Een geheim, dat moet ontraadseld worden.--De eerste woorden van
den onbekende.--Twaalf jaar op het eiland.--Bekentenissen.--De
verdwijning.--Vertrouwen van Cyrus Smith.--De molen.--Het
eerste brood.--Een opoffering.--De eerlijke handen.
Ja, de rampzalige had geschreid! Waarschijnlijk was er eene herinnering
in hem opgekomen en volgens de uitdrukking van Cyrus Smith was hij
weder mensch geworden door de tranen die hij gestort had.
De kolonisten lieten hem eenigen tijd op de bergvlakte en verwijderden
zich zelfs een weinig, opdat hij zich nog meer vrij zou gevoelen,
maar hij dacht er niet aan om van deze vrijheid misbruik te maken, en
Cyrus Smith besloot weldra hem weder naar het Rotshuis terug te voeren.
Twee dagen na dit voorval scheen de onbekende meer en meer aan het
gemeenschappelijke leven te willen deelnemen. Hij hoorde en begreep
blijkbaar, maar bleef er bij volharden om niet tot de kolonisten te
spreken, want eens, dat Pencroff 's avonds aan de deur van zijn kamer
luisterde, hoorde hij deze woorden over zijn lippen komen.
"Neen! hier! ik! nooit!"
De zeeman bracht deze woorden aan zijn metgezellen over.
"Daar schuilt eenig treurig geheim achter!" zeide Cyrus Smith.
De onbekende was gebruik gaan maken van de werktuigen en arbeidde
in den moestuin. Als hij met zijn arbeid ophield, hetgeen dikwijls
gebeurde, dan bleef hij in gedachten verzonken; maar op aanraden van
den ingenieur eerbiedigde men de afzondering waarin hij scheen te
willen blijven. Indien een van de kolonisten hem naderde, week hij
ter zijde en een zucht ontvlood aan zijn borst, alsof zijn gemoed
vol was. Was het berouw dat hem zoo deed handelen? Dit zou men bijna
gelooven, en Gideon Spilett maakte zeer terecht deze opmerking:
"Indien hij niet spreekt, is dit, geloof ik, omdat hij ernstige dingen
te zeggen heeft!"
Men moest geduld hebben en wachten.
Toen de onbekende eenige dagen later, 3 November, op de bergvlakte
werkte, liet hij plotseling zijn bijl op den grond vallen; Cyrus Smith,
die hem van ter zijde gade sloeg, zag ten tweeden male groote tranen
over zijn wangen biggelen. Een onwederstaanbaar medelijden voerde
hem tot den ongelukkige en, diens arm licht aanrakende, zeide hij:
"Vriend!"
De blik van den onbekende trachtte hem te ontwijken, en toen Cyrus
Smith zijn hand wilde vatten trad hij plotseling terug.
"Zie mij aan," zei Cyrus Smith op gebiedenden toon, "ik eisch het!"
De onbekende zag den ingenieur aan en scheen geheel onder diens
invloed, even als een gemagnetiseerde onder den invloed van zijn
magnetiseur. Maar toen had er eensklaps een geheele verandering in
zijn gelaat plaats. Zijn blik schoot vlammen. De woorden trachten zijn
lippen te ontsnappen. Hij kon zich niet langer inhouden!.... Eindelijk
kruiste hij zijn armen en zeide op doffen toon:
"Wie zijt gij?"
"Schipbreukelingen evenals gij," antwoordde de ingenieur diep
ontroerd. "Wij hebben u hierheen gevoerd, onder uw gelijken."
"Mijn gelijken!.... Ik heb er geen!"
"Gij zijt te midden van vrienden...."
"Vrienden!.... ik! vrienden!" riep de onbekende uit, het hoofd in zijn
beide handen verbergende.... "Neen.... nooit.... laat mij! laat mij!"
Met deze woorden ontvluchtte hij en bleef langen tijd onbeweeglijk
op de vlakte die uitzicht gaf op de zee.
