XXV.

Kapitein Nemo.--Zijn eerste woorden.--Geschiedenis van een

held der onafhankelijkheid.--De haat der vijanden.--Zijn

metgezellen.--Het onderzeesche leven.--Alleen.--De laatste

schuilplaats van de Nautilus op het eiland Lincoln.--De

geheimzinnige geest van het eiland.

Bij deze woorden richtte de man zich van zijn rustbed op en het

volle licht viel op zijn gelaat; het was een prachtige kop met hoog

voorhoofd, fieren blik, witten baard en weelderig haar, dat naar

achteren gestreken was.

Hij steunde met zijn hand op de leuning van het rustbed. Zijn blik was

kalm. Men zag dat een slepende ziekte hem langzaam ondermijnd had, maar

zijn stem scheen nog krachtig, toen hij op een toon, die verwondering

aan den dag legde, de volgende woorden in het engelsch sprak:

"Ik heb geen naam, mijnheer."

"Ik ken u!" antwoordde Cyrus Smith.

Kapitein Nemo wierp een doordringenden blik op den ingenieur, alsof

hij hem wilde vernietigen.

Toen zonk hij in de kussens van zijn rustbed neer en mompelde:

"Wat doet het er nu ook toe! Ik ga sterven!"

Cyrus Smith naderde kapitein Nemo en Gideon Spilett vatte diens hand,

die brandend heet was. Ayrton, Pencroff, Harbert en Nab bleven

eerbiedig op een afstand in een hoek van het prachtige vertrek,

dat eveneens electrisch verlicht was.

Kapitein Nemo had echter zijn hand snel terug getrokken en verzocht

den ingenieur en den reporter plaats te nemen.

Allen staarden hem diep ontroerd aan. Daar lag hij dan, dien zij

den "genius van het eiland" noemden, het machtige wezen, welks

tusschenkomst hen in zooveel omstandigheden gered had, die weldoener,

wien zij zooveel verplicht waren! Zij hadden slechts een man voor

oogen, waar Pencroff en Nab gemeend hadden een god te vinden, en die

man was stervende.

Maar hoe kende Cyrus Smith kapitein Nemo? Waarom was deze zoo

plotseling opgerezen toen hij dien naam hoorde, dien hij waande dat

aan niemand bekend was?...

De kapitein lag weder op zijn rustbed en op zijn arm leunende zag

hij den ingenieur aan, welke naast hem plaats had genomen.

"Gij kent den naam, dien ik gedragen heb, mijnheer?" vroeg hij.

"Ja," antwoordde Cyrus Smith, "evenals ik den naam ken van dien

bewonderenswaardigen onderzeeschen toestel..."

"De Nautilus?" vroeg de kapitein glimlachende.

"De Nautilus."

"Maar weet gij... weet gij wie ik ben?"

"Ik weet het."

"Sedert dertig jaren heb ik toch geen gemeenschap meer gehad met

de bewoonde wereld; dertig jaar leef ik reeds in de diepte der zee,

de eenige omgeving, waar ik de onafhankelijkheid gevonden heb! Wie

kan mijn geheim dan verraden hebben?"

"Een man, die u zijn woord nooit gegeven had, kapitein Nemo, en die

bijgevolg niet van verraad beschuldigd kan worden."

"Die Franschman, die tien jaar geleden toevallig bij mij aan boord

kwam?"

"Dezelfde."

"Die man en zijn beide metgezellen zijn dus niet in den maalstroom

omgekomen, waarin de Nautilus geraakt was?"

"Zij zijn niet omgekomen, en onder den naam van "_Twintig duizend

mijlen onder zee_" verscheen er een werk, dat uw geschiedenis bevat."

"Mijn geschiedenis gedurende eenige maanden slechts,

mijnheer!" antwoordde de kapitein levendig.

"Dat is waar," hernam Cyrus Smith, "maar eenige maanden van dat

zonderlinge leven zijn voldoende geweest om u bekend te maken..."

