Altijd afgezonderd.--Een verzoek van den onbekende.--De
hut in de kraal.--Twaalf jaar geleden.--De bootsman van de
Britannia.--Op het eiland Tabor gezet.--De hand van Cyrus
Smith.--Het geheimzinnige bericht.
Deze laatste woorden rechtvaardigden het vermoeden van de
kolonisten. Hij had een treurig verleden, was mogelijk in het oog van
anderen vergeven, maar zijn geweten liet hem nog niet met rust. Maar de
schuldige had in ieder geval berouw en zijn nieuwe vrienden zouden de
hand, die zij hem vroegen, hartelijk gedrukt hebben, maar hij achtte
zich niet waardig haar aan eerlijke lieden te reiken! Hij keerde
echter na de ontmoeting met den jaguar niet meer naar het bosch terug,
en van dien dag af verliet hij zijn medemenschen niet.
Wat was het geheim van zijn leven? Zou de onbekende eenmaal
spreken? Dat zou de toekomst leeren. In ieder geval werd er besloten
dat men hem nooit zijn geheim zou vragen en dat men met hem zou omgaan
alsof men nooit iets vermoed had.
Gedurende eenige dagen ging het leven op denzelfden voet voort. Cyrus
Smith en Gideon Spilett werkten samen, nu als scheikundigen, dan weer
als werktuigkundigen. De reporter verliet den ingenieur niet dan om
met Harbert te jagen, want het zou niet voorzichtig zijn geweest om den
knaap alleen in het bosch rond te laten dwalen, en men moest op alles
bedacht zijn. Nab en Pencroff hadden, behalve het werk in het Rotshuis,
nog vele bezigheden in den stal, bij het gevogelte of in de kraal.
De onbekende werkte in afzondering; hij had zijn vroegere gewoonten
weder aangenomen, woonde het middagmaal niet bij, sliep onder de boomen
en voegde zich nooit bij zijn metgezellen. Het scheen inderdaad dat
de nabijheid van zijn redders hem ondraaglijk was!
"Maar waarom heeft hij dan de hulp van zijn medemenschen
ingeroepen?" merkte Pencroff op. "Waarom heeft hij die flesch in
zee geworpen?"
"Hij zal het ons zeggen," zeide Cyrus Smith overtuigd.
"Wanneer?"
"Misschien eerder dan gij denkt, Pencroff."
Inderdaad de dag, waarop hij tot volledige bekentenis zou komen,
was nabij.
Den 10den December, een week nadat hij in het Rotshuis terug was
gekomen, kwam de onbekende naar Cyrus Smith toe en zeide op kalmen
onderworpen toon:
"Mijnheer, ik heb u iets te vragen."
"Spreek," antwoordde de ingenieur; "maar laat mij u eerst een vraag
doen."
Bij deze woorden bloosde de onbekende en was hij op het punt om te
ontvluchten. Cyrus Smith begreep echter wat er in de ziel van den
schuldige omging, die waarschijnlijk vreesde dat men hem over zijn
verleden zou ondervragen; hij hield hem bij de hand terug en zeide:
"Vriend, wij zijn niet alleen metgezellen voor u, maar wij zijn
vrienden. Dit wilde ik u slechts zeggen; nu luister ik naar hetgeen
gij mij wilt vragen."
De onbekende streek met zijn hand over zijn oogen. Hij beefde en liet
eenige oogenblikken voorbijgaan zonder te kunnen spreken.
"Mijnheer," zeide hij eindelijk, "ik kom u verzoeken mij een gunst
toe te staan."
"Welke?"
"Gij hebt op vier of vijf mijlen van hier, aan den voet van den berg,
een kraal voor uwe huisdieren. Deze dieren moeten verzorgd worden. Wilt
gij mij toestaan daar met hen te leven?"
