Verloren of gered.--Ayrton ontboden.--Gewichtig onderhoud.--Het
is de Duncan niet.--Een verdacht vaartuig.--Voorzorgen.--Het
schip nadert.--Een kanonschot.--De brik laat het anker
vallen.--De nacht breekt aan.
Het was twee en een half jaar geleden dat de luchtschipbreukelingen
op het eiland Lincoln waren geworpen en tot nog toe hadden zij niets
van de beschaafde wereld gehoord. Eens had de reporter gepoogd om
eenige gemeenschap aan te knoopen, door aan een vogel het papier toe
te vertrouwen, dat het verhaal van hun toestand bevatte; maar dit was
een zeer gewaagd middel, waarop zij toch niet konden rekenen. Ayrton
alleen, en in welke omstandigheden weet men, had zich bij de kleine
kolonie gevoegd. En dien dag nu--den 17den October--waren onverwachts
andere menschen in het gezicht van het eiland, op die zee, die tot
nog toe altijd verlaten was geweest!
Zij konden er niet meer aan twijfelen! Er lag daar een schip! Maar
zou het voorbijgaan of het anker laten vallen. Binnen weinige uren
zouden de kolonisten weten wat hun te doen stond.
Cyrus Smith en Harbert riepen terstond Gideon Spilett, Pencroff en Nab
in de groote zaal van het Rotshuis, en stelden hen op de hoogte van
het gebeurde. Pencroff greep den verrekijker, doorliep den geheelen
horizon, hield hem op het aangeduide punt stil, dat is te zeggen,
daar waar het vlekje op de photographie zichtbaar was, en riep:
"Duizend duivels! Het is een schip!" Hij zeide dit op een toon,
die zijn groote vreugde verried.
"Komt het hierheen?" vroeg Gideon Spilett.
"Ik kan het nog niet met zekerheid zeggen," gaf Pencroff ten antwoord;
"want alleen zijn mast is pas zichtbaar, en men ziet niets van
den romp."
"Wat moeten wij doen?" vroeg de knaap.
"Wachten," antwoordde Cyrus Smith.
Eenige oogenblikken heerschte er een diepe stilte in de zaal; allen
waren met hun eigen gedachten, aandoeningen, vrees en hoop, die uit
deze gebeurtenis moesten voortspruiten, te zeer vervuld; het was het
gewichtigste voorval dat sedert hun verblijf op het eiland Lincoln
had plaats gegrepen.
De kolonisten bevonden zich niet in dien toestand, waarmede
schipbreukelingen welke op een onvruchtbaar eiland geworpen zijn,
te kampen hebben, en die hun ellendig bestaan betwisten aan een
woeste natuur en voortdurend gekweld worden door de behoefte om de
bewoonde landen terug te zien. Pencroff en Nab vooral, die zich hier
zoo gelukkig en rijk gevoelden, zouden niet dan met spijt het eiland
verlaten. Zij waren gewend aan dit nieuwe leven, te midden van het
grondgebied dat, als het ware door hun eigen verstand, gevormd was
geworden! Maar in elk geval bracht dit schip hun toch eenig nieuws
van het vasteland; misschien was het een deel van hun vaderland, dat
hun hier tegemoet kwam! Het bracht hun menschen als zij, en men kan
begrijpen dat hun hart, bij het gezicht hiervan, van genot sidderde!
Van tijd tot tijd ging Pencroff met den verrekijker voor het venster
staan. Hij beschouwde dan met aandacht het schip, dat twintig mijlen
oostwaarts van hen verwijderd was. De kolonisten hadden dus nog geen
enkel middel om de opvarenden met hun verblijf bekend te maken. Een
vlag zouden zij niet bespeuren; een geweerschot zou niet gehoord
worden, en een vuur zouden zij niet zien.
Toch kon het eiland met zijn berg Franklin niet aan de bemanning
ontgaan zijn. Maar waarom zou het schip hier ankeren? Was het niet het
toeval dat hen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bracht? Geen
enkele kaart toch gewaagde in deze streek van een land, behalve het
eiland Tabor, dat zelfs buiten de richting der scheepvaart in den
Polynesischen Archipel lag. Op deze vraag die een ieder aan zichzelven
deed, gaf Harbert plotseling het antwoord:
"Zou het de Duncan niet wezen?"
