De bewering van den ingenieur.--De grootsche onderstellingen
van Pencroff.--Een batterij in de hoogte.--De vier kogels.--De
overlevende boeven.--Ayrton aarzelt.--Edele gedachten van
Cyrus Smith.--Pencroff heeft berouw.
Alles verklaarde zich thans door de uitbarsting van dezen onderzeeschen
torpedo, waarvan Cyrus Smith in den burgeroorlog de kracht had
leeren kennen.
Ja, alles was opgehelderd.... behalve hoe dit helsche werktuig in
het kanaal was gekomen.
"Vrienden," zeide de ingenieur toen, "wij behoeven niet meer aan de
tegenwoordigheid van een of ander geheimzinnig wezen te twijfelen,
aan een schipbreukeling zooals wij misschien, geheel verlaten op dit
eiland, en ik herhaal dit nogmaals, opdat Ayrton van de zonderlinge
gebeurtenissen, die sedert de laatste twee jaren plaats hebben
gegrepen, op de hoogte zal wezen. Wie is de onbekende weldoener wiens
tusschenkomst zoo heilzaam voor ons was, en die verscheidene malen
een reddende engel voor ons geweest is? ik kan het mij onmogelijk
voorstellen. Maar hij heeft ons wezenlijk diensten bewezen, en wel
zulke, waarover enkel een man die een wonderbaarlijke macht bezit,
beschikken kan. Ayrton is evenals wij veel aan hem verschuldigd,
want indien hij de man is, die mij redde, nadat ik in de golven was
geworpen, is hij het waarschijnlijk ook, die den brief geschreven
heeft en ons op de hoogte heeft gebracht van den treurigen toestand van
onzen makker. Ik voeg er nog bij dat hij ons dan ook in het bezit van
die rijke kist heeft gesteld en het vuur aangestoken heeft; dat hij
de oorzaak is van het hageltje dat wij in het lichaam van het konijn
gevonden hebben; dat hij den torpedo in het kanaal heeft gebracht;
kortom, dat al deze onverklaarbare feiten, waarvan wij ons geen
rekenschap kunnen geven, aan dat geheimzinnige wezen moeten worden
toegeschreven. Maar, hoe het ook zij, schipbreukeling of balling,
wij zouden ondankbaar wezen, zoo wij meenden dat we hem geen dank
schuldig waren. Wij hebben een rekening met hem te vereffenen, en ik
koester de hoop dat wij eenmaal in staat zullen zijn hem zijn diensten
te vergelden."
"Maar, indien hij dit alles gedaan heeft, dan bezit deze man een macht,
die hem over de elementen doet heerschen," zeide Gideon Spilett. De
opmerking van den reporter was juist en allen gevoelden het.
"Wanneer wij den persoon vinden," vervolgde Cyrus Smith, "is het
geheim ook opgelost. De vraag is dus: moeten wij de onbekendheid van
dit edelmoedige wezen eerbiedigen, of moeten wij alles in het werk
stellen om hem te vinden? Wat is uw oordeel hierover?"
"Mijn meening is," antwoordde Pencroff, "dat wie hij ook zij, hij
een edel mensch is, die op mijne achting rekenen kan."
"Goed," hernam Cyrus Smith, "maar dat is geen antwoord, Pencroff."
"Meester," zeide Nab toen, "ik geloof dat wij zoo hard kunnen zoeken
als we willen, maar dien heer toch niet vinden zullen, zoolang hij
het nog geen tijd daartoe acht."
"Dat is zoo dom niet, Nab, wat ge daar zegt," gaf Pencroff ten
antwoord.
"Ik ben van dezelfde meening als Nab," zeide Gideon Spilett, "maar
toch zie ik geen reden, waarom wij het niet zouden beproeven. Of wij
dit geheimzinnige wezen vinden of niet, wij hebben dan toch onzen
plicht jegens hem vervuld."
"En gij, Harbert," vroeg Cyrus Smith, "wat is uw meening! Spreek,
mijn jongen."
"Mijnheer Smith, ik geloof dat wij alles moeten aanwenden om den
weldoener weder te vinden, die eerst u gered heeft en ons daarna."
