Onoplosbaar geheim.--Beterschap van Harbert.--Nog onbezochte
streken.--Toebereidselen voor het vertrek.--Eerste dag.--De
nacht.--Tweede dag.--Voetstappen in het bosch.--Aankomst op
kaap Hagedis.
Gideon Spilett nam het doosje en opende het. Het bevatte twee honderd
grein van een wit poeder, dat hij aan de lippen bracht. De scherp
bittere smaak van deze zelfstandigheid liet hem geen oogenblik in
twijfel. Het was de kostbare quinine, het geneesmiddel der koorts
bij uitnemendheid.
Men moest zonder dralen dit poeder aan Harbert ingeven. Men kon later
bespreken hoe het er gekomen kon zijn.
"Koffie!" vroeg Gideon Spilett.
Nab bediende hem zoo snel mogelijk; de reporter wierp ongeveer 10
gram van de quinine in de koffie, die hij vervolgens aan Harbert
liet drinken.
Het was nog niet te laat, want de derde aanval van koorts had zich
nog niet herhaald!
En tot geruststelling kan gezegd worden, dat deze derde aanval zich
niet voordeed.
Allen hadden weder hoop gekregen. De geheimzinnige macht had zich
weder geopenbaard, en op een oogenblik waarop men aan haar wanhoopte!
Na verloop van eenige uren sliep Harbert rustiger in. De kolonisten
konden toen over dit voorval spreken. De tusschenkomst van den
onbekende was nu duidelijker dan ooit. Maar hoe had hij in den nacht
tot binnen het Rotshuis kunnen dringen? Dit was onverklaarbaar, en
de wijze waarop de "Genius van het eiland" te werk ging, was even
wonderbaarlijk als de Genius zelf.
Om de drie uur werd Harbert de quinine ingegeven.
Reeds den volgenden dag bemerkte men verbetering in den toestand. Hij
was wel is waar nog niet genezen en de koorts zou zich nog wel
herhalen, maar het ontbrak hem niet aan hulp. Het geneesmiddel was
immers bij de hand en waarschijnlijk hij, die het gegeven had, niet
ver verwijderd! In éen woord, ieders hart was weder met hoop vervuld!
Deze hoop werd niet teleurgesteld. Tien dagen later begon Harbert
te herstellen. Pencroff was buiten zich zelf van vreugde en wist
niet op welke wijze zijn dankbaarheid te toonen aan Gideon Spilett,
dien hij van nu af dokter Spilett noemde.
Nu moest men echter den waren geneesheer ontdekken.
"Wij zullen hem wel vinden," zeide de zeeman.
En deze man kon rekenen op een omhelzing, zooals Pencroff alleen in
staat was die te geven.
De maand December verliep en met deze het jaar 1867, waarin de
kolonisten van het eiland Lincoln zoo zwaar beproefd werden.
Gedurende al dien tijd waren de boeven niet weder in den omtrek van
het Rotshuis verschenen. Van Ayrton hoorde men niets, en hoopten
ook de ingenieur en Harbert hem terug te vinden, hun metgezellen
twijfelden niet of de ongelukkige was omgekomen. Men kon echter niet
in die onzekerheid blijven, en zoodra Harbert voldoende hersteld zou
zijn, wilde men een verkenning ondernemen, waarvan de uitslag van
het hoogste gewicht moest zijn.
De maand Januari werd besteed om de bergvlakte weder in orde te
brengen; Cyrus Smith wilde echter nog wachten met het hernieuwen van
den molen, den stal en de andere gebouwen, daar een tweede bezoek
van de roovers op de vlakte niet onmogelijk was.
Harbert was in de laatste helft der maand in zoover hersteld, dat
hij op de bergvlakte mocht wandelen. Eenige zeebaden, die hij met
Pencroff en Nab had genomen, hadden niet weinig tot zijn herstel
bijgebracht. Cyrus Smith bepaalde den dag van hun vertrek op 15
Februari.
Er werden reeds de noodige maatregelen voor deze reis genomen, want
de kolonisten waren vast besloten het Rotshuis niet meer te betreden,
voordat hun doel bereikt was: zij wilden vooreerst de boeven verjagen
en Ayrton vinden, indien hij nog leefde; in de tweede plaats hem
ontdekken, die zoo blijkbaar een beslissenden invloed op het lot der
kolonisten uitoefende.
Bij het aanbreken van den dag van 15 Februari begaven zich allen,
behalve Pencroff, die zou sluiten, buiten het Rotshuis.
Er was overeengekomen, dat niemand in de woning zou achterblijven. Jup
en Top maakten alzoo deel uit van de expeditie. De ladders van het
Rotshuis, die vroeger gebruikt waren, werden naar de Schoorsteenen
gebracht en diep onder het zand begraven, zoodat men ze bij de
terugkomst kon gebruiken, want de hijschmachine was geheel afgenomen
en elke inval in het Rotshuis dus schier onmogelijk.
Daarna liet Pencroff zich door middel van een touw op den grond zakken.
Het was prachtig weer.
"Het zal een warm dagje worden!" zeide de reporter vroolijk.
"Kom, kom! dokter Spilett!" antwoordde Pencroff, "wij loopen in de
schaduw en zullen zelfs de zon niet te zien krijgen!"
"Voorwaarts!" zeide de ingenieur.
Op de kust, bij de Schoorsteenen, wachtte het wagentje met de onagga's
bespannen, waarin zich levensmiddelen, verschillende werktuigen,
wapenen en munitie bevonden. Nab had voor een draagbare keuken gezorgd
en de reporter voor alles wat noodig was om in korten tijd een kamp
op te slaan.
