De kolonisten op de kust.--Ayrton en Pencroff redden de
overblijfselen.--Gesprek onder het ontbijt.--De redeneering
van Pencroff.--Bezoek aan den romp van de brik.--De kruitkamer
ongedeerd.--Nieuwe rijkdom.--De laatste overblijfselen.
"Zij zijn in de lucht gesprongen!"
"Ja, het is alsof Ayrton de lont in het kruit had geworpen!" antwoordde
Pencroff, terwijl hij, gevolgd door Nab en Harbert, naar de opening
snelde.
"Maar wat is er gebeurd?" vroeg Gideon Spilett, nog ten hoogste
verbaasd over deze onverwachte ontknooping.
"Ditmaal zullen wij het weten!...." antwoordde de ingenieur opgewonden.
"Wat zullen wij weten?"
"Later! later! Kom Spilett."
"Het voornaamste is thans dat de zeeroovers uitgeroeid worden!"
Cyrus Smith voerde met deze woorden den reporter en Ayrton mede naar
het strand, waar Pencroff, Nab en Harbert reeds stonden.
Men zag niets meer van de brik, zelfs geen mast. Eenige overblijfselen
kwamen langzamerhand bovendrijven, maar geen planken van het dek noch
andere voorwerpen waaruit het schip was samengesteld. Dit was oorzaak,
dat zij die plotselinge verdwijning van de Speedy moeilijk konden
verklaren. Maar toch zag men spoedig daarop de twee masten met de
zeilen boven komen. Zij haastten zich om deze schatten in hun bezit
te krijgen. Ayrton en Pencroff sprongen in de prauw om de kostbare
voorwerpen aan wal te brengen.
Op het oogenblik dat zij van wal zouden steken, riep Gideon Spilett
hen terug met de woorden:
"En de zes boeven die op den rechteroever der Mercy geland zijn?"
Zij hadden waarlijk de zes mannen vergeten, wier sloep tegen de
klippen was verbrijzeld.
Niets was er in die richting van de vluchtelingen te bespeuren. Het
was zeer waarschijnlijk dat zij, toen de brik uiteen was geslagen,
naar het binnengedeelte van het eiland waren gevlucht.
"Later zullen wij ons met hen bezighouden," zeide Cyrus Smith
toen. "Zij kunnen nog gevaarlijk wezen, daar ze gewapend zijn, maar wij
zijn zes tegen zes, de kansen staan dus gelijk. Alzoo spoed gemaakt!"
Pencroff en Ayrton slaagden er in om door middel van touwen alles wat
dreef op het strand vóor het Rotshuis te halen; daarna brachten zij
de kooien met vogels, kisten en vaten in de Schoorsteenen. Ook vonden
zij nog eenige lijken, Ayrton herkende dat van Bob Harvey terstond
en zeide op fluisterenden toon tot zijn makker:
"Zoo ben ik geweest, Pencroff."
"Maar gij zijt het niet meer, beste Ayrton!" antwoordde de matroos.
Toen alles zoo goed mogelijk geborgen was, besloten zij bij de
Schoorsteenen hun ontbijt te gebruiken. Natuurlijk was het gebeurde
steeds het onderwerp van hun gesprek.
"Het is toch een wonder," herhaalde Pencroff, "dat die schurken juist
op het geschiktste oogenblik in de lucht gesprongen zijn! Want het
Rotshuis werd voor ons onhoudbaar!"
"Maar kunt ge u begrijpen," vroeg de reporter, "hoe het gebeurd is,
en waardoor het springen van de brik teweeg is gebracht?"
"Wel niets is natuurlijker, mijnheer," antwoordde Pencroff. "Een
zeerooversschip is geen oorlogsschip! Zeeschuimers zijn geen
matrozen! Zeker was de deur der kruitkamer geopend; daar zij
onophoudelijk vuurden is, door de een of andere onvoorzichtigheid of
onhandigheid, de kast gesprongen."
