Harbert in het Rotshuis.--Nab verhaalt wat er heeft plaats
gehad.--Bezoek van Cyrus Smith aan de vlakte.--Verwoesting.--De
kolonisten weerloos tegen de ziekte.--De schors van den
wilg.--Een doodelijke koorts.--Top blaft weder.
Noch aan de boeven, noch aan het gevaar dat het Rotshuis dreigde,
noch aan de verwoesting van de bergvlakte, werd meer gedacht. De
toestand van Harbert eischte op dat oogenblik ieders aandacht. Zou
het vervoeren noodlottig voor hem geweest zijn en zijn wonden zich
weder geopend hebben? De reporter kon het nog niet zeggen, maar hij
en zijn lotgenooten waren wanhopend.
Harbert werd zoo voorzichtig mogelijk binnen het Rotshuis
gebracht. Door de goede zorgen kwam hij weldra weder bij. Hij
glimlachte even, toen hij zag, dat hij weer in zijn eigen kamer lag,
maar was zoo verzwakt, dat hij nauwelijks een woord kon uiten.
Gideon Spilett onderzocht zijn wonden. Zij waren niet weder opengegaan,
zooals hij gevreesd had, daar zij nog niet voldoende geheeld
waren. Vanwaar dan die instorting? Waardoor was Harbert verergerd?
De reporter en Pencroff bleven bij het bed, terwijl de knaap
koortsachtig insliep.
Cyrus Smith vertelde intusschen aan Nab, wat er in de kraal was
voorgevallen en Nab verhaalde zijn meester wederkeerig hetgeen op de
bergvlakte gebeurd was.
Eerst den vorigen nacht hadden de boeven zich aan den zoom van het
bosch vertoond. Nab, die bij het gevogelte waakte, had niet geaarzeld
op een van die zeeroovers, die de beek wilde oversteken, vuur te
geven; maar in dien stikdonkeren nacht, had hij niet geweten of de
ellendeling getroffen was. Het was in ieder geval niet voldoende
geweest om de bende af te weren en Nab had nog maar juist den tijd
gehad om naar het Rotshuis terug te keeren, waar hij zich ten minste
in veiligheid bevond.
Maar wat te doen? Hoe de verwoesting te beletten, waarmede de boeven
de bergvlakte bedreigden? Had Nab een middel om zijn meester te
waarschuwen? En in welken toestand bevonden zich de bewoners van de
kraal op dat oogenblik?
De ingenieur was op 11 November vertrokken en nu was het den
29sten. Negentien dagen lang had Nab dus geen ander bericht gehad,
dan dat hetwelk hem door Top gebracht was. Ayrton verdwenen, Harbert
ernstig gewond, de ingenieur, de reporter en de zeeman, als het ware
in de kraal gevangen!
Nab was radeloos en wist niet wat te doen, toen hij eindelijk op de
gedachte kwam Jup te gebruiken, en deze een bericht toe te vertrouwen.
Jup begreep het woord "kraal" en kende den weg. Het was nog geen
dag. De vlugge aap zou wel onopgemerkt door het bosch komen en de
boeven zouden in ieder geval meenen dat hij daar in thuis hoorde.
Nab aarzelde niet. Hij schreef het briefje en bond het aan den hals
van Jup, bracht den aap buiten het Rotshuis en herhaalde een paar
maal de woorden:
"Jup! Jup! kraal! kraal!"
Het dier begreep het, liet zich langs het koord afglijden en verdween
binnen weinige oogenblikken in de duisternis, zonder dat het de
aandacht der boeven getrokken had.
"Gij hebt goed gehandeld, Nab," zeide Cyrus Smith, "maar gij hadt
misschien nog beter gedaan met ons niet te waarschuwen."
Cyrus Smith dacht bij deze woorden aan Harbert, wiens toestand zeer
verergerd scheen door het vervoeren.
