VIII.

Een gesprek.--Cyrus Smith en Gideon Spilett.--Een

plan van den ingenieur.--De electrische telegraaf.--De

draden.--De palen.--Het schoone jaargetijde.--Welvaart der

kolonie.--Photographie.--Een uitwerking van de sneeuw.--Twee

jaar op het eiland Lincoln.

"De arme man," zeide Harbert, die, nadat hij naar de deur was gesneld,

terug kwam en Ayrton langs de koord naar beneden zag glijden en te

midden der duisternis verdwijnen.

"Hij zal wel terugkomen," zeide Cyrus Smith.

"Wat wil dat zeggen, mijnheer Cyrus?" riep Pencroff uit. "Wat! Zou

het Ayrton niet wezen, die de flesch in zee had geworpen? Maar,

wie dan anders?"

Ongetwijfeld was deze vraag, zoo ooit een vraag gedaan moest worden,

de eenig mogelijke.

"Hij was het," antwoordde Nab, "maar de ongelukkige was reeds half

krankzinnig."

"Ja," antwoordde Harbert, "en hij wist volstrekt niet meer wat

hij deed."

"Wij kunnen het alleen op die wijze verklaren, vrienden," viel Cyrus

Smith hun levendig in de rede, "en ik begrijp thans hoe Ayrton de

juiste ligging van het eiland Tabor heeft kunnen aanduiden, daar de

gebeurtenissen zelf, die zijn komst op het eiland zijn voorafgegaan,

hem er mede bekend maakten."

"Toch," merkte Pencroff op, "zoo hij nog niet krankzinnig was op het

oogenblik toen hij zijn brief opstelde, en zoo het zeven of acht jaar

geleden is dat hij die in zee geworpen heeft, hoe is het dan mogelijk

dat die papieren niets van de vocht geleden hebben?"

"Dat bewijst," antwoordde Cyrus Smith, "dat Ayrton zijn verstand nog

niet sinds zoolang, als hij zelf zegt, verloren heeft."

"Het moet wel zoo wezen," zeide Pencroff, "want anders zou de zaak

onverklaarbaar zijn."

"Onverklaarbaar inderdaad," antwoordde de ingenieur, die dit gesprek

niet gaarne scheen voort te zetten.

"Maar heeft Ayrton waarheid gesproken?" vroeg de matroos.

"Ja," antwoordde de reporter. "Hetgeen hij verteld heeft is volkomen

waar. Ik herinner mij zeer goed dat de dagbladen de poging van lord

Glenarvan en den uitslag dien hij verkreeg, hebben medegedeeld."

"Ayrton heeft waarheid gesproken," voegde Cyrus Smith er bij, "daar

behoeft ge niet aan te twijfelen, Pencroff, want het kostte hem genoeg

moeite. Men spreekt waarheid, wanneer men zich zelf zoo beschuldigt!"

Den anderen dag--21 December--gingen de kolonisten naar het strand,

maar toen zij de vlakte overstaken, was er niets meer van Ayrton te

vinden. Deze had dien nacht zijn kraal betrokken, en de kolonisten

achtten het beter hem niet met hun tegenwoordigheid lastig te

vallen. De tijd zou ongetwijfeld doen wat hun opbeurende woorden niet

hadden kunnen bewerken.

Harbert, Pencroff en Nab begonnen toen hun dagelijksch werk weer. Juist

dien dag hadden Cyrus Smith en de reporter denzelfden arbeid in de

schoorsteenen te verrichten.

"Weet ge wel, Cyrus," zeide Gideon Spilett, "dat ik met de verklaring,

die gij gisteren van die flesch gegeven hebt, het volstrekt niet eens

ben! Hoe kunt gij aannemen dat die ongelukkige kon schrijven en die

flesch daarop in zee heeft geworpen, zonder eenige herinnering daarvan

behouden te hebben?"

"Hij is het ook niet, die haar in zee heeft geworpen, beste Spilett."

"Dus, gij gelooft nog...."

"Ik geloof niets en ik weet niets!" antwoordde Cyrus Smith, den

reporter in de rede vallende. "Ik stel mij tevreden, met deze

gebeurtenis te rangschikken onder die, welke mij tot nog toe

onverklaarbaar zijn gebleken!"

"Wezenlijk, Cyrus," zeide Gideon Spilett, "die dingen zijn

ongeloofelijk. Uw redding, de kist die wij op het strand vonden, de

avonturen van Top en eindelijk die flesch.... Zullen wij dan nooit

den sleutel vinden, om die raadsels op te lossen?"