Cyrus Smith zag den ongelukkige eenige oogenblikken met diep medelijden
aan. Toen zeide hij:
"Vriend, in de kraal zijn slechts stallen, die nauwelijks voor die
beesten goed zijn...."
"Zij zijn goed genoeg voor mij, mijnheer."
"Vriend," hernam Cyrus Smith, "wij zullen u nooit in iets
tegenwerken. Gij wilt in de kraal leven. Het zij zoo. Gij zult
echter altijd welkom zijn in het Rotshuis. Maar daar gij in de kraal
wilt leven, zullen wij alles regelen, opdat zij goed voor u worde
ingericht."
"Het zal daar in ieder geval goed voor mij zijn."
"Vriend," antwoordde Cyrus Smith, die hem opzettelijk met dit woord
aansprak, "gij moet het aan ons overlaten hoe wij in dit opzicht
zullen handelen!"
"Dank u, mijnheer," antwoordde de onbekende, terwijl hij heenging.
De ingenieur deelde zijn metgezellen mede wat hem was gevraagd en
er werd besloten, dat men in de kraal een houten huis zou bouwen,
dat dan zoo gemakkelijk mogelijk zou worden ingericht.
Binnen een week was het huis gereed om zijn bewoner te ontvangen. Er
werden meubels, een bed, een tafel, een bank, een kast gemaakt en
men bracht er wapenen, munitie en werktuigen in.
De onbekende was niet naar zijn nieuwe woning gaan zien maar had op
de bergvlakte gearbeid, zoodat het land op nieuw bezaaid kon worden,
zoodra het tijd daartoe zou zijn.
Den 20sten deelde de ingenieur den onbekende mede, dat hij zijn woning
kon betrekken en deze antwoordde, dat hij nog dienzelfden nacht er
wilde slapen.
Dien avond waren de kolonisten in de zaal van het Rotshuis bijeen. Het
was acht uur--het uur waarop hun metgezel hen zou verlaten. Om het
hem niet lastig te maken, hadden zij hem alleen gelaten en waren zij
naar het Rotshuis teruggekeerd.
Reeds eenigen tijd zaten zij daar, toen er aan de deur geklopt
werd. Bijna oogenblikkelijk daarna trad de onbekende binnen en zeide:
"Mijne heeren, voor dat ik u verlaat, is het goed dat gij mijn
geschiedenis kent."
Deze weinige woorden maakten een diepen indruk op Cyrus Smith en
zijn lotgenooten.
De ingenieur was opgestaan.
"Wij vragen u niets, mijn vriend," zeide hij. "Het is uw recht te
zwijgen...."
"Het is mijn plicht te spreken."
"Ga dan zitten."
"Ik zal blijven staan."
"Wij zijn gereed u aan te hooren," antwoordde Cyrus Smith.
De onbekende stond in een hoek van de zaal, een weinig in de
schaduw. Zijn hoofd was ontbloot, zijn armen had hij over zijn borst
gekruist, en in deze houding sprak hij op doffen toon, als iemand
die zich geweld aandoet om te spreken. Hij deed het volgende verhaal,
waarin hij geen enkel maal door zijn hoorders gestoord werd:
"Den 20sten December 1854, wierp een plezierjacht, de Duncan geheeten,
het anker voor kaap Bernouilli; het behoorde aan een schotsch
edelman, lord Glenarvan. Aan boord van dit jacht bevonden zich lord
Glenarvan, zijn vrouw, een majoor van het engelsche leger, een fransch
aardrijkskundige, een jong meisje en een knaap. Deze laatsten waren
de kinderen van kapitein Grant, wiens schip, de Britannia, een jaar
te voren geheel vergaan was. De Duncan stond onder bevel van kapitein
John Mangles en had een bemanning van vijftien koppen.
"Dit jacht bevond zich in dien tijd op de kust van Australië om de
volgende reden.
