VII.

Altijd afgezonderd.--Een verzoek van den onbekende.--De

hut in de kraal.--Twaalf jaar geleden.--De bootsman van de

Britannia.--Op het eiland Tabor gezet.--De hand van Cyrus

Smith.--Het geheimzinnige bericht.

Deze laatste woorden rechtvaardigden het vermoeden van de

kolonisten. Hij had een treurig verleden, was mogelijk in het oog van

anderen vergeven, maar zijn geweten liet hem nog niet met rust. Maar de

schuldige had in ieder geval berouw en zijn nieuwe vrienden zouden de

hand, die zij hem vroegen, hartelijk gedrukt hebben, maar hij achtte

zich niet waardig haar aan eerlijke lieden te reiken! Hij keerde

echter na de ontmoeting met den jaguar niet meer naar het bosch terug,

en van dien dag af verliet hij zijn medemenschen niet.

Wat was het geheim van zijn leven? Zou de onbekende eenmaal

spreken? Dat zou de toekomst leeren. In ieder geval werd er besloten

dat men hem nooit zijn geheim zou vragen en dat men met hem zou omgaan

alsof men nooit iets vermoed had.

Gedurende eenige dagen ging het leven op denzelfden voet voort. Cyrus

Smith en Gideon Spilett werkten samen, nu als scheikundigen, dan weer

als werktuigkundigen. De reporter verliet den ingenieur niet dan om

met Harbert te jagen, want het zou niet voorzichtig zijn geweest om den

knaap alleen in het bosch rond te laten dwalen, en men moest op alles

bedacht zijn. Nab en Pencroff hadden, behalve het werk in het Rotshuis,

nog vele bezigheden in den stal, bij het gevogelte of in de kraal.

De onbekende werkte in afzondering; hij had zijn vroegere gewoonten

weder aangenomen, woonde het middagmaal niet bij, sliep onder de boomen

en voegde zich nooit bij zijn metgezellen. Het scheen inderdaad dat

de nabijheid van zijn redders hem ondraaglijk was!

"Maar waarom heeft hij dan de hulp van zijn medemenschen

ingeroepen?" merkte Pencroff op. "Waarom heeft hij die flesch in

zee geworpen?"

"Hij zal het ons zeggen," zeide Cyrus Smith overtuigd.

"Wanneer?"

"Misschien eerder dan gij denkt, Pencroff."

Inderdaad de dag, waarop hij tot volledige bekentenis zou komen,

was nabij.

Den 10den December, een week nadat hij in het Rotshuis terug was

gekomen, kwam de onbekende naar Cyrus Smith toe en zeide op kalmen

onderworpen toon:

"Mijnheer, ik heb u iets te vragen."

"Spreek," antwoordde de ingenieur; "maar laat mij u eerst een vraag

doen."

Bij deze woorden bloosde de onbekende en was hij op het punt om te

ontvluchten. Cyrus Smith begreep echter wat er in de ziel van den

schuldige omging, die waarschijnlijk vreesde dat men hem over zijn

verleden zou ondervragen; hij hield hem bij de hand terug en zeide:

"Vriend, wij zijn niet alleen metgezellen voor u, maar wij zijn

vrienden. Dit wilde ik u slechts zeggen; nu luister ik naar hetgeen

gij mij wilt vragen."

De onbekende streek met zijn hand over zijn oogen. Hij beefde en liet

eenige oogenblikken voorbijgaan zonder te kunnen spreken.

"Mijnheer," zeide hij eindelijk, "ik kom u verzoeken mij een gunst

toe te staan."

"Welke?"

"Gij hebt op vier of vijf mijlen van hier, aan den voet van den berg,

een kraal voor uwe huisdieren. Deze dieren moeten verzorgd worden. Wilt

gij mij toestaan daar met hen te leven?"