"Als een groot schuldige waarschijnlijk?" antwoordde kapitein Nemo,

met een fieren glimlach op zijn lippen. "Ja, een opstandeling, die

misschien uit het menschdom verbannen is!"

De ingenieur antwoordde niet.

"Welnu, mijnheer?"

"Het betaamt mij niet, kapitein Nemo te beoordeelen," antwoordde Cyrus

Smith, "ten minste wat zijn vroeger leven betreft. Ik ben, evenals

iedereen, onbekend met de beweegredenen van dit zonderlinge bestaan, en

ik kan niet oordeelen over de gevolgen, zonder de oorzaken te kennen;

maar wat ik wel weet is, dat een weldadige hand onophoudelijk over ons

gewaakt heeft sedert onze aankomst op het eiland Lincoln, dat wij allen

ons leven te danken hebben aan een goed, edelmoedig en machtig wezen en

dat gij, kapitein Nemo, dat machtige, edelmoedige en goede wezen zijt!"

"Dat ben ik," zeide de kapitein op eenvoudigen toon.

De ingenieur en de reporter waren opgestaan. Hun metgezellen waren

eveneens nader getreden en de dankbaarheid, waarvan hun hart vol was,

zou zich in woorden uiten...

Kapitein Nemo legde hun door een beweging met de hand het zwijgen op

en zeide met ontroerde stem:

"Wanneer gij mij zult hebben aangehoord."

De kapitein deelde in weinige woorden zijn levensgeschiedenis [1] mede.

Deze geschiedenis was kort en toch eischte het al de geestkracht,

die hem nog was overgebleven om haar ten einde te brengen. Hij streed

zichtbaar tegen groote zwakheid. Verscheidene malen drong Cyrus Smith

er op aan, dat hij eenige rust zou nemen, maar hij schudde het hoofd,

als iemand, wien de volgende dag niet meer zou toebehooren, en toen

de reporter hem zijn hulp aanbood, zeide hij:

"Die is niet meer noodig, mijn uren zijn geteld."

Kapitein Nemo was een Oosterling, prins Dakkar, de zoon van een rajah

van het toen onafhankelijke grondgebied van Bundelkund, en de neef

van den Indischen held Tippo-Saïb. Op tienjarigen leeftijd zond zijn

vader hem naar Europa, om er zijn opvoeding te ontvangen en met het

geheime voornemen dat hij eens met gelijke wapenen zou kunnen strijden

tegen hen, die hij als de verdrukkers van zijn vaderland beschouwde.

Van zijn tiende tot zijn dertigste jaar legde prins Dakkar, die

bijzonder begaafd en even groot naar geest als naar hart was, zich

op allerlei vakken toe; hij studeerde in de stellige wetenschappen,

in de letteren en in de fraaie kunsten, en dat alles met ongekende

ijver en volharding.

Prins Dakkar doorreisde geheel Europa. Door zijn geboorte en fortuin

was hij overal gezocht, maar nooit liet hij zich door de ijdelheden

der wereld meeslepen. Niettegenstaande hij jong en schoon was, bleef

hij ernstig en somber; hij dorstte naar kennis, daar een onverzoenlijke

haat in zijn hart geworteld was.

Prins Dakkar haatte. Hij haatte het eenige land, waar hij nooit een

voet had willen zetten, het eenige volk waarmede hij hardnekkig

weigerde in aanraking te komen: hij haatte Engeland en te erger,

daar hij het in meer dan een opzicht bewonderde.

In dien Oosterling was de felle haat geworteld van den overwonnene

tegen den overwinnaar. De overweldiger vond geen genade bij den

overweldigde. De zoon van een van die vorsten, die zich slechts in

naam aan Engeland onderworpen hadden, de prins uit het geslacht van

Tippo-Saïb, opgevoed om zijn land te heroveren en zich te wreken; die

een onuitwischbare liefde koesterde voor zijn dichterlijk vaderland,

dat zwoegde onder de ketenen der Britten, wilde nooit den voet zetten

op het gevloekte land, waaraan Indië zijne slavernij had te wijten.

