De boeven in den omtrek der kraal.--Voorloopige
vestiging.--Voortzetting van Harberts verpleging.--De eerste
juichtonen van Pencroff.--Terugkeer tot het verleden.--Wat
de toekomst geven zal.--Meening van Cyrus Smith daaromtrent.
Harbert genas langzaam; men kon hem echter nog niet naar het Rotshuis
vervoeren.
Van Nab kreeg men geen tijding maar men verontrustte zich niet over
hem. De wakkere neger zou, in het Rotshuis verborgen, zich niet
laten overvallen. Top was niet weder naar hem toegezonden, daar men
het onnoodig achtte den trouwen hond opnieuw aan een kogel bloot
te stellen.
Men moest dus wachten, maar de kolonisten verlangden weder in het
Rotshuis te zijn. Het speet den ingenieur dat hij zijn macht zag
verdeelen, want dit was in het voordeel van de zeeroovers. Sedert
het verdwijnen van Ayrton waren zij nog slechts vier tegen vijf,
want Harbert kon men niet meer meerekenen, hetgeen den knaap zeer
verdriette, daar hij begreep, dat hij de schuld van alles was.
Den 24sten November werd door Cyrus Smith en Gideon Spilett de quaestie
behandeld, hoe men tegen de bandieten te werk moest gaan.
"Ik geloof," zeide Gideon Spilett, nadat er gesproken was over de
onmogelijkheid om met Nab gemeenschap te hebben, "dat, wanneer wij
ons op weg waagden, wij gevaar zouden loopen een kogel te ontvangen,
zonder dien te kunnen beantwoorden. Maar gelooft gij niet, dat het
nu het beste is om een bepaalde jacht op deze ellendelingen te maken!"
"Dat meen ik ook," zeide Pencroff. "Wij zijn, geloof ik, niet bang
voor een kogel, en als mijnheer Cyrus het toe wil staan, ben ik gereed
mij in het bosch te begeven. "Een man kan een man staan!"
"Maar kan hij er vijf staan?" vroeg de ingenieur.
"Ik voeg mij bij Pencroff," zeide de reporter, "en wij beiden goed
gewapend en van Top vergezeld...."
"Beste Spilett en gij, Pencroff," hernam Cyrus Smith, "redeneert
toch kalm. Zijn de boeven ergens op het eiland verborgen, en was
hunne schuilplaats ons bekend, dan behoefden wij hen slechts te
overvallen. Maar moeten wij integendeel niet vreezen dat zij het
eerste schot zullen doen?"
"O, mijnheer Cyrus, een kogel treft niet altijd waar men hem heen
zendt!"
"Die, welke Harbert getroffen heeft, miste geen streep, Pencroff,"
antwoordde de ingenieur. "Maar wanneer gij beiden de kraal verlaat,
blijf ik hier immers alleen om haar te verdedigen. Staat gij er voor
in dat de boeven niet zullen zien dat gij u verwijdert, dat zij u
in het bosch zullen laten ronddolen en in uwe afwezigheid de kraal
aanvallen, wel wetende dat er zich slechts een gewond kind en één
man in bevinden."
"Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus," antwoordde Pencroff, "gij hebt
gelijk. Zij zullen alles in het werk stellen om de kraal weder meester
te worden, daar zij weten dat zij goed voorzien is! En alleen zoudt
gij het niet tegen hen kunnen volhouden! Waren wij toch maar in
het Rotshuis!"
"Wanneer wij in het Rotshuis waren zou de toestand geheel anders
zijn," zeide Cyrus Smith. "Ik zou daar niet vreezen Harbert met
een van ons achter te laten, en de drie anderen konden de bosschen
doorkruisen. Maar wij zijn in de kraal, en moeten er blijven tot op
het oogenblik dat wij haar gezamenlijk zullen kunnen verlaten!"
Cyrus Smith had gelijk en zijn metgezellen begrepen het.
"Was Ayrton maar bij ons!" zeide Gideon Spilett. "Arme kerel! Zijn
terugkeer tot het maatschappelijk leven zal van korten duur geweest
zijn!"
"Als hij dood is?...." voegde Pencroff er op zonderlingen toon bij.
"Hoopt gij dan nog, Pencroff, dat die schurken hem gespaard
hebben?" vroeg Gideon Spilett.
"Ja, als zij er belang bij hadden om hem te sparen!"
"Wat! zoudt gij dan veronderstellen dat Ayrton, bij het vinden van
zijn vroegere metgezellen, alles vergeten zou hebben wat hij ons
verplicht is?"
"Wie weet!" antwoordde de zeeman, die niet zonder aarzelen deze
meening uitte.
"Pencroff," zeide Cyrus Smith, terwijl hij diens arm vatte, "dat is
een leelijke gedachte van u, en het zou mij hinderen u nog langer
zoo te hooren spreken. Ik sta in voor de trouw van Ayrton!"
"Ik ook," voegde de reporter er levendig bij.