"Zes maanden geleden had men in de Iersche Zee een flesch gevonden
waarin een stuk besloten was dat in het Engelsch, Fransch en Duitsch
was gesteld; de Duncan had deze flesch opgevischt. In dit stuk werd
medegedeeld, dat nog drie personen in leven waren van de schipbreuk der
Britannia; dat die overlevenden waren de kapitein Grant en twee van
zijn manschappen, en dat zij een schuilplaats hadden gevonden in een
land, waarvan de breedtegraad in het stuk vermeld stond, maar waarvan
de lengte door het zeewater uitgewischt en niet meer leesbaar was.
"De breedte was 37° 11' ten zuiden. De lengte was dus onbekend, maar
volgde men den zeven en dertigsten zuider-breedtegraad over land en
zee, dan was men zeker op de plek te komen die door kapitein Grant
en zijn lotgenooten bewoond werd.
"Toen de engelsche admiraliteit aarzelde dit onderzoek te ondernemen,
besloot lord Glenarvan alles te beproeven om den kapitein terug te
vinden. Mary en Robert Grant waren met hem in kennis gebracht. Het
jacht de Duncan werd voor een langen tocht uitgerust, waaraan de
familie van den lord en de kinderen van den kapitein wilden deelnemen;
de Duncan verliet Glasgow, richtte zich naar den Atlantischen Oceaan,
zeilde door straat Magelaan en kwam vervolgens door de Stille Zee in
Patagonië, waar men door het stuk kon veronderstellen, dat de kapitein
gevangen was door de inboorlingen.
"De Duncan ontscheepte hare passagiers op de westkust van Patagonië
en vertrok om hen op de oostkust weder in te nemen.
"Lord Glenarvan trok dwars door Patagonië en volgde daarbij den zeven
en dertigsten graad; toen hij geen spoor van den kapitein gevonden
had, ging hij den 18den November weder aan boord om zijn onderzoek
op den Oceaan weder voort te zetten.
"Het voornemen van lord Glenarvan was om Australië door te trekken even
als hij Amerika had gedaan, en hij verliet weder zijn schip. Op eenige
mijlen van de kust bevond zich een hut, die aan een Ier behoorde;
deze bood den reizigers een onderkomen. Lord Glenarvan deelde den
Ier mede waarom hij in deze streken gekomen was en vroeg hem, of
hij niet gehoord had dat een Engelsche driemaster, de Britannia,
nog geen twee jaar geleden op de westkust van Australië was vergaan.
"De Ier had nooit van deze schipbreuk hooren spreken; maar tot groote
verwondering van de omstanders zeide een van zijn ondergeschikten:
""Mylord, loof en dank den Heer. Indien kapitein Grant nog leeft dan
leeft hij op Australischen bodem."
""Wie zijt gij?" vroeg lord Glenarvan.
""Een Schot, evenals gij, mylord," antwoordde deze man, "en ik ben een
van de lotgenooten van kapitein Grant, een van de schipbreukelingen
van de Britannia."
"Die man heette Ayrton. Hij was inderdaad de bootsman van de Britannia,
zooals zijn papieren ook getuigden. Maar, van den kapitein gescheiden,
op het oogenblik dat het schip op de klippen verbrijzelde, had hij
tot nog toe gedacht, dat zijn kapitein met de geheele bemanning was
omgekomen en dat hij, Ayrton, de eenige overlevende van de Britannia
was.
"Het is echter niet op de westkust maar op de oostkust van Australië
dat de Britannia verging en indien kapitein Grant nog leeft, zooals
het stuk beweert, dan is hij gevangen door de inboorlingen en moet
gij hem op de andere kust zoeken."