Cyrus Smith zag den ongelukkige eenige oogenblikken met diep medelijden

aan. Toen zeide hij:

"Vriend, in de kraal zijn slechts stallen, die nauwelijks voor die

beesten goed zijn...."

"Zij zijn goed genoeg voor mij, mijnheer."

"Vriend," hernam Cyrus Smith, "wij zullen u nooit in iets

tegenwerken. Gij wilt in de kraal leven. Het zij zoo. Gij zult

echter altijd welkom zijn in het Rotshuis. Maar daar gij in de kraal

wilt leven, zullen wij alles regelen, opdat zij goed voor u worde

ingericht."

"Het zal daar in ieder geval goed voor mij zijn."

"Vriend," antwoordde Cyrus Smith, die hem opzettelijk met dit woord

aansprak, "gij moet het aan ons overlaten hoe wij in dit opzicht

zullen handelen!"

"Dank u, mijnheer," antwoordde de onbekende, terwijl hij heenging.

De ingenieur deelde zijn metgezellen mede wat hem was gevraagd en

er werd besloten, dat men in de kraal een houten huis zou bouwen,

dat dan zoo gemakkelijk mogelijk zou worden ingericht.

Binnen een week was het huis gereed om zijn bewoner te ontvangen. Er

werden meubels, een bed, een tafel, een bank, een kast gemaakt en

men bracht er wapenen, munitie en werktuigen in.

De onbekende was niet naar zijn nieuwe woning gaan zien maar had op

de bergvlakte gearbeid, zoodat het land op nieuw bezaaid kon worden,

zoodra het tijd daartoe zou zijn.

Den 20sten deelde de ingenieur den onbekende mede, dat hij zijn woning

kon betrekken en deze antwoordde, dat hij nog dienzelfden nacht er

wilde slapen.

Dien avond waren de kolonisten in de zaal van het Rotshuis bijeen. Het

was acht uur--het uur waarop hun metgezel hen zou verlaten. Om het

hem niet lastig te maken, hadden zij hem alleen gelaten en waren zij

naar het Rotshuis teruggekeerd.

Reeds eenigen tijd zaten zij daar, toen er aan de deur geklopt

werd. Bijna oogenblikkelijk daarna trad de onbekende binnen en zeide:

"Mijne heeren, voor dat ik u verlaat, is het goed dat gij mijn

geschiedenis kent."

Deze weinige woorden maakten een diepen indruk op Cyrus Smith en

zijn lotgenooten.

De ingenieur was opgestaan.

"Wij vragen u niets, mijn vriend," zeide hij. "Het is uw recht te

zwijgen...."

"Het is mijn plicht te spreken."

"Ga dan zitten."

"Ik zal blijven staan."

"Wij zijn gereed u aan te hooren," antwoordde Cyrus Smith.

De onbekende stond in een hoek van de zaal, een weinig in de

schaduw. Zijn hoofd was ontbloot, zijn armen had hij over zijn borst

gekruist, en in deze houding sprak hij op doffen toon, als iemand

die zich geweld aandoet om te spreken. Hij deed het volgende verhaal,

waarin hij geen enkel maal door zijn hoorders gestoord werd:

"Den 20sten December 1854, wierp een plezierjacht, de Duncan geheeten,

het anker voor kaap Bernouilli; het behoorde aan een schotsch

edelman, lord Glenarvan. Aan boord van dit jacht bevonden zich lord

Glenarvan, zijn vrouw, een majoor van het engelsche leger, een fransch

aardrijkskundige, een jong meisje en een knaap. Deze laatsten waren

de kinderen van kapitein Grant, wiens schip, de Britannia, een jaar

te voren geheel vergaan was. De Duncan stond onder bevel van kapitein

John Mangles en had een bemanning van vijftien koppen.

"Dit jacht bevond zich in dien tijd op de kust van Australië om de

volgende reden.