Prins Dakkar werd een kunstenaar, vol bewondering voor de gewrochten

der kunst, een geleerde, aan wien niets van de hooge wetenschappen

vreemd was, een staatsman, die zich te midden der europeesche hoven

vormde. In de oogen van hen, die hem slechts ten halve kenden, ging

hij misschien door voor een van die wereldburgers, die weetgierig zijn,

maar het beneden zich achten te handelen; voor een van die schatrijke

reizigers met fieren en wijsgeerigen geest die de wereld doorkruisen

en tot geen land behooren.

Dit was echter niet het geval. Die kunstenaar, die geleerde, was in

zijn hart Oosterling gebleven; Oosterling door de dorst naar wraak,

Oosterling door de hoop die hij voerde, om eenmaal de rechten van

zijn land te herwinnen, de vreemdelingen te verdrijven en het zijn

onafhankelijkheid weder te geven.

In 1849 keerde prins Dakkar naar Bundelkund terug. Hij huwde met

een voorname Indische, wier hart, evenals het zijne, bloedde onder

de rampspoeden van haar vaderland. Zij kregen twee kinderen. Maar

het huiselijk geluk kon hun de onderdrukking van Indië niet doen

vergeten. Hij wachtte op een goede gelegenheid. Deze deed zich

spoedig voor.

Het engelsche juk was misschien te zwaar bevonden voor de hindoesche

bevolking. Prins Dakkar was het met de ontevredenen eens. Hij deed

hun zijn haat tegen den vreemdeling deelen. Hij doorreisde niet alleen

de nog onafhankelijke streken van het Indische Schiereiland, maar ook

de staten die rechtstreeks aan de Engelsche heerschappij onderworpen

waren. Hij herinnerde hen aan de grootsche dagen van Tippo-Saïb,

die te Seringapatnam den heldendood voor de verdediging van zijn

vaderland gestorven was.

In 1857 brak de groote opstand der Cipayers uit. Prins Dakkar was

er de ziel van. Hij organiseerde die ontzaglijke volksbeweging, en

stelde zijn kennis en rijkdom aan deze zaak ten dienste. Hij betaalde

alles; hij streed in de voorste gelederen; hij waagde zijn leven als

de minste dezer helden, die opgestaan waren voor de bevrijding van

hun vaderland; hij werd tienmaal in twintig ontmoetingen gewond,

en had den dood niet kunnen vinden, toen de laatste strijders der

onafhankelijkheid onder de engelsche kogels vielen.

Nooit liep de Engelsche macht zulk een gevaar in Indië, en hadden de

Cipayers in het buitenland hulp gevonden, zooals zij gehoopt hadden,

dan zou het in Azië misschien gedaan zijn geweest met den invloed en

de heerschappij van het Vereenigd Koninkrijk.

De naam van prins Dakkar was toen beroemd. De held, die hem droeg,

verborg zich niet, maar streed openlijk. Er werd een prijs op zijn

hoofd gesteld, en, zoo er al geen verrader was te vinden om hem over

te leveren, boetten zijn ouders, vrouw en kinderen voor hem, nog

voordat hij het gevaar kende, waarin zij, om zijnentwil, verkeerden....

Ook ditmaal deed het recht onder voor de overmacht. De Cipayers werden

overwonnen en het aloude gebied der Rajahs kwam weder onder de strenge

heerschappij van Engeland.

Prins Dakkar keerde naar de bergen van Bundelkund terug.

Daar, ten prooi aan een onoverwinlijken afkeer van alles wat

den naam van mensch droeg, vervuld van haat en afschuw voor de

beschaafde wereld, die hij voor altijd wilde ontvluchten, maakte hij

zijn bezittingen te gelde, vereenigde twintig van zijn getrouwste

metgezellen om zich en verdween met hen.

