XVIII.

De boeven in den omtrek der kraal.--Voorloopige

vestiging.--Voortzetting van Harberts verpleging.--De eerste

juichtonen van Pencroff.--Terugkeer tot het verleden.--Wat

de toekomst geven zal.--Meening van Cyrus Smith daaromtrent.

Harbert genas langzaam; men kon hem echter nog niet naar het Rotshuis

vervoeren.

Van Nab kreeg men geen tijding maar men verontrustte zich niet over

hem. De wakkere neger zou, in het Rotshuis verborgen, zich niet

laten overvallen. Top was niet weder naar hem toegezonden, daar men

het onnoodig achtte den trouwen hond opnieuw aan een kogel bloot

te stellen.

Men moest dus wachten, maar de kolonisten verlangden weder in het

Rotshuis te zijn. Het speet den ingenieur dat hij zijn macht zag

verdeelen, want dit was in het voordeel van de zeeroovers. Sedert

het verdwijnen van Ayrton waren zij nog slechts vier tegen vijf,

want Harbert kon men niet meer meerekenen, hetgeen den knaap zeer

verdriette, daar hij begreep, dat hij de schuld van alles was.

Den 24sten November werd door Cyrus Smith en Gideon Spilett de quaestie

behandeld, hoe men tegen de bandieten te werk moest gaan.

"Ik geloof," zeide Gideon Spilett, nadat er gesproken was over de

onmogelijkheid om met Nab gemeenschap te hebben, "dat, wanneer wij

ons op weg waagden, wij gevaar zouden loopen een kogel te ontvangen,

zonder dien te kunnen beantwoorden. Maar gelooft gij niet, dat het

nu het beste is om een bepaalde jacht op deze ellendelingen te maken!"

"Dat meen ik ook," zeide Pencroff. "Wij zijn, geloof ik, niet bang

voor een kogel, en als mijnheer Cyrus het toe wil staan, ben ik gereed

mij in het bosch te begeven. "Een man kan een man staan!"

"Maar kan hij er vijf staan?" vroeg de ingenieur.

"Ik voeg mij bij Pencroff," zeide de reporter, "en wij beiden goed

gewapend en van Top vergezeld...."

"Beste Spilett en gij, Pencroff," hernam Cyrus Smith, "redeneert

toch kalm. Zijn de boeven ergens op het eiland verborgen, en was

hunne schuilplaats ons bekend, dan behoefden wij hen slechts te

overvallen. Maar moeten wij integendeel niet vreezen dat zij het

eerste schot zullen doen?"

"O, mijnheer Cyrus, een kogel treft niet altijd waar men hem heen

zendt!"

"Die, welke Harbert getroffen heeft, miste geen streep, Pencroff,"

antwoordde de ingenieur. "Maar wanneer gij beiden de kraal verlaat,

blijf ik hier immers alleen om haar te verdedigen. Staat gij er voor

in dat de boeven niet zullen zien dat gij u verwijdert, dat zij u

in het bosch zullen laten ronddolen en in uwe afwezigheid de kraal

aanvallen, wel wetende dat er zich slechts een gewond kind en één

man in bevinden."

"Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus," antwoordde Pencroff, "gij hebt

gelijk. Zij zullen alles in het werk stellen om de kraal weder meester

te worden, daar zij weten dat zij goed voorzien is! En alleen zoudt

gij het niet tegen hen kunnen volhouden! Waren wij toch maar in

het Rotshuis!"

"Wanneer wij in het Rotshuis waren zou de toestand geheel anders

zijn," zeide Cyrus Smith. "Ik zou daar niet vreezen Harbert met

een van ons achter te laten, en de drie anderen konden de bosschen

doorkruisen. Maar wij zijn in de kraal, en moeten er blijven tot op

het oogenblik dat wij haar gezamenlijk zullen kunnen verlaten!"

Cyrus Smith had gelijk en zijn metgezellen begrepen het.

"Was Ayrton maar bij ons!" zeide Gideon Spilett. "Arme kerel! Zijn

terugkeer tot het maatschappelijk leven zal van korten duur geweest

zijn!"

"Als hij dood is?...." voegde Pencroff er op zonderlingen toon bij.

"Hoopt gij dan nog, Pencroff, dat die schurken hem gespaard

hebben?" vroeg Gideon Spilett.

"Ja, als zij er belang bij hadden om hem te sparen!"

"Wat! zoudt gij dan veronderstellen dat Ayrton, bij het vinden van

zijn vroegere metgezellen, alles vergeten zou hebben wat hij ons

verplicht is?"

"Wie weet!" antwoordde de zeeman, die niet zonder aarzelen deze

meening uitte.

"Pencroff," zeide Cyrus Smith, terwijl hij diens arm vatte, "dat is

een leelijke gedachte van u, en het zou mij hinderen u nog langer

zoo te hooren spreken. Ik sta in voor de trouw van Ayrton!"

"Ik ook," voegde de reporter er levendig bij.