"Zes maanden geleden had men in de Iersche Zee een flesch gevonden

waarin een stuk besloten was dat in het Engelsch, Fransch en Duitsch

was gesteld; de Duncan had deze flesch opgevischt. In dit stuk werd

medegedeeld, dat nog drie personen in leven waren van de schipbreuk der

Britannia; dat die overlevenden waren de kapitein Grant en twee van

zijn manschappen, en dat zij een schuilplaats hadden gevonden in een

land, waarvan de breedtegraad in het stuk vermeld stond, maar waarvan

de lengte door het zeewater uitgewischt en niet meer leesbaar was.

"De breedte was 37° 11' ten zuiden. De lengte was dus onbekend, maar

volgde men den zeven en dertigsten zuider-breedtegraad over land en

zee, dan was men zeker op de plek te komen die door kapitein Grant

en zijn lotgenooten bewoond werd.

"Toen de engelsche admiraliteit aarzelde dit onderzoek te ondernemen,

besloot lord Glenarvan alles te beproeven om den kapitein terug te

vinden. Mary en Robert Grant waren met hem in kennis gebracht. Het

jacht de Duncan werd voor een langen tocht uitgerust, waaraan de

familie van den lord en de kinderen van den kapitein wilden deelnemen;

de Duncan verliet Glasgow, richtte zich naar den Atlantischen Oceaan,

zeilde door straat Magelaan en kwam vervolgens door de Stille Zee in

Patagonië, waar men door het stuk kon veronderstellen, dat de kapitein

gevangen was door de inboorlingen.

"De Duncan ontscheepte hare passagiers op de westkust van Patagonië

en vertrok om hen op de oostkust weder in te nemen.

"Lord Glenarvan trok dwars door Patagonië en volgde daarbij den zeven

en dertigsten graad; toen hij geen spoor van den kapitein gevonden

had, ging hij den 18den November weder aan boord om zijn onderzoek

op den Oceaan weder voort te zetten.

"Het voornemen van lord Glenarvan was om Australië door te trekken even

als hij Amerika had gedaan, en hij verliet weder zijn schip. Op eenige

mijlen van de kust bevond zich een hut, die aan een Ier behoorde;

deze bood den reizigers een onderkomen. Lord Glenarvan deelde den

Ier mede waarom hij in deze streken gekomen was en vroeg hem, of

hij niet gehoord had dat een Engelsche driemaster, de Britannia,

nog geen twee jaar geleden op de westkust van Australië was vergaan.

"De Ier had nooit van deze schipbreuk hooren spreken; maar tot groote

verwondering van de omstanders zeide een van zijn ondergeschikten:

""Mylord, loof en dank den Heer. Indien kapitein Grant nog leeft dan

leeft hij op Australischen bodem."

""Wie zijt gij?" vroeg lord Glenarvan.

""Een Schot, evenals gij, mylord," antwoordde deze man, "en ik ben een

van de lotgenooten van kapitein Grant, een van de schipbreukelingen

van de Britannia."

"Die man heette Ayrton. Hij was inderdaad de bootsman van de Britannia,

zooals zijn papieren ook getuigden. Maar, van den kapitein gescheiden,

op het oogenblik dat het schip op de klippen verbrijzelde, had hij

tot nog toe gedacht, dat zijn kapitein met de geheele bemanning was

omgekomen en dat hij, Ayrton, de eenige overlevende van de Britannia

was.

"Het is echter niet op de westkust maar op de oostkust van Australië

dat de Britannia verging en indien kapitein Grant nog leeft, zooals

het stuk beweert, dan is hij gevangen door de inboorlingen en moet

gij hem op de andere kust zoeken."

"Deze man scheen oprecht en met kennis van zaken te spreken. Men

kon aan zijn woorden niet twijfelen. De Ier, die hem sedert een

jaar in dienst had, stond voor hem in. Lord Glenarvan geloofde

aan de eerlijkheid van dien man en besloot om, volgens zijn raad,

Australië door te trekken en daarbij steeds den zeven en dertigsten

graad te volgen. Lord Glenarvan, zijn vrouw, de twee kinderen, de

majoor, de Franschman, kapitein Mangles en eenige matrozen stelden

zich onder het geleide van Ayrton; terwijl de Duncan, onder bevel

van den eersten stuurman Tom Austin, naar Melbourne zou stevenen,

waar zij op nadere bevelen van lord Glenarvan moest wachten.