De Duncan, men zal het zich herinneren, was het jacht van lord
Glenarvan, die Ayrton op het eilandje had achtergelaten en die hem
nu misschien kwam afhalen. Het eilandje was nu zoover niet van het
eiland Lincoln verwijderd, dat een schip, welks koers daarheen was,
niet in het gezicht kon komen van het andere eiland. Honderd vijftig
mijlen slechts was het in de lengte verwijderd en vijf en zeventig
mijlen in de breedte.
"Wij moeten Ayrton waarschuwen," zeide Gideon Spilett, "en hem
onmiddellijk hier laten komen. Hij alleen kan ons zeggen of het de
Duncan is."
Dit was ook de meening der overigen, en de reporter ging naar de
telegraaf, en zond het volgende telegram:
"Kom terstond!"
Eenige oogenblikken later kreeg hij het antwoord:
"Ik kom."
Nu gingen de kolonisten weder voort met het schip gade te slaan.
"Als het de Duncan is," zeide Harbert, "zal Ayrton haar terstond
herkennen, daar hij eenigen tijd aan boord geweest is."
"En zoo hij haar herkent," antwoordde Pencroff, "dan zal dat een
hevige aandoening bij hem opwekken."
"Ja," zeide Cyrus Smith, "maar thans is Ayrton waardig om weder
aan boord van de Duncan te komen, en ik hoop dat 't het jacht van
lord Glenarvan wezen zal; want elk ander schip zou mij verdacht
toeschijnen! Deze zeeën worden weinig bezocht, en ik vrees altijd
nog dat ons eiland door maleische zeeroovers overvallen zal worden."
"Wij zouden het verdedigen!" riep Harbert uit.
"Zeker, beste jongen," antwoordde de ingenieur glimlachend, "maar
beter is het, wanneer we het niet behoeven te verdedigen."
"Een eenvoudige opmerking," zeide Gideon Spilett. "Het eiland Lincoln
is aan de zeelieden niet bekend, daar het zelfs niet op de laatste
kaarten is aangegeven. Vindt gij dus niet, Cyrus, dat dit juist een
reden is dat een schip, zich zoo plotseling in het gezicht bevindende
van een nieuw land, dit eerder zal bezoeken, dan ontvluchten?"
"Zeker," antwoordde Pencroff.
"Ik geloof het ook," zeide Cyrus Smith. "Men kan zelfs beweren dat
het de plicht van een kapitein is om elk land, dat nog niet bekend is,
te bezoeken, en het eiland Lincoln bevindt zich in dat geval."
"Welnu," zeide Pencroff toen, "dat dit schip hier zijn anker late
vallen, maar wat zullen wij dan doen?"
Die vraag bleef eerst onbeantwoord. Maar toen antwoordde Cyrus Smith,
nadat hij een oogenblik had nagedacht, op zijn gewonen kalmen toon:
"Wat wij doen zullen, mijn vrienden, is dit: Wij zullen onze
tegenwoordigheid melden, aan boord gaan en het eiland verlaten, nadat
wij er bezit van hebben genomen in naam der Vereenigde Staten. Daarop
zullen wij, met ieder die ons volgen wil, terugkeeren om het te
koloniseeren, en wij zullen de amerikaansche Republiek deze nuttige
haven in dit gedeelte van den Stillen Oceaan bezorgen."
"Hoezee!" riep Pencroff, "en het is geen klein geschenk dat wij ons
land geven! De kolonisatie is bijna geheel voltooid; aan elk gedeelte
van het eiland hebben wij reeds een naam gegeven; er is een haven,
een waterleiding, wegen, een telegraaflijn, een timmerwerf en een
gasfabriek; er is dus niets anders te doen, dan het eiland Lincoln
op de kaarten te teekenen!"
"Maar zoo anderen het gedurende onze afwezigheid in bezit nemen,"
merkte Gideon Spilett op.
"Duizend duivels," riep de matroos uit, "liever blijf ik dan hier
geheel alleen om het te bewaren; zoo waar ik Pencroff heet, zal men
het mij niet ontrooven, zoo min als mijn horloge."
Een uur lang was het hun onmogelijk te zeggen of het schip zijn koers
al dan niet naar het eiland richtte. Wel was het naderbij gekomen,
maar onder welke vlag voer het? Dat kon Pencroff niet ontdekken. Maar
daar de wind uit het noordoosten woei, was het wel waarschijnlijk
dat het schip over stuurboord lag; de wind was bovendien zoo, dat
het schip het land kon naderen, zonder het nog te zien, en met zulk
een kalme zee bestond niet het minste gevaar om te ankeren, hoewel
de diepte der zee nog niet op de kaarten aangegeven was.
