De reporter en Pencroff in de kraal.--Harbert wordt
vervoerd.--Wanhoop van den zeeman.--Overleg tusschen den
reporter en den ingenieur.--Heelkundige behandeling.--De hoop
herleeft.--Hoe Nab te waarschuwen.--Een zekere bode.--Antwoord
van Nab.--Tegenspoed.
Toen Pencroff den kreet van Harbert hoorde, liet hij zijn wapen vallen
en snelde naar hem toe.
"Zij hebben hem gedood!" riep hij. "Mijn kind! Zij hebben het gedood!"
Cyrus Smith en Gideon Spilett waren ook naderbij gekomen. De reporter
luisterde aandachtig of het hart van den armen knaap nog klopte.
"Hij leeft," zeide. "Maar wij moeten hem overbrengen...."
"Naar het Rotshuis is onmogelijk," merkte de ingenieur op.
"Naar de kraal dan!" riep Pencroff.
"Een oogenblik!" zeide Smith.
Hij sloeg een zijpad in. Daar bevond hij zich plotseling tegenover
een der boeven, die op hem aanlegde en een kogel doorboorde zijn
hoed. Eenige oogenblikken later, vóor hij zelfs nog den tijd gehad
had een tweede schot te lossen, viel deze, in het hart getroffen door
den dolk van Cyrus Smith, die dit wapen met meer zekerheid hanteerde
dan zijn geweer. In dien tijd klommen Gideon Spilett en de matroos
over het hek, wierpen de deuren omver en sprongen in de verlaten
woning. Weldra rustte Harbert op het bed van Ayrton.
Eenige oogenblikken later was Cyrus Smith bij hem.
De smart van den matroos was groot, toen hij Harbert daar wezenloos
zag liggen. Hij snikte, weende en wilde zich tegen den muur
verpletteren. Noch de ingenieur, noch de reporter konden hem tot
bedaren brengen. De smart overweldigde ook hen. Het was hun onmogelijk
een woord te uiten.
Alles werd aangewend om het kind, dat als het ware onder hun oogen
lag te sterven, van den dood te redden. Gideon Spilett, wiens leven
zoo rijk aan lotgevallen geweest was, had ook nog eenige kennis van
heelkunde verkregen. Hij wist van alles wat en honderden omstandigheden
hadden zich reeds voorgedaan waarin hij de wonden, hetzij veroorzaakt
door een degen of vuurwapen, genezen had. Bijgestaan door Cyrus Smith
nam hij dus ook de zorg, die de toestand van Harbert vereischte,
op zich.
De knaap was doodsbleek en zijn pols zeer zwak, zoodat Gideon
Spilett hem niet dan bij zeer lange tusschenpoozen voelde kloppen,
alsof hij zoo aanstonds zou ophouden te slaan. Tegelijkertijd was er
een volkomen stilstand van gevoel en bewustzijn. Deze verschijnselen
waren van zeer ernstigen aard.
Zij ontblootten de borst van Harbert en het bloed dat door behulp
van zakdoeken was gestelpt, werd nu met koud water afgewasschen.
De kneuzing, of liever de wond kwam toen te voorschijn. Een langwerpig
gat tusschen de derde en vierde rib.
Cyrus Smith en Gideon Spilett keerden den knaap om, die zulk een
zwakke zucht slaakte, alsof hij den laatsten adem uitblies.
Een andere wond bevond zich op zijn rug en de kogel die hem getroffen
had, kwam daar terstond uit.
"God zij dank!" zeide de reporter, "de kogel is niet in het lichaam
gebleven, en wij behoeven er hem niet uit te halen."
"Maar het hart?...." vroeg Cyrus Smith.
"Het hart is niet getroffen, want anders zou Harbert dood zijn
geweest!"
"Dood!" riep Pencroff en hij brulde van woede.
De matroos had slechts de laatste woorden door den reporter gesproken,
gehoord.
"Neen Pencroff," antwoordde Cyrus Smith, "neen! Hij is niet dood. Zijn
pols slaat nog! Wij hooren hem zelfs zacht kreunen. Maar, in het belang
van uw kind, bedaar wat. Wij hebben thans al onze koelbloedigheid
noodig. Laat ons die niet verliezen, mijn vriend."
Pencroff zweeg, terwijl dikke tranen langs zijn wangen biggelden. Van
het grootste gewicht was thans dat de beide wonden verbonden werden,
om een nieuwe bloedstorting te voorkomen. De reporter achtte het
raadzaamste om den knaap maar met koud water te wasschen. Zij lagen
nu linnen kompressen op de wonden van den armen Harbert, die gedurig
vernieuwd moesten worden.
