XII.

Beraad.--Voorgevoel.--Een voorstel van Ayrton.--Men neemt

het aan.--Ayrton en Pencroff op het eilandje.--Boeven uit

Norfolk.--Hun plannen.--Heldhaftige pogingen van Ayrton.--Zijn

terugkomst.--Zes tegen vijftig.

Er viel dus niet meer te twijfelen aan de plannen der zeeroovers. Zij

hadden het anker op korten afstand van het eiland geworpen, en het

was blijkbaar, dat zij den anderen morgen met hun sloepen zich aan

wal zouden begeven.

Cyrus Smith en zijn metgezellen stonden dus gereed om te handelen,

maar, hoe vast besloten zij ook waren, moesten zij de voorzichtigheid

toch niet uit het oog verliezen.

Misschien konden zij hun tegenwoordigheid nog verbergen, ingeval de

zeeroovers zich mochten bepalen de kust te onderzoeken, zonder tot

het binnengedeelte van het eiland door te dringen. Het kon inderdaad

zeer goed wezen, dat zij geen ander plan hadden dan water in te nemen,

en het was niet onmogelijk dat de brug, op ongeveer anderhalve mijl

afstand van de monding, en de verschillende werkplaatsen bij de

schoorsteenen aan hun oog ontsnapten.

Maar waarom hadden zij die vlag geheschen? Waartoe dat

kanonschot? Niets dan bluf, zoo het ten minste niet het teeken was van

het inbezitnemen van het eiland! Cyrus Smith wist thans, dat het schip

goed gewapend was. En wat hadden de kolonisten van het eiland Lincoln

om het kanonschot der zeeschuimers te kunnen beantwoorden? Niets dan

eenige geweren.

"In elk geval," merkte Cyrus Smith op, "bevinden wij ons in

een onoverwinlijke positie. De vijand kan de opening van de

uitloozingsplaats niet ontdekken, daar die thans onder takkenbossen

en groen verborgen is, en dientengevolge is het hem ook onmogelijk

het Rotshuis binnen te dringen."

"Maar onze tuinen! ons pluimgedierte, onze kraal, ja alles!" riep

Pencroff uit, terwijl hij met den voet stampte. "Zij kunnen alles

verwoesten, en alles in weinige uren vernielen!"

"Alles, Pencroff, en wij kunnen het hun volstrekt niet

verhinderen!" antwoordde de ingenieur.

"Zijn er veel? Dit is nu nog de vraag," merkte de reporter op. "Zoo

het slechts een dozijn is, kunnen wij ze wel weerhouden, maar veertig,

vijftig, misschien wel meer....!"

"Mijnheer Cyrus," zeide Ayrton toen tot den ingenieur, "wilt ge mij

één ding toestaan?"

"Wat dan, mijn vriend?"

"Dat ik naar het schip ga en zie hoe sterk zijn bemanning is."

"Maar, Ayrton...." antwoordde de ingenieur aarzelend, "gij waagt

uw leven...."

"Waarom, mijnheer Cyrus?"

"Het is meer dan uw plicht."

"Ik moet ook meer dan mijn plicht doen," antwoordde Ayrton.

"Gij wilt met onze prauw naar het schip gaan?" vroeg Gideon Spilett.

"Neen, mijnheer, ik zal er heen zwemmen. De prauw kan niet daar komen,

waarheen een mensch zijn weg vindt."

"Weet ge wel dat de brik een en een kwart mijl van de kust verwijderd

is," merkte Harbert op.

"Ik ben een goed zwemmer, Harbert."

"Gij zet uw leven op het spel," hernam de ingenieur.

"Het doet er niet toe," antwoordde Ayrton. "Mijnheer Cyrus het is een

weldaad, die ik u verzoek. Misschien is het een middel om mij in mijn

eigen oog een weinig te verheffen!"

"Ga, Ayrton," gaf de ingenieur ten antwoord, die gevoelde dat, zoo

hij weigerde, dit den vroegeren misdadiger, die thans eerlijk man

was geworden, zou grieven.

"Ik zal u vergezellen," zeide Pencroff.

"Gij vertrouwt mij niet!" riep Ayrton getroffen uit; daarop voegde

hij er onderworpen bij: "Helaas!"