Waar was Prins Dakkar die onafhankelijkheid gaan zoeken, die hij op

de bewoonde aarde niet kon vinden? Onder water, in de diepte der zee,

waar niemand hem volgen kon.

De geleerde trad in de plaats van den krijgsman. Op een verlaten

eiland in de Stille Zee sloeg hij zijn werf op, en daar werd een

onderzeesch schip volgens zijn plan gebouwd. De electriciteit, waarvan

hij, door middelen, die eenmaal ook anderen bekend zullen worden, de

onmetelijke mechanische kracht had weten te gebruiken en die hij uit

onuitputtelijke bronnen verkreeg, werd op allerhande wijzen voor zijn

drijvenden toestel aangewend, nu eens als beweegkracht, dan weder als

warmte- of lichtgevende kracht. De zee met hare oneindige schatten,

haar myriaden visschen, haar varens en gewassen, haar reusachtige

zoogdieren, en niet alleen wat de natuur er onderhield, maar ook alles

wat de menschen er verloren hadden, voorzag ruimschoots in de behoeften

van den prins en zijn metgezellen,--en dit was de vervulling van zijn

vurigste wenschen, daar hij geenerlei gemeenschap met de aarde meer

wilde hebben. Hij doopte zijn onderzeeschen toestel met den naam van

Nautilus, noemde zich zelf kapitein Nemo en verdween onder zee.

Jaren lang bezocht de kapitein alle oceanen, van de eene pool naar

de andere. De paria van de bewoonde aarde verzamelde in die onbekende

wereld de grootste schatten. De millioenen, welke in 1702 in de baai

van Vigo met de spaansche galjoenen verloren waren gegaan, leverden

hem een onuitputtelijke bron van rijkdom, dien hij, altijd en zonder

zich te doen kennen, aanwendde ten voordeele van de volken, die voor

de onafhankelijkheid van hun vaderland streden.

Hij had dan ook langen tijd geen gemeenschap met zijn evenmenschen

gehad, toen, in den nacht van 6 November 1866 drie mannen op zijn

schip werden geworpen. Het was een fransch professor, zijn bediende

en een visscher uit Canada. Deze drie mannen waren in zee gestort,

door de botsing van de Nautilus en een fregat der Vereenigde Staten,

de Abraham Lincoln, dat haar nazette.

Kapitein Nemo vernam van den professor, dat de Nautilus, die nu eens

voor een reusachtig zoogdier van het geslacht der walvisschen gehouden

werd, dan weder voor een onderzeeschen toestel, die een schuilplaats

aan de zeeroovers verleende, op alle zeeën vervolgd werd.

Kapitein Nemo had die drie menschen, welke door een toeval met zijn

geheimzinnig bestaan in aanraking kwamen, aan den oceaan kunnen

overleveren. Hij deed dit niet; hij hield hen gevangen, en gedurende

zeven maanden konden zij getuigen zijn van al het wonderlijke en

verrassende van een reis, die twintig duizend mijlen onder zee werd

voortgezet.

Deze drie mannen, die niets wisten van het verleden van kapitein

Nemo, ontsnapten door zich van de boot van de Nautilus meester te

maken. Maar daar de Nautilus toen op de kusten van Noorwegen, in

den Maalstroom lag, meende de kapitein, dat de vluchtelingen in die

woelende kolk een zekeren dood hadden gevonden. Hij wist niet, dat de

Franschman en zijn beide metgezellen als door een wonder op de kust

werden geworpen; dat visschers van de Lofodden hen opgenomen hadden

en dat de professor, bij zijn terugkeer in Frankrijk, een werk had

uitgegeven, waarin zeven maanden van die zonderlinge en avontuurlijke

reis van de Nautilus beschreven werden en aan de nieuwsgierigheid

van het publiek overgeleverd.

