„Dat weet ik niet; want oom wou me de reden niet zeggen: hij zou die

wel aan pa schrijven.”

„Nu, ’t zal pa als koud water op ’t lijf vallen,” zei Leonie. „Als je

je plicht gedaan hadt, zouden ze je niet ontslagen hebben. ’t Ziet er

mooi uit. Wat moet je nu beginnen?”

„Dat gaat jou in alle gevallen niet aan en daar behoef jij je niet

bezorgd over te maken,” zei Rudolf, wien de meesterachtige toon

hinderde van een meisje, dat in alle gevallen nog minder uitgevoerd had

dan hij.

Beiden liepen nu naast elkander voort, en spraken geen woord meer, tot

ze voor de deur stonden en Rudolf aanschelde.

„Een armoedig huis!” mompelde Leonie. „Ik mag lijden, dat Asschepoester

maar gauw beter is; dan ga ik er weer van door en trek naar Amsterdam.”

Trui deed de deur open.

„Dag, Trui! Hoe gaat het met mijn zuster?”

„Slecht geloof ik, jongeheer.”

„Waar is juffrouw Helène?” vroeg Leonie.

„Met uw permissie, juffrouw,” zei Trui. „Uw papa heeft gezegd, dat ik u

beiden in de huiskamer zou laten, omdat het niet goed is, zoo terstond

van de straat bij een zieke te gaan en ook, omdat hij u eerst spreken

wou.”

„Waar is pa?”

„Bij de juffrouw, op haar kamer.”

„Dan kan hij mij daar even goed spreken als in de huiskamer,” zei

Leonie trotsch. „Nu nog fraaier. Ik word hals over kop hier geroepen en

nu ik kom, laat men mij door de meid zeggen wat ik doen moet!”

Rudolf was bedaard de huiskamer binnen gegaan, terwijl Leonie met

groote beweging de trap opvloog. Dicht bij de kamer van Helène gekomen,

werd de deur eensklaps behoedzaam open en toegedaan en stond ze voor

haar vader.

„Naar beneden, Leonie. Naar de huiskamer. Heeft Trui ’t je niet

gezegd?”

„Ja, pa! Maar ik dacht....”

„Ik dacht, dat ik hier baas ben en niet jij,” antwoordde haar vader

streng.

Zonder een enkel woord te antwoorden, wierp Leonie het hoofd in den nek

en begaf zich naar de huiskamer. Weldra kwam meneer Nederhorst bij

haar.

„Met jou straks,” zei hij tot Rudolf, nadat hij zijn begroeting

beantwoord had.

„Leonie,” zei hij. „Helène is gevaarlijk ziek en God weet, of we haar

behouden zullen. Mocht dat het geval zijn, dan zal ze in lang geen

huiselijke bezigheden mogen doen. Ik heb je daarom hier geroepen, en

verlang, dat jij haar plaats bekleedt, totdat ze zelf weer in staat is,

haar post te aanvaarden.”

„Als u er maar aan denkt, dat ik geen kamers doe, geen kousen maas en

geen goed verstel. Voor ’t eerste kunt u een schoonmaakster, voor ’t

laatste een naaister nemen.”

„Dat zijn zaken, waarmee ik mij niet bemoei; ik weet niet, hoe Helène

daarin handelde. Alleen moet ik je zeggen, dat het geld, dat ik je voor

de huishouding geef, je zal noodzaken je tot het noodigste te

bekrimpen. Aangaande ’t een en ander zal Trui je wel op de hoogte

brengen.”

„Trui,” zei Leonie verachtelijk. „U zult toch niet willen, pa, dat ik

met de meid raadpleeg!”

„Helène deed het wel. Trouwens, onze Trui is geen gewone dienstbode—ze

is door ’t geen ze met ons ondervonden heeft, een lid der familie. En

dan nog iets, je hebt zeker je koffer meegebracht?”

„Ik denk, dat tante dien wel sturen zal.”

„Anders moet je er om schrijven. Want je zult met zoo’n elegante japon

een slecht figuur in huis- en ziekenkamer maken. Ga je nu op je

kamertje verkleeden en dan naar de ziekenkamer, om Trui te vervangen,

die gedurende mijn afwezigheid bij Helène opgepast heeft.”

