men zag dat een slepende ziekte hem langzaam ondermijnd had, maar
zijn stem scheen nog krachtig, toen hij op een toon, die verwondering
aan den dag legde, de volgende woorden in het engelsch sprak:
"Ik heb geen naam, mijnheer."
"Ik ken u!" antwoordde Cyrus Smith.
Kapitein Nemo wierp een doordringenden blik op den ingenieur, alsof
hij hem wilde vernietigen.
Toen zonk hij in de kussens van zijn rustbed neer en mompelde:
"Wat doet het er nu ook toe! Ik ga sterven!"
Cyrus Smith naderde kapitein Nemo en Gideon Spilett vatte diens hand,
die brandend heet was. Ayrton, Pencroff, Harbert en Nab bleven
eerbiedig op een afstand in een hoek van het prachtige vertrek,
dat eveneens electrisch verlicht was.
Kapitein Nemo had echter zijn hand snel terug getrokken en verzocht
den ingenieur en den reporter plaats te nemen.
Allen staarden hem diep ontroerd aan. Daar lag hij dan, dien zij
den "genius van het eiland" noemden, het machtige wezen, welks
tusschenkomst hen in zooveel omstandigheden gered had, die weldoener,
wien zij zooveel verplicht waren! Zij hadden slechts een man voor
oogen, waar Pencroff en Nab gemeend hadden een god te vinden, en die
man was stervende.
Maar hoe kende Cyrus Smith kapitein Nemo? Waarom was deze zoo
plotseling opgerezen toen hij dien naam hoorde, dien hij waande dat
aan niemand bekend was?...
De kapitein lag weder op zijn rustbed en op zijn arm leunende zag
hij den ingenieur aan, welke naast hem plaats had genomen.
"Gij kent den naam, dien ik gedragen heb, mijnheer?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Cyrus Smith, "evenals ik den naam ken van dien
bewonderenswaardigen onderzeeschen toestel..."
"De Nautilus?" vroeg de kapitein glimlachende.
"De Nautilus."
"Maar weet gij... weet gij wie ik ben?"
"Ik weet het."
"Sedert dertig jaren heb ik toch geen gemeenschap meer gehad met
de bewoonde wereld; dertig jaar leef ik reeds in de diepte der zee,
de eenige omgeving, waar ik de onafhankelijkheid gevonden heb! Wie
kan mijn geheim dan verraden hebben?"
"Een man, die u zijn woord nooit gegeven had, kapitein Nemo, en die
bijgevolg niet van verraad beschuldigd kan worden."
"Die Franschman, die tien jaar geleden toevallig bij mij aan boord
kwam?"
"Dezelfde."
"Die man en zijn beide metgezellen zijn dus niet in den maalstroom
omgekomen, waarin de Nautilus geraakt was?"
"Zij zijn niet omgekomen, en onder den naam van "_Twintig duizend
mijlen onder zee_" verscheen er een werk, dat uw geschiedenis bevat."
"Mijn geschiedenis gedurende eenige maanden slechts,
mijnheer!" antwoordde de kapitein levendig.
"Dat is waar," hernam Cyrus Smith, "maar eenige maanden van dat
zonderlinge leven zijn voldoende geweest om u bekend te maken..."
"Als een groot schuldige waarschijnlijk?" antwoordde kapitein Nemo,
met een fieren glimlach op zijn lippen. "Ja, een opstandeling, die
misschien uit het menschdom verbannen is!"
De ingenieur antwoordde niet.
"Welnu, mijnheer?"
"Het betaamt mij niet, kapitein Nemo te beoordeelen," antwoordde Cyrus
Smith, "ten minste wat zijn vroeger leven betreft. Ik ben, evenals
iedereen, onbekend met de beweegredenen van dit zonderlinge bestaan, en
ik kan niet oordeelen over de gevolgen, zonder de oorzaken te kennen;
maar wat ik wel weet is, dat een weldadige hand onophoudelijk over ons
gewaakt heeft sedert onze aankomst op het eiland Lincoln, dat wij allen
ons leven te danken hebben aan een goed, edelmoedig en machtig wezen en
dat gij, kapitein Nemo, dat machtige, edelmoedige en goede wezen zijt!"
"Dat ben ik," zeide de kapitein op eenvoudigen toon.
De ingenieur en de reporter waren opgestaan. Hun metgezellen waren
eveneens nader getreden en de dankbaarheid, waarvan hun hart vol was,
zou zich in woorden uiten...