Op zijn beurt sprak Ayrton:
"Misschien is hij alleen? Misschien lijdt hij? Misschien heeft ook
hij zijn leven te veranderen? Ik ben hem, zooals gij gezegd hebt,
veel verschuldigd. Hij is het, niemand anders kan het geweest zijn,
die op het eiland Tabor gekomen is, die den ongelukkige gevonden heeft,
dien gij gekend hebt, die u heeft doen weten dat er een rampzalige
gered moest worden!.... Aan hem heb ik het dus te danken, dat ik
weder mensch geworden ben. Neen, dat zal ik nooit vergeten!"
"Dit staat dus vast," zeide Cyrus Smith toen. "Wij zullen zoo
spoedig mogelijk onze onderzoekingen hervatten. Geen stukje van het
eiland zullen wij vergeten. Tot in het binnenste gedeelte zullen
we doordringen, en dat onze vriend het ons vergeve ter wille van
onze bedoeling!"
Gedurende eenige dagen hadden de kolonisten de handen vol met het
inhalen van den oogst. Vóor zij hun plan ten uitvoer brachten, wilden
ze alles in orde hebben. Ook de tijd, waarop zij de groenten van het
eiland Tabor moesten binnenbrengen, was aangebroken. Maar er was nog
een belangrijk overblijfsel van de brik, dat eveneens geborgen moest
worden: de vier kanonnen. Door middel van katrollen brachten zij die
in het Rotshuis, waar zij tusschen de vensters geplaatst werden. Het
huis der kolonisten werd nu een klein Gibraltar en elk schip dat
het wagen mocht, het eiland aan te tasten, zou voortaan aan het vuur
eener geduchte batterij zijn blootgesteld.
Toen alles gereed was, zeide Pencroff--het was de 8ste November--tot
Cyrus Smith:
"Mijnheer, nu onze sterkte gereed is, moesten wij toch de kracht van
onze stukken eens beproeven."
"Gelooft ge dat dit van eenig nut is?" vroeg de ingenieur.
"Het is niet alleen nuttig, maar noodig! Want, hoe zouden wij anders
weten hoe ver ons geschut draagt."
"Laat ons het dan beproeven," zeide Cyrus Smith.
Het sprak van zelf dat de vier kanonnen in den besten toestand
waren. Zoodra zij ze uit het water hadden gehaald, was de eerste zorg
van den matroos geweest ze nauwkeurig na te zien. Hoeveel uren had hij
niet besteed aan het schoonmaken en poetsen van deze vuurmonden! Thans
blonken deze stukken geschut dan ook of ze aan boord waren van een
fregat der Vereenigde Staten.
In tegenwoordigheid van het geheele personeel der kolonie, Jup en
Top daaronder begrepen, werden de vier kanonnen achtereenvolgens
beproefd. Men gebruikte daarbij schietkatoen, waarvan de kracht
viermaal grooter is dan van het buskruit, terwijl de stukken geladen
werden met puntkogels. Pencroff loste het eerste schot; de kogel
in de richting der zee geschoten, snorde over het eilandje en viel
op een afstand, dien men niet met juistheid berekenen kon. Het
tweede schot was gericht op de uiterste rots van het Wrakpunt; een
uitstekende steen, drie mijlen van het Rotshuis werd er door tot
puin geslagen. Het was Harbert, die het stuk gericht had. De derde
kogel werd afgeschoten op de duinen der Uniebaai en sprong door den
weerslag in zee: de afstand was vier mijlen. Voor het vierde schot
had Cyrus Smith de lading wat sterker genomen om te zien, hoe groot
de draagkracht in een uiterst geval zou kunnen wezen. Allen weken op
zijde, daar er kans was dat het stuk sprong. Een lange lont werd aan
het zundgat bevestigd, een geweldige slag volgde, maar het kanon had
weerstand geboden, en toen de kolonisten naar het venster ijlden,
zagen zij hoe de kogel de rotsen had getroffen van kaap Mandibule,
op vijf mijlen afstands van het Rotshuis en in de Haaiengolf verdween.
"Welnu, mijnheer Cyrus," riep Pencroff uit, wiens hoezee's in kracht
met de schoten wedijverden, "wat zegt gij nu van onze batterij? Laten
nu alle zeeschuimers uit de Stille zee zich voor het Rotshuis
vertoonen; zonder onze toestemming zullen zij niet kunnen ontschepen."
"Het zou toch altijd het beste zijn, Pencroff," antwoordde de
ingenieur, "dat wij nooit in zulk een geval komen."