"Ja.... ja.... mijnheer Cyrus.... ik heb ongelijk," antwoordde
Pencroff. "Het was inderdaad een slechte gedachte, die ik daar had en
zij wordt door niets gerechtvaardigd. Maar, ziet gij! Ik weet soms
zelf niet meer wat ik zeg; die gevangenschap in de kraal hindert
mij vreeselijk, en ik ben nooit zoo overspannen geweest als op dit
oogenblik."
De reporter troostte Pencroff met de belofte, dat Harbert binnen acht
dagen zoover genezen zou zijn, dat men hem zou kunnen vervoeren.
Een paar maal intusschen waagde de reporter zich goed gewapend buiten
de kraal, vergezeld van Top.
De eerste maal ontmoette hij niemand en vond hij niets, dat hem
verdacht voorkwam.
Den 27sten November waagde Gideon Spilett zich een kwart mijl in
het bosch en bemerkte dat Top onrustig werd; de hond liep heen en
weer tusschen het kreupelhout, alsof hij iets rook, dat hem verdacht
voorkwam.
Gideon Spilett volgde Top, moedigde hem aan, maar hield zijn
karabijn gereed en zorgde door boomen gedekt te zijn. Het was niet
waarschijnlijk, dat Top de nabijheid van een mensch rook, want in dat
geval zou hij dat doffe, halfgesmoorde blaffen hebben doen hooren. Nu
hij niet knorde, kon men zeker zijn, dat het gevaar niet nabij was,
noch nader kwam.
Vijf minuten verliepen. Top bleef rondsnuffelen en de reporter
volgde hem behoedzaam; plotseling wierp de hond zich echter in een
dicht kreupelbosch en haalde er een lap van een kleedingstuk uit
te voorschijn.
Gideon Spilett bracht het onmiddellijk naar de kraal.
De kolonisten bekeken het en herkenden het als een stuk van het
buis van Ayrton, een stuk van dat vilt, dat alleen in het Rotshuis
verwerkt werd.
"Gij ziet het, Pencroff," merkte Cyrus Smith op, "de ongelukkige
Ayrton heeft tegenstand geboden. De boeven hebben hem tegen zijn wil
medegesleept! Twijfelt gij nog aan zijn trouw?"
"Neen, mijnheer Cyrus," antwoordde de zeeman, "en reeds lang heb ik
mijn wantrouwen afgelegd! Maar men kan hieruit iets opmaken."
"Wat dan?" vroeg de reporter.
"Dat Ayrton niet in de kraal gedood is. Dat men hem levend van hier
heeft gesleept, daar hij weerstand heeft geboden! Misschien leeft
hij dus nog!"
"Misschien," antwoordde de ingenieur, die in gedachten verzonken bleef.
Dit was nog eene hoop voor de metgezellen van Ayrton. Was deze in
de kraal overvallen, dan zou men hem even als Harbert door een kogel
gedood hebben gevonden. Maar hadden de boeven hem niet onmiddellijk
van kant gemaakt, hem levend naar een ander gedeelte van het eiland
gesleept, mocht men dan niet hopen, dat hij nog hun gevangene
was? Mogelijk had een van hun in Ayrton een vroegeren metgezel uit
Australië gevonden: Ben Joyce, het hoofd der ontsnapte boeven? En
wie weet of zij de dwaze hoop niet gekoesterd hadden Ayrton weder
over te halen? Hij zou hen zoo nuttig kunnen zijn, als zij van hem
een verrader hadden kunnen maken!....
Deze gebeurtenis werd in de kraal als gunstig beschouwd en men achtte
het niet onmogelijk Ayrton terug te vinden. Was hij gevangen, dan
zou hij van zijn kant alles aanwenden om uit de handen der boeven
te ontkomen, en hij zou een krachtige steun voor de kolonisten zijn
geweest!
"Mocht het Ayrton gelukken te ontsnappen," merkte Gideon Spilett op,
"dan zal hij in ieder geval de wijk nemen naar het Rotshuis, want
hij weet niets van de verwonding van Harbert, en bijgevolg kan hij
niet weten dat wij in de kraal gevangen zijn."
"O! ik zou wenschen dat hij in het Rotshuis was!" riep Pencroff uit,
"en dat wij er ook waren!"
Pencroff drong menigmaal bij Gideon Spilett op het vervoeren van
Harbert aan, maar deze vreesde met recht, dat de wonden onder weg
misschien zouden open gaan en hij gaf nog geen bevel om te vertrekken.
Er viel echter iets voor, waardoor Cyrus Smith en zijn twee vrienden
besloten om aan het verlangen van den knaap gehoor te geven, en de
hemel weet hoeveel verdriet en berouw zij nog van dezen stap hadden
kunnen hebben!
Den 29sten November, ongeveer zeven uur in den morgen, toen de drie
kolonisten bij elkander zaten in de kamer bij Harbert, hoorden zij
Top op eens luid blaffen.
Cyrus Smith, Pencroff en Gideon Spilett grepen hunne geweren die
altijd geladen waren en gingen naar buiten.
