VI.

Een geheim, dat moet ontraadseld worden.--De eerste woorden van

den onbekende.--Twaalf jaar op het eiland.--Bekentenissen.--De

verdwijning.--Vertrouwen van Cyrus Smith.--De molen.--Het

eerste brood.--Een opoffering.--De eerlijke handen.

Ja, de rampzalige had geschreid! Waarschijnlijk was er eene herinnering

in hem opgekomen en volgens de uitdrukking van Cyrus Smith was hij

weder mensch geworden door de tranen die hij gestort had.

De kolonisten lieten hem eenigen tijd op de bergvlakte en verwijderden

zich zelfs een weinig, opdat hij zich nog meer vrij zou gevoelen,

maar hij dacht er niet aan om van deze vrijheid misbruik te maken, en

Cyrus Smith besloot weldra hem weder naar het Rotshuis terug te voeren.

Twee dagen na dit voorval scheen de onbekende meer en meer aan het

gemeenschappelijke leven te willen deelnemen. Hij hoorde en begreep

blijkbaar, maar bleef er bij volharden om niet tot de kolonisten te

spreken, want eens, dat Pencroff 's avonds aan de deur van zijn kamer

luisterde, hoorde hij deze woorden over zijn lippen komen.

"Neen! hier! ik! nooit!"

De zeeman bracht deze woorden aan zijn metgezellen over.

"Daar schuilt eenig treurig geheim achter!" zeide Cyrus Smith.

De onbekende was gebruik gaan maken van de werktuigen en arbeidde

in den moestuin. Als hij met zijn arbeid ophield, hetgeen dikwijls

gebeurde, dan bleef hij in gedachten verzonken; maar op aanraden van

den ingenieur eerbiedigde men de afzondering waarin hij scheen te

willen blijven. Indien een van de kolonisten hem naderde, week hij

ter zijde en een zucht ontvlood aan zijn borst, alsof zijn gemoed

vol was. Was het berouw dat hem zoo deed handelen? Dit zou men bijna

gelooven, en Gideon Spilett maakte zeer terecht deze opmerking:

"Indien hij niet spreekt, is dit, geloof ik, omdat hij ernstige dingen

te zeggen heeft!"

Men moest geduld hebben en wachten.

Toen de onbekende eenige dagen later, 3 November, op de bergvlakte

werkte, liet hij plotseling zijn bijl op den grond vallen; Cyrus Smith,

die hem van ter zijde gade sloeg, zag ten tweeden male groote tranen

over zijn wangen biggelen. Een onwederstaanbaar medelijden voerde

hem tot den ongelukkige en, diens arm licht aanrakende, zeide hij:

"Vriend!"

De blik van den onbekende trachtte hem te ontwijken, en toen Cyrus

Smith zijn hand wilde vatten trad hij plotseling terug.

"Zie mij aan," zei Cyrus Smith op gebiedenden toon, "ik eisch het!"

De onbekende zag den ingenieur aan en scheen geheel onder diens

invloed, even als een gemagnetiseerde onder den invloed van zijn

magnetiseur. Maar toen had er eensklaps een geheele verandering in

zijn gelaat plaats. Zijn blik schoot vlammen. De woorden trachten zijn

lippen te ontsnappen. Hij kon zich niet langer inhouden!.... Eindelijk

kruiste hij zijn armen en zeide op doffen toon:

"Wie zijt gij?"

"Schipbreukelingen evenals gij," antwoordde de ingenieur diep

ontroerd. "Wij hebben u hierheen gevoerd, onder uw gelijken."

"Mijn gelijken!.... Ik heb er geen!"

"Gij zijt te midden van vrienden...."

"Vrienden!.... ik! vrienden!" riep de onbekende uit, het hoofd in zijn

beide handen verbergende.... "Neen.... nooit.... laat mij! laat mij!"

Met deze woorden ontvluchtte hij en bleef langen tijd onbeweeglijk

op de vlakte die uitzicht gaf op de zee.

