X.

Een nacht op zee.--De haaiengolf.--Vertrouwelijk

gesprek.--Toebereidselen voor den winter.--Vroege

winter.--Groote koude.--Werk binnen 's huis.--Na zes

maanden.--Een photographische proef.--Een onverwachte

gebeurtenis.

Het gebeurde zooals Pencroff voorzien had, want zijn voorgevoel kon

hem niet bedriegen. De wind stak op, en de boot liep met een snelheid

van veertig à vijf en veertig mijlen in het uur. Toch kon Pencroff, hoe

gaarne hij het ook gewild had, de monding der Mercy niet binnenloopen

en wachtte dus geduldig den dag af.

Gedurende dien nacht hadden Cyrus Smith en Gideon Spilett geen

gelegenheid eenige woorden met elkaar te wisselen, en toch waren de

woorden, die den ingenieur de reporter influisterde, van genoegzaam

belang om nogmaals den geheimzinnigen invloed, die het eiland Lincoln

scheen te beheerschen, te bespreken. Gideon Spilett dacht gedurig

aan die onverklaarbare gebeurtenis, een vuur op de kust gezien te

hebben. Hij had dit vuur bepaald gezien! Zijn vrienden, Harbert en

Pencroff hadden het met hem aanschouwd! Dat vuur was hun behulpzaam

geweest om in dien stikdonkeren nacht de ligging van het eiland te

verkennen, en zij twijfelden toen niet of het was de hand van den

ingenieur die het aangestoken had, en nu verklaarde Cyrus Smith toch

plechtig, dat hij dit niet gedaan had!

Gideon Spilett was voornemens om zoodra de Bonadventure was

teruggekeerd, op deze gebeurtenis terug te komen en Cyrus Smith aan

te sporen om zijn vrienden met deze zonderlinge gebeurtenissen bekend

te maken. Misschien zouden zij dan besluiten om gemeenschappelijk

een volledig onderzoek van het eiland Lincoln in te stellen.

Hoe het ook zij, dien avond was er geen vuur op de onbekende plaats

zichtbaar, die den ingang van de baai vormde, en het kleine vaartuig

bleef den geheelen nacht op een afstand van de kust.

Bij het aanbreken van den dag waagden zij zich weder op die wateren,

welke door die merkwaardige lava-kusten omsloten waren.

"Wat vooral zonderling is," merkte Cyrus Smith op, "is dat de golf

gevormd wordt door twee lava-oevers, door den vulkaan uitgeworpen,

en die door onophoudelijke uitbarstingen zijn opeen gehoopt."

Tegen vier uur in den middag liet Pencroff de punt van het eilandje

links liggen, en liep het kanaal binnen, dat het van de kust scheidde,

en ten vijf ure liet de Bonadventure het anker vallen bij de monding

der Mercy.

Drie dagen was het geleden dat de kolonisten hun woning verlaten

hadden. Ayrton wachtte hen op het strand en Jup liep hen tegemoet,

terwijl hij een zacht gebrom liet hooren dat zijn blijdschap te kennen

moest geven.

Zij hadden dus de geheele kust van het eiland onderzocht, maar niets

verdachts had hun aandacht getroffen. Zoo een geheimzinnig wezen er

zich op bevond, kon het slechts in die ondoordringbare wouden wezen

van het Slangen-schiereiland; tot zoover hadden de kolonisten hun

onderzoek nog niet uitgestrekt.

Gideon Spilett onderhield zich hierover met den ingenieur, en er werd

besloten dat zij ook de aandacht van hun metgezellen zouden vestigen

op die vreemde voorvallen die nu en dan op het eiland plaats grepen,

en waarvan het laatste vooral een der onverklaarbaarste was.

Cyrus Smith kon niet nalaten, toen zij het onderwerp weder bespraken

dat een vuur door een onbekende hand zou zijn aangestoken, voor de

twintigste maal tot den reporter te herhalen:

"Hebt ge inderdaad dat vuur gezien? Was het geen uitwerping van een

vulkaan, of een meteoor?"