In zich zelf brommend verliet Leonie de kamer en nu wendde meneer

Nederhorst zich tot Rudolf. We zullen u dat gesprek niet mededeelen, we

zouden in herhalingen vallen; zooveel is zeker, dat, waar meneer

Nederhorst in Leonie niets dan trots en zucht tot weerspannigheid

gevonden had, hij bij Rudolf niets vond dan diepen ootmoed en innig

berouw; en had hij het karakter zijner oudste dochter bezeten—zeker had

hij den verloren zoon in genade aangenomen. Doch eensdeels had hij ’t

zelfde weerbarstige karakter van Leonie, anderdeels had zijn vaderlijke

trots in den veelbelovenden zoon een zoo bittere nederlaag geleden, was

aan zijn uitzichten in de toekomst zoo wreed de bodem ingeslagen en

kwelde hem het zelfverwijt, dat hij door de schuld van Rudolf, zijn

onschuldige Helène verdacht had, hem zoozeer, dat zijn gemoed met

bitterheid ten aanzien van den knaap vervuld was.

„Ga uit mijn oogen; deugniet!” zei hij. „Ik trek mijn handen van je af.

Als Helène sterft, ben jij de oorzaak van haar dood; want het is,

volgens getuigenis van den dokter, niets anders dan overspanning der

zenuwen, waardoor ze zich de ziekte op den hals heeft gehaald. Door je

slecht gedrag heb je haar vermoord en je eigen toekomst voor altijd

bedorven!”

Rudolf verliet de kamer en ’t huis. Naar de ziekenkamer gaan kon hij

niet; want hij gevoelde de waarheid van zijns vaders harde woorden: hij

wist, wat Helène door ’t verlies van haar moeders erfenis geleden had.

De eenige plaats, waar hij rust kon vinden voor zijn geschokte ziel

was... ’t graf zijner moeder.

„Zij zou mij niet zoo wreed veroordeeld hebben, als ze nog geleefd had,

evenmin als Helène het deed, toen ik haar mijn schuld bekende. O, God!

als ook zij, mijn liefste zuster, sterven moet, dan—dan wenschte ik ook

maar op ’t kerkhof te rusten!”

Bitter schreiend zat hij daar aan ’t graf der geliefde moeder, toen

iemand hem op den schouder tikte, en met vriendelijke stem tot hem

zeide:

„Rudolf! Wat deert u?”

Rudolf keerde zich om en zag een deftig, oud heer voor zich staan.

„Je kent me zeker niet,” zei de oude heer. „Ik ben de beste vriend van

uw zuster Helène, die vroeger toen ’t haar nog niet verboden was,

dikwerf haar hart bij mij kwam uitstorten.”

„Dus dokter Faminga?” zei Rudolf.

„Juist, dokter Faminga, die van middag met dokter van Esch een consult

over uw zuster zal hebben. Ga met mij mee naar mijn woning en vertel

mij uw verdriet; misschien kan ik u raad en hulp verschaffen.”

Rudolf liet zich door den dokter mee naar diens villa voeren. Daar

vertelde hij hem de geheele waarheid; want de dokter had een

verwonderlijk overwicht op hem en ’t was alsof hij tot iemand sprak,

dien hij jaren lang gekend had. De dokter liet hem uitspreken; toen zei

hij:

„Je hebt me nu niets verzwegen, nietwaar?”

„Niets, dokter,” antwoordde Rudolf.

„En je hebt innig berouw over ’t gebeurde?”

„Ik vind mijzelf verachtelijk, dokter.”

„En wilt voortaan beter oppassen?”

„Dat beloof ik u, dokter!”

„Welnu, reken dan op mij. Ik zal je de gelegenheid openen, om de liefde

van je vader en ’t vertrouwen van je oom terug te krijgen.”

Met minder wanhoop in ’t hart en tamelijk bedaard keerde Rudolf naar

huis terug. Toen hij de ziekekamer bezocht, vond hij daar Leonie

zitten, bezig een roman te lezen. Van haar vernam hij, dat pa, die den

geheelen nacht gewaakt had, naar bed was gegaan en sliep.

„’t Is goed, dat je komt,” zei ze. „Want nu kun je me voor een paar

uren aflossen; dan kan ik eens zien, of alles beneden goed gaat, en

loop ik er tevens eens uit; want het is niet alles, om hier zoo bij een

ziekbed geplakt te zitten.”