Cyrus Smith was naar zijn metgezellen gegaan en vertelde hun hetgeen
voorgevallen was.
"Ja! er is een geheim in het leven van dien man," zeide Gideon Spilett,
"en het schijnt dat hij niet dan door de stem des berouws tot de
menschheid is teruggekeerd."
"Ik begrijp niet recht, welk soort van mensch wij hebben meegebracht,"
zeide de zeeman. "Hij heeft geheimen...."
"Die wij zullen eerbiedigen," antwoordde Cyrus Smith levendig. "Heeft
hij een misdaad begaan, dan heeft hij er wel voor geboet, en in onze
oogen is hij vergeven."
Twee uur lang bleef de onbekende alleen op het strand, zichtbaar onder
den invloed der herinneringen, die hem zijn geheele verleden voor
den geest riepen,--voorzeker een vreeselijk verleden--en zonder hem
uit het oog te verliezen, stoorden de kolonisten zijn afzondering niet.
Na twee uur scheen hij echter een besluit genomen te hebben en kwam
hij bij Cyrus Smith.
Zijn oogen waren rood door de tranen die hij had gestort, maar hij
weende niet meer. Zijn gelaat drukte de grootste onderwerping uit. Hij
scheen bevreesd, beschaamd, gedrukt en zijn blik bleef onafgebroken
op den grond gericht.
"Mijnheer," zeide hij tot Cyrus Smith, "zijt gij en uwe metgezellen
Engelschen?"
"Neen," antwoordde de ingenieur, "wij zijn Amerikanen."
"O!" zeide de onbekende, en hij mompelde:
"Dat is mij ook liever!"
"En gij, vriend?" vroeg de ingenieur.
"Engelschman," antwoordde hij snel.
En alsof deze woorden hem benauwd hadden, verwijderde hij zich en
liep vervolgens heen en weer onder de grootste gemoedsbeweging.
Toen hij in de nabijheid van Harbert kwam, stond hij stil en vroeg
hem met gesmoorde stem:
"Welke maand?"
"December," antwoordde Harbert.
"Welk jaar?"
"1866."
"Twaalf jaar! twaalf jaar!" riep hij uit.
Toen verliet hij hem plotseling.
Harbert vertelde aan zijn metgezellen wat de onbekende gevraagd had.
"Die ongelukkige wist dus niet in welk jaar en in welke maand wij
waren," merkte Gideon Spilett op.
"Ja," voegde Harbert er bij, "en hij bracht reeds twaalf jaar door
op het eiland, waar wij hem gevonden hebben!"
"Twaalf jaar!" herhaalde Cyrus Smith. "Twaalf jaar van afzondering,
misschien na een ellendig leven, kunnen het verstand van een mensch
wel verwoesten!"
"Ik zou bijna gelooven," zeide Pencroff, "dat deze man niet op het
eiland Tabor is gekomen door een schipbreuk, maar dat hij ten gevolge
van een misdaad, daarop is achtergelaten."
"Gij kunt gelijk hebben, Pencroff," antwoordde de reporter, "en indien
het waar is, dan is het niet onmogelijk dat zij, die hem op het eiland
hebben achtergelaten, hem eenmaal terug komen halen!"
"En zij zullen hem niet meer vinden!" merkte Harbert op.
"Maar," zeide Pencroff, "dan moeten wij terugkeeren en...."
"Vrienden," viel Cyrus Smith in, "laten wij dit punt niet behandelen
voor wij weten waaraan wij ons te houden hebben. Ik geloof dat deze
ongelukkige geleden heeft, dat hij voor zijn fouten geboet heeft, welke
deze ook wezen mogen, en dat hij groote behoefte heeft om zijn gemoed
lucht te geven. Laten wij hem niet dwingen zijn levensgeschiedenis
te verhalen! Hij zal ons die ongetwijfeld vertellen, en wanneer wij
alles weten, dan zullen wij zien wat ons te doen staat. Hij alleen
kan ons overigens zeggen of hij nog hoop, of hij zekerheid heeft om
eenmaal naar zijn vaderland terug te keeren, maar ik twijfel er aan!"