De matroos had, daar het onmogelijk was den knaap naar het Rotshuis
over te brengen, vuur onder de schoorsteenen aangelegd, en ook de
noodige levensbehoeften gevonden. Suiker en kruiden--die Harbert
zelf geplukt had bij het meer Grant--waren er in overvloed en stelden
hen in staat om een verfrisschenden drank te bereiden, dien de knaap
werktuiglijk gebruikte. Hij kreeg een hevige koorts, en den geheelen
dag en nacht bleef hij buiten kennis. Zijn leven hing aan een zijden
draad, en die draad kon ieder oogenblik afgesneden worden.
Den anderen dag, 12 November, mochten Cyrus Smith en zijn vrienden
weer eenige hoop voeden. Harbert was uit zijn lange bedwelming
ontwaakt. Hij opende de oogen en herkende Cyrus Smith, den reporter
en Pencroff. Hij sprak twee of drie woorden. Hij herinnerde zich
niets van het gebeurde. Men deelde hem alles mede en Gideon Spilett
verzocht hem zich rustig te houden, hem verzekerende, dat hij volstrekt
niet in gevaar verkeerde en zijn wonden binnen weinige dagen weder
genezen zouden zijn. Harbert leed weinig en het voortdurend betten
met koud water deed hem goed. De zuivering ging regelmatig voort, de
koorts nam niet toe en men kon hopen, dat die vreeselijke wond geen
verdere gevolgen zou hebben. Pencroff's hart bonsde van vreugde. Hij
was een liefde-zuster gelijk, een moeder die aan het bed van haar
kind waakte. Harbert geraakte nogmaals in dien vorigen dommelenden
toestand, maar zijn slaap was rustiger.
Zooals men denken kan, hadden de kolonisten gedurende de vier en
twintig uren, die zij in de kraal doorbrachten, geen andere gedachten
dan Harbert te verzorgen. Zij hadden er niet aan gedacht, dat ze in
eenig gevaar verkeerden wanneer de boeven terugkeerden, en hadden
ook verzuimd eenige maatregelen van voorzorg te nemen.
Maar dien dag, terwijl Pencroff bij den zieke waakte, spraken Cyrus
Smith en de reporter over hetgeen hun te doen stond. Eerst onderzochten
zij de kraal. Er was geen spoor van Ayrton te vinden. Was de
ongelukkige in de macht van zijn vroegere medeplichtigen geraakt? Was
hij door hen in de kraal overvallen? Had hij gestreden en was hij
in den strijd bezweken? Dit laatste was het waarschijnlijkst. Gideon
Spilett had op het oogenblik, toen hij het hek overklom, zeer goed een
der roovers gezien, die naar den berg Franklin vluchtte en waarheen
Top ook gesneld was. Hij was een van hen, wier sloep tegen de rotsen
bij den mond der Mercy was stuk geslagen. Bovendien, hij dien Cyrus
Smith gedood had, maakte deel uit van de bende van Bob Harvey.
Wat de kraal betrof, deze had niet de minste verwoesting ondergaan. De
deuren waren gesloten en de dieren hadden zich dus niet in het bosch
kunnen verspreiden. Geen spoor was er ook te vinden van eenigen
strijd; noch de woning, noch de tuin had iets geleden. De wapenen
slechts waren verdwenen.
"De ongelukkige is zeker overvallen," zeide Cyrus Smith, "en daar
hij een man was om zich te verdedigen, zal hij zeker bezweken zijn."
"Ja, daar vrees ik ook voor," zeide de reporter. "Zeker hebben zij
toen bezit genomen van de kraal, waar zij alles in overvloed vonden,
en zijn zij eerst op de vlucht gegaan, toen zij ons zagen naderen. Het
is ook zeer waarschijnlijk dat Ayrton op dit oogenblik, levend of dood,
niet meer hier is."
"Wij moeten het bosch doorzoeken," hernam de ingenieur, "en het eiland
van die schelmen bevrijden. Het voorgevoel van Pencroff bedroog hem
niet, toen hij verlangde dat wij ze als wilde dieren verjoegen. Dan
waren wij voor veel ongelukken gespaard gebleven!"
"Ja," antwoordde de reporter, "maar nu hebben wij het recht om ze
zonder eenig medelijden te behandelen."
"In elk geval," zeide de ingenieur, "zijn wij toch genoodzaakt
eenigen tijd te wachten en in de kraal te blijven tot wij Harbert
zonder gevaar naar het Rotshuis kunnen overbrengen."