Zoo verving haar Rudolf, wien ze de noodige inlichtingen gaf en wien op

dit oogenblik geen plaats meer overeenkomende met zijn stemming was dan

deze. Wat hij daar aan dat ziekbed vernam, heeft hij nimmer vergeten.

Met de grootste drukte begon Leonie haar bevelhebbersstaf te zwaaien en

Trui allerlei bevelen te geven. De oude meid was verstandig genoeg, om

haar niet tegen te spreken en lachte in haar vuistje over ’t weinigje

inzicht dat „de medam” in huishoudelijke zaken had; terwijl zij zich

voornam geheel haar eigen gang te gaan, zooals ze ’t vroeger bij

mevrouw en daarna bij Helène gewoon was.

Tegen den eten stond meneer Nederhorst, die zich gekleed te bed

geworpen en Trui bevolen had hem te wekken, op. Zijn eerste gang was

naar de ziekekamer. Hij was zeer verwonderd, daar Rudolf te vinden.

„Waar is Leonie?” vroeg hij.

„Beschikkingen in ’t huishouden gaan maken, pa,” antwoordde hij, „en

zich tevens eens gaan verluchten.”

„Is ze al lang weg?”

„Ik denk anderhalf uur.”

„En is er geen merkbare verandering met Helène?”

„Ze heeft meestal stil gelegen, nu en dan wat onverstaanbaars

gepreveld, en tusschenbeiden gewoeld.”

„Hoe laat heeft ze ’t laatst ingenomen?”

Rudolf zei ’t hem.

„Zeg aan Trui, dat ze mij wat eten boven brengt; ik zal van middag niet

beneden eten.”

Na den middag kwam dokter Faminga. Meneer Nederhorst ging hem tegemoet.

„Ik dank u, dat u komt,” zei hij, hem de hand drukkend.

„Uw schrijven heeft alles goed gemaakt. Ieder onzer is somtijds de

speelbal van zijn vooroordeelen. Waar is de zieke?”

Meneer Nederhorst bracht hem naar ’t bed. Dokter Faminga onderzocht

haar lang en nauwkeurig.

„Is ze aldoor zoo stil geweest?” vroeg hij.

„Den geheelen nacht vreeselijk woelig, vooral druk ijlend.

Tusschenbeiden zelfs rees ze in haar bed op en wilde er uit. Tegen den

morgen is zij rustiger geworden en zooals ze nu is, vond dokter van

Esch haar bij zijn eerste visite.”

Andermaal onderzocht de dokter de zieke.

„Wat denkt u van haar, dokter?”

„Zoolang er leven is, is er hoop,” was ’t ontwijkend antwoord.

Meneer Nederhorst begreep slechts al te goed het antwoord van den

dokter, dat bijna met een doodvonnis gelijk stond.

Kort daarop kwam dokter van Esch en hielden de heeren consult. Dokter

Faminga sloeg een middel voor.

„Maar dat eischt groote opmerkzaamheid,” zei dokter van Esch.

„Ik weet het, doch ik heb er dikwerf de meest verrassende resultaten

van gezien. Natuurlijk behoort een geneeskundige de werking van ’t

medicament gade te slaan en naar bevind van zaken te behandelen.”

„Juist daarom vind ik het zoo gevaarlijk. In handen van leeken toch,

zou een verkeerde applicatie doodelijk kunnen zijn.”

„Ik zelf zal het haar toedienen; ten minste als meneer Nederhorst mij

wil veroorloven, van nacht bij de zieke te waken.”

„Alsof er sprake van het tegendeel kon zijn, dokter!” zei meneer

Nederhorst. „Ik neem uw voorstel dankbaar aan.”

„Dan ga ik even naar huis, om de noodige schikkingen te maken, en zal

tevens wel ’t recept bij den apotheker aanreiken. Mocht de drank er

zijn, vóor ik terugkom—geef er haar nog niet van in.”

„Ik mag u toch van nacht wel gezelschap houden, dokter?” vroeg meneer

Nederhorst.

„Ik begrijp zeer goed, dat ge onmogelijk naar bed kunt gaan, terwijl de

toestand uwer dochter zoo kritiek is—ik moet u echter waarschuwen, dat

ge veel zult moeten lijden.”

