De nevel trekt op.--Maatregelen van den ingenieur.--Drie
posten.--Ayrton en Pencroff.--De eerste stap.--Twee
landingssloepen.--Op het eilandje.--Zes veroordeelden
aan land.--De brik licht het anker.--De kogels der
Speedy.--Wanhopende toestand.--Onverwachte ontknooping.
De nacht ging verder rustig voorbij. De kolonisten waren op hun hoede
en verlieten hun post bij de Schoorsteenen niet. De roovers schenen
geen poging tot ontscheping te doen. Nadat zij het laatste schot,
hetwelk op Ayrton gericht was, hadden gelost, vernamen zij niet het
minste geraas, dat de tegenwoordigheid van het schip in den omtrek
van het eiland verraadde. Des noods zou men zelfs kunnen denken dat
men het anker gelicht had, omdat men met een te sterke tegenpartij
meende te doen te hebben, en dat men zich uit deze streken had
verwijderd. Maar dit was toch niet zoo: toen de dageraad aanbrak,
konden de kolonisten door den optrekkenden nevel duidelijk een dichte
massa onderscheiden. Het was de Speedy.
"Luistert, mijne vrienden," zeide de ingenieur. "Naar hetgeen mij
het best toeschijnt te doen, moeten wij vooral zorgen de roovers
in de meening te brengen, dat dit eiland vrij talrijk bevolkt is,
en dus natuurlijk in staat weerstand te bieden. Ik stel dus voor om
ons in drieën te verdeelen; de eerste groep zal bij de Schoorsteenen
de wacht houden, de tweede aan den mond van de Mercy. Wat de derde
betreft, ik geloof dat het goed zal wezen, als deze dan op het eilandje
post vat, zoodat zij elke poging tot ontscheping verhinderen of ten
minste voor het oogenblik tegenhouden kan. Wij hebben twee karabijnen
en vier geweren tot onzen dienst. Allen zijn dus gewapend en aan
kruit ontbreekt het ons niet. Wij worden door de rotsen beschut,
dus hebben wij van hun kogels, zelfs niet van hun kanonnen iets te
duchten. Alleen moeten wij zorgen, dat wij niet man tegen man met hen
strijden moeten, want de roovers zijn veel talrijker. Dus moeten wij
zorgen, dat zij zich niet ontschepen, maar tevens, dat wij ons niet
blootgeven; sparen wij dus ons kruit en lood niet. Laat ons schieten,
zoo vaak wij kunnen, maar altijd zorgen dat we raken. Elk van ons
heeft acht of tien vijanden te dooden!"
Cyrus Smith had hen met de grootste kalmte op de hoogte van hun
toestand gesteld, en hij had alles geregeld alsof hij eenigen arbeid
bestuurde, in plaats van een veldslag. Allen keurden dan ook zonder
tegenspraak, zijn raad goed. Het kwam er slechts op aan, voordat de
nevel geheel was opgetrokken, hun posten in te nemen. Nab en Pencroff
begaven zich terstond naar het Rotshuis om daar kruit en wapenen
te halen. Gideon Spilett en Ayrton, beiden goede schutters namen de
juistheids-karabijnen. De vier geweren werden verdeeld tusschen Cyrus
Smith, Nab, Pencroff en Harbert.
Cyrus en Harbert bleven bij de Schoorsteenen, en hadden dus ook
het toezicht over het strand. Gideon Spilett en Nab moesten bij de
Mercy waken.
Ayrton en Pencroff gingen met de prauw naar het eilandje waar zij
elk een post in namen.
Ingeval zij een ontscheping niet konden verhinderen, zouden Pencroff
en Ayrton terstond met de prauw terugkeeren en dat gedeelte hetwelk
het meest bedreigd werd, helpen verdedigen.
Vóór elk zich naar zijn post begaf, drukten de kolonisten elkaar
de hand.
Zij konden nog onmogelijk ontdekt worden, daar het geen helder dag
was. Maar weldra lag de brik voor hen en konden zij den zwarten wimpel
duidelijk onderscheiden.
De Speedy vertoonde zich nu in haar geheel. Cyrus Smith kon door
zijn verrekijker zien dat een dertigtal matrozen op het dek heen
en weer gingen, en dat twee anderen, op den bezaansmast zittende,
met de meeste aandacht het eiland beschouwden.
Eindelijk bespeurden de kolonisten tegen acht uur eenige beweging
aan boord van de Speedy. Een bootje werd in zee gelaten met zeven
man. Hun doel was ongetwijfeld om een nader onderzoek in te stellen;
maar zeker hadden de boeven geen plan te ontschepen, want dan zouden
zij talrijker wezen.
Pencroff en Ayrton achter een der rotsen verborgen, zagen de roovers
recht op zich aankomen. De boot naderde zeer voorzichtig. Nog slechts
twee kabellengten was zij van het eilandje verwijderd.
Plotseling werden er twee schoten gelost. Een licht rookwolkje steeg
boven de rotsen van het eiland. De man aan het roer en de man met
het dieplood, stortten neder. Twee mannen vielen. Ayrton en Pencroff
hadden, tegelijkertijd, er elk een getroffen.
