XVI.

Plan eener expeditie.--Ayrton in de kraal.--Bezoek aan

de Ballonhaven.--Wat Pencroff denkt aan boord van de

Bonadventure.--Depêche naar de kraal.--Geen antwoord van

Ayrton.--Op weg naar de kraal.--Waarom de telegraaf niet

werkt.--Een ontploffing.

De dringendste bezigheid voor de kolonisten was een volledig onderzoek

van het eiland en dit onderzoek zou thans meer dan éen doel hebben;

in de eerste plaats zouden zij dat geheimzinnige wezen ontdekken,

aan welks bestaan zij thans niet meer twijfelden en tegelijkertijd

konden zij te weten komen wat er van de zeeroovers geworden was,

waar dezen een schuilplaats gevonden hadden, welk leven zij leidden

en of men voor hen beducht moest wezen.

Cyrus Smith wilde hoe eer hoe liever vertrekken; maar die tocht zou

verscheidene dagen duren en hij had het dus raadzaam geacht om den

wagen van al het noodige te voorzien, ook van de benoodigdheden om

een tent ineen te zetten, die voor hen van het grootste nut zou wezen

wanneer zij halt hielden. Maar ongelukkig had een van de onagga's een

wond aan zijn poot bekomen, zoodat het dier eenige dagen rust moest

hebben, en allen oordeelden het dus beter om den tocht nog acht dagen

uit te stellen, dus tot den 20sten November. Zij ondernamen hun reis

in het gunstige jaargetijde, en al bereikten zij nu hun hoofddoel

niet, deze tocht zou hun toch, wat de grondgesteldheid betrof, van

zeer veel nut wezen.

Gedurende deze acht dagen besloten zij nog de laatste hand te leggen

aan de werken op de vlakte het Verre Uitzicht. Ayrton moest ook naar

de kraal terugkeeren, daar de huisdieren zijn zorg vereischten. Er

werd dus overeengekomen, dat hij er twee dagen zou gaan doorbrengen

en niet eer in het Rotshuis zou terugkeeren, vóor alle stallen in

overvloed van het noodige voorzien waren.

Toen hij op het punt stond hen te verlaten, vroeg Cyrus Smith hem,

of hij wenschte dat een hunner met hem mede ging, daar het eiland

tegenwoordig minder veilig was dan vroeger. Ayrton achtte dit onnoodig,

en zeide, dat hij het alleen wel af kon; bovendien was hij volstrekt

niet bang. Zoo er eenig ongeval in de kraal of in den omtrek plaats

greep, zou hij de kolonisten onmiddellijk per telegraaf waarschuwen.

Den 9den vertrok Ayrton dus met den wagen, waarvoor slechts een

onagga gespannen was, en twee uur later zond hij hun het bericht van

zijn goede overkomst en dat hij alles in de kraal in de beste orde

had gevonden.

Deze twee dagen besteedde Cyrus Smith met een plan ten uitvoer

te brengen om het Rotshuis tegen elken aanval te beveiligen. Hij

bedekte de geheele bovenopening van de vroegere uitloozingsplaats,

die reeds voor een gedeelte toegemetseld was en verborgen lag onder

planten en kruiden. Niets was gemakkelijker, daar het voldoende was

de oppervlakte van het water twee of drie voet te verhoogen; dan was

de geheele opening onder water.

Spoedig was deze arbeid voltooid en Pencroff, Gideon Spilett en Harbert

wilden nu een uitstapje maken naar de Ballonhaven. De matroos was

zeer nieuwsgierig om te weten of de beek, waarin de Bonadventure lag,

ook door de boeven was bezocht.

De matroos vertrok dus met zijn vrienden in den namiddag van 10

November. Allen waren goed gewapend. Pencroff schudde, terwijl hij

zijn geweer met een paar kogels laadde, het hoofd, hetgeen weinig

goeds voorspelde voor hem die te na kwam, "dier of mensch," zeide

hij. Gideon Spilett en Harbert namen ook hun geweer en tegen drie uur

verlieten zij het Rotshuis. Nab vergezelde hen tot aan de bocht van de

Mercy, en toen die was overgestoken, haalde hij de brug op. Zij waren

overeengekomen, dat een geweerschot de terugkomst van de kolonisten

zou aankondigen, en dat Nab op dat sein de gemeenschap zou herstellen

tusschen de twee oevers der rivier.