"Zij vertrokken den 23sten December 1854.

"Deze Ayrton was echter een schurk.

"Hij was wel is waar bootsman van de Britannia geweest, maar

tengevolge van oneenigheid met zijn kapitein, had hij getracht de

bemanning in opstand te brengen en zich van het schip meester te

maken; kapitein Grant had hem den 8sten April 1852 op de westkust

van Australië ontscheept, was vertrokken en had hem achtergelaten,

hetgeen rechtvaardig was.

"Deze ellendeling wist dus niets van de schipbreuk van de

Britannia. Hij vernam die slechts door het verhaal van lord

Glenarvan! Sedert men hem achtergelaten had, was hij, onder den naam

van Ben Joyce, opperhoofd geworden der ontsnapte gedeporteerden,

en indien hij onbeschaamd volhield dat de schipbreuk op de oostkust

plaats had gehad en lord Glenarvan noopte die richting te volgen,

was dit slechts, omdat hij hoopte hem van zijn schip te scheiden,

zich van de Duncan meester te maken en van dit jacht een kaperschip

in de Stille Zee te maken."

Hier zweeg de onbekende een oogenblik. Zijn stem beefde, maar hij

hervatte:

"De expeditie begaf zich op weg en trok Australië door. Zij slaagde

natuurlijk niet, daar Ayrton of Ben Joyce, hoe men hem noemen wil,

haar leidde, dan eens voorgegaan, dan weder gevolgd door zijn bende

ontsnapte veroordeelden, die met het plan in kennis waren gesteld.

"De Duncan lag intusschen voor Melbourne. Men moest nu van lord

Glenarvan het bevel zien te verkrijgen, dat de Duncan naar de oostkust

van Australië terug zou keeren, waar men er zich dan gemakkelijk van

kon meester maken. Na de expeditie dicht bij deze kust te hebben

gebracht, dwars door ondoordringbare bosschen, nam Ayrton op zich

een brief te bezorgen aan den eersten stuurman van de Duncan, waarin

lord Glenarvan aan het jacht bevel gaf zich onmiddellijk naar de

oostkust te begeven, naar de baai van Twofold, dat is te zeggen, een

paar dagreizen van de plaats waar de expeditie halt gemaakt had. Daar

was het dat Ayrton zich met zijn medeplichtigen zou vereenigen.

"Op het oogenblik dat hij den brief zou ontvangen, werd de schurk

ontmaskerd en bleef hem slechts de vlucht over. Maar hij zou tot

elken prijs dien brief weten te verkrijgen waardoor hij de Duncan

kon vermeesteren. Ayrton slaagde daarin en twee dagen later kwam hij

te Melbourne.

"Tot nog toe was de ellendeling in al zijn misdadige plannen

geslaagd. Hij zou de Duncan naar de baai van Twofold kunnen brengen,

waar het aan zijn bende niet moeielijk zou vallen het vaartuig te

bemachtigen en wanneer de bemanning omgebracht zou zijn, was Ben

Joyce meester op zee. Maar God zou het ten uitvoer brengen van deze

heillooze plannen beletten.

"Toen Ayrton te Melbourne kwam gaf hij den brief aan den eersten

stuurman, Tom Austin, die aanstonds de bevelen nakwam.

"Men stelle zich echter de teleurstelling en woede van Ayrton voor

toen hij den volgenden morgen vernam, dat de stuurman zijn schip niet

naar de oostkust van Australië, naar de baai van Twofold voerde, maar

naar de oostkust van Nieuw-Zeeland. Hij wilde er zich tegen verzetten,

Austin toonde hem den brief!.... En, inderdaad door een vergissing

van den franschen aardrijkskundige, die den brief gesteld had, was

de oostkust van Nieuw-Zeeland aangegeven als bestemmingsplaats.