Bijna op hetzelfde oogenblik dreunde een kanonschot, een vurige vlam
schoot uit de wanden der brik en een kogel trof slechts de rotsen;
de beide schutters bleven ongedeerd.
De boot keerde intusschen niet, zooals zij verwacht hadden, naar het
schip terug; de matrozen roeiden uit alle macht de zuidelijke punt
van het eilandje om, ten einde buiten het bereik der kogels te komen.
Thans volgden zij de richting naar den mond van de Mercy; zeker
wilden zij van die zijde het kanaal binnenloopen, en de kolonisten
die op het eilandje wacht hielden in den rug aanvallen, zoodat deze
dan tusschen twee vuren kwamen, namelijk van de sloep en van de brik,
wat voor hen een hoogst ongunstige toestand zou zijn. Een kwartier
verliep er, terwijl de boot de richting volgde. Alles bleef doodstil
in de lucht en op de wateren. Pencroff en Ayrton verlieten hun post
nog niet, hetzij dat ze zich nog niet aan de belegeraars wilden
vertoonen en dus blootgesteld zouden zijn aan de kanonnen van de
Speedy; ofwel omdat zij op Nab en Gideon Spilett rekenden, die aan
de monding van de Mercy waakten, op Cyrus Smith en Harbert, die in de
Schoorsteenen op wacht waren. Twintig minuten na het eerste kanonschot,
was de boot op twee kabellengten van de Mercy verwijderd. Daar het
water op kwam zetten, voelden de roovers zich hoe langer hoe meer
naar den oever getrokken en konden zij met moeite in het midden
van het kanaal blijven. Maar toen zij vlak voor de monding waren,
werden zij begroet met twee kogels, en twee mannen vielen weder in
de boot. Nab en Spilett hadden goed geraakt. Spoedig daarop zond de
brik een tweeden kogel, maar deze had weder geen andere uitwerking,
dan dat hij eenige rotsblokken verbrijzelde.
Er waren thans slechts drie ongekwetste mannen meer in de boot. Door
den stroom meegevoerd, schoot zij het kanaal met de snelheid van
een pijl binnen, vloog voorbij Cyrus Smith en Harbert, die hen nog
niet genoeg in de nabijheid achtten om een schot te lossen; daarop
roeiden de boeven de noordpunt van het eiland om, met de twee riemen,
die hun restten, ten einde de brik te bereiken.
Tot nog toe hadden de kolonisten zich niet te beklagen. De kansen
stonden slecht voor de tegenpartij. Deze had reeds vier gewonden,
misschien wel dooden; zij, daarentegen, waren niet gewond, en
geen kogels waren er verloren gegaan. Zoo de roovers op deze wijs
voortgingen, en met de boot wilden beproeven aan wal te komen, zouden
zij ze een voor een kunnen neerschieten.
Cyrus Smith had dus goed gezien. Een half uur verliep er eer de boot
de Speedy was genaderd. Men hoorde een oorverdoovend geschreeuw toen
de gewonden aan boord kwamen en twee à drie kanonschoten werden er
gelost, maar die niet de minste uitwerking hadden.
Maar thans sprongen een twaalftal matrozen, dronken van woede en
misschien ook tengevolge van de buitensporigheden van den vorigen
nacht, in de sloep. Een tweede sloep werd uitgezet, waarin anderen
plaats namen, en terwijl de een recht op het eilandje afging, trachtte
de ander de Mercy binnen te varen, om er de kolonisten uit te drijven.
De toestand werd voor Pencroff en Ayrton onhoudbaar en zij begrepen
thans dat ze zich bij hun vrienden moesten voegen. Toch wachtten zij
nog totdat de eerste sloep binnen hun bereik was, om twee kogels,
die goed gemikt waren, af te schieten, wat opnieuw wanorde bij de
bemanning deed ontstaan. Daarop verlieten Pencroff en Ayrton hun
post, wierpen zich in de prauw en hadden spoedig de Schoorsteenen
bereikt, op het oogenblik dat de tweede boot aan de zuidelijke punt
was. Ternauwernood hadden zij Cyrus Smith en Harbert bereikt of het
eiland was in de macht der zeeroovers en de matrozen uit de eerste
sloep doorkruisten het eilandje in alle richtingen.
Op hetzelfde oogenblik knalden er opnieuw schoten van den post bij
de Mercy, waar thans de tweede sloep was genaderd. Twee van de acht
matrozen werden doodelijk gewond door de kogels van Gideon Spilett en
Nab; en de boot zelf werd tegen de klippen verbrijzeld. Maar de zes
overigen hielden hun wapenen boven het hoofd, zorgende dat die niet
vochtig werden, en slaagden er eindelijk in aan wal te komen. Toen zij
bemerkten te dicht onder het vuur te zijn, vluchtten zij in allerijl
naar het Wrakpunt, buiten het bereik der kogels.