De drie vrienden volgden eerst den weg naar de haven in het zuidelijk

gedeelte van het eiland. Het was slechts een afstand van drie en

een halve mijl, maar zij besteedden daar twee uur aan. Zij hadden

den geheelen zoom van het bosch onderzocht, maar geen spoor der

vluchtelingen ontdekt. Deze wisten ongetwijfeld nog niet het aantal

der kolonisten en hun middelen ter verdediging, en hadden daarom de

meestafgelegen kust van het eiland tot schuilplaats gekozen.

Pencroff zag, toen zij de Ballonhaven bereikten, met een

onuitsprekelijk groot genoegen dat de Bonadventure nog vast lag.

"Zie zoo," zeide hij, "die schelmen zijn toch nog niet hier

geweest. Dat hooge gras is beter voor de kruipende dieren en zeker

zullen wij ze in het bosch van het Verre Westen moeten zoeken."

"Dat is maar goed ook," sprak Harbert, "want zoo zij de Bonadventure

hier gevonden hadden, zouden zij er zich stellig meester van hebben

gemaakt, en er mede gevlucht zijn, hetgeen ons verhinderd zou hebben

om in den eersten tijd naar het eiland Tabor terug te keeren."

"Waarlijk," antwoordde de reporter, "het is van het grootste belang

om daar eenig bericht te plaatsen waarin de ligging van het eiland

Lincoln en de nieuwe woonplaats van Ayrton vermeld is, voor het geval

dat het Schotsche jacht hem weder kwam halen."

"Welnu, mijnheer Spilett, de Bonadventure is daar nog," zeide de

matroos. "Haar bemanning en zij zelve is op het eerste teeken gereed."

"Ik geloof, Pencroff, dat het beter was, zoo wij dien tocht uitstelden

tot onze onderzoekingsreis afgeloopen is. Het is zeer wel mogelijk

dat die onbekende, zoo het ons gelukken mocht hem te vinden, alles

weet van de eilanden Lincoln en Tabor. Laten wij niet vergeten dat

hij het is, die den brief geschreven heeft, en misschien weet hij

wel iets van de terugkomst van het jacht af."

Terwijl zij zoo spraken, hadden Pencroff, Harbert en Gideon

Spilett zich ingescheept en liepen zij over het dek van de

Bonadventure. Plotseling riep de matroos uit, terwijl hij aandachtig

de kabel beschouwde, welke op de beting lag.

"O, zie eens! Dat is toch sterk!"

"Wat is er Pencroff?"

"Wel, ik heb dien knoop niet gelegd."

En Pencroff toonde een knoop die in het touw was gelegd op de beting

zelve, om de boot te verhinderen af te drijven.

"Wat, hebt gij het niet gedaan?" vroeg Gideon Spilett.

"Neen, daar kan ik op zweren. Dit is een platte knoop en ik maak

altijd een dubbelen."

"Gij zult u vergist hebben, Pencroff."

"Ik heb mij niet vergist!" verzekerde de matroos. "Dat zit in de hand,

en de hand vergist zich niet."

"Dan zijn de boeven aan boord geweest?" vroeg Harbert.

"Ik weet het niet," antwoordde Pencroff, "maar zeker is het, dat

de Bonadventure het anker gelicht heeft, en men haar opnieuw heeft

vastgelegd. Want zie, een ander bewijs! Zij is van het touw losgemaakt

en het stuk zeildoek is niet meer op dezelfde plaats. Ik herhaal het u,

men heeft ons vaartuig gebruikt!"

"Maar zoo de roovers het gebruikt hebben, dan zouden zij het òf

gestolen hebben, òf wel er mede gevlucht zijn."

"Gevlucht?... "Waarheen?... naar het eiland Tabor?..." hernam

Pencroff. "Gelooft gij dan, dat zij zich op zoo'n zwak bootje zouden

gewaagd hebben?"

"Het moet wel, daar zij bovendien met het eilandje bekend waren,"

antwoordde de reporter.

"Hoe het ook zij," meende de matroos, "even waar als ik ben

Bonadventure Pencroff, van Vineyard, is onze Bonadventure zonder ons

in zee geweest."