"Zeker!" antwoordde de ingenieur op levendigen toon, "zoo ik dit

eiland tot in zijn ingewanden kon onderzoeken."

"Het toeval zal ons misschien eenmaal den sleutel geven."

"Het toeval! Spilett! Ik geloof volstrekt niet aan het toeval, evenmin

als ik aan geheimen in deze wereld geloof. Er is een oorzaak voor deze

onverklaarbare dingen, en die oorzaak zal ik ontdekken. Maar laten

wij intusschen alles aandachtig gadeslaan en onzen arbeid voortzetten."

De maand Januari brak aan. Het was het jaar 1867 dat nu begon. Zij

gingen met hun zomerwerk ijverig voort. Gedurende de dagen, die

nu volgden, begaven zich Harbert en Gideon Spilett naar de kraal,

en overtuigden zich dat Ayrton van de woning, die zij hem gemaakt

hadden, bezit had genomen. Hij was den ganschen dag bezig met de

dieren, welke zij onder zijn hoede hadden gesteld, te verzorgen,

en hij bespaarde dus aan zijn makkers de moeite om elke twee of

drie dagen de kraal te komen bezoeken. Maar toch moesten zij, om

Ayrton niet te lang alleen te laten, hem menigmaal gezelschap gaan

houden. Het was bovendien van belang--in verband met het vermoeden,

hetwelk Gideon Spilett met den ingenieur deelde--dat dit gedeelte van

het eiland beschermd werd, en Ayrton, wanneer hem iets overkwam, niet

verzuimen zou de bewoners van het Rotshuis er mede bekend te maken.

Maar het geval kon zich voordoen dat de ingenieur er ten spoedigste

mede bekend moest gemaakt worden. Zelfs buiten die zaken, welke op

het geheimzinnige van het eiland Lincoln betrekking hadden, konden

er zich andere voordoen, zoodat een spoedige hulp der kolonisten

van het grootste belang zou wezen, wanneer er bijvoorbeeld een schip

voorbijkwam of in het gezicht der westelijke kust was, een schipbreuk

of een landing van zeeroovers, enz. enz.

Cyrus Smith besloot dan ook om de kraal in onmiddellijke verbinding

te brengen met het Rotshuis.

Het was de 10de Januari dat hij dit plan aan zijn vrienden mededeelde.

"Zoo, zoo, hoe wilt gij dat dan doen, mijnheer Cyrus?" vroeg

Pencroff. "Denkt ge er misschien aan om een telegraaf te maken?"

"Juist," antwoordde de ingenieur.

"Een electrische?" riep Harbert uit.

"Een electrische," antwoordde Cyrus Smith. "Wij bezitten alle noodige

elementen om een batterij te maken, maar moeielijker zal het wezen

om het ijzerdraad te trekken; maar dat zullen we ook wel klaar spelen."

"Eerlijk gezegd," merkte Pencroff op, "nu twijfel ik er niet meer

aan of eenmaal zal er ook een spoorweg loopen!"

Zij gingen dus aan het werk, en begonnen met het moeielijkste,

dus met het ijzerdraad, want zoo dit mislukte, was het onnoodig

de batterij en de andere benoodigdheden te vervaardigen. Gelukkig

werden hun pogingen met een goeden uitslag bekroond en verkregen zij

ijzerdraden van veertig à vijftig voet lengte, die zij gemakkelijk

aan elkander konden hechten en tusschen een afstand van vijf mijlen

spannen, welke de kraal van het Rotshuis scheidde.

Slechts eenige dagen hadden zij noodig om dit ten uitvoer te brengen,

en zelfs zoodra de machine klaar was, liet Cyrus Smith aan zijn

vrienden het draadtrekken over en zorgde zelf voor het maken der

batterij.

Zij moesten een batterij hebben met een onafgebroken stroom. Men weet

dat de elementen der tegenwoordige batterijen gewoonlijk samengesteld

zijn uit kool, zink en koper. Het koper ontbrak den ingenieur geheel,

die ondanks zijn vele onderzoekingen geen enkel spoor er van op het

eiland Lincoln gevonden had; hij moest dit dus vervangen. De kool,

dat is te zeggen, die harde stof, graphiet geheeten, die men vindt in

de gasbuizen, wanneer de steenkool van haar waterdeelen bevrijd is,

had men kunnen verkrijgen, maar dan zou men bijzondere toestellen

daartoe noodig hebben gehad, en dit ware een zware taak geweest.