Tegen vier uur--een uur nadat zij geseind hadden--kwam Ayrton in het
Rotshuis. Hij trad de zaal binnen, met de woorden:
"Ik ben tot uw orders, mijne heeren!"
Cyrus Smith stak hem, zooals altijd, de hand toe en geleidde hem naar
het venster.
"Ayrton," zeide hij, "wij lieten u hier komen, omdat we een zeer
ernstig onderwerp te bespreken hadden. Er is een schip in het gezicht."
Een oogenblik verbleekte Ayrton en sloot hij zijn oogen. Daarop keek
hij uit het venster; doorliep den horizon, maar hij zag niets.
"Neem den verrekijker," zeide Gideon Spilett, "en let dan goed op,
Ayrton, want het zou mogelijk kunnen wezen dat het de Duncan was,
die in deze zeeën gekomen is om u weder naar uw vaderland te brengen."
"De Duncan," mompelde Ayrton, "nu reeds!"
De laatste woorden ontsnapten hem onwillekeurig, en Ayrton liet het
hoofd in de handen zakken.
Twaalf jaar op een verlaten eiland te hebben doorgebracht, schenen
hem dus nog geen voldoend tijdsverloop toe? De berouwvolle misdadiger
scheen zich dus nog geen vergiffenis waardig te keuren, zoo min in
zijn eigen oogen, als in die van anderen.
"Neen," zeide hij, "neen! het kan de Duncan niet zijn."
"Zie goed, Ayrton," zeide toen de ingenieur, "want het is van het
hoogste belang dat wij weten, waaraan we ons te houden hebben."
Ayrton nam den verrekijker en hield hem in de aangewezen
richting. Eenige oogenblikken beschouwde hij roerloos den horizon,
zonder een woord te uiten. Daarop antwoordde hij:
"Waarlijk, het is een schip; maar ik geloof niet dat het de Duncan is."
"Waarom zou zij het niet wezen?" vroeg Gideon Spilett.
"Omdat de Duncan een stoomjacht is, en ik volstrekt geen rook bespeur,
noch boven noch in den omtrek van het schip."
"Misschien voert het thans enkel zeilen?" merkte Pencroff op. "De wind
is goed naar het schijnt voor de richting, die het schip volgen wil,
en het heeft er belang bij, dunkt me, zijn kolen te sparen, daar het
zoover van elk land verwijderd is."
"Het is mogelijk dat ge gelijk hebt, Pencroff," antwoordde Ayrton,
"en dat het schip zijn vuren heeft gebluscht. Laten wij dus wachten
tot het de kust genaderd is, en spoedig zullen wij dan weten waaraan
wij ons te houden hebben."
Bij deze woorden ging Ayrton in een hoek der zaal zitten, zonder
verder een woord te uiten. De kolonisten spraken nog een tijd lang
over het onbekende schip, maar Ayrton nam aan het gesprek geen deel.
Allen bevonden zich in een toestand, waarin zij onmogelijk tot
werken geschikt zouden zijn. Gideon Spilett en Pencroff waren
bijzonder zenuwachtig, zij liepen heen en weer en konden onmogelijk
op dezelfde plaats blijven. Harbert kon zijn nieuwsgierigheid niet
beheerschen. Nab alleen behield zijn gewone kalmte. Was zijn vaderland
niet daar, waar zijn meester was? Wat den ingenieur betrof, deze was
in gepeins verzonken en in zijn binnenste was hij meer met vrees,
dan met hoop vervuld.
Het schip was in dien tusschentijd het eiland een weinig genaderd. Met
behulp van den verrekijker was het hun mogelijk geweest te ontdekken
dat het een koopvaardijschip was, en niet een van die maleische
prauwen welke de zeeroovers uitrusten wanneer zij den Stillen Oceaan
bevaren. Het was dus te voorzien dat de vrees van den ingenieur niet
verwezenlijkt zou worden, en dat de komst van een schip bij het eiland
Lincoln geen gevaar voor hen zou opleveren. Pencroff was, nadat hij
nogmaals den horizon aandachtig had gadegeslagen, van oordeel dat het
een brik was en dat het rechtstreeks op de kust aankwam, hetgeen door
Ayrton ook bevestigd werd.
"Wat zullen wij doen wanneer de avond invalt?" vroeg Gideon
Spilett. "Zullen wij een vuur aansteken zoodat men met onze
tegenwoordigheid op deze kust bekend worde?"