"Deze man scheen oprecht en met kennis van zaken te spreken. Men
kon aan zijn woorden niet twijfelen. De Ier, die hem sedert een
jaar in dienst had, stond voor hem in. Lord Glenarvan geloofde
aan de eerlijkheid van dien man en besloot om, volgens zijn raad,
Australië door te trekken en daarbij steeds den zeven en dertigsten
graad te volgen. Lord Glenarvan, zijn vrouw, de twee kinderen, de
majoor, de Franschman, kapitein Mangles en eenige matrozen stelden
zich onder het geleide van Ayrton; terwijl de Duncan, onder bevel
van den eersten stuurman Tom Austin, naar Melbourne zou stevenen,
waar zij op nadere bevelen van lord Glenarvan moest wachten.
"Zij vertrokken den 23sten December 1854.
"Deze Ayrton was echter een schurk.
"Hij was wel is waar bootsman van de Britannia geweest, maar
tengevolge van oneenigheid met zijn kapitein, had hij getracht de
bemanning in opstand te brengen en zich van het schip meester te
maken; kapitein Grant had hem den 8sten April 1852 op de westkust
van Australië ontscheept, was vertrokken en had hem achtergelaten,
hetgeen rechtvaardig was.
"Deze ellendeling wist dus niets van de schipbreuk van de
Britannia. Hij vernam die slechts door het verhaal van lord
Glenarvan! Sedert men hem achtergelaten had, was hij, onder den naam
van Ben Joyce, opperhoofd geworden der ontsnapte gedeporteerden,
en indien hij onbeschaamd volhield dat de schipbreuk op de oostkust
plaats had gehad en lord Glenarvan noopte die richting te volgen,
was dit slechts, omdat hij hoopte hem van zijn schip te scheiden,
zich van de Duncan meester te maken en van dit jacht een kaperschip
in de Stille Zee te maken."
Hier zweeg de onbekende een oogenblik. Zijn stem beefde, maar hij
hervatte:
"De expeditie begaf zich op weg en trok Australië door. Zij slaagde
natuurlijk niet, daar Ayrton of Ben Joyce, hoe men hem noemen wil,
haar leidde, dan eens voorgegaan, dan weder gevolgd door zijn bende
ontsnapte veroordeelden, die met het plan in kennis waren gesteld.
"De Duncan lag intusschen voor Melbourne. Men moest nu van lord
Glenarvan het bevel zien te verkrijgen, dat de Duncan naar de oostkust
van Australië terug zou keeren, waar men er zich dan gemakkelijk van
kon meester maken. Na de expeditie dicht bij deze kust te hebben
gebracht, dwars door ondoordringbare bosschen, nam Ayrton op zich
een brief te bezorgen aan den eersten stuurman van de Duncan, waarin
lord Glenarvan aan het jacht bevel gaf zich onmiddellijk naar de
oostkust te begeven, naar de baai van Twofold, dat is te zeggen, een
paar dagreizen van de plaats waar de expeditie halt gemaakt had. Daar
was het dat Ayrton zich met zijn medeplichtigen zou vereenigen.
"Op het oogenblik dat hij den brief zou ontvangen, werd de schurk
ontmaskerd en bleef hem slechts de vlucht over. Maar hij zou tot
elken prijs dien brief weten te verkrijgen waardoor hij de Duncan
kon vermeesteren. Ayrton slaagde daarin en twee dagen later kwam hij
te Melbourne.
"Tot nog toe was de ellendeling in al zijn misdadige plannen
geslaagd. Hij zou de Duncan naar de baai van Twofold kunnen brengen,
waar het aan zijn bende niet moeielijk zou vallen het vaartuig te
bemachtigen en wanneer de bemanning omgebracht zou zijn, was Ben
Joyce meester op zee. Maar God zou het ten uitvoer brengen van deze
heillooze plannen beletten.
"Toen Ayrton te Melbourne kwam gaf hij den brief aan den eersten
stuurman, Tom Austin, die aanstonds de bevelen nakwam.