Top, die vooruit gehold was, kwam terug, sprong op en blafte, maar
het was van blijdschap en niet uit woede.
"Er komt iemand!"
"Ja!"
"Het is een vijand!"
"Nab, misschien?"
"Of Ayrton?"
Nauwelijks waren deze woorden gewisseld of er sprong iemand over de
omheining en kwam in de kraal terecht.
Het was Jup, Jup zelf, die met groote hartelijkheid door Top ontvangen
werd!
"Jup!" riep Pencroff uit.
"Nab zendt hem ons," zeide de reporter.
"Dan moet hij een bericht bij zich hebben," antwoordde de ingenieur.
Pencroff snelde op den aap toe. Wanneer Nab iets gewichtigs aan
zijn meester had mede te deelen, had hij geen zekerder en vlugger
boodschapper kunnen kiezen; hij kon zijn weg vinden daar waar noch
de kolonisten noch Top er mogelijkheid toe zou hebben gezien. Cyrus
Smith had zich niet vergist. Er hing een zakje om den hals van Jup
en daarin bevond zich een briefje van Nab.
Men oordeele over de wanhoop van Cyrus Smith en zijn lotgenooten,
toen zij de volgende woorden lazen:
"Vrijdag, 6 uur in den morgen.
"De boeven meester van de bergvlakte.
"Nab."
Zij zagen elkander aan, zonder een woord te spreken en keerden in het
huis terug. Wat moesten zij doen? Nu de boeven op de bergvlakte waren,
zou alles daar verwoest en vernield zijn.
Toen Harbert den ingenieur, den reporter en Pencroff weder zag
binnenkomen, begreep hij dat de toestand verergerd was, nog meer werd
hij overtuigd dat het Rotshuis een gevaar dreigde toen hij Jup zag.
"Mijnheer Cyrus," zeide hij, "ik wil vertrekken. Ik kan de reis
doorstaan! Ik wil weg!"
Gideon Spilett naderde Harbert. Na een vorschenden blik op het gelaat
van den knaap geworpen te hebben, zeide hij:
"Laat ons dan gaan."
Er werd besloten dat Harbert op matrassen in het wagentje zou liggen
en door de onagga zou worden getrokken, daar men voor een baar twee
dragers noodig zou hebben en er dus minder handen beschikbaar zouden
zijn, als men aangevallen werd. Het was prachtig weer. De zon scheen
helder door de boomen.
"Zijn de wapenen gereed?" vroeg Cyrus Smith.
Zij waren allen in orde. De ingenieur en Pencroff waren beiden met
een geweer met dubbelen loop gewapend en Gideon Spilett had zijn
karabijn op schouder.
"Ligt gij goed, Harbert?" vroeg de ingenieur.
"O! mijnheer Cyrus," antwoordde de knaap, "wees gerust, ik zal onderweg
niet sterven."
Men zag echter, dat de arme knaap alle inspanning noodig had om
zijn krachten, die op het punt stonden hem te begeven, bij elkander
te houden.
De ingenieur aarzelde nog het bevel tot vertrekken te geven. Maar
het zou Harbert radeloos gemaakt en misschien zijn toestand verergerd
hebben.
"Voorwaarts!" zeide Cyrus Smith.
De deur van de kraal werd geopend. Jup en Top sprongen vooruit. Het
rijtuigje met de onagga, door Pencroff gemend, vertrok langzaam en
de deur van de kraal werd weder gesloten.
Cyrus Smith en Gideon Spilett liepen elk aan een kant van Harbert
en waren gereed om elken aanval af te weren. Met eenig recht mocht
men echter hopen, dat de weg veilig zou zijn, daar de boeven zich
nog wel op de bergvlakte zouden bevinden. Moest men nog vuur geven,
dan zou het waarschijnlijk eerst bij het naderen van het Rotshuis zijn.
De kolonisten waren echter op hun hoede. Top en Jup, die met zijn stok
gewapend nu eens voor dan ter zijde van den weg den stoet vergezelde,
gaven geen teeken, dat er eenig gevaar in aantocht was.
Ten half acht had men de kraal verlaten en een uur later vier mijlen
van de vijf afgelegd, zonder dat er iets was voorgevallen.
Men naderde reeds de bergvlakte. Eindelijk kreeg men de zee in het
gezicht. De tocht ging zwijgend voorwaarts, toen Pencroff plotseling
de onagga stil hield en woedend uitriep:
"O! die ellendelingen!"
Hij wees daarbij naar een dikke rookwolk, die boven den molen, de
stallen en andere gebouwen opsteeg.
Te midden van dien rook zag men een man.
Het was Nab.
Zijn lotgenooten uitten een kreet. Hij hoorde het en snelde naar
hen toe.
Ongeveer een half uur geleden hadden de boeven de bergvlakte verlaten,
na haar verwoest te hebben!
"En mijnheer Harbert?" vroeg Nab.
Gideon Spilett ging naar het wagentje.
Harbert lag buiten kennis!