Kapitein Nemo legde hun door een beweging met de hand het zwijgen op
en zeide met ontroerde stem:
"Wanneer gij mij zult hebben aangehoord."
De kapitein deelde in weinige woorden zijn levensgeschiedenis [1] mede.
Deze geschiedenis was kort en toch eischte het al de geestkracht,
die hem nog was overgebleven om haar ten einde te brengen. Hij streed
zichtbaar tegen groote zwakheid. Verscheidene malen drong Cyrus Smith
er op aan, dat hij eenige rust zou nemen, maar hij schudde het hoofd,
als iemand, wien de volgende dag niet meer zou toebehooren, en toen
de reporter hem zijn hulp aanbood, zeide hij:
"Die is niet meer noodig, mijn uren zijn geteld."
Kapitein Nemo was een Oosterling, prins Dakkar, de zoon van een rajah
van het toen onafhankelijke grondgebied van Bundelkund, en de neef
van den Indischen held Tippo-Saïb. Op tienjarigen leeftijd zond zijn
vader hem naar Europa, om er zijn opvoeding te ontvangen en met het
geheime voornemen dat hij eens met gelijke wapenen zou kunnen strijden
tegen hen, die hij als de verdrukkers van zijn vaderland beschouwde.
Van zijn tiende tot zijn dertigste jaar legde prins Dakkar, die
bijzonder begaafd en even groot naar geest als naar hart was, zich
op allerlei vakken toe; hij studeerde in de stellige wetenschappen,
in de letteren en in de fraaie kunsten, en dat alles met ongekende
ijver en volharding.
Prins Dakkar doorreisde geheel Europa. Door zijn geboorte en fortuin
was hij overal gezocht, maar nooit liet hij zich door de ijdelheden
der wereld meeslepen. Niettegenstaande hij jong en schoon was, bleef
hij ernstig en somber; hij dorstte naar kennis, daar een onverzoenlijke
haat in zijn hart geworteld was.
Prins Dakkar haatte. Hij haatte het eenige land, waar hij nooit een
voet had willen zetten, het eenige volk waarmede hij hardnekkig
weigerde in aanraking te komen: hij haatte Engeland en te erger,
daar hij het in meer dan een opzicht bewonderde.
In dien Oosterling was de felle haat geworteld van den overwonnene
tegen den overwinnaar. De overweldiger vond geen genade bij den
overweldigde. De zoon van een van die vorsten, die zich slechts in
naam aan Engeland onderworpen hadden, de prins uit het geslacht van
Tippo-Saïb, opgevoed om zijn land te heroveren en zich te wreken; die
een onuitwischbare liefde koesterde voor zijn dichterlijk vaderland,
dat zwoegde onder de ketenen der Britten, wilde nooit den voet zetten
op het gevloekte land, waaraan Indië zijne slavernij had te wijten.
Prins Dakkar werd een kunstenaar, vol bewondering voor de gewrochten
der kunst, een geleerde, aan wien niets van de hooge wetenschappen
vreemd was, een staatsman, die zich te midden der europeesche hoven
vormde. In de oogen van hen, die hem slechts ten halve kenden, ging
hij misschien door voor een van die wereldburgers, die weetgierig zijn,
maar het beneden zich achten te handelen; voor een van die schatrijke
reizigers met fieren en wijsgeerigen geest die de wereld doorkruisen
en tot geen land behooren.
Dit was echter niet het geval. Die kunstenaar, die geleerde, was in
zijn hart Oosterling gebleven; Oosterling door de dorst naar wraak,
Oosterling door de hoop die hij voerde, om eenmaal de rechten van
zijn land te herwinnen, de vreemdelingen te verdrijven en het zijn
onafhankelijkheid weder te geven.
In 1849 keerde prins Dakkar naar Bundelkund terug. Hij huwde met
een voorname Indische, wier hart, evenals het zijne, bloedde onder
de rampspoeden van haar vaderland. Zij kregen twee kinderen. Maar
het huiselijk geluk kon hun de onderdrukking van Indië niet doen
vergeten. Hij wachtte op een goede gelegenheid. Deze deed zich
spoedig voor.
Het engelsche juk was misschien te zwaar bevonden voor de hindoesche
bevolking. Prins Dakkar was het met de ontevredenen eens. Hij deed
hun zijn haat tegen den vreemdeling deelen. Hij doorreisde niet alleen
de nog onafhankelijke streken van het Indische Schiereiland, maar ook
de staten die rechtstreeks aan de Engelsche heerschappij onderworpen
waren. Hij herinnerde hen aan de grootsche dagen van Tippo-Saïb,
die te Seringapatnam den heldendood voor de verdediging van zijn
vaderland gestorven was.