"Neen, neen Ayrton," sprak Cyrus Smith levendig, "neen Ayrton,

Pencroff wantrouwt u niet, gij hebt zijn woorden verkeerd begrepen."

"Inderdaad," zeide de matroos, "ik stel Ayrton slechts voor hem

tot het eilandje te vergezellen, het kan zijn, hoewel het niet

waarschijnlijk is, dat eenige van die schelmen op de kust zwerven,

en twee mannen zijn dan niet te veel, om te waarschuwen. Ik zal dus

op het eilandje wachten en hem alleen naar het schip laten gaan,

daar, hij zelf aangeboden heeft dit te doen."

Toen de zaak alzoo geschikt was, nam Ayrton de noodige maatregelen tot

zijn vertrek. Zijn plan was gevaarlijk, maar hij kon slagen, daar het

een zeer donkere nacht was. Wanneer hij eenmaal het schip had bereikt,

zou hij wel een middel vinden om het aantal zeeschuimers te verkennen,

en misschien ook wel iets omtrent hunne plannen te vernemen.

Ayrton en Pencroff begaven zich naar de kust, gevolgd door hun

vrienden. Ayrton ontkleedde zich, wreef zijn lichaam met vet in,

waardoor hij minder van de temperatuur, die toch nog vrij koud was,

zou te lijden hebben. Het was zeer wel mogelijk, dat hij verscheidene

uren in het water zou moeten doorbrengen.

Pencroff en Nab gingen in dien tusschentijd de prauw halen, die

eenige honderden schreden hooger lag en toen zij terug kwamen, was

Ayrton gereed.

Zij wierpen een deken over zijn schouders en de kolonisten drukten

hem de hand.

Ayrton scheepte zich met Pencroff in.

Het was toen half elf; hun makkers begaven zich naar de Schoorsteenen

om daar hun terugkomst af te wachten.

Zij hadden spoedig het kanaal overgestoken en de prauw had nu den

tegenovergestelden oever van het eilandje bereikt. Zij moesten

nu voorzichtig te werk gaan, want het kon zeer wel wezen dat de

roovers zich in dit gedeelte bevonden. Maar toen zij alles aandachtig

hadden gadegeslagen, bleek het duidelijk dat het eilandje verlaten

was. Ayrton en Pencroff legden snel den weg af, daarop wierp de eerste

zich zonder aarzelen in zee, en zwom onhoorbaar in de richting van

het schip, hetwelk hij, doordat zij licht ontstoken hadden, goed kon

zien. Pencroff verborg zich tusschen een der klippen en wachtte daar

de terugkomst van zijn makker af. Ayrton zwom flink door. Zijn hoofd

was ternauwernood zichtbaar, en zijn oogen waren steeds op de brik

gevestigd, waarvan de lichten zich in de golven weerkaatsten. Hij

dacht aan niets dan aan den plicht, dien hij beloofd had te vervullen,

en geenszins aan het gevaar dat hij liep, niet alleen aan boord van

het schip, maar ook in deze wateren, waarin het wemelde van haaien. De

stroom voerde hem mede, en hij verwijderde zich snel van de kust.

Een half uur later had Ayrton, zonder gehoord noch gezien te zijn,

den boegspriet bereikt. Hij haalde toen diep adem, hief zich tusschen

de kettingen op, en slaagde er zoo in het uiteinde van de plecht te

naderen. Daar hingen eenige broeken van de matrozen te drogen. Hij

trok er een aan en luisterde toen met ingehouden adem. Men sliep nog

niet aan boord van de brik. Integendeel. Hij hoorde praten, zingen

en lachen. Vooral de volgende woorden, die met menigen vloek gepaard

gingen, trokken zijn aandacht.

"Onze brik is een goede aanwinst!"

"De Speedy loopt goed. Zij doet haar naam eer aan!"

"Alle matrozen van Norfolk kunnen ons gerust nazetten! Zij komen toch

te laat!"

"Hoezee voor onzen kapitein Bob Harvey!"

Men kan zich voorstellen welk een gevoel zich van Ayrton meester

maakte bij het hooren van dit gesprek, toen hij in Bob Harvey een

zijner oude makkers uit Australië herkende, een stoutmoedig zeeman,

die met zijn misdadige plannen was voortgegaan. Bob Harvey had zich,

terwijl hij zich op het eiland Norfolk bevond, meester gemaakt

van de brik, die goed voorzien was van wapenen, krijgsvoorraad en

nog andere voorwerpen en op het punt stond haar koers naar een der

Sandwich-eilanden te richten. De geheele bende was aan boord gekomen.