"Men stelle zich echter de teleurstelling en woede van Ayrton voor
toen hij den volgenden morgen vernam, dat de stuurman zijn schip niet
naar de oostkust van Australië, naar de baai van Twofold voerde, maar
naar de oostkust van Nieuw-Zeeland. Hij wilde er zich tegen verzetten,
Austin toonde hem den brief!.... En, inderdaad door een vergissing
van den franschen aardrijkskundige, die den brief gesteld had, was
de oostkust van Nieuw-Zeeland aangegeven als bestemmingsplaats.
"Alle plannen van Ayrton vielen in duigen. Hij wilde zich
verzetten. Men sloot hem op. Hij werd medegenomen naar de kust van
Nieuw-Zeeland, niet wetende wat er van zijn medeplichtigen zou worden,
noch hoe lord Glenarvan zich zou redden.
"De Duncan bleef tot den 3den Maart op de kust kruisen. Dien dag hoorde
Ayrton kanonschoten. Het waren de kanonnen van de Duncan, die vuur
gaven, en weldra bevonden lord Glenarvan en de zijnen zich aan boord.
"Ziehier wat er gebeurd was.
"Na duizend gevaren en vermoeienissen te hebben doorstaan kwam
lord Glenarvan eindelijk op de oostkust van Australië in de baai van
Twofold. Geen Duncan! Hij telegrafeerde naar Melbourne. Men antwoordde:
"Duncan sedert den 18den vertrokken, bestemmingsplaats onbekend.
"Lord Glenarvan dacht niet anders dan dat het jacht in handen van
Ben Joyce gevallen en een kaperschip geworden was!
De lord wilde zijn voornemen echter niet opgeven. Hij was een dapper
en ondernemend man. Hij scheepte zich op een koopvaardijschip in en
liet zich naar de westkust van Nieuw-Zeeland brengen, volgde weder
den zeven en dertigsten graad, zonder een spoor van kapitein Grant
te vinden; maar tot zijn groote verwondering vond hij op de oostkust
de Duncan onder bevel van den eersten stuurman, die sedert vijf weken
op hem wachtte!
"Het was 3 Maart 1855. Lord Glenarvan was aan boord van de Duncan,
maar Ayrton was er ook. Hij verscheen voor den lord, die alles van
hem te weten wilde komen wat hij van kapitein Grant wist. Ayrton
weigerde te spreken. Lord Glenarvan dreigde toen, dat men hem bij
de eerstvolgende landingsplaats, aan de engelsche autoriteiten zou
overleveren. Ayrton bleef zwijgen.
"De Duncan volgde weder den zeven en dertigsten graad. Lady
Glenarvan nam intusschen op zich den weerstand van den bandiet te
overwinnen. Ayrton werd door haar toedoen overgehaald te spreken
en stelde lord Glenarvan voor, hem niet aan de engelsche autoriteit
over te leveren, maar op een der eilanden in de Stille Zee achter te
laten in ruil voor hetgeen hij hem zou kunnen zeggen. Lord Glenarvan,
die alles wilde aanwenden om iets omtrent kapitein Grant te vernemen,
stemde er in toe.
"Ayrton vertelde zijn geheelen levensloop en daarbij ook, dat hij
niets van kapitein Grant wist van den dag af dat deze hem op de kust
van Australië had ontscheept.
"Lord Glenarvan hield echter zijn eens gegeven woord. De Duncan
vervolgde haar weg en kwam bij het eiland Tabor. Daar zou Ayrton worden
achtergelaten en daar vond men ook, door een wonder, kapitein Grant en
zijn lotgenooten juist op den zeven en dertigsten graad. De misdadiger
zou hen op het verlaten eiland vervangen, en op het oogenblik dat
Ayrton het jacht verliet sprak lord Glenarvan:
""Ayrton, hier zult gij van elk land verwijderd zijn, en elke
gemeenschap met uw gelijken is hier onmogelijk. Gij zult niet kunnen
vluchten van dit eiland, waar de Duncan u achterlaat. Gij zult er
alleen zijn, onder het oog van God, die tot in het diepst der harten
leest, maar gij zult er niet zijn even als kapitein Grant zonder dat
iemand het weet. Hoe onwaardig gij ook zijn moogt om in de herinnering
der menschen te leven, toch zullen zij zich uwer herinneren. Ik
weet waar gij zijt, Ayrton, ik weet waar u te vinden. Ik zal het
nooit vergeten!"