Cyrus Smith was naar zijn metgezellen gegaan en vertelde hun hetgeen

voorgevallen was.

"Ja! er is een geheim in het leven van dien man," zeide Gideon Spilett,

"en het schijnt dat hij niet dan door de stem des berouws tot de

menschheid is teruggekeerd."

"Ik begrijp niet recht, welk soort van mensch wij hebben meegebracht,"

zeide de zeeman. "Hij heeft geheimen...."

"Die wij zullen eerbiedigen," antwoordde Cyrus Smith levendig. "Heeft

hij een misdaad begaan, dan heeft hij er wel voor geboet, en in onze

oogen is hij vergeven."

Twee uur lang bleef de onbekende alleen op het strand, zichtbaar onder

den invloed der herinneringen, die hem zijn geheele verleden voor

den geest riepen,--voorzeker een vreeselijk verleden--en zonder hem

uit het oog te verliezen, stoorden de kolonisten zijn afzondering niet.

Na twee uur scheen hij echter een besluit genomen te hebben en kwam

hij bij Cyrus Smith.

Zijn oogen waren rood door de tranen die hij had gestort, maar hij

weende niet meer. Zijn gelaat drukte de grootste onderwerping uit. Hij

scheen bevreesd, beschaamd, gedrukt en zijn blik bleef onafgebroken

op den grond gericht.

"Mijnheer," zeide hij tot Cyrus Smith, "zijt gij en uwe metgezellen

Engelschen?"

"Neen," antwoordde de ingenieur, "wij zijn Amerikanen."

"O!" zeide de onbekende, en hij mompelde:

"Dat is mij ook liever!"

"En gij, vriend?" vroeg de ingenieur.

"Engelschman," antwoordde hij snel.

En alsof deze woorden hem benauwd hadden, verwijderde hij zich en

liep vervolgens heen en weer onder de grootste gemoedsbeweging.

Toen hij in de nabijheid van Harbert kwam, stond hij stil en vroeg

hem met gesmoorde stem:

"Welke maand?"

"December," antwoordde Harbert.

"Welk jaar?"

"1866."

"Twaalf jaar! twaalf jaar!" riep hij uit.

Toen verliet hij hem plotseling.

Harbert vertelde aan zijn metgezellen wat de onbekende gevraagd had.

"Die ongelukkige wist dus niet in welk jaar en in welke maand wij

waren," merkte Gideon Spilett op.

"Ja," voegde Harbert er bij, "en hij bracht reeds twaalf jaar door

op het eiland, waar wij hem gevonden hebben!"

"Twaalf jaar!" herhaalde Cyrus Smith. "Twaalf jaar van afzondering,

misschien na een ellendig leven, kunnen het verstand van een mensch

wel verwoesten!"

"Ik zou bijna gelooven," zeide Pencroff, "dat deze man niet op het

eiland Tabor is gekomen door een schipbreuk, maar dat hij ten gevolge

van een misdaad, daarop is achtergelaten."

"Gij kunt gelijk hebben, Pencroff," antwoordde de reporter, "en indien

het waar is, dan is het niet onmogelijk dat zij, die hem op het eiland

hebben achtergelaten, hem eenmaal terug komen halen!"

"En zij zullen hem niet meer vinden!" merkte Harbert op.

"Maar," zeide Pencroff, "dan moeten wij terugkeeren en...."

"Vrienden," viel Cyrus Smith in, "laten wij dit punt niet behandelen

voor wij weten waaraan wij ons te houden hebben. Ik geloof dat deze

ongelukkige geleden heeft, dat hij voor zijn fouten geboet heeft, welke

deze ook wezen mogen, en dat hij groote behoefte heeft om zijn gemoed

lucht te geven. Laten wij hem niet dwingen zijn levensgeschiedenis

te verhalen! Hij zal ons die ongetwijfeld vertellen, en wanneer wij

alles weten, dan zullen wij zien wat ons te doen staat. Hij alleen

kan ons overigens zeggen of hij nog hoop, of hij zekerheid heeft om

eenmaal naar zijn vaderland terug te keeren, maar ik twijfel er aan!"