„Liever er bij, dan op mijn bed en te weten, dat mijn kind in

doodsgevaar is,” zei meneer Nederhorst.

Een uur later kwam dokter Faminga terug.

„De koorts verheft zich weer,” zei hij. „Ik had het wel verwacht.”

Inderdaad verhief de koorts zich weer en wel veel erger dan den vorigen

avond. Tegen het middel in, dat de dokter haar toediende, werd zij

steeds onrustiger, ja, moest meermalen worden vastgehouden, anders was

ze ’t ledikant uitgesprongen. De arme vader bracht vreeselijke uren

door; terwijl de dokter rustig aan het ziekbed zat en de verschillende

verschijnselen oplettend gadesloeg. ’t Was vier uur in den morgen, toen

de hevigheid der stuiptrekkingen allengs afnam. Met gespannen aandacht

beschouwde de dokter zijn patiënt, van tijd tot tijd haar pols nemende

en met het horloge in de hand de slagen tellende. Zijn eerwaardig,

anders zoo kalm gelaat stond angstig; maar hij sprak geen woord en

bleef geregeld de medicijnen ingeven—nu eens in grooter, dan in kleiner

hoeveelheid. Een uur lang zat hij zoo in spanning; toen legde hij haar

hoofd goed, dekte haar toe, deed de bedgordijnen dicht, stond op,

loosde een zwaren zucht en zeide zacht:

„Ik feliciteer u, meneer Nederhorst. Zonder bijkomende omstandigheden

is uw kind behouden!”

De arme vader barstte in tranen los, greep met beide handen die van den

dokter, en zei:

„Dokter! U bent als God, die kwaad met goed vergeldt. Aan u heb ik

naast Hem het leven van mijn kind te danken.”

„Ga nu gerust naar bed; doch zorg, dat niet het minste gedruisch haar

doet ontwaken. ’t Zou haar noodlottig kunnen zijn. We zullen nu ook dat

venster sluiten; want van buiten mocht het een of ander tot haar oor

doordringen.”

„Ik blijf hier, dokter, en zal wel wat in mijn stoel slapen,” zei

meneer Nederhorst, nadat hij ’t venster gesloten had. „Roep mij,

wanneer ik in slaap mocht vallen, zoodra men in huis opstaat; dan zal

ik voor de noodige stilte zorgen.”

Van tijd tot tijd sloeg de dokter haar gerusten slaap gade en knikte

hij tevreden, als meneer Nederhorst hem vragend aanzag. Toen dokter van

Esch zijn morgenvisite kwam maken, stond hij verbaasd over de

verandering, die er in de ziekte had plaats gehad.

„Ik wensch u geluk, meneer Nederhorst,” zei hij. „Dit is een slaap ten

leven en niet tot den dood.”

’t Was eerst tegen twaalf ure, dat Helène ontwaakte. Toen sloeg ze haar

oogen op en zag dokter Faminga en haar vader aan haar bed staan. ’t

Scheen dat dit geluk te groot voor haar was; met een flauwen glimlach

sloot zij de oogen weer. Toen fluisterde zij: „Droom ik, of ben ik

wakker?”

„Je bent wakker, lieve,” zei meneer Nederhorst; terwijl hij een kus op

haar lippen drukte. „Dokter Faminga is eens naar je komen kijken.”

„Dat is lief van u, dokter,”, fluisterde zij en stak hem een harer

vermagerde handen toe.

„Stil, praat niet!” zei de dokter. „Neem even in en ga dan weer

slapen.”

Helène gehoorzaamde; ze was ook te zwak om tegen te streven.

„Thans ga ik u voor eenige uren verlaten,” zei dokter Faminga. „U

blijft zeker bij haar; wanneer ze weer wakker mocht worden geef haar

dan gerust een lepel van het drankje, doch niet binnen de twee uren. Ik

kom niet vóor van avond terug; want ik moet voor een noodwendige zaak

naar Amsterdam. Mocht ge soms een of ander, in uw oog minder goed

verschijnsel bespeuren, laat dan terstond dokter van Esch halen.

Overigens laat u haar slapen en wordt zij wakker, spreek zoo weinig

mogelijk met haar. Niemand mag bij haar worden toegelaten. Volstrekte

rust is thans haar geneesmiddel.”