"En de Duncan koos weder zee en verdween weldra.
"Het was den 18den Maart 1855.
"Ayrton was alleen, maar het ontbrak hem noch aan munitie, noch aan
wapenen, noch aan werktuigen, noch aan zaad. Het huis van kapitein
Grant stond tot zijn beschikking. Hij moest slechts voortleven en
door zijn eenzaamheid voor de misdaden boeten, die hij bedreven had.
"Hij had berouw, hij schaamde zich over zijn misdaden en was zeer
ongelukkig! Hij nam zich voor om, wanneer men hem eenmaal van het
eiland mocht komen verlossen, waardig te zijn onder de menschen te
leven! Wat leed hij, die rampzalige! Hoe werkte hij, om zich door
arbeid te veredelen! Hoe vurig bad hij om herboren te worden door
het gebed.
"Zoo ging het voort gedurende twee, drie jaar; maar Ayrton werd door
de afzondering ondermijnd, hij keek altijd uit of nog geen schip
zijn eiland naderde en vroeg zich af of zijn tijd van boete nog niet
verloopen was; hij leed zooals men nog nooit geleden had! O! hoe hard
viel die eenzaamheid voor een ziel die door berouw gekweld werd!
"Maar de hemel achtte hem voorzeker nog niet genoeg gestraft, want hij
voelde meer en meer dat hij aan een wilde gelijk werd! Hij bemerkte
dat hij meer en meer verdierlijkte! Hij zou u niet kunnen zeggen of
het na twee dan wel na vier jaar afzondering was, maar eindelijk werd
hij de rampzalige, dien gij gevonden hebt!
"Ik behoef u niet te zeggen dat Ayrton, Ben Joyce en ik dezelfde zijn!"
Cyrus Smith en zijn metgezellen waren bij het eind van het verhaal
opgestaan. Zij waren allen diep getroffen! Zij hadden zooveel ellende,
zooveel smart en zooveel wanhoop voor zich!
"Ayrton," zeide Cyrus Smith, "gij zijt een groot misdadiger geweest,
maar de hemel heeft u voorzeker vergeven! Hij heeft het bewezen door
u weder onder uw gelijken te brengen. Ayrton, gij zijt vergeven! Wilt
gij nu onze metgezel zijn?"
Ayrton was teruggedeinsd.
"Daar is mijn hand!" zeide de ingenieur.
Ayrton greep hartstochtelijk de hand die hem was toegestoken, en
groote tranen biggelden langs zijn wangen.
"Wilt gij met ons leven?" vroeg Cyrus Smith.
"Mijnheer Smith, laat mij nog eenigen tijd alleen," antwoordde Ayrton,
"laat mij alleen in die woning in de kraal!"
"Zooals gij wilt, Ayrton," antwoordde Cyrus Smith.
Ayrton wilde zich verwijderen toen de ingenieur hem nog een vraag
wilde doen.
"Een woord nog, mijn vriend. Daar uw plan was alleen te leven, waarom
hebt gij dan die flesch met dat bericht in zee geworpen, dat ons uw
spoor heeft doen kennen?"
"Een bericht?" antwoordde Ayrton, die niet scheen te weten wat men
bedoelde.
"Ja, dat bericht in die flesch, die wij gevonden hebben en dat de
juiste ligging aangaf van het eiland Tabor?"
Ayrton streek met zijn hand over het voorhoofd. Na een oogenblik te
hebben nagedacht, zeide hij:
"Ik heb nooit een bericht in zee geworpen!"
"Nooit?" riep Pencroff uit.
"Nooit!"
Ayrton groette, ging naar de deur en verdween.