"En waarom?" vroeg de reporter.
"Omdat, ingeval hij zeker was van te eeniger tijd verlost te worden,
hij het uur zijner bevrijding zou hebben afgewacht en niet dat stuk in
zee zou hebben geworpen. Neen, het is eerder waarschijnlijk, dat hij
veroordeeld was om op het eiland te sterven en zijn gelijken nooit
weder te zien!"
"Maar," merkte de zeeman op, "er is nog iets dat ik niet begrijp."
"Wat dan?"
"Als het twaalf jaar geleden is dat deze man op het eiland Tabor is
achtergebleven, kan men toch veronderstellen dat hij reeds verscheiden
jaren in den verwilderden toestand verkeert, waarin wij hem hebben
gevonden!"
"Dat is waarschijnlijk," zeide Cyrus Smith.
"Dan zouden er bijgevolg ook verscheiden jaren verstreken zijn,
dat hij dit stuk geschreven heeft!"
"Zeker.... en toch scheen het kort geleden geschreven!...."
"Hoe wil men ook aannemen dat de flesch, waarin het stuk gesloten was,
verscheiden jaren noodig zou hebben gehad om van het eiland Tabor
naar het eiland Lincoln te komen."
"Dat is niet geheel onmogelijk," zeide de reporter. "Kon zij niet
reeds lang in de nabijheid van het eiland drijven?"
"Neen," zeide Pencroff, "want zij dreef nog. Men kan niet
veronderstellen, dat zij, na langen tijd op de kust te hebben gelegen,
weder door de zee is opgenomen, want de zuidkust bestaat geheel uit
rotsen en zij zou zonder twijfel daarop zijn verbrijzeld!"
Gedurende de volgende dagen sprak de onbekende geen woord en verliet
evenmin de bergvlakte. Hij werkte op het land, zonder een oogenblik
verloren te laten gaan, zonder eenige rust te nemen, maar altijd
buiten het gezicht van zijn redders. Bij het middagmaal kwam hij niet
in het Rotshuis terug, hoewel het hem dikwijls gevraagd was, en hij at
slechts rauwe groenten. 's Nachts ging hij niet naar de kamer, welke
voor hem bestemd was, maar bleef onder eenige boomen, of wanneer het
slecht weer was, schuilde hij onder uitstekende rotsen. Zoo leefde
hij voort als in den tijd, toen hij nog geen ander onderkomen had
dan de bosschen van het eiland Tabor, en daar alle pogingen om hem
zijn leven te doen veranderen vruchteloos waren geweest, besloten de
kolonisten geduldig te wachten. Maar eindelijk zou het oogenblik komen,
dat zijn geweten hem dwingen zou een vreeselijke bekentenis te doen.
In den avond van 10 November, toen de duisternis reeds begon te vallen,
vertoonde de onbekende zich plotseling bij de kolonisten, die onder
hun veranda zaten. Zijn oogen schitterden zonderling, en zijn geheele
uiterlijk was weder even verwilderd als in de eerste dagen.
Cyrus Smith en zijn metgezellen waren verbaasd, toen zij zagen dat
zijn tanden koortsachtig op elkander klapperden als onder den invloed
van een heftige aandoening. Wat deerde hem? Was het gezicht van zijn
gelijken hem ondraaglijk? Had hij genoeg van dit bestaan te midden
van eerlijke lieden? Had hij heimwee naar dien vroegeren toestand van
verdierlijking? Men moest het wel gelooven, toen men hem de volgende
onsamenhangende zinnen hoorde uitbrengen:
"Waarom ben ik hier?.... Met welk recht hebt gij mij van mijn eiland
gehaald?... Kan er een band tusschen u en mij bestaan?... Weet gij wie
ik ben.... wat ik gedaan heb.... waarom ik daar was.... alleen? En
wie zegt u dat men er mij niet heeft achtergelaten.... dat
ik niet veroordeeld was om daar te sterven?.... Kent gij mijn
verleden?.... weet gij zeker dat ik niet gestolen of gemoord
heb.... dat ik geen ellendeling ben.... geen vervloekte.... goed om als
een wild dier te leven.... verre van allen.... zeg!.... weet gij dat?"