Wat het zink betreft, men herinnert zich dat de kist, welke zij op

de kust gevonden hadden, van een deksel van dat metaal voorzien was,

die hun bij deze gelegenheid zeer goed te stade kwam.

Cyrus Smith besloot dus, nadat hij alles ernstig overwogen had, een

zeer eenvoudige batterij te maken, welke veel geleek op die welke

in 1820 door Becquerel werd uitgevonden, en waarin slechts het zink

gebruikt werd. Wat de andere zelfstandigheden betrof, als salpeterzuur

en potasch, dat alles was ter zijner beschikking.

Den 6den Februari werden de palen opgericht, voorzien van glazen

isolators en bestemd om den draad te steunen, die den weg naar

de kraal volgen moest. Eenige dagen later was de draad gespannen

en gereed om met een snelheid van honderd duizend kilometers in de

seconde den electrischen stroom voort te planten, terwijl de aarde

zich belastte hem terug te brengen naar zijn uitgangspunt.

Twee batterijen hadden zij gemaakt, de eene voor het Rotshuis en de

andere voor de kraal, want de kraal moest in verbinding staan met

het Rotshuis, maar ook kon het omgekeerde hen van veel nut wezen.

Den 12den Februari was alles gereed. Dien dag bracht Cyrus Smith

den stroom door den draad en vroeg of alles in de kraal in orde was;

eenige oogenblikken later kwam er een bevestigend antwoord van Ayrton.

Pencroff was buiten zich zelf van geluk, en iederen ochtend en avond

zond hij een telegram naar de kraal, waarop hij steeds een antwoord

ontving.

Deze wijs van met elkander gemeenschap te hebben, had twee wezenlijke

voordeelen, in de eerste plaats konden zij zich overtuigen dat Ayrton

aanwezig was, en in de tweede plaats was hij nu niet geheel van hen

afgezonderd. Toch liet Cyrus Smith nooit een week voorbijgaan zonder

Ayrton te bezoeken, en deze kwam van tijd tot tijd in het Rotshuis,

waar hem steeds een hartelijke ontvangst wachtte.

Het mooie jaargetijde spoedde onder dit drukke werk ten einde. Hun

voorraad levensmiddelen groeide met den dag aan en de planten, welke

zij van het eiland Tabor hadden overgebracht waren zeer weelderig

opgekomen. De vlakte het Verre Uitzicht leverde een aangenaam

schouwspel op. De vierde korenoogst was prachtig en zooals men

begrijpen kan, viel het niemand in om de vier honderd milliarden

graantjes van dien oogst te tellen. Toch kwam Pencroff op de gedachte

om dit te doen, maar Cyrus Smith zeide hem, dat al telde hij drie

honderd graantjes in de minuut, of achttien duizend in het uur, hij

toch ruim twee duizend vijf honderd jaar noodig zou hebben om zijn

telling te volbrengen, en de zeeman besloot dus zijn plan op te geven.

In dien tijd was de kleine kolonie zeer gelukkig. Het pluimgedierte

vermeerderde zeer en men voedde zich met hetgeen te veel was, want men

moest het getal tot een zekere hoeveelheid beperken. Er waren reeds

een menigte biggen en, zooals men denken kan, vergden deze dieren

veel tijd aan Nab en Pencroff. De onagga's hadden ook twee jongen

ter wereld gebracht, die meestal door Gideon Spilett en Harbert

bereden werden, want de laatste was onder leiding van den reporter

een uitstekend ruiter geworden. Ook spande men ze voor den wagen,

hetzij om hout en steenkolen naar het Rotshuis te brengen, of om de

verschillende delfstoffen te halen, welke de ingenieur noodig had.

Gedurende hun onderzoekingstochten zorgden de kolonisten steeds

gewapend te zijn, want dikwijls ontmoetten zij wilde zwijnen waartegen

zij duchtig moesten strijden.

In dien tijd hadden zij ook menigmaal met de tijgerkatten oorlog

te voeren. Gideon Spilett had hun een onverzoenlijken haat

gezworen, en zijn leerling Harbert stond hem altijd dapper ter

zijde. Gewapend zooals zij waren, behoefden zij een ontmoeting

met wilde dieren volstrekt niet te vreezen. De stoutmoedigheid

van Harbert was bewonderenswaardig, en de koelbloedigheid van den

reporter verbazend. Ook versierden eenige prachtige huiden de groote

zaal van het Rotshuis, en indien dit zoo voortging, zou het ras der

jaguars spoedig geheel op het eiland uitgeroeid zijn, en naar dit

doel streefden allen.