De zeeschuimers spraken op luiden toon; zij vertelden van hun

rooverijen, terwijl zij overmatig dronken, en ziehier wat Ayrton er

van begreep:

De bemanning van de Speedy bestond geheel uit engelsche gevangenen,

die te Norfolk ontsnapt waren.

Dit eiland Norfolk, in het oosten van Australië gelegen, is

het verblijf van de grootste en meest onhandelbare engelsche

misdadigers. Er wonen er daar ongeveer vijf honderd, die onder de

strengste discipline staan, en bewaakt worden door honderd vijftig

soldaten en honderd vijftig ambtenaren, welke onder een gouverneur

staan. Het is onmogelijk zich een vereeniging voor te stellen die uit

grooter boeven is samengesteld dan deze. Soms, hoewel zeer zelden en

ondanks het toezicht, maken zij zich van schepen meester, waarmede

zij dan den Polynesischen Archipel doorkruisen. Dit was aan Bob

Harvey en zijn makkers ook gelukt. Dit had Ayrton vroeger ook willen

doen. Bob Harvey had zich van de Speedy meester gemaakt, en een jaar

lang was dit het schip der zeeschuimers, onder bevel van Bob Harvey,

die Ayrton uit vroeger dagen kende.

De roovers waren voor het grootste gedeelte vereenigd in de kajuit,

het achterste gedeelte van het schip, maar sommigen lagen nog op het

dek te praten. De gesprekken gingen altijd gepaard met schreeuwen

en de ruwste vloeken. Ayrton vernam dat het toeval de Speedy in de

nabijheid van Lincoln gevoerd had. Bob Harvey had er nog nooit den

voet gezet, maar het voorgevoel van Cyrus Smith werd bewaarheid:

nu zij dit onbekende land, waarvan geen kaart melding maakte,

op hun weg ontmoetten, hadden zij het plan gevormd dit eiland te

bezoeken, en ingeval het hun beviel zouden zij de brik in de haven

laten liggen. Maar wat het hijschen van de vlag en het lossen van

een kanonschot betrof, dit hadden zij uit louter pocherij gedaan,

uit zucht tot navolging der oorlogsschepen. Het was geen signaal en

geen gemeenschap bestond er tusschen de ontsnapten van Norfolk en

het eiland Lincoln.

De woonplaats der kolonisten verkeerde dus in groot gevaar. Het eiland

met zijn haven, zijn verschillende werkplaatsen en levensbehoeften,

het Rotshuis eindelijk waren een uitmuntende schuilplaats voor de

misdadigers. Zeker zouden zij het leven van de kolonisten niet ontzien,

en zou de eerste zorg van Bob Harvey en zijn makkers wezen hen om te

brengen. Cyrus Smith en de zijnen hadden dus niet eens de kans om te

kunnen ontvluchten of zich in het binnengedeelte van het eiland te

verbergen, daar de roovers er hun zetel wilden vestigen, en zoo de

Speedy al vertrok om op buit uit te gaan, zouden toch zeker eenigen

van de bemanning achterblijven, ten einde alles in orde te maken. Zij

moesten dus strijden, zij moesten al die schelmen tot den laatsten

toe dooden, geen medelijden hebben, en elk middel zou goed wezen,

waardoor dit doel kon worden bereikt. Zoo dacht Ayrton en hij wist

dat Cyrus Smith van dezelfde meening was.

Maar de tegenstand, en in het laatste geval, de overwinning, waren

die mogelijk? Dit hing af van de wapenen, die de brik tot haar dienst

had en van het aantal koppen, die zij voerde.

Dit besloot Ayrton, het mocht kosten wat het wilde, te weten te komen,

en toen zij, nadat er een uur verstreken was, langzamerhand kalmer

werden en de meeste bandieten in slaap waren gevallen, waagde Ayrton

het tot het dek van de Speedy door te dringen, maar daar de lichten

waren uitgegaan, heerschte er diepe duisternis.

Hij klom dus over de verschansing, langs den boeg, en bereikte toen

het voordek. Daar sloop hij tusschen de slapende roovers door en deed

zoo de ronde van het schip; hij ontdekte spoedig dat het gewapend

was met vier kanonnen, die kogels van acht à tien pond konden schieten.