De kolonisten luisterden zonder den onbekende te storen, aan wien deze
halve bekentenis als het ware onwillekeurig ontsnapte. Cyrus Smith
wilde hem toen gerust stellen en naderde hem, maar de ongelukkige
deinsde snel terug.
"Neen! neen!" riep hij uit. "Een enkel woord slechts.... Ben ik vrij?"
"Gij zijt vrij," antwoordde de ingenieur.
"Vaartwel dan!" riep hij uit en hij ontvluchtte als een razende.
Nab, Pencroff en Harbert snelden oogenblikkelijk naar den zoom van
het bosch.... maar zij kwamen alleen terug.
"Men moet hem laten begaan!" zeide Cyrus Smith.
"Hij zal nooit terugkomen!...." riep Pencroff uit.
"Hij zal terugkomen," antwoordde de ingenieur.
Er verliepen vele dagen; maar Cyrus Smith--was het een
voorgevoel?--bleef bij zijne meening, dat de ongelukkige vroeg of
laat terug zou komen.
"Het is de laatste maal dat deze ruwe natuur in opstand komt," zeide
hij, "hij heeft berouw gekregen; hij zou een tweede afzondering niet
kunnen doorstaan."
Alle werken werden intusschen voortgezet, zoowel op de bergvlakte
als in de kraal, waar Cyrus Smith een boerderij wilde aanleggen. De
zaden die Harbert van Tabor had medegebracht, werden gezaaid. De
bergvlakte was een groote moestuin, goed onderhouden en verzorgd en
die den kolonisten onophoudelijk werk gaf.
Den 15den November had de derde oogst plaats. De vrienden hadden nu
in overvloed koren, en de laatste helft van de maand werd besteed
om brood te maken. Men had wel koren maar nog geen meel en er moest
dus een molen vervaardigd worden. Den 1sten December was men er mede
gereed en men wachtte slechts een gunstigen wind af om te beginnen.
Eenige dagen later riep Harbert uit:
"Nu is de wind uitmuntend, hij is noordoost en komt ons goed van pas!"
Dien dag werden de eerste maten koren in den molen gebracht en den
volgenden morgen stond er bij het ontbijt een heerlijk brood op de
tafel van het Rotshuis.
De onbekende was intusschen nog niet teruggekomen. Gideon Spilett en
Harbert hadden reeds verscheiden malen het bosch in den omtrek van het
Rotshuis doorkruist, zonder hem te zien, zonder een spoor van hem te
ontdekken. Zij waren zeer ongerust over deze plotselinge verdwijning;
Cyrus Smith bleef echter volhouden dat de vluchteling zou terugkeeren.
"Ja! hij zal terugkeeren!" herhaalde hij met een vertrouwen dat
zijn metgezellen niet konden deelen. "Toen deze ongelukkige op het
eiland Tabor was, wist hij dat hij alleen was! Hier weet hij dat zijn
gelijken hem wachten! Hij heeft een gedeelte van zijn leven verraden;
die berouwvolle zondaar zal het overige komen mededeelen, en van dien
dag af zal hij tot de onzen behooren!"
De woorden van Cyrus Smith werden bewaarheid.
Harbert had op 3 December de bergvlakte verlaten en was op weg naar
het meer om te gaan visschen. Hij was ongewapend en had tot nog toe
geen reden gehad die voorzorg te nemen, omdat er geen gevaarlijke
dieren op dat gedeelte van het eiland verschenen.