Soms nam de ingenieur deel aan die tochten, welke gewoonlijk in

een onbekend oord van het eiland plaats hadden, en welke hij dan

met aandacht volgde. Andere sporen dan die van dieren zocht hij in

de dichtste wouden, maar nooit trof eenig verdacht voorwerp zijn

opmerkzaamheid. Noch Top, noch Jup, die hem vergezelden, verrieden

door hun houding dat zij een besef van iets buitengewoons hadden en

toch meer dan eens blafte de hond aan de opening van den put, dien de

ingenieur zonder eenig gevolg onderzocht had. Het was in dien tijd

dat Gideon Spilett, bijgestaan door Harbert, de schilderachtigste

landschappen opnam door middel van zijn photographischen toestel

die ook in de kist was gevonden, maar dien zij tot nog toe nooit

gebruikt hadden.

De reporter en zijn medestanders werden dus in weinig tijd volmaakte

photografen en zij verkregen de prachtigste gezichten; ook hadden zij

het geheele overzicht van het eiland op het Verre Uitzicht genomen,

waarvan de horizon, door den berg Franklin gevormd werd; voorts de

monding der Mercy, welke zoo schilderachtig omlijst werd door de hooge

rotsen, de open plaats en de kraal, waarachter de eerste bergen zich

verhieven, de zoo merkwaardige vorm van kaap Klauw en het uiteinde

van de Wrakkust. Ook vergaten de photografen niet om de portretten

van alle bewoners van het eiland, niemand uitgezonderd, te maken.

"Dat vult!" zeide Pencroff.

Den matroos deed het genoegen zijn eigen beeld, zoo getrouw

weergegeven, tegen den muur van het Rotshuis te zien hangen, en hij

stond gaarne daar tegenover stil, zooals hij voor de prachtigste

winkels van Broadway zou gedaan hebben. Maar het moet gezegd worden,

het best gelijkend portret was dat van Jup. De heer Jup had met den

meesten ernst geposeerd en zijn beeltenis was sprekend!

"Men zou zeggen dat hij op het punt stond een zijner kluchtige sprongen

te doen!" riep Pencroff uit.

Als Jup niet tevreden geweest was, moest hij wel zeer moeielijk wezen,

maar hij was het en hij beschouwde zijn portret met een gevoelvollen

blik, die niet geheel vrij was van zekere verwaandheid.

Den 21sten Maart waren de eerste sneeuwvlokken gevallen. Harbert

stond dien ochtend aan het venster en riep:

"Zie eens, het eilandje is met sneeuw bedekt!"

"Nu reeds sneeuw!" antwoordde de reporter, en voegde zich bij den

knaap.

Spoedig kwamen de anderen ook naderbij en zagen dat niet alleen het

eilandje, maar het geheele strand beneden het Rotshuis met een laag

sneeuw bedekt waren.

"Het is sneeuw!" zeide Pencroff.

"Ja, het heeft er tenminste veel van," antwoordde Nab.

"Maar de thermometer wijst acht en vijftig graden!" merkte Gideon

Spilett op.

Cyrus Smith uitte bij het zien van deze witte vlakte geen enkel

woord, want hij wist niet op welke wijs dit natuurverschijnsel in

dit jaargetijde en met zulk een temperatuur te verklaren.

"Duizend duivels!" riep Pencroff uit, "onze planten zullen bevriezen!"

De matroos maakte zich gereed om naar beneden te gaan, maar Jup,

die zich tot op den grond liet neerglijden, was hem voor.

De aap had echter den grond nog niet aangeraakt, of de geheele

sneeuwvlaag vloog in de lucht en verspreidde zich in tallooze vlokken,

zoodat voor een oogenblik het licht der zon verduisterd werd.

"Het zijn vogels!" riep Harbert.

Het waren inderdaad een zwerm zeevogels, met prachtig witte veeren. Zij

waren bij duizenden op het eilandje en de kust neergestreken,

en verdwenen spoedig in de verte, de verbaasde kolonisten achter

latende, alsof zij van een _dissolving view_ getuigen waren

geweest; alsof de winter door den zomer was opgevolgd, evenals in

een toovervoorstelling. Ongelukkig genoeg had die verandering zoo

plotseling plaats gegrepen, dat noch de reporter, noch de knaap er

in slaagden een dezer vogels te dooden, waarvan zij onmogelijk het

soort konden herkennen.

Eenige dagen later, den 26sten Maart, was het twee jaar geleden dat

de luchtschipbreukelingen op het eiland Lincoln waren geworpen.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 12 / 37 题