XXIII.

Drie jaren zijn verloopen.--Een nieuw schip.--Het

besluit.--Voorspoed der kolonie.--De scheepswerf.--De koude

van het zuidelijk halfrond.--Pencroff onderwerpt zich.--De

Franklin-berg.

Drie jaren waren er voorbijgegaan sedert de gevangenen van Richmond

ontvlucht waren, en hoe menigmaal hadden zij gedurende die drie jaren

over hun vaderland gesproken, dat hun altijd voor den geest zweefde!

Zij twijfelden niet of de burgerkrijg was geëindigd, en het scheen

hun onmogelijk, dat de rechtvaardige zaak van het Noorden niet zou

hebben gezegepraald. Maar wat was er in dien vreeselijken oorlog

gebeurd? Hoeveel bloed had hij gekost? Welke vrienden van hen waren

in dien strijd omgekomen? Daarover spraken zij dikwijls, zonder nog de

dag te zien aanlichten, dat het hun gegeven zou zijn in hun vaderland

terug te keeren. Was dit dan een droom, die niet te verwezenlijken was?

Slechts op twee wijzen kon die vurige wensch bewaarheid worden:

of er zou op den een of anderen dag een schip in de nabijheid van

Lincoln komen, of de kolonisten zouden zelf een vaartuig bouwen,

dat sterk genoeg was, om tot de meest nabij gelegen kust zee te houden.

"Wanneer onze genius ons ten minste geen middel geeft om naar ons

vaderland terug te keeren!" zeide Pencroff.

En waarlijk, had men Pencroff en Nab gezegd, dat er een schip van

drie honderd ton in de Ballonhaven op hen wachtte, het zou hun

niet verwonderd hebben. Zij waren in een toestand, dat niets hen

kon verrassen.

Maar Cyrus Smith was minder vertrouwend en raadde hen aan zich bij de

werkelijkheid te houden; hij deed dit vooral met het oog op het schip,

dat gebouwd moest worden. Dit was inderdaad een dringende behoefte,

daar men zoo spoedig mogelijk een bericht naar het eiland Tabor moest

brengen, waarin de nieuwe verblijfplaats van Ayrton werd vermeld.

De Bonadventure bestond niet meer; er zouden dus minstens zes maanden

verloopen, voordat een nieuw schip gereed was. De winter nu was op

handen en de reis zou dus niet voor de volgende lente ondernomen

kunnen worden.

"Wij hebben dus al den tijd om voor het gunstige jaargetijde gereed

te zijn," zeide de ingenieur, die met Pencroff er over sprak. "Ik

geloof, vriend, dat wij nu het beste doen, nu wij toch een ander schip

moeten maken, er een grootere afmeting aan te geven. De komst van het

Schotsche jacht naar het eiland Tabor is niet zeker. Het is zelfs

mogelijk, dat het er verscheiden maanden geleden geweest en weder

vertrokken is, na te vergeefs naar een spoor van Ayrton te hebben

gezocht. Zou het daarom niet beter zijn een vaartuig te bouwen, dat

ons, zoo noodig, naar den polynesischen archipel of naar Nieuw-Zeeland

kan brengen? Hoe denkt gij daar over?"

"Ik denk, mijnheer Cyrus, ik denk, dat gij even goed een groot,

als een klein schip kunt bouwen. Het ontbreekt ons aan hout noch aan

gereedschappen. Het is slechts een quaestie van tijd."

"Hoeveel tijd zou er noodig zijn voor een schip van twee honderd

vijftig à drie honderd ton?" vroeg Cyrus Smith.

"Minstens zeven of acht maanden," antwoordde Pencroff. "Maar gij moet

niet vergeten, dat de winter nadert en dat het hout bij strenge kou

moeilijk te bewerken is. Laten wij dus rekenen op eenige weken staking,

en wij mogen blijde zijn indien ons schip dan met November gereed is."