Hun toestand was dus deze: op het eilandje twaalf bandieten,
waarvan verscheidene gewond waren, maar die toch nog een sloep tot
hun beschikking hadden; op het eiland zes roovers, maar deze konden
het Rotshuis niet naderen, want zij konden de rivier niet oversteken
daar de bruggen weggenomen waren.
"Dat gaat goed!" had Pencroff gezegd, terwijl hij naar de Schoorsteenen
ijlde, "wat denkt gij er van, mijnheer Cyrus?"
"Ik denk," gaf de ingenieur ten antwoord, "dat de strijd een anderen
vorm gaat aannemen, want men kan niet veronderstellen dat de boeven
in zulk een ongunstigen toestand op deze wijs zullen handelen!"
"Zij zullen het kanaal niet oversteken. De karabijnen van Ayrton
en Spilett zijn daar om hun dat te verhinderen. Gij weet wel dat ze
verder dan een mijl dragen."
"Zeker," antwoordde Harbert, "maar wat vermogen twee karabijnen tegen
de kanonnen van de brik?"
"Wel de brik is nog niet in het kanaal!" riep Pencroff.
"Maar wanneer zij er in komt?" vroeg Cyrus Smith.
"Dat is onmogelijk, want zij zou daar verbrijzeld worden!"
"Het is zeer wel mogelijk," antwoordde Ayrton. "De misdadigers kunnen
van het hooge water gebruik maken, om het kanaal binnen te loopen!"
"Duizend duivels!" riep Pencroff, "het schijnt waarlijk dat de schurken
het anker lichten!"
"Misschien zullen we wel genoodzaakt zijn om in het Rotshuis de wijk
te nemen?" merkte Harbert op.
"Laten wij wachten!" antwoordde Cyrus Smith.
"Maar Nab en mijnheer Spilett?...." zeide Pencroff.
"Zij zullen in tijds bij ons wezen. Houd u gereed, Ayrton. Thans
komen uw karabijn en die van Spilett aan de beurt."
Het was maar al te waar! De Speedy begon haar anker te lichten en
scheen het eilandje te willen naderen. De roovers waren slechts met
geweren gewapend en konden dus niet het minste kwaad doen aan de
kolonisten, of deze verborgen waren in de Schoorsteenen, dan wel
bij de monding der Mercy; maar zij, van hun kant, wisten niet dat
de kolonisten ook voorzien waren van karabijnen die ver droegen en
achtten zich dus in veiligheid. Daarom stelden zij zich dus ook niet
verdekt op, toen zij op het eilandje geland waren.
De waan was slechts van korten duur. De karabijnen van Ayrton en
Spilett lieten zich spoedig hooren en hadden voor de boeven een
noodlottige uitwerking. Twee vielen ter aarde. De overigen vluchtten
aan boord van het schip.
"Acht minder!" riep Pencroff uit. "Waarlijk, men zou zeggen dat
Spilett en Ayrton elkander waarschuwden als ze vuur wilden geven."
"Mannen!" antwoordde Ayrton, "de brik komt hierheen."
Eenige oogenblikken later riep Pencroff uit:
"Daar komen de roovers!"
Thans hadden Spilett en Nab zich bij de overigen gevoegd. Zij hadden
niet het minste letsel bekomen; maar allen achtten het nu raadzamer
den post bij de Mercy te verlaten.
"Hebt gij eenig plan gemaakt, Cyrus?" vroeg de reporter.
"Wij moeten, terwijl wij nog tijd daartoe hebben, ons in het Rotshuis
bergen."
Zij moesten geen oogenblik verloren laten gaan; want de Speedy was nog
slechts op korten afstand en de kogels vlogen in alle richtingen. Zij
wierpen zich in den heischtoestel en bereikten den ingang van her
Rotshuis, waar Top en Jup den vorigen dag waren opgesloten. Weldra
waren zij in de groote zaal. Het was tijd. De kolonisten zagen reeds
de Speedy in kruitdamp gehuld door het kanaal stoomen. Zij moesten
zich zelfs verschuilen, want het eene schot volgde het andere en de
kogels der vier kanonnen troffen in den blinde zoowel den post aan
de Mercy als de Schoorsteenen. De rotsen werden verbrijzeld en bij
elk schot steeg er een luid gejuich op.
Toch was het te voorzien, dank zij de voorzorgen van Cyrus Smith,
dat het Rotshuis vrij zou blijven, toen plotseling een kogel door de
deur drong in den voorgang.
"Vervloekt! Wij zijn ontdekt!" riep Pencroff.
Hun toestand was hopeloos, want weldra regende het kogels in het
Rotshuis. Hun schuilplaats was ontdekt. Zij konden geen weerstand
bieden. Er schoot hun niets over dan zich in het bovenste gedeelte
van het Rotshuis te bergen, en hun woning aan de verwoesting prijs
te geven, toen plotseling een doffe dreun hun ooren trof, die door
een vreeselijken gil gevolgd werd.
Cyrus Smith en zijn makkers snelden naar het venster.... De brik
onweerstaanbaar opgeheven door een waterzuil, was in tweeën gespleten
en binnen tien minuten was er niets meer van het geheele vaartuig
te bespeuren.