Er waren echter verschijnselen die met de onderstelling van Pencroff
volkomen in strijd waren, en langen tijd hielden de kolonisten zich
bezig met gissingen naar de oorzaak van het onheil, dat voor hen zulk
een groot geluk was.
Tegen half twee besloten de kolonisten om met hun prauw naar de
plaats te gaan, waar de brik gesprongen was. Het was jammer dat de
beide sloepen niet behouden waren gebleven; maar de eene was, zooals
men weet, bij de monding der Mercy stukgeslagen en geheel ongeschikt;
de andere was tegelijk met de brik verdwenen.
De kolonisten bezagen nu den romp van de Speedy, en naarmate de zee
afnam konden zij ontdekken, zoo niet de oorzaak van dit ongeval,
dan toch de uitwerking.
"Duizend duivels!" riep Pencroff, "dat schip zal moeilijk te kalefaten
zijn!"
"Het is zelfs onmogelijk," meende Ayrton.
"In elk geval," merkte Gideon Spilett op, "heeft het springen, zoo er
een uitbarsting geweest is, een zeer zonderlinge uitwerking gehad. De
romp van het schip is van binnen uit elkander gesprongen, in plaats
van het dek! Die groote openingen schijnen eer te weeg gebracht te
zijn door het stooten tegen een klip dan wel door het springen van
de kruitkamer!"
"Er zijn geen klippen in het kanaal!" hernam de matroos. "Ik neem
alles aan wat ge wilt, behalve het stooten op een klip."
"Laten wij tot in het binnenste van de brik trachten door te dringen,"
zeide de ingenieur. "Misschien zullen wij dan iets meer van die
verwoesting te weten komen."
Dit was het beste wat hun te doen stond; zij besloten verder alle
schatten, die aan boord waren, bij elkander te voegen en alles wat
hun mogelijk was te redden.
Het was een waar fortuin. Wat zij vonden, was voor hen inderdaad
een schat; een schip toch is een kleine wereld op zich zelf, en
het magazijn der kolonisten zou met een rijken voorraad van nuttige
voorwerpen vermeerderd worden.
Cyrus Smith en zijn makkers begaven zich met de bijl in de hand op
het dek. Allerlei kisten vonden zij er, en daar ze slechts korten tijd
onder water hadden gestaan zou de inhoud nog wel niet beschadigd wezen;
zij slaagden er dan ook in alles in de prauw in veiligheid te brengen.
Met vreugde ontdekten de kolonisten, dat de lading van de brik van
alles bevatte: een volledige voorraad van werktuigen en kleederen was
er voorhanden. Het was zeer waarschijnlijk, dat zij daar van alles
zouden vinden en dit zou den kolonisten van het eiland Lincoln zeer
goed te stade komen.
Eindelijk konden zij ook het achtergedeelte van de brik bereiken. Hier
moesten zij volgens Ayrton de kruitkamer vinden. Cyrus Smith, die van
meening was dat het springen niet hierdoor teweeg was gebracht, achtte
het zeer wel mogelijk, dat nog eenige vaten gespaard waren gebleven,
daar het kruit gewoonlijk in metalen omhulsels wordt geborgen en dus
weinig van het water zou geleden hebben.
Dit was inderdaad het geval. Zij vonden te midden van een menigte
projectielen een twintigtal vaten, die van binnen met koper bekleed
waren. Pencroff overtuigde zich met eigen oogen, dat het uiteenbarsten
van de Speedy niet aan het springen van de kruitkamer was toe te
schrijven. Dat gedeelte van het vaartuig had juist het minst geleden.
"Het is mogelijk!" antwoordde de koppige zeeman, "maar tegen een rots,
neen, er zijn geen rotsen in het kanaal!"
"Wat is er dan gebeurd?" vroeg Harbert.
"Ik weet het niet," antwoordde Pencroff, "mijnheer Cyrus weet het niet
en niemand weet er iets van en zal er ooit iets van te weten komen."
Het was vijf uur en de zee kwam weder opzetten. Zij moesten zich dus
haasten om de weinige overblijfselen van het schip nog in veiligheid
te brengen. Het was een vermoeiende dag voor hen geweest; toch kwamen
zij overeen, dat, na het eten, de kisten nog onderzocht zouden worden.