’s Avonds kwam de dokter terug. Hij ging echter niet ter stond naar

boven; maar verzocht Trui den jongeheer Rudolf te roepen. Deze kwam.

„Rudolf,” zei de dokter. „Mijnheer Jansen wil u in zijn zaak nemen. Ik

had hem gisteren geschreven en heb hem heden opgezocht. Ge zult

voornamelijk voor de kantoorwerkzaamheden gebruikt worden. Ge zult weer

bij uw oude hospita verblijf houden; dat heb ik reeds in orde gemaakt.

Uw salaris zal echter vijf gulden per maand minder zijn dan aan de

Bank. Neemt ge ’t aan?”

„Of ik ’t aanneem, dokter?” riep Rudolf uit. „U redt mij van ’t

verderf. Ik dank u, en u zult geen oneer hebben van uw aanbeveling.”

„Dat hoop en verwacht ik. Morgen kan je al in functie treden.

Leegloopen deugt niet voor jongens.”

„Ik dank u, dokter!” zei Rudolf, terwijl hij de hand van den dokter

drukte. „U hebt voor mijn vader twee kinderen gered, Helène en mij.”

Toen de dokter boven kwam, vond hij Helène wakker en was zeer tevreden

over haar toestand. Hij fluisterde meneer Nederhorst wat in ’t oor en

deze verliet de kamer. Toen ging hij aan ’t bed zitten.

„Helène,” zei hij. „Ik heb een goede tijding voor u. ’t Horloge, dat je

moeder je op haar sterfbed gaf, is terecht gekomen.”

„Is het, dokter?” vroeg ze, en een glans van blijdschap vloog over haar

gelaat.

„Ja, en wel op een heel bijzondere wijs.”

„Is ’t hier, dokter?”

„Ja, je vader was de heer, die ’t voor de glazen zag hangen en ’t van

Mozes Zadok kocht.”

„O, dat is wonderlijk!” riep Helène uit. „Die tijding is heerlijk! Maar

zeg eens dokter! Hoe komt het, dat u hier bent? Pa....”

„Heeft mij zelf verzocht om hier te komen en je dikwijls te bezoeken.”

„O, hoe heerlijk! Wat is pa toch goed!”

Op dit oogenblik trad haar vader de kamer binnen. De dokter gaf hem een

wenk, en hij ging aan ’t bed zitten.

„Ma’s horloge is terecht, pa!” zei Helène.

„Ja, hier is het, lieve,” antwoordde hij terwijl hij het haar

overreikte.

Ze greep het met beide handen aan en kuste het.

„Mag ik ’t nu houden, pa?” vroeg ze.

„’t Is je rechtmatig eigendom,” antwoordde hij. „Maar je moet het

niemand meer te leen geven,” voegde hij er glimlachend bij.

„U weet dus...”

„Ik weet alles; ik weet dat mijn lieve Helène ’t evenbeeld harer zalige

moeder is, en dat ze nu moet zwijgen, anders zou het misschien te lang

duren, eer ik mijn lief huishoudstertje terug had.”

Met haar bleek, uitgeteerd, maar van vreugde stralend gelaat keek ze

haar vader aan, strekte toen de magere armen uit, sloeg ze hem om den

hals en kuste hem, wien de tranen van aandoening uit de oogen sprongen.

„Ik heb ’t wel altijd geweten, dat u een goede, lieve vader was,” zei

ze.

„Kom, nu rustig, Helène!” zei de dokter met gemaakte knorrigheid. „Je

weet ’t wel, dat de dokter er bij is.”

Glimlachend stak Helène hem de hand toe; toen nam ze haar horloge, ging

liggen en verheugde zich in het te bezien.

Dien nacht zond dokter Faminga zijn huishoudster om bij haar te waken,

en kon dus meneer Nederhorst de hem zoo noodige rust genieten. Den

volgenden dag mocht ze achtereenvolgens haar broeders en zusters zien;

Rudolf kwam bij haar vóór hij naar Amsterdam vertrok. Van dag tot dag

nam zij in beterschap toe, en geen genoeglijker uur smaakte zij, dan

wanneer haar goede dokter haar bezocht, die altijd de een of andere

versnapering meebracht, en Trui toefluisterde, dat zijn huishoudster

wel voor haar diner zou zorgen. Zoodra ze sterk genoeg was, om het te

vernemen, vertelde haar vader haar, hoe hij in dien nacht aan haar

ziekbed achter de waarheid van de historie met het horloge gekomen was.