"Neen, Cyrus," antwoordde de reporter, "het was een vuur door een

menschenhand aangestoken. Vraag het Pencroff en Harbert. Zij hebben

het gezien evenals ik, en zullen mijn woorden bevestigen."

Cyrus Smith besloot eindelijk eenige dagen later, den 25sten April,

toen allen in de zaal van het Rotshuis bijeen waren, het woord op

te nemen:

"Vrienden," zeide hij, "ik moet uw aandacht vestigen op eenige

feiten die hier op het eiland hebben plaats gegrepen, en waarover

ik gaarne uw oordeel zou vernemen. Die feiten zijn om zoo te zeggen

bovennatuurlijk...."

"Bovennatuurlijk!" riep de matroos uit en blies een breede wolk rook

uit. "Zou het kunnen zijn, dat ons eiland bovennatuurlijk is?"

"Neen Pencroff, maar wel geheimzinnig," gaf de ingenieur ten antwoord;

"zoo gij ons ten minste geen verklaring kunt geven van datgene,

waarvan Spilett en ik ons geen denkbeeld kunnen vormen!"

"Spreek, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos.

"Welnu, hebt gij het dan begrepen," zeide toen de ingenieur, "hoe

het gebeurd is, dat ik na in zee gevallen te zijn, een vierde mijl

landwaarts in ben teruggevonden, en dat zonder dat ik eenig bewustzijn

van mijn verplaatsing heb gehad?"

"Zoo gij ten minste niet buiten kennis waart...." zeide Pencroff.

"Dat is niet denkbaar," antwoordde de ingenieur. "Maar laten wij

verder gaan. Hebt gij begrepen hoe Top uw schuilplaats heeft ontdekt,

op vijf mijl afstands van de grot waarin ik lag?"

"Het instinct van een hond...." antwoordde Harbert.

"Een zonderling instinct!" merkte de reporter op, "daar, ondanks

regen en wind, Top dien nacht droog in de schoorsteenen aankwam!"

"Laten wij ook dit onderwerp verder onaangeroerd. Hebt gij begrepen

hoe onze hond zoo zonderling uit het meer werd geworpen, na dien

strijd met de zeekoe?"

"Neen, niet goed, dat erken ik," antwoordde Pencroff, en de wond die

de koe in de zijde vertoonde, had den schijn alsof zij met een scherp

wapen was toegebracht en dat begrijp ik nog veel minder."

"Nog iets," hernam Cyrus Smith. "Hebt gij begrepen, beste vrienden,

hoe dat hageltje in het lichaam van het konijn gekomen is, zonder dat

wij eenig spoor van een schipbreuk gevonden hebben; hoe die flesch,

waarin die documenten lagen, ons juist bijtijds in handen is gekomen;

hoe onze boot, nadat zij zich van haar touwen had losgerukt op het

goede oogenblik de Mercy afzakte; hoe na de bestorming der apen, de

ladder op een geschikt oogenblik weder boven uit het Rotshuis kwam,

en eindelijk hoe het bericht dat Ayrton beweert nooit geschreven te

hebben, in onze handen is gevallen."

Cyrus Smith noemde ze allen op, zonder een enkel te vergeten van de

feiten die op het eiland hadden plaats gegrepen. Harbert, Pencroff

en Nab zagen elkaar aan, en wisten niet wat te antwoorden, want de

reeks dezer gebeurtenissen, voor de eerste maal aldus gerangschikt,

verbaasde hen in de hoogste mate.

"Op mijn woord," zeide Pencroff eindelijk, "gij hebt gelijk, mijnheer

Cyrus, en het is moeielijk die zaken te verklaren."

"Welnu, mijn vrienden," hernam de ingenieur, "er is nog een derde

feit bijgekomen, en dat is niet minder onverklaarbaar."

"Welk dan, mijnheer Cyrus?" vroeg Harbert levendig.

"Toen gij van het eiland Tabor terug zijt gekomen, Pencroff," zeide

de ingenieur, "hebt ge een vuur op het eiland Lincoln gezien?"

"Zeker," antwoordde de matroos.

"Gij zijt vast overtuigd het gezien te hebben?"

"Even zeker als ik u nu zie."

"Gij ook, Harbert?"