Voor het grootste gedeelte bevatten zij gemaakte kleederen, die,
zooals men denken kan, hun goed te pas kwamen. Zij konden nu een
groote kolonie van kleederen voorzien, van linnen dat tot alles
gebruikt kon worden en van de noodige schoenen.
"Nu zijn wij te rijk!" riep Pencroff uit. "Maar, wat zullen wij er
mede doen?"
Het ontbrak hun niet aan plaats in het magazijn van het Rotshuis;
maar het was dien dag zeer slecht weer, zoodat zij niet alles naar
binnen konden brengen. Toch moesten zij niet vergeten, dat er nog
zes boeven van de Speedy op het eiland waren en zij wel op hun
hoede mochten wezen. De brug over de Mercy en andere hekken waren
opgeheschen of gesloten, maar die roovers waren de mannen niet om
vervaard te zijn voor een riviertje of een beek, en wanneer zij tot
het uiterste gedreven werden, waren zij zeer te vreezen.
De nacht ging evenwel voorbij zonder dat de roovers een aanval
waagden. Jup en Top hielden wacht aan de trap van het Rotshuis en
zouden wel spoedig gewaarschuwd hebben.
De drie volgende dagen, 19, 20 en 21 October, werden besteed aan het in
orde brengen van alles wat eenige waarde had. Zij doorzochten nogmaals
de brik en vonden nog verschillende voorwerpen. Het eenige wat zij
niet ontdekken konden, waren de scheepspapieren. Blijkbaar hadden de
boeven deze vernietigd, evenals al datgene wat den oorspronkelijken
eigenaar van het vaartuig kon doen kennen. Uit den bouw van het
schip maakten Pencroff en Ayrton echter op, dat het een Engelsch
schip moest zijn geweest.
Acht dagen na het ongeval of liever na die gelukkige, maar
onbegrijpelijke gebeurtenis, waaraan de kolonisten hun behoud te
danken hadden, zagen zij niets meer van het schip, zelfs bij laag
water. De overblijfselen waren verspreid geraakt en het Rotshuis
was goed voorzien van al het mogelijke. En toch zou het geheim dier
oorzaak van verwoesting nooit opgelost zijn, zoo Nab den 30sten October
niet op het strand was gaan zwerven en daar een stuk van een ijzeren
cylinder had gevonden, dat de sporen van een uitbarsting droeg.
Nab bracht dit stukje metaal aan zijn meester, die juist met zijn
vrienden in de Schoorsteenen werkte. Cyrus Smith beschouwde het
aandachtig; daarop wendde hij zich tot Pencroff.
"Gij houdt nog vol, mijn vriend, dat de Speedy niet tengevolge van
een schok in de lucht is gesprongen?"
"Ja, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos. "Gij weet even goed als
ik dat er geen rotsen in het kanaal zijn!"
"Maar zoo hij tegen dat stuk ijzer is gestooten," vroeg de ingenieur,
terwijl hij hem den gebroken cylinder toonde.
"Wat! dat stuk pijp?" riep Pencroff op ongeloovigen toon uit.
"Vrienden," hernam Cyrus Smith, "gij herinnert u dat vóor het schip
zonk, de brik eerst als door een hoos in de hoogte werd geworpen?"
"Ja, mijnheer Cyrus," gaf Harbert ten antwoord.
"Welnu, wilt ge weten wie haar in de hoogte wierp? Deze," zeide de
ingenieur, terwijl hij op den cylinder wees.
"Die," herhaalde Pencroff.
"Ja, die cylinder is alles wat er van de torpedo is overgebleven."
"Een torpedo!" riepen zijn vrienden.
"En wie heeft dien er ingebracht?" vroeg Pencroff, die zich nog niet
gewonnen wilde geven.
"Alles wat ik u zeggen kan, is dat ik het niet gedaan heb!" antwoordde
Cyrus Smith, "maar hij was er, en gij kunt zelf over de ontzaglijke
kracht oordeelen."