Langen tijd nog leefde de kapitein op dezelfde wijze voort. Maar

langzamerhand stierven zijn metgezellen, en werden in hun graven

van koraal op den bodem der Stille Zee te rusten gelegd. De Nautilus

werd verlaten, en eindelijk bleef kapitein Nemo alleen over van al

degenen, die met hem een schuilplaats in de diepte van den oceaan

hadden gezocht.

Kapitein Nemo was zestig jaar oud. Toen hij alleen was, gelukte het

hem de Nautilus naar een van die onderzeesche havens te brengen,

die hem soms tot rustplaats hadden gediend. Een dier havens was

onder het eiland Lincoln. Reeds zes jaren woonde de kapitein daar,

reisde niet meer, maar wachtte zijn dood af, dat is te zeggen, het

oogenblik, waarop hij met zijn lotgenooten vereenigd zou worden,

toen het toeval hem den val van den ballon deed bijwonen, waarin de

gevangenen der zuidelijken gevlucht waren. Hij ging langzaam in zijn

toestel onder zee voort, toen op eenige kabellengten van de kust van

het eiland, de ingenieur in zee stortte. De kapitein gaf toe aan een

goede opwelling.... en hij redde Cyrus Smith.

Eerst wilde hij die vijf schipbreukelingen aan hun lot overlaten, maar

zijn toevluchtshaven was gesloten, en ten gevolge van een ophooging

van basalt, ontstaan door den invloed van vulkanische uitbarstingen,

kon hij den toegang tot de galerij niet meer bereiken. Daar, waar water

genoeg was voor een licht vaartuig, was niet genoeg voor de Nautilus,

die betrekkelijk grooten diepgang had.

Kapitein Nemo bleef dus, en sloeg die mannen gade, welke hulpeloos

op een verlaten eiland geworpen waren; maar hij zelf wilde niet

gezien worden. Toen hij bemerkte, dat zij eerlijk, volhardend en door

broederlijke liefde aan elkander gehecht waren, stelde hij belang in

hun pogingen. Hij kende de minste geheimen van hun bestaan. Met zijn

vaartuig kon hij gemakkelijk den bodem van den put in het Rotshuis

bereiken en langs de rotsblokken tot de oppervlakte klimmen. Hij

hoorde de kolonisten hun verleden vertellen en over het tegenwoordige

en de toekomst spreken. Hij vernam van hen de poging van het eene

deel van Amerika tegen het andere, om een einde aan de slavernij te

maken! Ja! die mannen waren in staat om kapitein Nemo te verzoenen

met de menschheid, die zij op het eiland vertegenwoordigden!

Kapitein Nemo had Cyrus Smith gered. Hij was het, die den hond naar de

Schoorsteenen terugvoerde, die Top naar de oppervlakte van het meer

wierp, die de kist met zooveel nuttige voorwerpen voor de kolonisten

op het strand deed spoelen, die hun de boot in de Mercy terug gaf,

die het touw uit het Rotshuis had geworpen bij den aanval van de apen,

die de aanwezigheid van Ayrton op het eiland Tabor bekend maakte door

middel van een briefje, dat hij in eene flesch sloot. Ook door zijn

toedoen sprong de brik door het ontploffen van een torpedo, welke hij

op den bodem van het kanaal had gebracht; hij redde Harbert van een

zekeren dood door de quinine te brengen; hij was het eindelijk die

de zeeroovers gedood had door electrische kogels, waarvan hij het

geheim bezat en die hij op zijn onderzeesche jachten gebruikte. Op

deze wijze werden velerlei voorvallen verklaard, die tot nog toe

bovennatuurlijk schenen, en die allen door de edelmoedigheid en de

macht van den kapitein geschied waren.

Die groote menschenhater had behoefte om wel te doen. Hij kon

nog nuttigen raad aan zijne beschermelingen geven, en daar hij tot

betere gedachten was gekomen, nu hij den dood voelde naderen, ontbood

hij, gelijk verhaald is, de kolonisten uit het Rotshuis bij zich,

door middel van een telegraaflijn, welke de kraal met de Nautilus

verbond.... Mogelijk had hij dit niet gedaan, zoo hij geweten had

dat Cyrus Smith zijn geschiedenis voldoende kende om hem met den naam

van Nemo aan te spreken.