In 1857 brak de groote opstand der Cipayers uit. Prins Dakkar was
er de ziel van. Hij organiseerde die ontzaglijke volksbeweging, en
stelde zijn kennis en rijkdom aan deze zaak ten dienste. Hij betaalde
alles; hij streed in de voorste gelederen; hij waagde zijn leven als
de minste dezer helden, die opgestaan waren voor de bevrijding van
hun vaderland; hij werd tienmaal in twintig ontmoetingen gewond,
en had den dood niet kunnen vinden, toen de laatste strijders der
onafhankelijkheid onder de engelsche kogels vielen.
Nooit liep de Engelsche macht zulk een gevaar in Indië, en hadden de
Cipayers in het buitenland hulp gevonden, zooals zij gehoopt hadden,
dan zou het in Azië misschien gedaan zijn geweest met den invloed en
de heerschappij van het Vereenigd Koninkrijk.
De naam van prins Dakkar was toen beroemd. De held, die hem droeg,
verborg zich niet, maar streed openlijk. Er werd een prijs op zijn
hoofd gesteld, en, zoo er al geen verrader was te vinden om hem over
te leveren, boetten zijn ouders, vrouw en kinderen voor hem, nog
voordat hij het gevaar kende, waarin zij, om zijnentwil, verkeerden....
Ook ditmaal deed het recht onder voor de overmacht. De Cipayers werden
overwonnen en het aloude gebied der Rajahs kwam weder onder de strenge
heerschappij van Engeland.
Prins Dakkar keerde naar de bergen van Bundelkund terug.
Daar, ten prooi aan een onoverwinlijken afkeer van alles wat
den naam van mensch droeg, vervuld van haat en afschuw voor de
beschaafde wereld, die hij voor altijd wilde ontvluchten, maakte hij
zijn bezittingen te gelde, vereenigde twintig van zijn getrouwste
metgezellen om zich en verdween met hen.
Waar was Prins Dakkar die onafhankelijkheid gaan zoeken, die hij op
de bewoonde aarde niet kon vinden? Onder water, in de diepte der zee,
waar niemand hem volgen kon.
De geleerde trad in de plaats van den krijgsman. Op een verlaten
eiland in de Stille Zee sloeg hij zijn werf op, en daar werd een
onderzeesch schip volgens zijn plan gebouwd. De electriciteit, waarvan
hij, door middelen, die eenmaal ook anderen bekend zullen worden, de
onmetelijke mechanische kracht had weten te gebruiken en die hij uit
onuitputtelijke bronnen verkreeg, werd op allerhande wijzen voor zijn
drijvenden toestel aangewend, nu eens als beweegkracht, dan weder als
warmte- of lichtgevende kracht. De zee met hare oneindige schatten,
haar myriaden visschen, haar varens en gewassen, haar reusachtige
zoogdieren, en niet alleen wat de natuur er onderhield, maar ook alles
wat de menschen er verloren hadden, voorzag ruimschoots in de behoeften
van den prins en zijn metgezellen,--en dit was de vervulling van zijn
vurigste wenschen, daar hij geenerlei gemeenschap met de aarde meer
wilde hebben. Hij doopte zijn onderzeeschen toestel met den naam van
Nautilus, noemde zich zelf kapitein Nemo en verdween onder zee.
Jaren lang bezocht de kapitein alle oceanen, van de eene pool naar
de andere. De paria van de bewoonde aarde verzamelde in die onbekende
wereld de grootste schatten. De millioenen, welke in 1702 in de baai
van Vigo met de spaansche galjoenen verloren waren gegaan, leverden
hem een onuitputtelijke bron van rijkdom, dien hij, altijd en zonder
zich te doen kennen, aanwendde ten voordeele van de volken, die voor
de onafhankelijkheid van hun vaderland streden.
Hij had dan ook langen tijd geen gemeenschap met zijn evenmenschen
gehad, toen, in den nacht van 6 November 1866 drie mannen op zijn
schip werden geworpen. Het was een fransch professor, zijn bediende
en een visscher uit Canada. Deze drie mannen waren in zee gestort,
door de botsing van de Nautilus en een fregat der Vereenigde Staten,
de Abraham Lincoln, dat haar nazette.
Kapitein Nemo vernam van den professor, dat de Nautilus, die nu eens
voor een reusachtig zoogdier van het geslacht der walvisschen gehouden
werd, dan weder voor een onderzeeschen toestel, die een schuilplaats
aan de zeeroovers verleende, op alle zeeën vervolgd werd.