"Welnu," antwoordde Cyrus Smith, "dat is juist een goede tijd om

een reis van eenig belang, hetzij naar Tabor, hetzij naar een meer

verwijderde kust, te ondernemen."

"Dat is waar, mijnheer Cyrus," antwoordde de zeeman. "Maak dus uw plan,

de werklieden zijn gereed, en ik geloof dat wij aan Ayrton een goede

hulp zullen hebben."

Cyrus Smith deelde zijn plan aan zijn metgezellen mede, die het allen

met hem eens waren.

Cyrus Smith maakte het ontwerp, terwijl de anderen de noodige boomen

uit het bosch van het Verre Westen velden en naar de Schoorsteenen

brachten, waar men de werf zou inrichten.

Het spreekt van zelf dat er op de bergvlakte weldra geen spoor

meer te vinden was van die vreeselijke verwoesting, door de boeven

teweeggebracht. De molen was weder hersteld, evenals de stal en de

andere gebouwen. De hokken voor het gevogelte moesten grooter dan de

eerste maal gemaakt worden, daar het aantal zeer was toegenomen.

Er waren nu vijf onagga's, waarvan vier bereden werden en in het tuig

liepen; het vijfde was nog te jong.

Bij het bewerken van het land gebruikte men nu ook een ploeg die door

de onagga's getrokken werd.

Ayrton deelde voortaan geheel het gemeenschappelijk leven; hij bleef

wel is waar altijd stil en treurig, sprak weinig en deelde meer den

arbeid dan de genoegens zijner metgezellen. Hij was echter geacht en

bemind door alle kolonisten en zij konden met recht zeggen dat het

oogenblik, dat Ayrton op Lincoln kwam, voor hen het gelukkigste was

geweest van hun leven sedert zij Richmond verlieten.

Den 15den Mei zag men de kiel van het nieuwe vaartuig op de werf

liggen; deze kiel was honderd en tien voet lang, daardoor zou men

het schip een breedte van vijf en twintig voet kunnen geven. De

timmerlieden konden echter niet meer vorderen, want met den 10den

Juni viel de strenge koude en het slechte weer in. De arbeid werd

dus gestaakt.

De laatste dagen van die maand waren stormachtig, zoo zelfs dat de

ingenieur verscheiden malen vreesde voor zijn werf,--waaraan hij toch

geen andere plaats in de nabijheid van het Rotshuis had kunnen geven.

Zijn vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind keerde naar het

zuidoosten, zoodat het Rotshuis niet van zijn aanvallen te lijden had.

Cyrus Smith en zijn metgezellen hadden wel ondervonden dat in den

winter de temperatuur op Lincoln zeer laag kon zijn. De koude was

te vergelijken met die, welke zich in de Staten van Nieuw-Engeland

doet gevoelen, dat ongeveer op denzelfden afstand van den evenaar

ligt. Indien op het noordelijk halfrond, of althans op dat gedeelte,

waarin Nieuw-Engeland en het noorden der Vereenigde Staten is gelegen,

dit verschijnsel verklaard wordt door de gesteldheid van den grond, die

zich tot aan de noordpool uitstrekt en waarop geen enkele verhevenheid

beschutting aanbiedt tegen de noordenwinden, voor het eiland Lincoln

kon die verklaring niet gelden.

"Men heeft zelfs opgemerkt," zeide Cyrus Smith eens tot zijn

metgezellen, "dat eilanden en kustlanden op dien breedtegraad minder

van de kou te lijden hebben, dan de binnenlanden. Ik heb dikwijls

hooren verzekeren, dat de winters, in Lombardije bijvoorbeeld, strenger

zijn dan die in Schotland, de oorzaak daarvan zou zijn, dat de zee in

den winter de warmte teruggeeft, die zij des zomers in zich opgenomen

heeft. Dit zal men dus het sterkst op de eilanden ondervinden.

"Maar, mijnheer Cyrus," zeide Harbert, "waarom schijnt het eiland

Lincoln aan deze algemeene wet te ontkomen?"

