dat ik tegen pa’s uitdrukkelijken wil zondigde,” hervatte Helène
lachend.
Op dit oogenblik werden zij in hun gesprek gestoord door den bediende,
die hun op een presenteerblad twee brieven aanbood. De een was aan ’t
adres van den dokter, de andere aan dat van Helène. Daar ze ieder een
brief hadden, behoefden ze elkaar geen verlof te vragen om dien te
lezen, deden er dus ’t couvert af en begonnen hun lektuur.
„O, dokter!” riep Helène eensklaps uit; terwijl haar oogen van
blijdschap schitterden. „Goede tijding! Pa is benoemd tot Directeur der
Overzeesche Stoombootmaatschappij, met een prachtige jaarwedde! Nu is
alle zorg en verdriet over.”
„Hartelijk geluk!” zei de dokter. „Nu ga je natuurlijk weer in
Amsterdam wonen en laat mij, arme kluizenaar, te Weesp!”
Een wolk betrok het gelaat van Helène. In haar vreugd had zij die zaak
vergeten.
„Nu, laat dat maar geen schaduw op je vreugde werpen, lieve,” hernam de
dokter. „Mijn brief bevatte ook een goede tijding; maar even slecht
voor mij als de jouwe. Mijn goede vriend, dokter van Esch, heeft van
een tante zijner vrouw een groot kapitaal geërfd en ’t voornemen
opgevat, om tegen ’t najaar zijn praktijk te Weesp neer te leggen en
naar Amsterdam te verhuizen, waar hij meent beter in de opvoeding van
zijn kinderen te kunnen voorzien. Je ziet nu wel, dat ik ook naar de
hoofdstad zal moeten verhuizen, of ik wil of niet.”
„O, die lieve tante van dokter van Esch!” riep Helène uit. „’t Is
jammer dat ze dood is; anders schreef ik haar stellig een brief om haar
te bedanken.”
„Maar als ze nog leefde, kon van Esch zijn ton niet geërfd hebben, en
dan was hij stil in Weesp gebleven,” hernam de dokter lachende.
„U hebt gelijk, dokter,” antwoordde Helène. „Wat ben ik toch een dom
gansje! Ben ik niet?”
„Waren alle gansjes maar zoo dom als jij!” riep de dokter uit. „Er zou
vrij wat meer liefde en vrede op de wereld bestaan.”
Ik zou hier kunnen eindigen; maar mijn lezeressen en lezers willen
zeker gaarne nog iets van onze lieve vrienden hooren. En om daaraan te
voldoen, gaan we naar een huis op de Keizersgracht te Amsterdam, op
welks deur „Nederhorst” geschilderd staat.
We treden binnen en vinden daar in de tuinkamer met openslaande deuren,
een knappe jonge dame van twintig jaren zitten, met een aflevering van
het „Tijdschrift voor de jeugd” in de hand, waarin zij tegenwoordig een
der voornaamste medewerksters is en haar geestesprodukten ’t liefst van
alle gelezen worden. Een andere jonge dame, een paar jaren jonger dan
zij, speelt een simfonie van Beethoven op den prachtigen vleugel, die
in een der hoeken van ’t vertrek staat. Ge herkent de oudste, wier
toilet, hoe keurig ook, van een beminnelijken eenvoud getuigt, onze
Helène, die van de Scheveningsche badkuur genezen teruggekomen, daar in
den bloei der gezondheid voor u zit. Op uitdrukkelijke begeerte van
haar vader heeft ze ’t huisbestuur weder op zich genomen, om er nu ’t
zoet van te smaken, daar ze er vroeger ’t zure van had. Een gedeelte
van den dag kunt ge haar op haar net ingericht kamertje aan haar
schrijftafel zien zitten, waar ze zich met letterkundigen arbeid bezig
houdt. Want ook andere uitgevers hebben de reeds gevierde schrijfster
aangezocht, en, ofschoon ze veel afwijst, kan ze het toch alles niet
doen. Maar van nachtwerk is er geen sprake meer. Al wat ze schrijft,
wordt eerst aan de strenge kritiek van dokter Faminga onderworpen, die
niet ver van daar een prachtig bovenhuis bewoont, zijn vrijen tijd
tusschen de familiën van Esch en Nederhorst verdeelt en slechts over
één ding te klagen heeft: de moeite, die ’t hem kost om geen kwade
vrienden te raken met een der beide bevriende familiën, door de eene
boven de andere met zijn bezoeken te bevoorrechten. Ja, er waren zelfs
in den beginne door beiden pogingen in ’t werk gesteld, om hem geheel
als huisgenoot bij zich te krijgen; doch onze goede dokter is te veel
gesteld op zijn onafhankelijkheid. ’t Eenige echter, wat niemand hem
ooit ten kwade duidde, is zijn voorliefde voor Helène, met wie hij van
tijd tot tijd eens een uitstapje van eenige uren naar Weesp doet, om te
zien of de rozen op de twee graven wel goed in orde gehouden worden.