Een tiental mannen lagen op het dek te slapen, maar het was zeer wel

mogelijk, dat zich een grooter aantal in de kajuit bevond. Bovendien

had Ayrton gemeend te verstaan, dat zij met hun vijftigen waren. Dit

was zeer veel tegenover de zes kolonisten! Maar gelukkig zou Cyrus

Smith, dank zij de toewijding van Ayrton, niet onverhoeds overvallen

worden; hij zou weten, hoe sterk zijn vijanden waren en zou in verband

hiermede de noodige maatregelen kunnen nemen.

Er bleef nu voor Ayrton niets anders over dan terug te keeren en zijn

vrienden in kennis te stellen met hetgeen hij gehoord en gezien had,

en hij stond op het punt weder naar het voorste gedeelte van het

schip te gaan, om weer weg te zwemmen. Maar toen nam de man, die

besloten had meer dan zijn plicht te doen, plotseling een heldhaftig

besluit. Hij wilde zijn leven opofferen, om dat der kolonisten te

redden. Cyrus Smith zou zeker aan vijftig man geen weerstand kunnen

bieden. Toen kwamen zijn redders hem voor den geest, zij die van hem

weder een eerlijk man hadden gemaakt, aan wie hij alles verplicht

was; zij zouden zonder mededoogen gedood worden, hun werk vernield,

en hun eiland veranderd worden in een roofnest! Hij zeide tot zich

zelf, dat hij, Ayrton, de oorzaak van al deze rampen was, daar zijn

oude makker Bob Harvey slechts zijn eigen plannen had verwezenlijkt,

en een gevoel vol afschuw maakte zich van hem meester. Toen kwam een

onwederstaanbare lust bij hem op, om de brik en allen die er op waren

in de lucht te doen springen. Ayrton zou wel is waar hierbij ook zijn

leven verliezen, maar hij zou zijn plicht doen.

Hij aarzelde dus niet. Het ruim te bereiken waar het kruit geborgen

lag, was zeer gemakkelijk. Kruit zou er op zulk een schip stellig in

overvloed wezen en hij had slechts een lont noodig om het schip in een

oogwenk te vernietigen. Ayrton sloop behoedzaam naar het tusschendek,

waar velen lagen te slapen, of liever in een roes gedompeld waren. Er

brandde een licht aan den voet van den grooten mast, waaraan een

wapenrek was bevestigd, dat een aantal vuurwapenen bevatte.

Ayrton nam een revolver en overtuigde zich dat deze goed geladen

was. Meer had hij niet noodig om zijn verdelgingsplan te volvoeren. Hij

begaf zich dus naar het achtergedeelte, waar zich de kruitkamer

bevond. Toch was het moeilijk om zich in dat gedeelte een weg te

banen, zonder een enkele half ingeslapen zeeroover te raken. Nu

eens kreeg hij een vloek, dan een trap. Ayrton was meer dan eens

genoodzaakt stil te staan. Maar eindelijk bereikte hij de deur van

de achterkajuit en vond hij den toegang tot de kruitkamer. Hij moest

die open breken. Hij kon de deur niet openen zonder eenig gedruisch

te maken. Maar met zijn krachtige hand slaagde hij er in; het slot

sprong.... de deur was geopend....

Op hetzelfde oogenblik voelde Ayrton een hand op zijn schouder.

"Wat doet gij daar?" vroeg op ruwen toon een man van reusachtige

gestalte, die plotseling uit de schaduw te voorschijn trad en het

licht van een lantaarn op Ayrton's gelaat deed schijnen.

Ayrton sprong achteruit. Plotseling had hij bij het schijnsel van

den lantaarn zijn ouden medegevangene Bob Harvey herkend, maar deze

had zich zijner zeker niet herinnerd, daar hij dacht dat Ayrton reeds

sedert lang dood was.

"Wat doet gij daar?" zeide Bob Harvey en greep hem bij den riem dien

hij om zijn middel had.

Maar Ayrton gaf geen antwoord, rukte zich van den hoofdman los en

wierp zich in de kajuit. Eén pistoolschot onder die vaten kruit,

en alles was geschied....

"Overal mannen!" schreeuwde Bob Harvey.