"Dat is moeilijk te verklaren," antwoordde de ingenieur. "Ik voor mij

zoek de oorzaak van deze uitzondering in de ligging van het eiland

op het zuidelijk halfrond, dat, zooals gij weet, kouder is dan het

noordelijk halfrond."

"Ja," zeide Harbert, "en de ijsschotsen ontmoetten elkander op lager

breedten in het zuiden dan in het noorden van de Stille zee."

"Dat is waar," stemde Pencroff in, "en toen ik nog walvischvaarder was,

heb ik zelfs bij kaap Hoorn menigmaal ijsbergen ontmoet."

"Men zou de strenge koude van Lincoln ook kunnen toeschrijven aan

ijsschotsen of sneeuwklompen, die misschien niet zoo ver verwijderd

zijn als men wel meent," merkte Gideon Spilett op.

De ingenieur was het met Gideon Spilett eens en beiden verdiepten

zich nog langen tijd in dit zonderlinge verschijnsel, zoodat Pencroff

eindelijk aanleiding vond om te zeggen:

"Mijnheer Cyrus, wat zou het een dik boek worden als ge alles eens

wildet opschrijven wat ge wist!"

"En hoeveel dikker boek zou dat worden, waarin ik alles opschreef

wat ik niet wist, Pencroff!" antwoordde Cyrus Smith.

De maand Juni was zeer koud en de kolonisten waren meestal verplicht

binnen het Rotshuis te blijven.

Deze afzondering was geen van allen aangenaam, maar vooral Gideon

Spilett niet, die ook tot Nab zeide:

"Ja Nab, ik zou je bij notarieele akte, al de erfenissen willen geven,

die mij nog te wachten staan, als je mij maar een courant kondt

bezorgen! Wat het meest aan mijn geluk ontbreekt, is 's morgens niet

te weten, wat er den vorigen avond elders is voorgevallen!"

Nab lachte.

"Ik stel in niets belang dan in mijn dagelijksch werk," zeide hij.

De wintermaanden Juni, Juli en Augustus gingen op Lincoln niet onbenut

voorbij. Er was altijd werk in overvloed. Jup was daarbij niet de

minst ijverige. Zijn grootste fout was dat hij erg kouwelijk was;

daarom had men een warm pak voor hem gemaakt.

Pencroff meende dat, wanneer men vier handen tot zijn dienst had

gekregen, men die ook waardig gebruiken en dubbel hard werken moest!

Gedurende de zeven maanden, die verloopen waren, sedert het onderzoek

op het eiland en in den berg, had men niets meer van den genius

van het eiland vernomen. Diens macht openbaarde zich geen enkele

maal. Trouwens het was ook niet noodig, want de kolonisten werden

door niets in hun vreedzaam leven gestoord.

Cyrus Smith merkte zelfs op, dat, zoo er door de rotsmassa heen

gemeenschap had bestaan tusschen den onbekende en de bewoners van het

Rotshuis en zoo Top die als het ware vermoed had, deze gemeenschap

althans in dezen tijd niet bestond.

Nooit bromde de hond meer, evenmin legde de aap eenige onrust aan

den dag. De twee vrienden--want dit waren zij--snuffelden niet meer

om de opening van den put; zij blaften en knorden niet meer op die

zonderlinge wijze, die reeds in het begin de aandacht van den ingenieur

getrokken had. Maar kon deze verzekeren dat dit raadsel uit was en

dat het nooit opgelost zou worden? Kon hij verklaren dat er niet

weder iets zou voorvallen, dat deze geheimzinnige persoon nogmaals

op het tooneel bracht? Wie weet wat er nog voor de toekomst overbleef?

De winter liep ten einde, maar in de eerste lentedagen viel er iets

voor dat ernstige gevolgen kon hebben.

Toen Cyrus Smith den 7den September den top van den berg Franklin

opnam, zag hij eenige rookwolken uit den krater opstijgen, die zich

in de lucht verspreidden!

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 27 / 37 题