"Alle plannen van Ayrton vielen in duigen. Hij wilde zich

verzetten. Men sloot hem op. Hij werd medegenomen naar de kust van

Nieuw-Zeeland, niet wetende wat er van zijn medeplichtigen zou worden,

noch hoe lord Glenarvan zich zou redden.

"De Duncan bleef tot den 3den Maart op de kust kruisen. Dien dag hoorde

Ayrton kanonschoten. Het waren de kanonnen van de Duncan, die vuur

gaven, en weldra bevonden lord Glenarvan en de zijnen zich aan boord.

"Ziehier wat er gebeurd was.

"Na duizend gevaren en vermoeienissen te hebben doorstaan kwam

lord Glenarvan eindelijk op de oostkust van Australië in de baai van

Twofold. Geen Duncan! Hij telegrafeerde naar Melbourne. Men antwoordde:

"Duncan sedert den 18den vertrokken, bestemmingsplaats onbekend.

"Lord Glenarvan dacht niet anders dan dat het jacht in handen van

Ben Joyce gevallen en een kaperschip geworden was!

De lord wilde zijn voornemen echter niet opgeven. Hij was een dapper

en ondernemend man. Hij scheepte zich op een koopvaardijschip in en

liet zich naar de westkust van Nieuw-Zeeland brengen, volgde weder

den zeven en dertigsten graad, zonder een spoor van kapitein Grant

te vinden; maar tot zijn groote verwondering vond hij op de oostkust

de Duncan onder bevel van den eersten stuurman, die sedert vijf weken

op hem wachtte!

"Het was 3 Maart 1855. Lord Glenarvan was aan boord van de Duncan,

maar Ayrton was er ook. Hij verscheen voor den lord, die alles van

hem te weten wilde komen wat hij van kapitein Grant wist. Ayrton

weigerde te spreken. Lord Glenarvan dreigde toen, dat men hem bij

de eerstvolgende landingsplaats, aan de engelsche autoriteiten zou

overleveren. Ayrton bleef zwijgen.

"De Duncan volgde weder den zeven en dertigsten graad. Lady

Glenarvan nam intusschen op zich den weerstand van den bandiet te

overwinnen. Ayrton werd door haar toedoen overgehaald te spreken

en stelde lord Glenarvan voor, hem niet aan de engelsche autoriteit

over te leveren, maar op een der eilanden in de Stille Zee achter te

laten in ruil voor hetgeen hij hem zou kunnen zeggen. Lord Glenarvan,

die alles wilde aanwenden om iets omtrent kapitein Grant te vernemen,

stemde er in toe.

"Ayrton vertelde zijn geheelen levensloop en daarbij ook, dat hij

niets van kapitein Grant wist van den dag af dat deze hem op de kust

van Australië had ontscheept.

"Lord Glenarvan hield echter zijn eens gegeven woord. De Duncan

vervolgde haar weg en kwam bij het eiland Tabor. Daar zou Ayrton worden

achtergelaten en daar vond men ook, door een wonder, kapitein Grant en

zijn lotgenooten juist op den zeven en dertigsten graad. De misdadiger

zou hen op het verlaten eiland vervangen, en op het oogenblik dat

Ayrton het jacht verliet sprak lord Glenarvan:

""Ayrton, hier zult gij van elk land verwijderd zijn, en elke

gemeenschap met uw gelijken is hier onmogelijk. Gij zult niet kunnen

vluchten van dit eiland, waar de Duncan u achterlaat. Gij zult er

alleen zijn, onder het oog van God, die tot in het diepst der harten

leest, maar gij zult er niet zijn even als kapitein Grant zonder dat

iemand het weet. Hoe onwaardig gij ook zijn moogt om in de herinnering

der menschen te leven, toch zullen zij zich uwer herinneren. Ik

weet waar gij zijt, Ayrton, ik weet waar u te vinden. Ik zal het

nooit vergeten!"