Dit was een gewichtige vraag, en toch, hoewel de ingenieur altijd
nog van zijn voorgevoel geen afstand had kunnen doen, werd deze vraag
bevestigend beantwoord. Gedurende den nacht kon het schip verdwijnen,
voor altijd zich verwijderen, en wanneer dit gebeurde, zou er dan
ooit weer een ander in de nabijheid van Lincoln komen? Maar wie kon
voorzien wat de toekomst hun nog zou opleveren?
"Ja," zeide de reporter, "wij moeten dat schip laten weten, op welke
wijs ook, dat het eiland bewoond is. Wanneer we die goede gelegenheid
thans voorbij lieten gaan, zouden we ons misschien veel verdriet
berokkenen!"
Er werd dus besloten dat Nab en Pencroff naar de Ballonhaven zouden
gaan, en zoodra de nacht was aangebroken een groot vuur zouden
aanleggen, dat ongetwijfeld de aandacht der bemanning van de brik
moest trekken.
Maar op het oogenblik dat Nab en de matroos op het punt stonden het
Rotshuis te verlaten, veranderde het schip zijn koers en maakte zich
gereed de Uniebaai binnen te loopen. De brik was een goede zeiler,
want zij naderde snel. Pencroff en Nab zagen dus van hun vertrek af,
en overhandigden den verrekijker aan Ayrton, zoodat hij zich terstond
kon overtuigen of het al dan niet de Duncan was. Het schotsche jacht
was ook als brik getuigd. De vraag was nu, of zich tusschen de twee
masten van het schip, dat nog slechts twee mijlen verwijderd was,
een schoorsteen verhief.
De horizon was nog helder. Zij konden dus alles gemakkelijk
onderscheiden, en Ayrton legde spoedig zijn verrekijker neer met
de woorden:
"Het is de Duncan niet! Zij kon het niet wezen!...."
"Een half uur later zullen we weten welk schip het dan is," antwoordde
de reporter. "Bovendien is het zeer waarschijnlijk, dat de kapitein
van plan is hier te ankeren, en dus zoo niet van daag, zullen wij
morgen toch met hem kennis maken."
"Het doet er niet toe!" zeide Pencroff. "Het is beter dat wij weten
met wien we te doen hebben, en ik wil gaarne weten, onder welke vlag
het vaart!"
Zoo pratende, hield de matroos steeds zijn verrekijker op het schip
gericht.
"Het is geen amerikaansche vlag," zeide Pencroff van tijd tot tijd,
"noch een engelsche, want het rood zouden wij gemakkelijk kunnen
onderscheiden, noch zijn het de fransche of duitsche kleuren en evenmin
is het de witte vlag der Russen, noch de gele der Spanjaarden.... Men
zou zeggen dat het één kleur is.... Laat eens zien.... in deze
zeeën.... wat zou het dan wezen?.... de chilische vlag?.... maar die is
driekleurig.... braziliaansche?.... die is groen.... japaneesche? die
is wit met een roode schijf.... terwijl deze...."
Op dit oogenblik deed een koeltje de onbekende vlag uitwaaien.
Ayrton greep den verrekijker dien de matroos had nedergelegd, keek
er door en sprak toen op somberen toon:
"Het is de zwarte vlag!"
Inderdaad woei deze doodsche kleur boven de brik, en men kon nu met
alle recht zeggen dat het een verdacht schip was. De ingenieur was dus
in zijn voorgevoel niet bedrogen. Was het een schip met zeeroovers? Wat
kwam dit op de kust van het eiland Lincoln zoeken? Zag het daarin een
onbekend land, dat zeer goed tot bewaarplaats van hun gestolen goederen
kon dienen? Kwam men hier gedurende de wintermaanden een schuilplaats
zoeken? Was dus die bezitting der kolonisten bestemd om een schandelijk
toevluchtsoord te worden--een soort van hoofdplaats--der zeeroovers
van den Stillen Oceaan?
Al deze gedachten maakten zich van de kolonisten meester. Er viel niet
meer aan te twijfelen, daar zij de vlag geheschen hadden. Het was die
der zeeschuimers! Het was die, welke de Duncan zou gevoerd hebben,
zoo de misdadigers in hun slechte plannen waren geslaagd!
Zij verloren geen tijd met hierover te praten.
"Vrienden," zeide Cyrus Smith, "misschien wil dit schip slechts de
kust van het eiland verkennen? Misschien zal de bemanning niet aan
wal gaan? Dat is de eenigste kans. Hoe het ook zij, wij moeten alles
beproeven om onze tegenwoordigheid te verbergen. De molen, welke
op het Verre Uitzicht staat, is te gemakkelijk te bespeuren. Laten
Ayrton en Nab de wieken er af nemen. Laten wij ook de vensters van
het Rotshuis met takkenbossen verbergen. Laten alle vuren worden
uitgedoofd. Dat niets de tegenwoordigheid van den mensch verrade!"