"En waarom?" vroeg de reporter.

"Omdat, ingeval hij zeker was van te eeniger tijd verlost te worden,

hij het uur zijner bevrijding zou hebben afgewacht en niet dat stuk in

zee zou hebben geworpen. Neen, het is eerder waarschijnlijk, dat hij

veroordeeld was om op het eiland te sterven en zijn gelijken nooit

weder te zien!"

"Maar," merkte de zeeman op, "er is nog iets dat ik niet begrijp."

"Wat dan?"

"Als het twaalf jaar geleden is dat deze man op het eiland Tabor is

achtergebleven, kan men toch veronderstellen dat hij reeds verscheiden

jaren in den verwilderden toestand verkeert, waarin wij hem hebben

gevonden!"

"Dat is waarschijnlijk," zeide Cyrus Smith.

"Dan zouden er bijgevolg ook verscheiden jaren verstreken zijn,

dat hij dit stuk geschreven heeft!"

"Zeker.... en toch scheen het kort geleden geschreven!...."

"Hoe wil men ook aannemen dat de flesch, waarin het stuk gesloten was,

verscheiden jaren noodig zou hebben gehad om van het eiland Tabor

naar het eiland Lincoln te komen."

"Dat is niet geheel onmogelijk," zeide de reporter. "Kon zij niet

reeds lang in de nabijheid van het eiland drijven?"

"Neen," zeide Pencroff, "want zij dreef nog. Men kan niet

veronderstellen, dat zij, na langen tijd op de kust te hebben gelegen,

weder door de zee is opgenomen, want de zuidkust bestaat geheel uit

rotsen en zij zou zonder twijfel daarop zijn verbrijzeld!"

Gedurende de volgende dagen sprak de onbekende geen woord en verliet

evenmin de bergvlakte. Hij werkte op het land, zonder een oogenblik

verloren te laten gaan, zonder eenige rust te nemen, maar altijd

buiten het gezicht van zijn redders. Bij het middagmaal kwam hij niet

in het Rotshuis terug, hoewel het hem dikwijls gevraagd was, en hij at

slechts rauwe groenten. 's Nachts ging hij niet naar de kamer, welke

voor hem bestemd was, maar bleef onder eenige boomen, of wanneer het

slecht weer was, schuilde hij onder uitstekende rotsen. Zoo leefde

hij voort als in den tijd, toen hij nog geen ander onderkomen had

dan de bosschen van het eiland Tabor, en daar alle pogingen om hem

zijn leven te doen veranderen vruchteloos waren geweest, besloten de

kolonisten geduldig te wachten. Maar eindelijk zou het oogenblik komen,

dat zijn geweten hem dwingen zou een vreeselijke bekentenis te doen.

In den avond van 10 November, toen de duisternis reeds begon te vallen,

vertoonde de onbekende zich plotseling bij de kolonisten, die onder

hun veranda zaten. Zijn oogen schitterden zonderling, en zijn geheele

uiterlijk was weder even verwilderd als in de eerste dagen.

Cyrus Smith en zijn metgezellen waren verbaasd, toen zij zagen dat

zijn tanden koortsachtig op elkander klapperden als onder den invloed

van een heftige aandoening. Wat deerde hem? Was het gezicht van zijn

gelijken hem ondraaglijk? Had hij genoeg van dit bestaan te midden

van eerlijke lieden? Had hij heimwee naar dien vroegeren toestand van

verdierlijking? Men moest het wel gelooven, toen men hem de volgende

onsamenhangende zinnen hoorde uitbrengen:

"Waarom ben ik hier?.... Met welk recht hebt gij mij van mijn eiland

gehaald?... Kan er een band tusschen u en mij bestaan?... Weet gij wie

ik ben.... wat ik gedaan heb.... waarom ik daar was.... alleen? En

wie zegt u dat men er mij niet heeft achtergelaten.... dat

ik niet veroordeeld was om daar te sterven?.... Kent gij mijn

verleden?.... weet gij zeker dat ik niet gestolen of gemoord

heb.... dat ik geen ellendeling ben.... geen vervloekte.... goed om als

een wild dier te leven.... verre van allen.... zeg!.... weet gij dat?"

