XXII.

Ayrton's verhaal.--Het plan zijner vroegere makkers.--Hun

vestiging in de kraal.--De hooge rechter van het eiland.--De

Bonadventure.--Onderzoek bij den Franklinberg.--Onderaardsch

gebrom.--Een antwoord van Pencroff.--Op den bodem van den

krater.--Terugkeer.

Wat was er gebeurd? Wie had de boeven verslagen? Was het Ayrton? Neen,

want een oogenblik te voren vreesde hij door hen overvallen te worden!

Ayrton verkeerde echter in een toestand van verdooving, waaruit men

hem niet kon wekken.

De kolonisten wachtten den ganschen nacht, zonder Ayrton te verlaten,

zonder naar de plaats terug te keeren waar de vijf lijken lagen. Ayrton

zou waarschijnlijk niets weten van de wijze waarop zij waren omgekomen,

omdat hij zelf niet wist dat hij in het huis van de kraal was; maar

hij zou ten minste datgene weten te vertellen wat aan deze vreeselijke

gebeurtenis was vooraf gegaan.

Den volgenden dag ontwaakte hij uit zijn verdooving en de kolonisten

toonden hem hoe gelukkig zij waren, nu zij hem bijna ongedeerd weder

terugvonden, na honderd en vier dagen gescheiden te zijn geweest.

Ayrton vertelde hun in weinig woorden hetgeen voorgevallen was,

of ten minste hetgeen hij wist.

Daags nadat hij in de kraal gekomen was, dus den 10den November,

waren de boeven over de omheining geklommen en hadden hem gedurende

den nacht overvallen. Zij bonden hem; en hij werd meegevoerd naar

een donker hol, aan den voet van den Franklinberg waar de roovers

hun schuilplaats hadden.

Men had zijn dood besloten, en men zou hem den volgenden morgen

ombrengen, toen een der boeven hem herkende en aansprak met den naam,

dien hij in Australië gevoerd had. Deze ellendelingen zouden Ayrton

hebben vermoord! Zij spaarden Ben Joyce.

Zijn vroegere metgezellen wilden hem overhalen om weder een der hunnen

te worden; zij rekenden op hem om zich van het Rotshuis meester te

maken, om in die onbereikbare woning te dringen en meester van het

eiland te worden, na de kolonisten er van te hebben omgebracht!

Ayrton weigerde. Hij zou liever sterven dan zijn metgezellen verraden.

Bijna vier maanden bleef hij geboeid en bewaakt in dat hol.

De boeven hadden de kraal kort na hun aankomst op het eiland ontdekt

en leefden in den omtrek er van, maar woonden er niet.

Den 11den November gaven twee der hunnen vuur op Harbert, toen zij

onverwachts door de twee kolonisten overvallen werden, maar een

keerde slechts terug daar zijn makker onder den dolk van Cyrus Smith

gevallen was.

Men oordeele over de onrust en wanhoop van Ayrton, toen hij dit hoorde

vertellen. Hij meende dat Harbert dood was, dat er nog slechts vier

kolonisten leefden die als het ware aan de genade der boeven waren

overgeleverd!

Gedurende al den tijd dat de kolonisten wegens de ziekte van Harbert

in de kraal bleven, verlieten de zeeroovers hun hol niet en zelfs na

de bergvlakte verwoest te hebben, achtten zij het nog niet voorzichtig

het te verlaten.

Ayrton werd intusschen mishandeld en verwachtte elken dag den dood,

dien hij overtuigd was, niet te kunnen ontkomen.

De derde week van Februari verliep.

Ayrton hoorde niets van zijn vrienden en hij mocht niet meer hopen hen

weder te zien! Toen verviel hij in den toestand van verdooving, waarin

hij niets kon zien, noch hooren. Van dat oogenblik af, dat is te zeggen

sedert twee dagen, kon hij niet meer zeggen wat er voorgevallen was.

"Maar, mijnheer Cyrus," voegde hij er bij, "hoe is het mogelijk dat

ik in de kraal ben, daar ik in het hol gevangen zat?"

"Hoe komt het dat de boeven daar midden in de kraal dood liggen

uitgestrekt?" was de wedervraag van Cyrus Smith.

"Dood!" riep Ayrton uit, terwijl hij, ondanks zijn zwakte, half

overeind rees.

Zijn metgezellen steunden hem. Hij wilde opstaan, zij lieten hem

begaan en allen richtten zich naar de beek.

Het was helder dag.

Op den oever lagen nog de vijf lijken, die plotseling door den dood

getroffen moesten zijn.

Ayrton stond verpletterd. Cyrus Smith en zijn lotgenooten staarden

hem aan zonder een woord te zeggen.

Op een teeken van den ingenieur onderzochten Nab en Pencroff deze

lijken die reeds verstijfd waren door de kou.

Zij droegen geen spoor van verwonding.