"Ja.... ja.... mijnheer Cyrus.... ik heb ongelijk," antwoordde

Pencroff. "Het was inderdaad een slechte gedachte, die ik daar had en

zij wordt door niets gerechtvaardigd. Maar, ziet gij! Ik weet soms

zelf niet meer wat ik zeg; die gevangenschap in de kraal hindert

mij vreeselijk, en ik ben nooit zoo overspannen geweest als op dit

oogenblik."

De reporter troostte Pencroff met de belofte, dat Harbert binnen acht

dagen zoover genezen zou zijn, dat men hem zou kunnen vervoeren.

Een paar maal intusschen waagde de reporter zich goed gewapend buiten

de kraal, vergezeld van Top.

De eerste maal ontmoette hij niemand en vond hij niets, dat hem

verdacht voorkwam.

Den 27sten November waagde Gideon Spilett zich een kwart mijl in

het bosch en bemerkte dat Top onrustig werd; de hond liep heen en

weer tusschen het kreupelhout, alsof hij iets rook, dat hem verdacht

voorkwam.

Gideon Spilett volgde Top, moedigde hem aan, maar hield zijn

karabijn gereed en zorgde door boomen gedekt te zijn. Het was niet

waarschijnlijk, dat Top de nabijheid van een mensch rook, want in dat

geval zou hij dat doffe, halfgesmoorde blaffen hebben doen hooren. Nu

hij niet knorde, kon men zeker zijn, dat het gevaar niet nabij was,

noch nader kwam.

Vijf minuten verliepen. Top bleef rondsnuffelen en de reporter

volgde hem behoedzaam; plotseling wierp de hond zich echter in een

dicht kreupelbosch en haalde er een lap van een kleedingstuk uit

te voorschijn.

Gideon Spilett bracht het onmiddellijk naar de kraal.

De kolonisten bekeken het en herkenden het als een stuk van het

buis van Ayrton, een stuk van dat vilt, dat alleen in het Rotshuis

verwerkt werd.

"Gij ziet het, Pencroff," merkte Cyrus Smith op, "de ongelukkige

Ayrton heeft tegenstand geboden. De boeven hebben hem tegen zijn wil

medegesleept! Twijfelt gij nog aan zijn trouw?"

"Neen, mijnheer Cyrus," antwoordde de zeeman, "en reeds lang heb ik

mijn wantrouwen afgelegd! Maar men kan hieruit iets opmaken."

"Wat dan?" vroeg de reporter.

"Dat Ayrton niet in de kraal gedood is. Dat men hem levend van hier

heeft gesleept, daar hij weerstand heeft geboden! Misschien leeft

hij dus nog!"

"Misschien," antwoordde de ingenieur, die in gedachten verzonken bleef.

Dit was nog eene hoop voor de metgezellen van Ayrton. Was deze in

de kraal overvallen, dan zou men hem even als Harbert door een kogel

gedood hebben gevonden. Maar hadden de boeven hem niet onmiddellijk

van kant gemaakt, hem levend naar een ander gedeelte van het eiland

gesleept, mocht men dan niet hopen, dat hij nog hun gevangene

was? Mogelijk had een van hun in Ayrton een vroegeren metgezel uit

Australië gevonden: Ben Joyce, het hoofd der ontsnapte boeven? En

wie weet of zij de dwaze hoop niet gekoesterd hadden Ayrton weder

over te halen? Hij zou hen zoo nuttig kunnen zijn, als zij van hem

een verrader hadden kunnen maken!....

Deze gebeurtenis werd in de kraal als gunstig beschouwd en men achtte

het niet onmogelijk Ayrton terug te vinden. Was hij gevangen, dan

zou hij van zijn kant alles aanwenden om uit de handen der boeven

te ontkomen, en hij zou een krachtige steun voor de kolonisten zijn

geweest!

"Mocht het Ayrton gelukken te ontsnappen," merkte Gideon Spilett op,

"dan zal hij in ieder geval de wijk nemen naar het Rotshuis, want

hij weet niets van de verwonding van Harbert, en bijgevolg kan hij

niet weten dat wij in de kraal gevangen zijn."

"O! ik zou wenschen dat hij in het Rotshuis was!" riep Pencroff uit,

"en dat wij er ook waren!"

Pencroff drong menigmaal bij Gideon Spilett op het vervoeren van

Harbert aan, maar deze vreesde met recht, dat de wonden onder weg

misschien zouden open gaan en hij gaf nog geen bevel om te vertrekken.

Er viel echter iets voor, waardoor Cyrus Smith en zijn twee vrienden

besloten om aan het verlangen van den knaap gehoor te geven, en de

hemel weet hoeveel verdriet en berouw zij nog van dezen stap hadden

kunnen hebben!

Den 29sten November, ongeveer zeven uur in den morgen, toen de drie

kolonisten bij elkander zaten in de kamer bij Harbert, hoorden zij

Top op eens luid blaffen.

Cyrus Smith, Pencroff en Gideon Spilett grepen hunne geweren die

altijd geladen waren en gingen naar buiten.