De matroos sprak op zulk een stelligen toon dat noch Spilett, noch

Harbert hem konden tegenspreken. Het was dus waarschijnlijk dat het

vaartuig meer of min verplaatst was, sedert dat Pencroff het in de

Ballonhaven had vastgemeerd. Voor den matroos bestond er geen twijfel

of het anker was gelicht.

"Maar zouden wij de Bonadventure dan niet voorbij het eiland hebben

zien gaan?" merkte de reporter op, die alle mogelijke tegenwerpingen

wilde maken.

"Wel, mijnheer Spilett," antwoordde de matroos, "als zij 's nachts

met een goede bries vertrekken, zijn zij binnen twee uur buiten het

gezicht van het eiland."

"Welnu," hernam Gideon Spilett, "ik vraag het nogmaals, met welk

doel zouden de boeven gebruik hebben gemaakt van de Bonadventure,

en waarom zouden zij, na haar gebruikt te hebben, haar weder in de

Ballonhaven hebben teruggebracht?"

"Och, mijnheer Spilett," antwoordde de matroos, "laten wij dit

bij het aantal onverklaarbare feiten voegen en er niet meer over

denken. Het belangrijkste is dat de Bonadventure daar lag en er nog

ligt. Ongelukkiger zou het wezen, wanneer de roovers zich voor een

tweede maal er van meester maakten; dan kon het wel eens gebeuren

dat wij haar niet terug vonden."

"Dus, Pencroff, zou het misschien voorzichtig wezen de Bonadventure

voor het Rotshuis te leggen," zeide Harbert.

"Ja en neen," antwoordde Pencroff, "of liever neen. De monding van

de Mercy is een slechte plaats voor een schip, en de zee is daar

zeer onstuimig."

"Maar wanneer we haar op het strand halen, tot aan den voet der

Schoorsteenen...."

"Misschien.... ja...." antwoordde Pencroff. "In elk geval, aangezien

we het Rotshuis voor vrij langen tijd moeten verlaten, geloof ik dat

de Bonadventure beter daar in veiligheid zal zijn gedurende onze

afwezigheid, en wij er goed aan zullen doen het vaartuig daar te

laten totdat de schelmen van het eiland zijn verdwenen."

"Dat is ook mijn meening en thans voorwaarts!"

Toen zij thuis waren gekomen, deelden zij het gebeurde aan den

ingenieur mede, die volkomen van hetzelfde gevoelen was. Dien avond

zonden zij een telegram aan Ayrton, waarin zij hem verzochten een paar

geiten mede te brengen die Nab op de weide van het Verre Uitzicht wilde

doen gewennen. Zonderling, Ayrton meldde hun niet, zooals gewoonlijk,

de goede ontvangst. Dit verwonderde ook den ingenieur. Maar het kon

wezen dat Ayrton op dit oogenblik niet in de kraal was of misschien

op den terugweg naar het Rotshuis. Want twee dagen waren er verloopen

sedert zijn vertrek en men was overeengekomen dat den 10den 's avonds,

of op zijn laatst, den 11den 's morgens, Ayrton terug zou wezen.

De kolonisten verwachtten hem dus op de hoogte van het Verre Uitzicht

te zien verschijnen. Nab en Harbert waakten zelf reeds bij de brug,

om zoodra hun makker aankwam, die te laten vallen. Maar tegen tien uur

's avonds was Ayrton er nog niet. Zij oordeelden het raadzaam nogmaals

een telegram te zenden en vroegen een onmiddellijk antwoord.

Geen antwoord kwam er echter. De onrust der kolonisten werd hoe langer

hoe grooter. Wat was er gebeurd? Ayrton was dus niet meer in de kraal,

of zoo hij er nog was, kon hij zich niet vrij meer bewegen? Moesten

zij in dien stikdonkeren nacht er heen gaan? De een wilde vertrekken,

de ander niet.

"Maar," zeide Harbert, "misschien is er iets gebroken aan de telegraaf

zoodat zij niet meer werkt."

"Dat kan," zeide de reporter.

"Laten wij tot morgen wachten," antwoordde Cyrus Smith. "Het is

mogelijk, dat Ayrton ons telegram niet ontvangen heeft en ook dat

wij het zijne niet gekregen hebben."

Bij het aanbreken van den dag, 11 November, zond Cyrus nog een

telegram, maar ontving weder geen antwoord.

Hij beproefde het nogmaals maar met denzelfden uitslag.

"Naar de kraal!" zeide hij toen.