Na een nauwkeurig onderzoek vond Pencroff echter aan het voorhoofd

van den eenen, op de borst van den ander, op den schouder van den

derde en op den rug van den vierde een klein rood vlekje, een soort

van buil waarvan men den oorsprong onmogelijk kon bepalen.

"Daar zijn zij getroffen!" zeide Cyrus Smith.

"Maar met welk wapen?" vroeg de reporter.

"Een wapen, dat werkt als de bliksem en waarvan wij het geheim niet

kennen?"

"En wie heeft hen op die wijze gedood?" vroeg Pencroff.

"De hooge rechter van het eiland," antwoordde Cyrus Smith, "hij die

Ayrton hier heeft gebracht; hij, wiens macht zich nogmaals heeft

geopenbaard, hij, die alles voor ons doet wat wij zelf niet kunnen

doen, en die zich vervolgens voor ons verbergt."

"Laten wij hem dan zoeken," zeide Pencroff.

"Ja, laten wij hem zoeken," antwoordde Cyrus Smith, "maar dat verheven

wezen, dat zulke wonderen verricht zullen wij niet vinden, dan wanneer

het hem behaagt ons tot zich te roepen."

Deze onzichtbare beschermer, die hunne eigen daden tot niets maakte,

ergerde en trof den ingenieur tegelijkertijd. De betrekkelijke

minderheid, waarin zij daardoor gebracht werden moest zijn hooghartig

gemoed wel pijnlijk aandoen. Een edelmoedige, die te werk ging op

eene wijze die elk blijk van dankbaarheid uitsloot, gaf een soort

van minachting te kennen voor hen, die de weldaden ontvingen, en

verminderde, volgens Cyrus Smith, in zeker opzicht de waarde van

de weldaad.

"Laten wij zoeken," zeide hij, "en God geve dat wij eenmaal aan onzen

hoogen beschermer mogen toonen dat hij niet met ondankbaren te doen

heeft! Wat zou ik niet geven om hem toch te kunnen vergelden wat hij

voor ons deed, en hem op onze beurt, ware het ook ten koste van ons

leven, een dienst te kunnen bewijzen!"

Van dien dag af was dit onderzoek de eenige bezigheid der bewoners

van het eiland Lincoln. Alles noopte hen het woord te ontdekken dat

het raadsel zou oplossen en dat woord kon slechts de naam zijn van

een man, die begaafd was met een waarlijk onverklaarbare en zelfs

bovennatuurlijke macht.

De kolonisten keerden weder in het huis terug waar Ayrton door hun

zorg zijn lichamelijke en geestelijke krachten herkreeg.

Nab en Pencroff brachten de lijken naar het bosch, waar zij ze diep

onder den grond begroeven.

Ayrton werd vervolgens op de hoogte gesteld van hetgeen er gedurende

zijn afwezigheid was voorgevallen.

"Maar nu," zeide Cyrus Smith toen zijn verhaal geëindigd was. "De

helft van onze taak is vervuld, maar indien de boeven niet meer zijn

te vreezen, hebben wij het niet aan ons zelven te danken dat wij

meester van het eiland zijn."

"Welnu!" antwoordde Gideon Spilett, "laten wij den doolhof in den

berg Franklin verkennen! Laten wij geen hoekje ondoorzocht laten! Als

ooit een reporter tegenover een treffend geheim gestaan heeft, ben

ik het wel."

"En wij zullen niet naar het Rotshuis terugkeeren, voordat wij onzen

weldoener gevonden hebben," voegde Harbert er bij.

"Ja!" zeide de ingenieur, "wij zullen alles doen wat in onze macht

is.... maar ik herhaal het, wij zullen hem niet vinden of hij zelf

moet het toestaan!"

"Zullen wij in de kraal blijven?" vroeg Pencroff.

"Laten wij er blijven," antwoordde Cyrus Smith, "er is provisie

genoeg, en wij zijn in het middelpunt van onze verkenningen. Wanneer

het noodig is kan de wagen snel genoeg naar het Rotshuis rijden.

"Goed," zeide de zeeman. "Eén opmerking slechts."

"Welke?"

"Het goede jaargetijde loopt ten einde, en wij moeten niet vergeten

dat wij nog een tocht op zee te doen hebben."

"Op zee?" vroeg Gideon Spilett.

"Ja, naar het eiland Tabor," antwoordde Pencroff. "Wij moeten er een

bericht brengen, dat de ligging van ons eiland aangeeft, opdat men

wete waar Ayrton zich bevindt voor het geval dat het Schotsche jacht

terug mocht komen om hem te halen."

"Maar, Pencroff," vroeg Ayrton, "hoe zult gij deze reis maken?"

"Met de Bonadventure!"

"De Bonadventure!" riep Ayrton uit.... "Die bestaat niet meer."

"Bestaat mijn Bonadventure niet meer!" schreeuwde Pencroff terwijl

hij opvloog.

"Neen," antwoordde Ayrton. "De boeven hebben haar in de kleine haven

ontdekt, nu ongeveer acht dagen geleden, zij hebben zee gekozen,

en...."