"Hé," zeide Pencroff, "wat zullen wij met de zes schelmen doen,
die nog op het eiland rondzwerven? Zullen wij ze maar stil onze
bosschen, velden en weiden laten doorkruisen? Het zijn ware jaguars,
die zeeroovers! en ik geloof dat wij ons niet behoeven te bedenken om
ze als zoodanig te behandelen. Wat dunkt gij er van Ayrton?" voegde
Pencroff er bij, terwijl hij zich tot zijn makker wendde.
Ayrton gaf eerst geen antwoord, en Cyrus Smith speet het dat Pencroff
dezen zoo plotseling die vraag had gedaan. Hij was zelfs getroffen
toen Ayrton op zachtmoedigen toon antwoordde:
"Ik heb ook eenmaal tot die jaguars behoort, mijnheer Pencroff,
en ik heb dus geen recht daarover te oordeelen."
Langzaam verwijderde hij zich.
Pencroff had het begrepen.
"Domoor, die ik ben!" riep hij uit. "Arme Ayrton! hij heeft toch
evenveel recht als wij om hier te spreken!"
"Ja," zeide Gideon Spilett, "maar zijn bescheidenheid doet hem eer aan,
en wij moeten deze herinnering aan zijn vroeger leven eerbiedigen."
"Gij hebt gelijk," antwoordde de matroos, "en ik zal voortaan
oppassen. Maar laten wij tot onze vraag terugkeeren? Het schijnt mij
toe, dat die boeven niet de minste aanspraak hebben op ons medelijden
en dat wij ze zoo spoedig mogelijk van het eiland moeten verwijderen."
"Is dat uw meening, Pencroff?" vroeg de ingenieur.
"Geheel en al."
"En zijt ge niet van plan, voor wij ze zonder eenig mededoogen
vervolgen, te wachten tot ze ons opnieuw aanvallen?"
"Hetgeen zij ons gedaan hebben, is dus niet voldoende?" vroeg Pencroff,
die niets van deze aarzeling begreep.
"Zij kunnen tot andere gevoelens komen," zeide Cyrus Smith, "zij
kunnen berouw gevoelen...."
"Zij berouw gevoelen!" riep de matroos uit, terwijl hij zijn schouders
optrok.
"Pencroff, denk aan Ayrton!" zeide Harbert toen en vatte de hand van
den matroos. "Hij is ook een eerlijk man geworden."
Pencroff zag zijn makkers beurtelings aan. Hij had nooit gedacht dat
zijn voorstel eenigen tegenstand zou ondervinden. Zijn ruw gemoed
kon niet aannemen dat men eenige inschikkelijkheid betoonde tegenover
de schelmen, die op het eiland waren, met de medeplichtigen van Bob
Harvey, de moordenaars van de Speedy, en hij beschouwde ze als wilde
dieren, die zonder aarzelen gedood moesten worden.
"Nu nog mooier, ik heb ze allen tegen mij. Wilt gij nog edelmoedig
zijn en tegenover die schelmen met zachtheid te werk gaan? Ik hoop
dat wij er later geen berouw van hebben!"
"Pencroff," zeide toen de ingenieur, "gij hebt dikwijls veel waarde
gehecht aan mijn raadgevingen. Wilt ge thans ook naar mij luisteren?"
"Ik zal doen, zooals u goeddunkt, mijnheer Smith," antwoordde de
matroos, die nog in het geheel niet overtuigd was.
"Welnu, laten wij dan wachten en niet eer aanvallen vóor wij zelven
aangevallen worden."
Zij besloten zich op deze wijs tegenover de zeeschuimers te gedragen,
hoewel Pencroff er weinig goeds van voorspelde. Zij zouden niet
aanvallen maar wel op hun hoede blijven. Het eiland was groot en
vruchtbaar. En zoo er nog eenig gevoel van eerlijkheid in het diepst
hunner ziel was overgebleven, zouden die ellendelingen zich misschien
nog beteren kunnen. Was het hun belang niet om in de omstandigheden,
waarin zij thans verkeerden, een ander leven te beginnen.
De kolonisten zouden nu echter niet geheel en al vrij in hun doen en
laten zijn. Tot nog toe hadden zij slechts te waken tegen de wilde
dieren en thans zwierven er zes boeven, misschien van de ergste soort,
op hun eiland. Dat was ongetwijfeld van ernstiger aard, en minder
dappere mannen zouden gelooven dat alle veiligheid verloren was.
Het doet er niet toe! Voor het oogenblik hadden zij tegen Pencroff
gelijk. Zouden zij in de toekomst ook gelijk hebben? Dit zal blijken.