Nab vertelde vervolgens, dat de boeven zich niet weer vertoond
hadden. Daar zij het aantal bewoners van het eiland niet kenden,
dachten zij misschien dat het Rotshuis door een aanzienlijken troep
verdedigd werd. De bergvlakte lag echter buiten de geweerschoten van
het Rotshuis en daarop konden zij zich derhalve wagen. Daar richtten
zij de vreeselijke verwoesting aan, die Pencroff schier tot wanhoop
had gebracht en verlieten de bergvlakte slechts een half uur vóor de
komst der kolonisten, welke zij nog in de kraal gevangen waanden.
Nab had zijn schuilplaats verlaten. Hij was naar de bergvlakte gegaan,
op gevaar af door een kogel getroffen te worden, om te trachten
den brand te blusschen; hij had, maar tevergeefs, tegen de vlammen
gestreden, tot op het oogenblik, dat zijn metgezellen zich aan den
zoom van het bosch vertoonden.
De tegenwoordigheid der boeven was een bestendige bedreiging voor
de kolonisten van het eiland Lincoln, die tot nog toe zoo gelukkig
geleefd hadden, maar nog op grooter rampen bedacht moesten zijn!
Gideon Spilett bleef in het Rotshuis bij Harbert en Pencroff, terwijl
Cyrus Smith, vergezeld van Nab, zelf wilde gaan zien welken omvang
de verwoesting had.
De beide mannen volgden de Mercy, maar zagen niets dat hun verdacht
voorkwam.
Mogelijk wisten de boeven, dat de kolonisten weder in het Rotshuis
waren, daar zij hen wellicht hadden zien aankomen van de kraal;
of wel, zij waren na de verwoesting van de bergvlakte in het bosch
gevlucht en hadden niets van de terugkomst bemerkt.
In het eerste geval zouden de roovers naar de kraal gaan, die nu
onverdedigd was en die zulk een kostbare prooi voor hen bevatte.
In het tweede geval zouden zij waarschijnlijk naar hun kampplaats
terugkeeren en een goede gelegenheid afwachten om nogmaals den aanval
te wagen.
Het beste ware hen te voorkomen; maar elke onderneming om het eiland
van die schurken te bevrijden, hing geheel af van den toestand van
Harbert. Cyrus Smith had inderdaad al zijn krachten wel noodig,
en niemand mocht op dit oogenblik het Rotshuis verlaten.
De ingenieur en Nab kwamen op de bergvlakte. De velden waren
platgetrapt en de oogst was verwoest. Gelukkig bezat men zaad genoeg
om deze schade te herstellen.
De molen, de stal en andere gebouwen waren allen door de vlammen
verteerd. Enkele dieren, die gevlucht waren, dwaalden nog over de
bergvlakte. De vogels, die gedurende den brand naar het meer de wijk
hadden genomen, keerden reeds weder naar hun woning terug. Alles zou
daar opnieuw gebouwd moeten worden.
Cyrus Smith zag bleeker dan gewoonlijk; inwendig ziedde zijn toorn,
die hij met moeite bedwong, maar hij sprak geen woord. Hij wierp een
laatsten blik op zijn verwoeste velden, op de rookwolken, die nog
uit de bouwvallen opstegen en keerde toen naar het Rotshuis terug.
De volgende dagen waren treuriger dan de kolonisten nog op het eiland
beleefd hadden. De toestand van Harbert werd slimmer, hij begon reeds
te ijlen en men had geen andere geneesmiddelen dan verfrisschende
dranken. De koorts was nog niet hevig, maar zij keerde weldra op
bepaalde tijden terug.
Den 6den December zeide Gideon Spilett tot Cyrus Smith:
"Men moet haar tegengaan, wij moeten iets hebben dat de koorts doet
afnemen, maar wij bezitten geen kina."
"Neen," hernam Gideon Spilett, "maar aan den oever van het meer staan
wilgen, en de bast van den wilgeboom kan somtijds de kina vervangen."
"Laten wij dit onmiddellijk beproeven!" antwoordde de ingenieur.