"Wel, mijnheer Cyrus!" riep Harbert uit, "het vuur schitterde als

een ster in haar volle pracht."

"Maar was het geen ster?" vroeg de ingenieur dringend.

"Neen," antwoordde Pencroff, "want het was een bewolkte hemel, en

een ster zou in elk geval niet zoo laag kunnen staan. Maar mijnheer

Spilett heeft het evenals wij gezien en kan onze woorden bevestigen."

"Ik voeg er bij," zeide de reporter, "dat het een helder vuur was en

dat electrieke stralen wierp."

"Ja juist...." riep Harbert, "en het was boven het Rotshuis."

"Welnu, mijne vrienden," antwoordde Cyrus Smith, "in dien nacht van 19

op 20 October hebben noch Nab, noch ik een vuur op de kust aangelegd."

"Hebt gij niet?...." riep Pencroff uit, ten toppunt van verbazing,

zoodat hij zelfs den zin niet kon voleinden.

"Wij hebben het Rotshuis niet verlaten," antwoordde de ingenieur,

"en zoo gij een vuur op de kust gezien hebt, dan heeft een andere

hand dan de onze het aangestoken!"

Pencroff, Harbert en Nab stonden hierover versteld. Het kon geen

verbeelding geweest zijn, en zeer zeker hadden zij in dien nacht van

19 en 20 October een vuur gezien.

Ja, zij moesten het wel erkennen dat er een geheim bestond! Een

onverklaarbare invloed, die de kolonisten zeer gunstig was, maar

die in de hoogste mate hun nieuwsgierigheid opwekte, beheerschte het

eiland Lincoln. Was er dan eenig wezen verborgen in de meest afgelegen

schuilplaatsen? Dit moesten zij weten, het mocht kosten wat het wilde.

Cyrus Smith herinnerde ook zijn vrienden aan het zonderlinge gedrag

van Top en Jup, toen zij bij de opening van den put kwamen, die het

Rotshuis in gemeenschap brengt met de zee, en deelde hun mede dat

hij dien put onderzocht had, maar niets verdachts had ontdekt. Zij

eindigden met het voornemen om het geheele eiland weer te onderzoeken,

zoodra het goede seizoen was aangebroken.

Pencroff was dien dag telkens in gepeins verzonken. Het eiland dat

hij dacht met zijn vrienden te bezitten, scheen hem niet meer geheel

te behooren en het was of hij het met een ander moest deelen, aan wien

hij, of hij wilde of niet, zich onderworpen moest gevoelen. Nab en hij

spraken menigmaal over die onverklaarbare dingen; beiden geloofden

gaarne aan wonderen, en aarzelden dus niet lang om te verklaren dat

het eiland door een bovennatuurlijke macht beheerscht werd.

Het slechte weer brak met de maand Mei aan--die de Novembermaand

in het noorden is. Het scheen een strenge en lange winter te zullen

worden. Zij begonnen dan ook spoedig met hun winter-arbeid.

De kolonisten waren echter op dien winter voorbereid, hoe streng hij

ook wezen mocht. Het ontbrak hun niet aan vilten kleeren en de schapen

hadden hen van de noodige wol voorzien, waarvan zij warme kleeren

konden vervaardigen. Het spreekt van zelf, dat zij ook Ayrton niet

vergeten hadden. Cyrus Smith bood hem aan om het koude jaargetij in

het Rotshuis te komen doorbrengen, waar hij een beter verblijf zou

vinden dan in de kraal, en Ayrton beloofde dit te doen, zoodra zijn

werk in de kraal zou zijn afgeloopen.

Hij kwam die belofte dan ook spoedig na. Sedert dien tijd maakte

Ayrton een deel van het gezin uit en was hij hun in vele opzichten

behulpzaam; maar hij bleef altijd onderworpen en somber en nam nooit

deel aan de kleine genoegens die de kolonisten zich verschaften.