"Maar Nab?" vroeg de reporter.
"Nab is in veiligheid."
"En zoo hij, ongerust over ons wegblijven, zich hier naar toe waagde?"
"Hij moet niet komen!" antwoordde Cyrus Smith levendig. "Hij zou op
weg vermoord worden."
"Het is toch zeer waarschijnlijk dat hij trachten zal bij ons te
komen."
"Zoo de telegraaf maar in orde was, dan konden wij hem
waarschuwen! Maar dat is thans onmogelijk! Wij kunnen Pencroff en
Harbert hier niet alleen laten!... Welnu, ik zal alleen naar het
Rotshuis gaan."
"Neen, neen Cyrus!" riep de reporter, "gij moogt u niet aan zulk een
gevaar blootstellen. Uw moed zou niets helpen. Die schelmen bespieden
zeker de kraal, zij zijn in het bosch verscholen, en zoo gij vertrekt,
dan zouden wij spoedig twee onheilen in plaats van éen betreuren.
"Maar Nab?" hernam de ingenieur. "Er zijn nu reeds vier en twintig
uren verloopen sedert hij iets van ons gehoord heeft. Hij zal stellig
komen!"
"En nog minder op zijn hoede wezen dan wij waren," antwoordde Gideon
Spilett.
"Bestaat er dan geen middel om hem te waarschuwen?"
Toen de ingenieur hierover nadacht viel zijn oog op Top, die heen en
weer liep alsof hij wilde zeggen:
"Ben ik er dan ook niet?"
"Top!" riep Cyrus Smith.
Het dier sprong bij het hooren van zijn naam tegen zijn meester op.
"Ja, Top, gij zult gaan!" zeide de reporter, die den ingenieur begrepen
had. "Top kan gaan, waar wij onmogelijk zouden doorkomen! Hij zal
in het Rotshuis berichten van de kraal brengen, en ons weder op de
hoogte stellen van hetgeen in het Rotshuis gebeurt!"
"Spoedig!" antwoordde Cyrus Smith, "spoedig!"
Gideon Spilett had snel een blad uit zijn opschrijfboekje gescheurd
en schreef het volgende:
"Harbert gewond. Wij zijn in de kraal. Wees op uw hoede. Verlaat
het Rotshuis niet. Zijn de boeven in den omtrek verschenen? Antwoord
door Top."
Dit eenvoudige briefje bevatte alles wat Nab moest weten en vroeg
tegelijkertijd alles waarbij de kolonisten belang hadden mede bekend
te zijn. Hij vouwde het samen, bond het aan den halsband van Top,
zoodat het terstond in het oog moest vallen.
"Top! mijn goede hond," zeide toen de ingenieur en liefkoosde het dier,
"Nab, Top! Nab! Ga! Gauw!"
Top sprong bij deze woorden op. Hij begreep, hij raadde wat men van
hem verlangde. De weg naar de kraal was hem bekend. Binnen een half
uur kon hij hem hebben afgelegd en men mocht hopen, dat daar waar
noch Cyrus Smith noch de reporter zich zonder gevaar durfden wagen,
Top, verscholen tusschen het hooge gras, onbemerkt zou doorkomen.
De ingenieur ging naar de deur van de kraal, stiet die open en
herhaalde toen nogmaals:
"Nab! Top, Nab!" en wees met zijn hand in de richting van het Rotshuis.
Top snelde heen en was spoedig verdwenen.
"Hij zal er komen en terugkeeren!" zeide de reporter.
De kolonisten wachtten de terugkomst van Top niet zonder angst
af. Een weinig voor elf uur gingen Cyrus Smith en de reporter met
hun karabijnen achter de deur staan, gereed om bij het eerste geblaf
van den hond te openen. Zij twijfelden er niet aan dat, wanneer Top
gelukkig het Rotshuis bereikt had, Nab hem terstond zou terugzenden.
Tien minuten later knalde er een geweerschot, en terstond daarop
hoorden zij het blaffen van een hond. De ingenieur opende de deur,
zag nog op een honderd pas afstands in het bosch den rook en vuurde
in die richting. Oogenblikkelijk daarop snelde Top de kraal binnen,
terwijl zij de deur terstond achter hem sloten.
"Top, Top!" riep Cyrus Smith en nam den kop van het goedige dier
tusschen zijn handen.