Cyrus Smith ging zelf de schors halen; hij stampte haar vervolgens
fijn en nog denzelfden avond gaf men Harbert het poeder in.
Dien nacht en den volgenden dag bleef de koorts weg. Pencroff kreeg
weder eenige hoop. Gideon Spilett echter zeide niets.
Er vertoonden zich andere verschijnselen, die de reporter ten hoogste
verontrustten. Het verstand van Harbert werd meer en meer beneveld
en hij begon erger te ijlen.
Gideon Spilett riep den ingenieur ter zijde.
"Het is een zenuwkoorts!"
"Een zenuwkoorts!" riep Cyrus Smith uit. "Gij vergist u, Spilett. Een
zenuwkoorts komt niet plotseling op...."
"Ik vergis mij niet," antwoordde de reporter. "Harbert heeft de
kiem er van reeds in het bosch gekregen. Hij heeft toen den eersten
aanval er van gehad. Komt er een tweede en voorkomen wij een derde
niet.... dan is hij verloren!...."
"Maar de schors van den wilgeboom."
"Die is niet krachtig genoeg," antwoordde de reporter, "en voorkomt
men hem niet, dan is een derde aanval van die koorts altijd doodelijk!"
Pencroff had dit gesprek gelukkig niet gehoord. Hij zou krankzinnig
zijn geworden.
Men begrijpt in welke onrust de ingenieur en de reporter den 7den
December en den volgenden nacht doorbrachten.
Midden op den dag herhaalde zich de aanval. De crisis was
vreeselijk. Harbert voelde dat hij verloren was! Hij strekte zijn
armen uit naar Cyrus Smith, naar Spilett, naar Pencroff!.... Hij wilde
niet sterven!.... Het was een hartverscheurend schouwspel! Men moest
Pencroff verwijderen.
Deze aanval duurde vijf uur. Harbert zou blijkbaar een derden niet
kunnen doorstaan. Hij ijlde den ganschen nacht.... verviel dan weder
in een toestand van verdooving, zoodat Gideon Spilett verscheiden
malen dacht dat hij bezweken was; hij zeide tot Cyrus Smith:
"Als wij hem vóor morgen niet een krachtiger tegenmiddel geven,
dan is Harbert dood!"
De nacht brak aan,--waarschijnlijk de laatste nacht van dat moedige,
verstandige, goede kind, van wien allen evenveel hielden! Het eenige
geneesmiddel tegen die vreeselijke koorts, het eenige kruid, waardoor
men haar tegen kon gaan, was op het eiland Lincoln niet te vinden. Den
nacht van 8 op 9 December bracht hij ijlende door. Zijn brein was
geheel beneveld, zijn hersens waren aangetast, hij kon reeds niemand
meer herkennen.
Zou hij in het leven blijven tot den volgenden dag, tot dien
derden aanval, die hem in ieder geval zou dooden? het was niet
waarschijnlijk. Zijn krachten waren uitgeput, en wanneer hij zonder
koorts was, lag hij, als het ware, bewusteloos.
Tegen drie uur in den morgen uitte Harbert een schellen kreet. Hij
scheen aan een vreeselijk zenuwtoeval ten prooi. Nab, die bij
hem waakte, snelde verschrikt naar de aangrenzende kamer, om zijn
metgezellen te wekken.
Op dat oogenblik blafte Top op zonderlinge wijze....
Allen gingen onmiddellijk naar binnen en hielden den stervenden knaap
vast, die uit zijn bed wilde springen. Gideon Spilett vatte zijn arm
en voelde dat zijn pols zich langzamerhand herstelde....
Het was vijf uur in den morgen. De eerste stralen der opkomende zon
drongen door de vensters van het Rotshuis. Het zou een prachtige dag
worden.... de laatste levensdag van den armen Harbert!....
Er viel een zonnestraal op de tafel naast het bed.
Pencroff uitte een kreet en wees op iets dat op die tafel stond....
Het was een langwerpig doosje, op welks deksel stond:
Sulphas quinine.