In de andere jonge dame, wier schoon gelaat straalt van vreugde en
genot, herkent ge terstond aan haar éléganter toilet, Leonie, niet meer
de trotsche, onverschillige van vroeger; maar een goede, hartelijke
meid, die een gedeelte van de huiselijke zorgen met Helène deelt en
inderdaad het zonnetje in huis mag genoemd worden door haar
vroolijkheid en dartelheid, die zulk een contrast opleveren met den
ernst en de bezadigdheid harer zuster, en juist geschikt zijn, om die
te temperen en te verlevendigen. ’t Eenige wat men haar misschien ten
laste zou kunnen leggen, is, dat ze even als de rest braaf meedoet, om
Helène te bederven, die gelukkig een te vast karakter heeft om bedorven
te worden: want ze is de afgod van allen in huis en niet het minst van
papa, die ’t maar niet schijnt te kunnen vergeten, hoe hij eens de
parel, omdat ze geen glans van zich gaf, versmaad heeft; en van Rudolf,
die niet vergeten kan, haar eens van het dierbaarste, dat zij bezat,
het erfstuk harer moeder, beroofd te hebben en wat ze door zijn schuld
geleden heeft.
Zie, daar komt hij juist de kamer binnen, de klerk van den
boekverkooper—neen, de beambte aan de Bank, waarvan oom Walburg
directeur is. Door Helène op de hoogte gebracht ten aanzien van de
zaken, heeft hij ingezien, dat Rudolf meer dwaas dan slecht gehandeld
heeft, dat de omstandigheden veel tot hetgeen hij deed, hebben
bijgedragen en—toen de jongeling een jaar lang bij meneer Jansen
voorbeeldig had opgepast, heeft hij hem weer op de Bank genomen en hem
dezelfde uitzichten als vroeger geopend.
„Is de dokter er nog niet?” vraagt hij.
„Welzeker, die is met Dora en Alfred in den tuin. Zeker zit hij met hen
in ’t prieeltje waar hij hun wat vertelt. Want als de kinderen thuis
zijn, vergeet hij mij,” antwoordde Helène, met voorgewende knorrigheid.
„Maar waarom vraag je zoo naar den dokter? Je hebt hem zeker een goede
tijding mee te deelen.”
„Juist, en hem komt het toe, die ’t eerst uit mijn mond te hooren.”
„Dan zullen we ’t alle vijf te gelijk hooren!” klinkt een stem uit den
tuin, en daar staat hij met den twaalfjarigen Alfred en de elfjarige
Dora aan de hand, vóor de geopende tuindeur.
„Dokter! Ik ben alweer verhoogd!” roept Rudolf hem toe. „Ik ben blij,
dat ik u zie; want u moest de eerste zijn, aan wien ik ’t meedeelde.”
„Geluk, mijn jongen!” zegt de dokter; terwijl hij hem hartelijk de hand
drukt. „Ga maar zoo voort; dan wordt je de vreugde van allen, die je
liefhebben.”
Waarom de dokter die tijding ’t eerst vernemen moest? ’t Was later
uitgekomen, dat hij den heer Jansen een groot deel vergoedde van ’t
geen Rudolf bij hem verdiende; want een boekhandelaar zou een
nieuweling zulk een inkomen niet geven. Ook dat hij door zijn invloed
oom Walburg had overgehaald, den jongeling na den proeftijd weder op de
Bank te nemen. Vond de man ’t ook niet plezierig, dat zijn geheime
goede daden zoo aan ’t licht kwamen, en zou men hem beleedigd hebben
als men er over gesproken had—hij vond het toch wel heel aardig, dat
hij zoo bemind en geacht werd; ja, dat zelfs de oude Trui, die nu een
echte keukenprinses was en een tweede meid onder zich had, het aan geen
harer beide onderhoorigen toeliet, haar goeden dokter open te doen en
dan altijd een praatje met hem hield.
Toen meneer Nederhorst, die niet meer dezelfde man was van vroeger, en
wel tien jaar jonger scheen geworden te zijn, thuis kwam, deelde Rudolf
hem de goede tijding mede. En ’t gelaat van den vader schitterde van
vreugde. En toen men ’s avonds gezellig bijeen zat en over verledene
dagen sprak, nam Helène haar horloge.
„Zonder dat horloge,” zei ze, „zou Rudolf nooit zijn geworden wat hij
nu is, een jongeling die door een vroegeren misslag geleerd heeft op
zich zelf te passen, en tegen alle afdwalingen te waken; inderdaad het
was wel de zegen, die er rustte op:
„DE ERFENIS EENER MOEDER.”