"En ons vaartuig?" vroeg Harbert.
"O," antwoordde Pencroff, "dat ligt goed in de Ballonhaven bezorgd,
en ik twijfel er aan of de roovers het ooit kunnen vinden."
De bevelen van den ingenieur werden onmiddellijk ten uitvoer
gebracht. Nab en Ayrton begaven zich naar de vlakte en namen daar
de noodige maatregelen, opdat hun verblijf niet zou ontdekt kunnen
worden. Terwijl zij hiermede bezig waren, gingen hun metgezellen naar
den zoom van het boomkruipersbosch en brachten vandaar een aantal
slingerplanten en takken mede, die voorloopig hun verblijfplaats
moesten verbergen. Ook brachten zij hun wapenen in orde, zoodat zij,
wanneer het noodig was, die terstond bij de hand zouden hebben.
Toen al deze voorzorgen genomen waren, zeide Cyrus Smith:
"Vrienden," en men bespeurde aan den toon waarop hij deze woorden
sprak, dat hij aangedaan was, "zoo die ellendelingen zich van het
eiland Lincoln willen meester maken, zullen wij ons verdedigen,
niet waar?"
"Ja, Cyrus," antwoordde de reporter, "en zoo het moet, zullen wij
ons leven geven om het te verdedigen!"
De ingenieur stak zijn vrienden de hand toe, die hem met hartelijkheid
drukten.
Ayrton was in zijn hoek gebleven en had zich dus niet bij de kolonisten
gevoegd. Misschien gevoelde hij, de voormalige balling, zich nog niet
waardig daartoe.
Cyrus Smith begreep wat er in de ziel van Ayrton moest omgaan, hij
ging dus naar hem toe met de woorden:
"En gij, Ayrton, wat zult gij doen?"
"Mijn plicht," antwoordde deze.
Daarop plaatste hij zich bij het venster en keek naar buiten. Het was
toen half acht. De zon was reeds eenigen tijd achter het Rotshuis
ondergegaan. De brik naderde steeds meer en meer. Nog slechts acht
mijlen was zij van het land verwijderd.
Nu was de vraag: zou het schip de baai binnenloopen, en zoo het dit
al deed, zou het dan zijn anker laten vallen? Of zou het misschien
zich tevreden stellen de kust in oogenschouw te nemen, en daarop weder
zee kiezen? Binnen het uur zouden zij dit alles weten. De kolonisten
moesten dus tot zoolang geduld hebben.
Cyrus Smith had niet zonder angst het verdachte schip zijn zwarte vlag
zien hijschen. Was dit niet een bepaalde bedreiging tegen het werk dat
zijn vrienden en hij hadden tot stand gebracht? De zeeroovers--men
kon er niet meer aan twijfelen of de bemanning der brik bestond uit
die wezens--hadden dit eiland dus reeds meermalen bezocht, daar zij,
toen ze in het gezicht waren gekomen, hun vlag geheschen hadden? Hadden
zij vroeger een landing hier gedaan, wat verscheidene bijzonderheden,
die tot nog onverklaarbaar schenen, zouden hebben opgelost? Leefde
er in die gedeelten, welke zij nog niet doorzocht hadden, een wezen,
dat gereed was zich met hen in betrekking te stellen? Op al deze
vragen, die zij zich zelven onwillekeurig deden, wist Cyrus niet wat
te antwoorden; maar wel begreep hij dat de toestand der kolonie door
de komst van de brik in groot gevaar verkeerde.
Het was nacht geworden. Men kon niets meer van het schip onderscheiden.
"Wel, wie weet," zeide Pencroff eensklaps, "of dat ellendige schip
misschien zijn koers gedurende den nacht niet verandert en wij het
bij het aanbreken van den dag niet weder zullen zien."
Maar plotseling, alsof het een antwoord was op de woorden van den
matroos, zagen zij een hel licht en hoorden zij een kanonschot.
Het schip was er dus nog altijd en men had geschut aan boord.
Zes seconden waren er verstreken tusschen het zien van het licht en
het geluid van het schot. De brik was dus op een en een kwart mijl
van de kust verwijderd.
En op hetzelfde oogenblik hoorden zij het rinkelen van kettingen die
door de kluisgaten liepen. Het schip ankerde dus voor het Rotshuis.