De kolonisten luisterden zonder den onbekende te storen, aan wien deze

halve bekentenis als het ware onwillekeurig ontsnapte. Cyrus Smith

wilde hem toen gerust stellen en naderde hem, maar de ongelukkige

deinsde snel terug.

"Neen! neen!" riep hij uit. "Een enkel woord slechts.... Ben ik vrij?"

"Gij zijt vrij," antwoordde de ingenieur.

"Vaartwel dan!" riep hij uit en hij ontvluchtte als een razende.

Nab, Pencroff en Harbert snelden oogenblikkelijk naar den zoom van

het bosch.... maar zij kwamen alleen terug.

"Men moet hem laten begaan!" zeide Cyrus Smith.

"Hij zal nooit terugkomen!...." riep Pencroff uit.

"Hij zal terugkomen," antwoordde de ingenieur.

Er verliepen vele dagen; maar Cyrus Smith--was het een

voorgevoel?--bleef bij zijne meening, dat de ongelukkige vroeg of

laat terug zou komen.

"Het is de laatste maal dat deze ruwe natuur in opstand komt," zeide

hij, "hij heeft berouw gekregen; hij zou een tweede afzondering niet

kunnen doorstaan."

Alle werken werden intusschen voortgezet, zoowel op de bergvlakte

als in de kraal, waar Cyrus Smith een boerderij wilde aanleggen. De

zaden die Harbert van Tabor had medegebracht, werden gezaaid. De

bergvlakte was een groote moestuin, goed onderhouden en verzorgd en

die den kolonisten onophoudelijk werk gaf.

Den 15den November had de derde oogst plaats. De vrienden hadden nu

in overvloed koren, en de laatste helft van de maand werd besteed

om brood te maken. Men had wel koren maar nog geen meel en er moest

dus een molen vervaardigd worden. Den 1sten December was men er mede

gereed en men wachtte slechts een gunstigen wind af om te beginnen.

Eenige dagen later riep Harbert uit:

"Nu is de wind uitmuntend, hij is noordoost en komt ons goed van pas!"

Dien dag werden de eerste maten koren in den molen gebracht en den

volgenden morgen stond er bij het ontbijt een heerlijk brood op de

tafel van het Rotshuis.

De onbekende was intusschen nog niet teruggekomen. Gideon Spilett en

Harbert hadden reeds verscheiden malen het bosch in den omtrek van het

Rotshuis doorkruist, zonder hem te zien, zonder een spoor van hem te

ontdekken. Zij waren zeer ongerust over deze plotselinge verdwijning;

Cyrus Smith bleef echter volhouden dat de vluchteling zou terugkeeren.

"Ja! hij zal terugkeeren!" herhaalde hij met een vertrouwen dat

zijn metgezellen niet konden deelen. "Toen deze ongelukkige op het

eiland Tabor was, wist hij dat hij alleen was! Hier weet hij dat zijn

gelijken hem wachten! Hij heeft een gedeelte van zijn leven verraden;

die berouwvolle zondaar zal het overige komen mededeelen, en van dien

dag af zal hij tot de onzen behooren!"

De woorden van Cyrus Smith werden bewaarheid.

Harbert had op 3 December de bergvlakte verlaten en was op weg naar

het meer om te gaan visschen. Hij was ongewapend en had tot nog toe

geen reden gehad die voorzorg te nemen, omdat er geen gevaarlijke

dieren op dat gedeelte van het eiland verschenen.