"En?" vroeg Pencroff ademloos.

"En daar zij Bob Harvey niet meer hadden om te sturen, zijn zij tegen

de rotsen geslagen en het schip werd geheel verbrijzeld!"

"O! die ellendelingen! die roovers! die schurken!" barstte Pencroff

uit.

"Pencroff," zeide Harbert, terwijl hij de hand van den zeeman vatte,

"wij zullen een andere Bonadventure maken, een grootere! Wij hebben

al het ijzer en touwwerk van de brik tot onze beschikking!"

"Maar weet gij wel," antwoordde Pencroff, "dat wij minstens vijf of zes

maanden noodig hebben om een schip van dertig à veertig ton te bouwen?"

"Wij hebben den tijd voor ons," antwoordde de reporter, "en wij zullen

dit jaar van onze reis naar het eiland Tabor afzien."

"Wat wilt gij, Pencroff, wij moeten er in berusten," zeide de

ingenieur, "en ik hoop dat dit uitstel voor ons geen kwade gevolgen

zal hebben."

"O! mijn Bonadventure! mijn arme Bonadventure!" riep Pencroff wanhopend

onder het verlies van zijn vaartuig, waarop hij zoo trotsch was!

Het verlies van de Bonadventure was inderdaad een vreeselijke slag

voor de kolonisten, en er werd besloten dien zoo snel mogelijk te

herstellen. Vooreerst moest men echter de geheimzinnigste plaatsen

van het eiland verkennen.

Nog denzelfden dag, 19 Februari, begon men er mee. De geheele week

zocht men tevergeefs; nergens hoorde of zag men iets, tot eindelijk de

ingenieur, vergezeld van Gideon Spilett, in een van die onderaardsche

holen kwamen, die zich tot op honderd voet in den berg uitstrekten;

daar hoorden zij een dof gerommel, dat door de echo der rotsen nog

sterker klonk.

Cyrus Smith meende dat het de werking was van onderaardsch vuur.

"Is de vulkaan dan niet geheel uitgedoofd?" vroeg de reporter.

"Het is mogelijk dat, na ons onderzoek van den krater, er van binnen

weder werking is ontstaan. Elke vulkaan, al meent men dat hij is

uitgedoofd, kan weder gaan werken."

"Maar, wanneer er een uitbarsting van den Franklin-berg op handen is,"

vroeg Gideon Spilett, "is er dan geen gevaar voor het eiland Lincoln?"

"Ik geloof het niet," antwoordde de ingenieur. "De krater, dat is te

zeggen, de veiligheidsklep, bestaat, en de overvloedige damp en lava

zal, zooals vroeger, ontsnappen door den gewonen uitweg."

"Wanneer de lava zich maar niet een nieuwen weg baant naar het

vruchtbare gedeelte van het eiland!"

"Waarom, mijn waarde Spilett," vroeg Cyrus Smith, "waarom zou zij

den weg niet volgen, die haar door de natuur gebaand is?"

"O! de vulkanen zijn wispelturig!" antwoordde de reporter.

Toen Gideon Spilett en de ingenieur weder uit de grot kwamen, vertelden

zij hun metgezellen hetgeen zij hadden waargenomen.

"Goed!" zeide Pencroff, "laat die vulkaan maar begaan! Maar als hij

het waagt! Hij zal zijn meester vinden!...."

"In wien?" vroeg Nab.

"In onzen genius, Nab, in onzen genius, die hem zijn krater zal

sluiten, als hij het waagt dien te openen!"

Het vertrouwen van Pencroff in den genius van het eiland was

onbegrensd, en diens macht scheen waarlijk eindeloos door de vele

onverklaarbare daden, welke hij volbracht had; maar hij wist aan de

nasporingen der kolonisten te ontkomen, want ondanks al hun pogingen,

al hun ijver, ja meer dan ijver, en de volharding die zij bij hun

onderzoek aan den dag legden, werd de geheimzinnige schuilplaats

niet ontdekt.

Tot den 25sten Februari doorzocht men het geheele noordelijke gedeelte

van het eiland; duinen en rotsen werden beklommen, zij daalden in de

donkerste holen en geheimzinnigste spelonken af.

Niemand! Niets.

Men moest er nu aan gaan denken om terug te keeren, daar het onderzoek

niet altijd door kon duren. De kolonisten hadden waarlijk recht te

gelooven dat het geheimzinnige wezen niet op het eiland verblijf

hield, en vooral Pencroff en Nab begonnen aan bovennatuurlijke dingen

te denken.

Den 25sten Februari betraden de kolonisten weder het Rotshuis. En

door middel van een dubbele koord die door een pijl op het portaal

voor de deur werd geworpen, herstelden zij de gemeenschap tusschen

hun woning en den bodem.

Den 25sten Maart vierden zij den derden verjaardag van hun komst op

het eiland.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 26 / 37 题