Het grootste gedeelte van dien derden winter, welken zij op het

eiland Lincoln doorbrachten, sleten de kolonisten in het Rotshuis. Er

waren hevige stormen en regenbuien, die de rotsen deden schudden

op hun grondvesten. Gedurende dien tijd waagden zich tot tweemaal

toe een paar jaguars en andere viervoetige dieren tot aan de grens

der bergvlakte, en het was altijd te vreezen, dat de vlugsten en de

moedigsten, door den honger gedreven, de gracht zouden oversteken, die

bovendien, wanneer zij bevroren was, hun een gemakkelijken overtocht

zou aanbieden. De planten en huisdieren zouden, zonder hun goede

zorg, dan ook veel kans geloopen hebben geheel vernield te worden,

en dikwijls moesten zij een schot lossen om die gevaarlijke bezoekers

op een eerbiedigen afstand te houden.

Aan werk ontbrak het den kolonisten overigens niet, want behalve

hetgeen zij buiten te verrichten hadden, leverde het meubelen van

het Rotshuis hun een voortdurenden arbeid op.

Het jagen werd gedurende de vier strenge wintermaanden niet

vergeten. Maar het Rotshuis had weinig van die koude te lijden,

evenals de kraal, daar beiden niet zoo open lagen als de vlakte en

voor een groot gedeelte door den berg Franklin beschut werden. Er

werd daar dus weinig schade aangericht en de vlugge hand van Ayrton

was voldoende om alles weder te herstellen, toen hij in de tweede

helft van October eenige dagen in de kraal ging doorbrengen.

Gedurende dien winter had er geen enkel onverklaarbaar feit

plaats. Niets vreemds gebeurde er, hoewel Pencroff en Nab er op uit

waren om aan de meest onbeteekenende zaak een geheimzinnig tintje te

geven. Top en Jup dwaalden niet meer om den put en gaven ook geen enkel

bewijs van ongerustheid. Het scheen dus, dat er een einde was gekomen

aan die bovennatuurlijke voorvallen, hoewel zij 's avonds, wanneer ze

allen in het Rotshuis vereenigd waren, nog menigmaal er over spraken,

en het hun plan nog altijd was om het eiland in zijn meest afgelegen

gedeelten weer te onderzoeken. Maar een zeer gewichtige gebeurtenis,

die noodlottige gevolgen kon hebben, deed alle plannen van Cyrus

Smith en zijn vrienden plotseling in duigen vallen.

Men was in de maand October. Spoedig zou het goede jaargetij weer

aanbreken. Men herinnert zich dat Gideon Spilett en Harbert dikwijls

een photographie genomen hadden van verschillende punten van het eiland

Lincoln. Het was den 17den October, en tegen drie uur 's middags kwam

Harbert op het denkbeeld, daar het zulk een heldere hemel was, een

photographie van de Uniebaai te gaan nemen, die tegenover de vlakte

het Verre Uitzicht lag, van kaap Mandibule tot kaap Klauw.

Hij plaatste zijn toestel aan een der vensters van de groote zaal in

het Rotshuis, zoodat het strand en de baai vlak voor hem lagen. Harbert

ging hiermede zooals gewoonlijk te werk, en toen hij zijn negatief had

verkregen, ging hij dit fixeeren door middel van de chemische stoffen,

welke in een donker vertrek van het Rotshuis bewaard werden. Toen hij

weder in het licht kwam, bezag hij het aandachtig. Harbert ontdekte op

zijn beeld een bijna onzichtbaar vlekje aan den horizon der zee. Hij

beproefde dit uit te wisschen, maar slaagde daarin niet.

"Zeker zit het in het glas," dacht hij.

Hij wilde toen door een lens zien, wat er aan het glas faalde.

Maar nauwelijks had hij het bekeken of hij uitte een kreet en liet

bijna de photographie uit zijn handen vallen.

Terstond snelde hij naar de kamer van Cyrus Smith, liet hem zijn

photographie door de lens zien, en wees hem het vlekje.

De ingenieur beschouwde het aandachtig; daarop greep hij zijn

verrekijker en snelde naar het venster.

Nadat hij langzaam met zijn verrekijker den geheelen horizon was

afgeloopen, hield hij hem eindelijk bij dat punt stil en uitte slechts

één woord: "Een schip!"

En inderdaad een schip was in het gezicht van het eiland Lincoln.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 14 / 37 题