Kapitein Nemo had die drie menschen, welke door een toeval met zijn
geheimzinnig bestaan in aanraking kwamen, aan den oceaan kunnen
overleveren. Hij deed dit niet; hij hield hen gevangen, en gedurende
zeven maanden konden zij getuigen zijn van al het wonderlijke en
verrassende van een reis, die twintig duizend mijlen onder zee werd
voortgezet.
Deze drie mannen, die niets wisten van het verleden van kapitein
Nemo, ontsnapten door zich van de boot van de Nautilus meester te
maken. Maar daar de Nautilus toen op de kusten van Noorwegen, in
den Maalstroom lag, meende de kapitein, dat de vluchtelingen in die
woelende kolk een zekeren dood hadden gevonden. Hij wist niet, dat de
Franschman en zijn beide metgezellen als door een wonder op de kust
werden geworpen; dat visschers van de Lofodden hen opgenomen hadden
en dat de professor, bij zijn terugkeer in Frankrijk, een werk had
uitgegeven, waarin zeven maanden van die zonderlinge en avontuurlijke
reis van de Nautilus beschreven werden en aan de nieuwsgierigheid
van het publiek overgeleverd.
Langen tijd nog leefde de kapitein op dezelfde wijze voort. Maar
langzamerhand stierven zijn metgezellen, en werden in hun graven
van koraal op den bodem der Stille Zee te rusten gelegd. De Nautilus
werd verlaten, en eindelijk bleef kapitein Nemo alleen over van al
degenen, die met hem een schuilplaats in de diepte van den oceaan
hadden gezocht.
Kapitein Nemo was zestig jaar oud. Toen hij alleen was, gelukte het
hem de Nautilus naar een van die onderzeesche havens te brengen,
die hem soms tot rustplaats hadden gediend. Een dier havens was
onder het eiland Lincoln. Reeds zes jaren woonde de kapitein daar,
reisde niet meer, maar wachtte zijn dood af, dat is te zeggen, het
oogenblik, waarop hij met zijn lotgenooten vereenigd zou worden,
toen het toeval hem den val van den ballon deed bijwonen, waarin de
gevangenen der zuidelijken gevlucht waren. Hij ging langzaam in zijn
toestel onder zee voort, toen op eenige kabellengten van de kust van
het eiland, de ingenieur in zee stortte. De kapitein gaf toe aan een
goede opwelling.... en hij redde Cyrus Smith.
Eerst wilde hij die vijf schipbreukelingen aan hun lot overlaten, maar
zijn toevluchtshaven was gesloten, en ten gevolge van een ophooging
van basalt, ontstaan door den invloed van vulkanische uitbarstingen,
kon hij den toegang tot de galerij niet meer bereiken. Daar, waar water
genoeg was voor een licht vaartuig, was niet genoeg voor de Nautilus,
die betrekkelijk grooten diepgang had.
Kapitein Nemo bleef dus, en sloeg die mannen gade, welke hulpeloos
op een verlaten eiland geworpen waren; maar hij zelf wilde niet
gezien worden. Toen hij bemerkte, dat zij eerlijk, volhardend en door
broederlijke liefde aan elkander gehecht waren, stelde hij belang in
hun pogingen. Hij kende de minste geheimen van hun bestaan. Met zijn
vaartuig kon hij gemakkelijk den bodem van den put in het Rotshuis
bereiken en langs de rotsblokken tot de oppervlakte klimmen. Hij
hoorde de kolonisten hun verleden vertellen en over het tegenwoordige
en de toekomst spreken. Hij vernam van hen de poging van het eene
deel van Amerika tegen het andere, om een einde aan de slavernij te
maken! Ja! die mannen waren in staat om kapitein Nemo te verzoenen
met de menschheid, die zij op het eiland vertegenwoordigden!
Kapitein Nemo had Cyrus Smith gered. Hij was het, die den hond naar de
Schoorsteenen terugvoerde, die Top naar de oppervlakte van het meer
wierp, die de kist met zooveel nuttige voorwerpen voor de kolonisten
op het strand deed spoelen, die hun de boot in de Mercy terug gaf,
die het touw uit het Rotshuis had geworpen bij den aanval van de apen,
die de aanwezigheid van Ayrton op het eiland Tabor bekend maakte door
middel van een briefje, dat hij in eene flesch sloot. Ook door zijn
toedoen sprong de brik door het ontploffen van een torpedo, welke hij
op den bodem van het kanaal had gebracht; hij redde Harbert van een
zekeren dood door de quinine te brengen; hij was het eindelijk die
de zeeroovers gedood had door electrische kogels, waarvan hij het
geheim bezat en die hij op zijn onderzeesche jachten gebruikte. Op
deze wijze werden velerlei voorvallen verklaard, die tot nog toe
bovennatuurlijk schenen, en die allen door de edelmoedigheid en de
macht van den kapitein geschied waren.