"En goed gewapend ook!" voegde Pencroff er bij.

Terstond werd er besloten dat niet allen het Rotshuis zouden

verlaten; Nab zou achterblijven. Toen hij zijn vrienden tot aan de

Glycerine-rivier vergezeld had, haalde hij de brug op en verscholen

achter een boom, wachtte hij de terugkomst van hen of van Ayrton af.

Ingeval de zeeroovers zich zouden vertoonen of beproeven de rivier

over te steken, zou hij eerst trachten hen door geweerschoten tegen

te houden, maar zoo hem dit niet gelukte, zou hij naar het Rotshuis

kunnen vluchten en wanneer de hijschtoestel opgehaald was, verkeerde

hij in volkomen veiligheid.

Cyrus Smith, Gideon Spilett, Harbert en Pencroff zouden zich terstond

naar de kraal begeven, en, zoo zij Ayrton onderweg niet aan het werk

vonden, den omtrek onderzoeken. Ten zes ure in den morgen hadden zij

de Glycerine-rivier overgestoken en Nab begaf zich op den linkeroever

der beek. Aan beide zijden van den weg was een dicht begroeid bosch,

een zeer goede schuilplaats voor de boeven, die, daar zij geheel

gewapend waren, zeer te duchten waren. De kolonisten liepen zonder

een woord te spreken, voort. Top snelde hen vooruit, en scheen niets

verdachts te bespeuren. En zij konden op het getrouwe dier staat

maken en zeker zijn dat het bij den eersten onraad blaffen zou.

Cyrus Smith volgde met zijn vrienden de telegraaflijn, die de kraal met

het Rotshuis verbond. Toen zij ongeveer twee mijlen afgelegd hadden,

hadden zij nog niets ontdekt. De palen waren in de beste orde; maar

toen zij bij paal 74 kwamen, riep Harbert, die hen voor was, uit:

"De draad is gebroken!"

Zijn makkers versnelden hun tred en kwamen op de plaats waar de

knaap stond.

Daar was de paal omvergeworpen en lag hij op den grond; het was dus

natuurlijk, dat noch de telegrammen uit het Rotshuis in de kraal

waren ontvangen, noch omgekeerd.

"Maar niet door den wind is deze paal omvergeworpen," merkte

Pencroff op.

"Neen," antwoordde Gideon Spilett. "De aarde is weggegraven en een

menschenhand heeft hem uitgerukt."

"Bovendien is de draad gebroken," voegde Harbert er bij, terwijl hij

de twee uiteinden van het ijzerdraad, die met geweld vernield waren,

beschouwde.

"Is het nog pas gebeurd?" vroeg Cyrus Smith.

"Ja," antwoordde Harbert, "nog korten tijd geleden heeft het plaats

gehad."

"Naar de kraal! naar de kraal!" riep de matroos.

De kolonisten waren toen juist halfweg. Zij moesten dus nog twee mijlen

afleggen. Zij gingen nu met versnelden pas. Inderdaad moesten zij wel

gelooven dat er iets van ernstigen aard in de kraal gebeurd was. Zeker

had Ayrton een telegram gezonden, dat niet ontvangen was, maar dit

verontrustte de kolonisten nu niet meer; er waren onbegrijpelijker

zaken voorgevallen. Ayrton, die beloofd had den vorigen avond terug te

zullen komen, was niet verschenen. Eindelijk, zou het ook niet zonder

reden wezen, dat de gemeenschap tusschen de kraal en het Rotshuis

verbroken was, en wie anders dan de boeven konden dat gedaan hebben?

Eindelijk naderden zij de woning. Maar geen spoor van eenige

verwoesting was er te bespeuren. De deur was, zooals gewoonlijk,

gesloten. Een diepe stilte heerschte er in de kraal. Noch het blaten

van de schapen, noch de stem van Ayrton deed zich hooren.

"Naar binnen!" zeide Cyrus Smith.

De ingenieur ging vooruit, terwijl zijn makkers hem volgden, met de

geweren gereed om vuur te geven.

Cyrus Smith lichtte de klink van de deur op en wilde binnentreden, toen

Top plotseling vervaarlijk begon te blaffen. Er werd een geweerschot

gelost, dat door een smartelijken gil werd beantwoord. Harbert stortte

door een kogel getroffen op den grond.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 20 / 37 题