Een briefje was aan zijn halsband bevestigd, en Cyrus las de volgende
woorden, met de groote en grove hand van Nab geschreven:
"Geen roovers in den omtrek van het Rotshuis. Ik zal mij niet
verwijderen. Arme mijnheer Harbert!"
De boeven bevonden zich dus nog in den omtrek van de kraal, en met
het doel om den eenen kolonist na den andere te dooden. Er schoot hun
dus niets anders over dan ze als wilde dieren te behandelen. Maar
hierbij moest de noodige behoedzaamheid in acht worden genomen,
want die ellendelingen hadden op dit oogenblik een groot voordeel op
de kolonisten, daar zij alles konden zien, zonder gezien te worden,
en hen plotseling konden overvallen, zonder zelf overvallen te worden.
Cyrus Smith richtte dus alles in om in de kraal te kunnen leven,
die overigens voldoende voorzien was om hen gedurende langen tijd
te onderhouden.
De boeven, waarvan er slechts vijf waren overgebleven, maar allen
goed gewapend--zwierven nu door het bosch, en zich daarin te wagen,
zou het leven der kolonisten in gevaar hebben gebracht; zij zouden
zich blootstellen aan hun geweerschoten, zonder die te kunnen ontwijken
noch te voorkomen.
"Wij kunnen niet anders doen dan wachten!" herhaalde Cyrus
Smith. "Wanneer Harbert genezen is, kunnen wij een onderzoek op het
eiland instellen en zien wat met deze boeven is aan te vangen. Dit
zal dan tegelijkertijd het doel uitmaken van onzen grooten tocht..."
"Het spoor te vinden van onzen geheimzinnigen beschermer," voegde
Gideon Spilett er bij. "Maar ik moet toch bekennen, Cyrus, dat ditmaal
zijn bescherming ons ontbroken heeft en juist op het oogenblik dat
wij die het meest noodig hadden!"
"Wie weet!" antwoordde de ingenieur.
"Hoe meent ge dat?" vroeg de reporter.
"Wij zijn nog niet aan het einde van onze tegenspoeden gekomen, beste
Spilett, en misschien zal de gelegenheid zich wel weder voordoen,
waarop hij ons zijn machtige tusschenkomst kan doen gevoelen. Maar
thans behoeven we daar niet over te denken. Het leven van Harbert
vóór alles."
Den tienden dag, 22 November, waren er aanmerkelijke verschijnselen
van beterschap bij den knaap te bespeuren. Hij had eenig voedsel
gebruikt. Er kwam weder kleur op zijn bleeke wangen en zijn oogen
stonden weder helder. Hij sprak nu en dan met zijn vrienden, ondanks
de pogingen van Pencroff, die onophoudelijk tot hem sprak, om hem
zelven het spreken te beletten en die hem de onmogelijkste verhalen
vertelde. Harbert had ook naar Ayrton gevraagd, daar hij verwonderd
was dezen niet in de kraal te zien. Maar de matroos wilde Harbert
geen verdriet geven en stelde zich tevreden met te zeggen dat Ayrton
naar Nab was gegaan om het Rotshuis te helpen verdedigen.
Het ging van dag tot dag beter met den knaap. Maar in welk een toestand
zouden de kolonisten verkeerd hebben, zoo hij erger was geworden,
zoo de kogel in zijn lichaam was gebleven of zoo een arm of been had
moeten worden afgezet.
Het kwam Cyrus Smith dikwijls voor dat hij en zijn vrienden, tot nog
toe zoo gelukkig, een moeielijken tijd tegemoet gingen. Gedurende meer
dan twee en een half jaar, sedert zij uit Richmond ontsnapt waren, was
alles naar hun wensch gegaan. Het eiland had hen overvloedig voorzien,
en door hun wetenschappelijke kennis waren zij in staat geweest van
alles partij te trekken. Het stoffelijk welzijn van de kolonie was
als het ware volmaakt. Bovendien was hun, in sommige gevallen, een
geheimzinnige macht te hulp gekomen!.... Maar dit alles had zijn tijd
gehad. Kortom, Cyrus Smith meende te bespeuren dat de kans tegen hen
was gekeerd.
Men meene daarom evenwel niet dat Cyrus Smith en zijn vrienden, omdat
zij veel over hun toestand spraken, mannen waren om aan hun lot te
wanhopen! Verre van daar. Zij waren volkomen op de hoogte van hun
toestand, overwogen de kansen en bereidden zich op alle mogelijke
gebeurtenissen voor; zij verloren de toekomst niet uit het oog en
zoo eenig ongeluk hen trof; zouden zij gereed zijn er tegen te kampen.