Die groote menschenhater had behoefte om wel te doen. Hij kon
nog nuttigen raad aan zijne beschermelingen geven, en daar hij tot
betere gedachten was gekomen, nu hij den dood voelde naderen, ontbood
hij, gelijk verhaald is, de kolonisten uit het Rotshuis bij zich,
door middel van een telegraaflijn, welke de kraal met de Nautilus
verbond.... Mogelijk had hij dit niet gedaan, zoo hij geweten had
dat Cyrus Smith zijn geschiedenis voldoende kende om hem met den naam
van Nemo aan te spreken.
De kapitein had het verhaal van zijn levensgeschiedenis
geëindigd. Cyrus Smith nam toen het woord; hij herinnerde aan alle
weldaden, die de kolonie, door zulk een heilzamen invloed genoten
had, en in naam van zijn metgezellen en van hem zelf dankte hij het
edelmoedige wezen, wien zij zooveel verschuldigd waren.
Maar kapitein Nemo vorderde niets voor de diensten, welke hij bewezen
had. Een laatste gedachte vervulde hem, en voordat hij de hand drukte,
die de ingenieur hem aanbood, sprak hij:
"En thans, mijnheer, nu gij mijn leven kent, beoordeel het nu!"
De kapitein zinspeelde bij deze woorden op een ernstig voorval,
waarvan de drie vreemdelingen, die bij hem aan boord waren geworpen,
getuigen waren geweest,--een voorval, dat de Fransche professor,
zonder twijfel in zijn werk had medegedeeld en dat iedereen gruwelijk
moest zijn voorgekomen.
Eenige dagen namelijk voordat de professor en zijn metgezellen
ontvluchtten, werd de Nautilus door een fregat, in het noorden van
den Atlantischen Oceaan vervolgd; zij wierp zich als een stormram op
dat fregat en liet het zonder genade zinken.
Cyrus Smith begreep de toespeling en antwoordde niet.
"Het was een Engelsch fregat, mijnheer," riep kapitein Nemo uit,
die voor een oogenblik weder prins Dakkar was geworden, "een Engelsch
fregat, begrijpt gij!? Het viel mij aan! Ik was in een nauwe, ondiepe
baai terug gedrongen!.... Ik moest voorbij, en.... ik ging voorbij!"
Op kalmen toon vervolgde hij:
"Ik was in mijn recht, ik had gelijk. Overal waar ik kon heb ik
welgedaan, maar ook kwaad deed ik waar ik het moest doen. Genade is
niet het hoogste recht!"
Er volgden eenige oogenblikken van stilte na dit antwoord en kapitein
Nemo vroeg voor de tweede maal:
"Wat denkt gij van mij, mijne heeren?"
Cyrus Smith stak den kapitein zijn hand toe en antwoordde op ernstigen
toon:
"Kapitein, gij hebt verkeerd gehandeld door te gelooven dat men
het verleden kon doen herleven en gij hebt gestreden tegen den
onvermijdelijken vooruitgang. Het is een van die dwalingen, die door
sommigen bewonderd, door anderen gelaakt worden, waarover God alleen
kan oordeelen en die het menschelijke verstand moet vrijspreken. Men
kan hem, die dwaalt met een welgemeende bedoeling, bestrijden zonder
op te houden hem te achten. Uwe dwaling is van dien aard, dat zij
bewondering niet uitsluit, en uw naam heeft niets te vreezen van
het oordeel der geschiedenis. Zij buigt zich voor die heldhaftige
dwaasheden, hoewel zij de gevolgen er van veroordeelt."
De borst van kapitein Nemo ging onrustig op en neder, en hij hief
zijn hand ten hemel.
"Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?" mompelde hij.
Cyrus Smith hernam:
"Alle groote daden keeren tot God terug, want zij komen van
Hem! Kapitein Nemo, de brave lieden, hier vereenigd, dien gij hebt
bijgestaan, zullen u hun leven lang betreuren!"
Harbert was den kapitein genaderd. Hij knielde, vatte zijn hand en
bracht die aan zijn lippen.
Een traan welde in het oog van den stervende, en hij zeide:
"Wees gezegend, mijn kind!..."