Top, die vooruit gehold was, kwam terug, sprong op en blafte, maar

het was van blijdschap en niet uit woede.

"Er komt iemand!"

"Ja!"

"Het is een vijand!"

"Nab, misschien?"

"Of Ayrton?"

Nauwelijks waren deze woorden gewisseld of er sprong iemand over de

omheining en kwam in de kraal terecht.

Het was Jup, Jup zelf, die met groote hartelijkheid door Top ontvangen

werd!

"Jup!" riep Pencroff uit.

"Nab zendt hem ons," zeide de reporter.

"Dan moet hij een bericht bij zich hebben," antwoordde de ingenieur.

Pencroff snelde op den aap toe. Wanneer Nab iets gewichtigs aan

zijn meester had mede te deelen, had hij geen zekerder en vlugger

boodschapper kunnen kiezen; hij kon zijn weg vinden daar waar noch

de kolonisten noch Top er mogelijkheid toe zou hebben gezien. Cyrus

Smith had zich niet vergist. Er hing een zakje om den hals van Jup

en daarin bevond zich een briefje van Nab.

Men oordeele over de wanhoop van Cyrus Smith en zijn lotgenooten,

toen zij de volgende woorden lazen:

"Vrijdag, 6 uur in den morgen.

"De boeven meester van de bergvlakte.

"Nab."

Zij zagen elkander aan, zonder een woord te spreken en keerden in het

huis terug. Wat moesten zij doen? Nu de boeven op de bergvlakte waren,

zou alles daar verwoest en vernield zijn.

Toen Harbert den ingenieur, den reporter en Pencroff weder zag

binnenkomen, begreep hij dat de toestand verergerd was, nog meer werd

hij overtuigd dat het Rotshuis een gevaar dreigde toen hij Jup zag.

"Mijnheer Cyrus," zeide hij, "ik wil vertrekken. Ik kan de reis

doorstaan! Ik wil weg!"

Gideon Spilett naderde Harbert. Na een vorschenden blik op het gelaat

van den knaap geworpen te hebben, zeide hij:

"Laat ons dan gaan."

Er werd besloten dat Harbert op matrassen in het wagentje zou liggen

en door de onagga zou worden getrokken, daar men voor een baar twee

dragers noodig zou hebben en er dus minder handen beschikbaar zouden

zijn, als men aangevallen werd. Het was prachtig weer. De zon scheen

helder door de boomen.

"Zijn de wapenen gereed?" vroeg Cyrus Smith.

Zij waren allen in orde. De ingenieur en Pencroff waren beiden met

een geweer met dubbelen loop gewapend en Gideon Spilett had zijn

karabijn op schouder.

"Ligt gij goed, Harbert?" vroeg de ingenieur.

"O! mijnheer Cyrus," antwoordde de knaap, "wees gerust, ik zal onderweg

niet sterven."

Men zag echter, dat de arme knaap alle inspanning noodig had om

zijn krachten, die op het punt stonden hem te begeven, bij elkander

te houden.

De ingenieur aarzelde nog het bevel tot vertrekken te geven. Maar

het zou Harbert radeloos gemaakt en misschien zijn toestand verergerd

hebben.

"Voorwaarts!" zeide Cyrus Smith.

De deur van de kraal werd geopend. Jup en Top sprongen vooruit. Het

rijtuigje met de onagga, door Pencroff gemend, vertrok langzaam en

de deur van de kraal werd weder gesloten.

Cyrus Smith en Gideon Spilett liepen elk aan een kant van Harbert

en waren gereed om elken aanval af te weren. Met eenig recht mocht

men echter hopen, dat de weg veilig zou zijn, daar de boeven zich

nog wel op de bergvlakte zouden bevinden. Moest men nog vuur geven,

dan zou het waarschijnlijk eerst bij het naderen van het Rotshuis zijn.

De kolonisten waren echter op hun hoede. Top en Jup, die met zijn stok

gewapend nu eens voor dan ter zijde van den weg den stoet vergezelde,

gaven geen teeken, dat er eenig gevaar in aantocht was.

Ten half acht had men de kraal verlaten en een uur later vier mijlen

van de vijf afgelegd, zonder dat er iets was voorgevallen.

Men naderde reeds de bergvlakte. Eindelijk kreeg men de zee in het

gezicht. De tocht ging zwijgend voorwaarts, toen Pencroff plotseling

de onagga stil hield en woedend uitriep:

"O! die ellendelingen!"

Hij wees daarbij naar een dikke rookwolk, die boven den molen, de

stallen en andere gebouwen opsteeg.

Te midden van dien rook zag men een man.

Het was Nab.

Zijn lotgenooten uitten een kreet. Hij hoorde het en snelde naar

hen toe.

Ongeveer een half uur geleden hadden de boeven de bergvlakte verlaten,

na haar verwoest te hebben!

"En mijnheer Harbert?" vroeg Nab.

Gideon Spilett ging naar het wagentje.

Harbert lag buiten kennis!

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 22 / 37 题