Gideon Spilett had er op aangedrongen, dat Harbert, ten minste
gedurende de eerste uren van den tocht zou rijden, en de jongeling
moest zich wel aan het voorschrift van zijn geneesheer onderwerpen.
Nab ging naast de onagga's. Cyrus Smith, de reporter en de zeeman
stapten vooruit. Top sprong van den een naar den ander. Harbert had Jup
een plaats naast hem aangeboden, die deze zonder aarzelen aannam. De
ingenieur herhaalde zijn bevel en de stoet zette zich in beweging.
Nadat men den linkeroever van de Mercy een mijl gevolgd had, begaven
zij zich in het dichte bosch van het Verre Westen.
In het bosch zagen zij weder die viervoetige en gevleugelde dieren, die
zij ook op hun eersten tocht ontmoet hadden en Cyrus Smith merkte op:
"Ik geloof, dat zoowel de viervoetige als gevleugelde dieren
vreesachtiger zijn dan vroeger. Die bosschen zijn kort geleden door
de boeven doorkruist en wij zullen er zeker hun spoor vinden."
Men zag inderdaad op verscheiden plaatsen sporen van een aantal
menschen: hier was een tak van een boom afgebroken, misschien met het
doel om den weg te herkennen; daar lag asch van een uitgedoofd vuur,
en de indruk van voeten in een vochtig gedeelte van den grond. Maar
niets duidde aan, dat ergens een langdurig kamp was opgeslagen.
De ingenieur had zijn metgezellen verboden om te jagen. De
geweerschoten zouden de aandacht der boeven getrokken hebben, die
misschien in het bosch ronddoolden. Bovendien als men op wild jacht
maakte, zou men allicht afdwalen en het was streng verboden zich van
den gemeenschappelijken stoet te verwijderen.
Toen men ongeveer zes mijlen van het Rotshuis verwijderd was, werd het
bosch dichter en het voortgaan moeilijker. Men moest boomen vellen
om zich een weg te banen. Cyrus Smith zond echter vooraf Top en Jup
in dat dikke kreupelhout, en kwamen zij terug zonder dat zij iets te
kennen gaven, dan had men ook niets te vreezen, noch van de boeven,
noch van wilde dieren.
Dien avond kampeerden de kolonisten op ongeveer negen mijlen van het
Rotshuis, aan den oever van een kleinen zijtak van de Mercy.
Men gebruikte een flink maal, want de kolonisten waren uitgehongerd en
daarop werden de noodige maatregelen genomen, opdat de nacht rustig
zou voorbijgaan. Wanneer de ingenieur slechts te doen had gehad met
wilde dieren, jaguars of anderen, dan zou hij rondom zijn kamp vuren
hebben aangelegd, hetgeen voldoende verdediging geweest ware; maar de
boeven zouden er eerder door aangetrokken dan teruggehouden worden,
en daarom was het beter dat men in de diepste duisternis bleef.
Twee kolonisten zouden samen waken en om de twee uur hun makkers
wekken. Daar Harbert, ondanks zijn verzet, uitgesloten werd, hadden
Pencroff en Gideon Spilett en de ingenieur met Nab beurtelings
de wacht.
De nacht ging voorbij zonder dat er iets voorviel en de tocht door
het bosch werd voortgezet.
Dien dag kon men slechts zes mijlen afleggen daar men zich letterlijk
met de bijl een weg moest banen.
Hier en daar vond men nog sporen van de boeven. Bij een vuur dat kort
geleden scheen uitgebluscht, zagen de kolonisten voetstappen die zij
aandachtig opnamen. Door van alle de lengte en breedte te meten vond
men gemakkelijk de indrukken van vijf menschen terug. De vijf boeven
hadden daar waarschijnlijk gekampeerd, maar--en dit werd nauwkeurig
onderzocht--men kon den zesden voetstap niet vinden, die in dat geval
van Ayrton moest geweest zijn.
"Ayrton was niet bij hen!" zeide Harbert.
"Neen," antwoordde Pencroff, "en dat hij niet bij hen was, is omdat
die schurken hem reeds gedood hebben! Maar hebben die ellendelingen
dan geen hol, dat men ze als tijgers kan vervolgen!"
"Neen," zeide de reporter. "Het is zeer waarschijnlijk, dat zij
rondzwerven en het is hun belang om zoo lang rond te dwalen tot op
het oogenblik dat zij meester van het eiland zijn."
"Meester van het eiland!" riep de zeeman uit. "Meester van het
eiland!...." herhaalde hij, en zijn stem was gesmoord alsof zijn keel
met een ijzeren vuist werd toegeknepen. Toen zeide hij kalmer:
"Weet gij, mijnheer Cyrus, welken kogel ik in mijn geweer heb?"
"Neen, Pencroff."
"De kogel, die de borst van Harbert doorboord heeft, en ik verzeker u,
dat deze zijn doel niet zal missen!"
Maar deze rechtvaardige wraak kon het leven niet aan Ayrton teruggeven
en door het onderzoek der voetstappen moest men wel tot de overtuiging
komen, dat er geen hoop meer bestond hem ooit terug te zien.
Dien avond werd het kamp op veertien mijlen van het Rotshuis opgeslagen
en Cyrus Smith meende dat men niet meer dan vijf mijlen van kaap
Hagedis kon verwijderd zijn.
Den volgenden dag bereikte men dan ook het schiereiland; het bosch was
in zijn geheele lengte doorsneden, maar men had geen spoor gevonden
van de schuilplaats der boeven, noch van de plek waar de geheimzinnige
onbekende verblijf hield.