De kapitein had het verhaal van zijn levensgeschiedenis

geëindigd. Cyrus Smith nam toen het woord; hij herinnerde aan alle

weldaden, die de kolonie, door zulk een heilzamen invloed genoten

had, en in naam van zijn metgezellen en van hem zelf dankte hij het

edelmoedige wezen, wien zij zooveel verschuldigd waren.

Maar kapitein Nemo vorderde niets voor de diensten, welke hij bewezen

had. Een laatste gedachte vervulde hem, en voordat hij de hand drukte,

die de ingenieur hem aanbood, sprak hij:

"En thans, mijnheer, nu gij mijn leven kent, beoordeel het nu!"

De kapitein zinspeelde bij deze woorden op een ernstig voorval,

waarvan de drie vreemdelingen, die bij hem aan boord waren geworpen,

getuigen waren geweest,--een voorval, dat de Fransche professor,

zonder twijfel in zijn werk had medegedeeld en dat iedereen gruwelijk

moest zijn voorgekomen.

Eenige dagen namelijk voordat de professor en zijn metgezellen

ontvluchtten, werd de Nautilus door een fregat, in het noorden van

den Atlantischen Oceaan vervolgd; zij wierp zich als een stormram op

dat fregat en liet het zonder genade zinken.

Cyrus Smith begreep de toespeling en antwoordde niet.

"Het was een Engelsch fregat, mijnheer," riep kapitein Nemo uit,

die voor een oogenblik weder prins Dakkar was geworden, "een Engelsch

fregat, begrijpt gij!? Het viel mij aan! Ik was in een nauwe, ondiepe

baai terug gedrongen!.... Ik moest voorbij, en.... ik ging voorbij!"

Op kalmen toon vervolgde hij:

"Ik was in mijn recht, ik had gelijk. Overal waar ik kon heb ik

welgedaan, maar ook kwaad deed ik waar ik het moest doen. Genade is

niet het hoogste recht!"

Er volgden eenige oogenblikken van stilte na dit antwoord en kapitein

Nemo vroeg voor de tweede maal:

"Wat denkt gij van mij, mijne heeren?"

Cyrus Smith stak den kapitein zijn hand toe en antwoordde op ernstigen

toon:

"Kapitein, gij hebt verkeerd gehandeld door te gelooven dat men

het verleden kon doen herleven en gij hebt gestreden tegen den

onvermijdelijken vooruitgang. Het is een van die dwalingen, die door

sommigen bewonderd, door anderen gelaakt worden, waarover God alleen

kan oordeelen en die het menschelijke verstand moet vrijspreken. Men

kan hem, die dwaalt met een welgemeende bedoeling, bestrijden zonder

op te houden hem te achten. Uwe dwaling is van dien aard, dat zij

bewondering niet uitsluit, en uw naam heeft niets te vreezen van

het oordeel der geschiedenis. Zij buigt zich voor die heldhaftige

dwaasheden, hoewel zij de gevolgen er van veroordeelt."

De borst van kapitein Nemo ging onrustig op en neder, en hij hief

zijn hand ten hemel.

"Heb ik verkeerd, heb ik goed gehandeld?" mompelde hij.

Cyrus Smith hernam:

"Alle groote daden keeren tot God terug, want zij komen van

Hem! Kapitein Nemo, de brave lieden, hier vereenigd, dien gij hebt

bijgestaan, zullen u hun leven lang betreuren!"

Harbert was den kapitein genaderd. Hij knielde, vatte zijn hand en

bracht die aan zijn lippen.

Een traan welde in het oog van den stervende, en hij zeide:

"Wees gezegend, mijn kind!..."

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 29 / 37 题