„Die arme Rudolf, hij heeft er zoo onder geleden!” zei ze.

„Spreek je nog van armen Rudolf?” vroeg haar vader. „Hij heeft al zijn

vooruitzichten den bodem ingeslagen. Klerk bij een boekverkooper of,

met zijn vooruitzichten, geattacheerd aan een Bank!”

„U vergeeft het hem toch, pa!”

„Om jouwentwil, ja. Ik hoor goede berichten van hem. ’t Is voor hem een

bijzonder geluk, dat de goede dokter Faminga zich zijn lot heeft

aangetrokken.”

„Die edele man! O, ma hield zooveel van hem!”

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

IN DE HUISKAMER.

’t Was in Juli van datzelfde jaar, dat op het groote Badhuis te

Scheveningen twee personen logeerden, die algemeen de aandacht der

andere badgasten trokken. ’t Was niet zoozeer, omdat er zooveel

bijzonders aan hen was, of dat het zonderlinge van hun kleeding hen van

anderen zou hebben onderscheiden, integendeel die laatste was hoogst

eenvoudig. ’t Was een oud, deftig heer en de dame was een jong,

aanvallig maar bleek meisje van ruim zeventien jaren, in den rouw

gekleed. Wat echter de bijzondere aandacht der badgasten trok, was de

bezorgdheid van den ouden heer voor ’t meisje, dat zijn dochter niet

was; want ze noemde hem steeds „dokter”, en scheen dus zijn patiënt te

wezen. In ’t vreemdelingenboek stonden ze aangeteekend als dokter

Faminga en juffrouw Nederhorst, en wij weten dus terstond, dat we hier

oude kennissen vinden.

Na de geweldige crisis, waarvan wij getuigen waren, nam Helène wel

dagelijks in beterschap toe; maar een soort van kwijning, die niet veel

goeds voorspelde en in een zenuwtering dreigde te ontaarden, bracht en

meneer Nederhorst en dokter Faminga in de hoogste onrust. Ondanks alle

versterkende middelen bleef ze zwak, kwijnend, de maag was lusteloos en

haar gewone veerkracht scheen verlamd. Gelukkig, dat Leonie, op wie de

gevaarlijke toestand, waarin haar zuster verkeerd had, een weldadigen

invloed had geoefend en die daarenboven wel inzag, dat ze in de eerste

tijden niet weer naar Amsterdam terug kon keeren, zich min of meer in

haar lot geschikt had, en, ofschoon in de verte niet te vergelijken met

Helène, toch veel in haar voordeel veranderd was. Eén ding vooral

werkte daartoe mede: in ’t huis van haar oom was ze een afhankelijk

persoon; en we hoorden reeds hoe dit haar hinderde. Hier was ze thuis

en zelfs in den eersten tijd de hoofdpersoon. Toen nu Helène op de been

was, had deze wel weer de teugels van ’t huisbestuur op zich genomen;

maar haar voortdurende zwakte had haar belet, dit met haar vroegere

energie te doen en die tusschentijd was voor Leonie een wezenlijke

leerschool, waarin zij allerlei onderrichtingen en wenken kreeg, die ze

zich ten nutte kon maken. Meneer Nederhorst had het echter in zijn

beurs gevoeld, dat hij zijn zuinige huishoudster kwijt was; en geen

wonder—Helène had er zelf vrij wat bij ingebrokkeld en zich leeren

bekrimpen. Gelukkig echter waren er in den laatsten tijd eenige nog van

vroeger tijd uitstaande posten ingekomen, zoodat hij ’t iets beter met

zijn uitgaven stellen kon.

Doch om tot Helène zelf terug te keeren. Op zekeren dag was dokter

Faminga bij meneer Nederhorst gekomen.

„’t Gaat met Helène niet vooruit,” zei hij. „Ik had zoo gehoopt, dat de

lucht haar zou herstellen; en ik vrees voor haar, wanneer ’t najaar met

zijn gure buien in ’t land komt.”

„’t Is een treurig vooruitzicht, dokter,” antwoordde meneer Nederhorst.

„Maar wat is er aan te doen?”