Pencroff en Nab werkten bij het gevogelte, terwijl Cyrus Smith en de
reporter bezig waren in de schoorsteenen soda te bereiden, daar de
voorraad zeep uitgeput raakte.
Plotseling hoorde men roepen:
"Hulp! hulp!"
Cyrus Smith en de reporter waren te ver verwijderd om dit geroep te
vernemen. Pencroff en Nab snelden in allerijl naar het meer.
Maar vóór hen was de onbekende wiens aanwezigheid niemand bemerkt had,
over de beek gesprongen, die de bergvlakte van het bosch scheidde en
snelde van den anderen kant op Harbert toe.
Harbert stond tegenover een grooten jaguar, die veel overeenkomst had
met dien, welken zij kort geleden gedood hadden. Daar hij plotseling
overvallen was stond hij roerloos voor een boom, terwijl het beest
gedoken zat en gereed was hem aan te vallen... Maar de onbekende
wierp zich, zonder ander wapen dan zijn mes, op het geduchte roofdier,
dat zich toen tegen zijn nieuwen tegenstander keerde.
De strijd was kort. De onbekende, die meer dan menschelijke kracht en
behendigheid bezat, had den jaguar bij de keel gegrepen en zonder zich
te bekommeren om diens klauwen, die zijn vleesch verscheurden, woelde
hij met zijn mes in het hart van het dier. Toen hij het gedood had,
schopte hij het van zich weg en wilde ontvluchten op het oogenblik,
dat de kolonisten op de plaats van het onheil kwamen; maar Harbert
hield hem vast en riep uit:
"Neen! neen! ga niet weg!"
Cyrus Smith ging naar den onbekende, die zijn wenkbrauwen fronste
toen hij hem zag naderen. Het bloed liep langs zijn schouders onder
zijn gescheurde jas, maar hij lette daar niet op.
"Vriend," zeide Cyrus Smith, "door deze daad hebt gij aanspraak
op onze dankbaarheid verkregen. Om ons kind te redden, hebt gij uw
leven gewaagd!"
"Mijn leven!" mompelde de onbekende. "Wat is dat waard? Minder
dan niets!"
"Zijt gij gewond?"
"Wat doet dat er toe?"
"Wilt gij mij de hand reiken."
Toen Harbert de hand wilde vatten die hem gered had, kruiste de
onbekende zijn armen; zijn borst hijgde, zijn blik verduisterde en
hij scheen te willen vluchten; maar een krachtige poging op zich zelf
doende, zeide hij op norschen toon:
"Wie zijt gij? en wat beweert gij voor mij te zijn?"
Hij vroeg voor de eerste maal de geschiedenis der kolonisten. Mogelijk
zou hij zijn levensloop verhalen wanneer die geschiedenis verteld was.
Cyrus Smith deelde in weinige woorden alles mede wat er gebeurd was
sedert hun vertrek van Richmond, hoe zij zich gered hadden en welke
middelen nu tot hun dienst stonden.
De onbekende luisterde met onafgebroken aandacht.
Toen verhaalde de ingenieur wie Gideon Spilett, Harbert, Pencroff,
Nab en hij waren, en voegde er bij dat het hun gelukkigste oogenblik
gedurende hun verblijf op Lincoln was geweest toen zij van het eiland
Tabor terugkeerden en hoopten een metgezel meer te kunnen tellen.
Bij deze woorden boog de ongelukkige het hoofd; het bloed steeg naar
zijn wangen en zijn geheele persoon gaf de grootste verlegenheid
te kennen.
"En nu gij ons kent," voegde Cyrus Smith er bij, "wilt gij ons nu de
hand reiken?"
"Neen," antwoordde de onbekende op doffen toon, "neen! Gij zijt
eerlijke lieden! En ik!...."