Twee of drie roovers waren op dit geroep ontwaakt, snelden naar

Ayrton en trachtten hem op den grond te werpen. De krachtige Ayrton

rukte zich los. Tweemaal loste hij een schot en twee roovers stortten

neder, maar een stoot met een mes, dien hij niet had kunnen ontwijken,

trof hem in den schouder.

Ayrton begreep thans dat hij zijn besluit niet kon volvoeren.

Bob Harvey had de deur gesloten, en hij hoorde reeds op het

tusschendek een luid gestommel, veroorzaakt door het ontwaken der

overige roovers. Hij moest zich zelf sparen om aan de zijde van Cyrus

Smith te kunnen strijden. Er schoot hem dus niets anders over dan te

vluchten! Maar was dit nog mogelijk? Dit was zeer onzeker, hoewel

hij tot het uiterste in staat was om zich weder bij zijn vrienden

te voegen.

Nog viermaal kon hij schieten. Twee keer loste hij een schot,

beiden op Bob Harvey gemikt, maar geen een trof hem, althans niet

ernstig. Ayrton maakte dus gebruik van een oogenblik rust, snelde naar

de trap en bereikte op die wijze het dek. Toen hij het licht genaderd

was, sloeg hij dit uit en een volslagen duisternis omringde hem,

waardoor zijn vlucht begunstigd werd. Twee of drie roovers, ontwaakt

door het gedruisch, kwamen op dit oogenblik de trap af. Een vijfde

pistoolschot van Ayrton wierp een van hen naar beneden; de andere

hierdoor verschrikt, deinsde terug, niets begrijpende van hetgeen er

gebeurde. Ayrton was in twee sprongen op het dek, en drie seconden

later, nadat hij eerst nog zijn revolver gelost had op een der roovers,

die hem bij den hals greep, sprong hij over de borstwering en wierp

zich in zee.

Hij had nog geen zes slagen gedaan, of reeds regende het kogels om

hem heen.

Welke aandoening moest zich van Pencroff meester maken, die verlaten

op een rots zat, en van Cyrus Smith, den reporter, Harbert en Nab

in de Schoorsteenen, toen zij die schoten aan boord van het schip

hoorden. Zij waren naar het strand gesneld, hielden hun geweren gereed,

om elken aanval af te weren. Voor hen bestond er niet de minste twijfel

meer! Ayrton, overvallen door de roovers, was door hen omgebracht,

en misschien zouden die ellendelingen van den nacht gebruik maken om

een aanval op het eiland te wagen!

Een half uur verliep er. Het schieten was geëindigd, maar noch

Ayrton noch Pencroff keerden terug. Had de landing dan reeds plaats

gehad? Moesten zij Ayrton en Pencroff niet ter hulp snellen? Maar

hoe? De zee was op dit oogenblik hoog; het kanaal konden zij dus niet

oversteken. Zij hadden de prauw niet tot hunne beschikking. Men kan

dus begrijpen in welk een stemming de kolonisten verkeerden.

Tegen half een bereikte een prauw den oever. Het was Ayrton, die

licht gewond en Pencroff, die heelhuids bij hun vrienden terugkeerden.

Terstond begaven allen zich naar de Schoorsteenen. Daar vertelde Ayrton

het voorgevallene en verborg ook zijn plan niet om de brik in de lucht

te doen springen. Allen drukten Ayrton de hand, die niet ontveinsde

dat hun toestand van zeer ernstigen aard was. De roovers waren nu

gewaarschuwd. Zij wisten dat het eiland Lincoln bewoond was. Zij

zouden nu in grooter getale en beter gewapend aan wal gaan. Zij

zouden niets ontzien. Wanneer de kolonisten in hun macht vielen,

hadden zij niet het minste medelijden te verwachten!

"Welnu, wij zullen weten hoe te sterven," zeide de reporter.

"Laten wij naar binnen gaan en op onze hoede wezen," antwoordde

de ingenieur.

"Bestaat er eenige kans om ons er uit te redden, mijnheer Cyrus?" vroeg

de matroos.

"Ja, Pencroff."

"Zoo, zoo; zes tegen vijftig."

"Ja! zes!.... zonder te rekenen op...."

"Waarop?" vroeg Pencroff.

Cyrus antwoordde niet, maar hij hief zijn hand ten hemel.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 16 / 37 题