„Luister, meneer, ik heb u een voorstel te doen. Ik heb voor mij zelf

groote behoefte aan verandering van lucht en wenschte een paar maanden

op Scheveningen door te brengen. Als ik alleen ga, verval ik weer tot

mijn vroegere somberheid en doet mij ’t verblijf op de badplaats meer

kwaad dan goed. Welnu, geef mij Helène voor dien tijd als gezelschap

mee, en ik ben bijna overtuigd, dat de zeelucht en de zeebaden haar

genezen zullen en dat ik u uw dochter geheel hersteld thuis breng.

Alleen zeebaden en de frissche zeelucht kunnen dat ondermijnde

zenuwgestel in zijn normalen toestand terug brengen; waartoe ook de

kalmte, welke er in ’t begin van ’t badseizoen te Scheveningen

heerscht, verbonden met de afwisseling, de levendigheid en een andere

omgeving het hunne zullen doen. Op die wijs hebben we niet de minste

verplichting aan elkander; uw dochter is mijn gezelschapsdame en ik ben

haar arts.”

De kiesche manier, waarop de dokter zijn aanbod inrichtte kon meneer

Nederhorst niet beleedigen, en met dankbaarheid nam hij ’t aan. Hoe

gelukkig Helène was, toen haar dit plan werd medegedeeld, behoef ik u

niet te zeggen. Ofschoon het tijd was, om uit den rouw te gaan, werd er

besloten, dat ze nog dezen zomer in ’t zwarte kleed zouden blijven, en

Leonie, die zoo royaal in haar kleeren zat, dwong haar zuster een paar

élegante japonnen van haar aan te nemen. „Als de rouw over is, heb ik

er toch niets meer aan,” zei ze. „En zooveel dankbaarheid mag je toch

den goeden dokter wel toonen, dat hij te Scheveningen met je voor den

dag kan komen!” Helène nam dit aanbod met dankbaarheid aan. „Later,

wanneer ik voor de pers werk,” dacht zij, „zal ik ’t Leonie wel

vergoeden.” Doch dat zei ze niet, en begon de japonnen voor zich van

pas te maken, ’t geen niet moeilijk was, daar Leonie, ofschoon twee

jaren jonger dan zij, in lengte weinig met haar verschilde; ook

vereenvoudigde zij ze wat, waartegen haar zuster veel protesteerde. En

zoo was alles tijdig gereed, was de groote reis aanvaard, en bevonden

ze zich nu reeds een maand op Scheveningen.

We vinden hen daar onder de veranda op het terras zitten ontbijten.

„En dus bent u toch werkelijk die meneer Radinus!” zei ze, „en heb ik

uw werk gecopiëerd, en hebt u met zooveel geduld mijn werk gecorrigeerd

en geredigeerd. Dat dit nooit in mij is opgekomen! Wie toch zou zich

voor een onbeteekenend meisje zooveel moeite geven, als die vreemde

meneer Radinus deed!”

„Ho wat, Helène!” antwoordde hij. „Wat ik voor jou gedaan heb, zou ik

voor ieder ontluikend talent doen.”

„Maar, lieve dokter! Hoe kon u talent in mij vermoeden (gesteld

namelijk, dat ik ’t heb); daar u nooit iets van mijn hand gelezen hadt

en ik ook nooit iets had vervaardigd.”

„Je fijngevoeligheid, de zuivere opvatting van de dingen om je, de

mannelijke moed, waarmee je je lijden droeg, deden mij vermoeden, dat

je opvatting meer dan een gewone zou zijn. ’t Was nu maar zaak, om je

te oefenen. Daartoe gaf ik je copiëerwerk. Mijn slecht schrift zou je

noodzaken, dat niet machinaal te doen; want je moest er op studeeren en

er goede, verstaanbare zinnen van vormen. En door ’t overnemen der

denkbeelden zou je zelf weldra tot het besef komen, dat er

scheppingskracht in je lag. Zoo niet—dan was er in alle geval éen doel

bereikt: je had de gelegenheid om afwisseling te hebben in je treurige

omstandigheden.”

„En de gelegenheid om op een fatsoenlijke manier geld te verdienen. Op

kiescher manier kon u me zeker geen ondersteuning hebben aangeboden.”

„Met je verlof, Helène, ’t was volstrekt geen ondersteuning. ’t Was

niets anders dan selfhelp.”

De erfenis eener moeder · 第 14 / 15 段