Pencroff en Nab werkten bij het gevogelte, terwijl Cyrus Smith en de

reporter bezig waren in de schoorsteenen soda te bereiden, daar de

voorraad zeep uitgeput raakte.

Plotseling hoorde men roepen:

"Hulp! hulp!"

Cyrus Smith en de reporter waren te ver verwijderd om dit geroep te

vernemen. Pencroff en Nab snelden in allerijl naar het meer.

Maar vóór hen was de onbekende wiens aanwezigheid niemand bemerkt had,

over de beek gesprongen, die de bergvlakte van het bosch scheidde en

snelde van den anderen kant op Harbert toe.

Harbert stond tegenover een grooten jaguar, die veel overeenkomst had

met dien, welken zij kort geleden gedood hadden. Daar hij plotseling

overvallen was stond hij roerloos voor een boom, terwijl het beest

gedoken zat en gereed was hem aan te vallen... Maar de onbekende

wierp zich, zonder ander wapen dan zijn mes, op het geduchte roofdier,

dat zich toen tegen zijn nieuwen tegenstander keerde.

De strijd was kort. De onbekende, die meer dan menschelijke kracht en

behendigheid bezat, had den jaguar bij de keel gegrepen en zonder zich

te bekommeren om diens klauwen, die zijn vleesch verscheurden, woelde

hij met zijn mes in het hart van het dier. Toen hij het gedood had,

schopte hij het van zich weg en wilde ontvluchten op het oogenblik,

dat de kolonisten op de plaats van het onheil kwamen; maar Harbert

hield hem vast en riep uit:

"Neen! neen! ga niet weg!"

Cyrus Smith ging naar den onbekende, die zijn wenkbrauwen fronste

toen hij hem zag naderen. Het bloed liep langs zijn schouders onder

zijn gescheurde jas, maar hij lette daar niet op.

"Vriend," zeide Cyrus Smith, "door deze daad hebt gij aanspraak

op onze dankbaarheid verkregen. Om ons kind te redden, hebt gij uw

leven gewaagd!"

"Mijn leven!" mompelde de onbekende. "Wat is dat waard? Minder

dan niets!"

"Zijt gij gewond?"

"Wat doet dat er toe?"

"Wilt gij mij de hand reiken."

Toen Harbert de hand wilde vatten die hem gered had, kruiste de

onbekende zijn armen; zijn borst hijgde, zijn blik verduisterde en

hij scheen te willen vluchten; maar een krachtige poging op zich zelf

doende, zeide hij op norschen toon:

"Wie zijt gij? en wat beweert gij voor mij te zijn?"

Hij vroeg voor de eerste maal de geschiedenis der kolonisten. Mogelijk

zou hij zijn levensloop verhalen wanneer die geschiedenis verteld was.

Cyrus Smith deelde in weinige woorden alles mede wat er gebeurd was

sedert hun vertrek van Richmond, hoe zij zich gered hadden en welke

middelen nu tot hun dienst stonden.

De onbekende luisterde met onafgebroken aandacht.

Toen verhaalde de ingenieur wie Gideon Spilett, Harbert, Pencroff,

Nab en hij waren, en voegde er bij dat het hun gelukkigste oogenblik

gedurende hun verblijf op Lincoln was geweest toen zij van het eiland

Tabor terugkeerden en hoopten een metgezel meer te kunnen tellen.

Bij deze woorden boog de ongelukkige het hoofd; het bloed steeg naar

zijn wangen en zijn geheele persoon gaf de grootste verlegenheid

te kennen.

"En nu gij ons kent," voegde Cyrus Smith er bij, "wilt gij ons nu de

hand reiken?"

"Neen," antwoordde de onbekende op doffen toon, "neen! Gij zijt

eerlijke lieden! En ik!...."

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 10 / 37 题