"En de Duncan koos weder zee en verdween weldra.

"Het was den 18den Maart 1855.

"Ayrton was alleen, maar het ontbrak hem noch aan munitie, noch aan

wapenen, noch aan werktuigen, noch aan zaad. Het huis van kapitein

Grant stond tot zijn beschikking. Hij moest slechts voortleven en

door zijn eenzaamheid voor de misdaden boeten, die hij bedreven had.

"Hij had berouw, hij schaamde zich over zijn misdaden en was zeer

ongelukkig! Hij nam zich voor om, wanneer men hem eenmaal van het

eiland mocht komen verlossen, waardig te zijn onder de menschen te

leven! Wat leed hij, die rampzalige! Hoe werkte hij, om zich door

arbeid te veredelen! Hoe vurig bad hij om herboren te worden door

het gebed.

"Zoo ging het voort gedurende twee, drie jaar; maar Ayrton werd door

de afzondering ondermijnd, hij keek altijd uit of nog geen schip

zijn eiland naderde en vroeg zich af of zijn tijd van boete nog niet

verloopen was; hij leed zooals men nog nooit geleden had! O! hoe hard

viel die eenzaamheid voor een ziel die door berouw gekweld werd!

"Maar de hemel achtte hem voorzeker nog niet genoeg gestraft, want hij

voelde meer en meer dat hij aan een wilde gelijk werd! Hij bemerkte

dat hij meer en meer verdierlijkte! Hij zou u niet kunnen zeggen of

het na twee dan wel na vier jaar afzondering was, maar eindelijk werd

hij de rampzalige, dien gij gevonden hebt!

"Ik behoef u niet te zeggen dat Ayrton, Ben Joyce en ik dezelfde zijn!"

Cyrus Smith en zijn metgezellen waren bij het eind van het verhaal

opgestaan. Zij waren allen diep getroffen! Zij hadden zooveel ellende,

zooveel smart en zooveel wanhoop voor zich!

"Ayrton," zeide Cyrus Smith, "gij zijt een groot misdadiger geweest,

maar de hemel heeft u voorzeker vergeven! Hij heeft het bewezen door

u weder onder uw gelijken te brengen. Ayrton, gij zijt vergeven! Wilt

gij nu onze metgezel zijn?"

Ayrton was teruggedeinsd.

"Daar is mijn hand!" zeide de ingenieur.

Ayrton greep hartstochtelijk de hand die hem was toegestoken, en

groote tranen biggelden langs zijn wangen.

"Wilt gij met ons leven?" vroeg Cyrus Smith.

"Mijnheer Smith, laat mij nog eenigen tijd alleen," antwoordde Ayrton,

"laat mij alleen in die woning in de kraal!"

"Zooals gij wilt, Ayrton," antwoordde Cyrus Smith.

Ayrton wilde zich verwijderen toen de ingenieur hem nog een vraag

wilde doen.

"Een woord nog, mijn vriend. Daar uw plan was alleen te leven, waarom

hebt gij dan die flesch met dat bericht in zee geworpen, dat ons uw

spoor heeft doen kennen?"

"Een bericht?" antwoordde Ayrton, die niet scheen te weten wat men

bedoelde.

"Ja, dat bericht in die flesch, die wij gevonden hebben en dat de

juiste ligging aangaf van het eiland Tabor?"

Ayrton streek met zijn hand over het voorhoofd. Na een oogenblik te

hebben nagedacht, zeide hij:

"Ik heb nooit een bericht in zee geworpen!"

"Nooit?" riep Pencroff uit.

"Nooit!"

Ayrton groette, ging naar de deur en verdween.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 11 / 37 题