lezen en Helène zelf luisterde met aandacht naar haar eigen verhaal,
dat met een lieve, duidelijke en buigzame stem werd voorgedragen en
waarin zij schoonheden vond, welke zij zelf niet wist dat er zich in
bevonden. Het verhaaltje scheen haar vader ook te bevallen, tenminste
hij luisterde met alle oplettendheid. Betrekkelijk gevoelde ze zich
gelukkig; als daar achter maar niet die rampzalige tijding van dezen
morgen geweest was. In deze oogenblikken echter vergat ze al wat haar
de ziel bezwaarde en genoot de liefde, die haar bewezen werd. En toen
de thee afgeloopen en haar vader naar zijn kamer teruggekeerd was, toen
ook Dora en Alfred naar bed waren, toen daalde de engel der
vertroosting op haar neder in een balsemenden slaap en vertoonden bont
gevleugelde droomen haar een uitkomst zoo schoon, als zij slechts kon
wenschen. Wel verstoorde ’t ontwaken in den morgen die van goudstof
geweven beelden; maar de glimlach op haar lippen toonde, dat ziel en
lichaam ten minste eenige uren rust en verkwikking gesmaakt hadden.
Haar hoofdpijn was beter; maar ze gevoelde toch een zwaarte in de leden
en een zekere matheid, die haar anders niet eigen was. Overtuigd, dat
dit nog de overblijfselen van den schrik van gisteren waren, stond zij
op, hielp de kinderen, zette het ontbijt gereed en wachtte haar vader
op, die met belangstelling naar haar gezondheid vroeg en wien ze
geruststelde met de verzekering, dat zij weer beter was.
Ruim veertien dagen gingen op die wijs om en Helène gevoelde zich hoe
langer hoe matter. Doch in ’t midden harer bezigheden vergat ze haar
vermoeidheid en alleen de weinige opgewektheid, waarmede zij at, zou
anderen het vermoeden doen koesteren, dat ze niet goed was. Zelfs de
altijd zoo attente Trui scheen ’t niet op te merken; zij zag het dan
ook niet hoe het anders zoo werkzame meisje tusschenbeiden, als niemand
het zag, met de handen over elkander ging zitten, met het hoofd
achterover tegen den muur geleund, als iemand die zich doodzwak
gevoelt.
’t Was dan op zekeren dag, dat Trui des morgens aan de kamer van meneer
Nederhorst klopte.
„Binnen!” zei hij. „Wat is er, Trui?” vervolgde hij, „dat je zoo
bedrukt kijkt?”
„Meneer, ik geloof niet dat juffrouw Helène goed is. Ze is wel
opgestaan, maar weer in elkander gezakt. ’t Was gelukkig, dat ik boven
kwam, om eens naar haar te zien; want ze lag bewusteloos op den grond.
Toen heb ik haar weer te bed gebracht.”
Meneer Nederhorst sprong terstond op en snelde naar Helène’s kamer,
gevolgd door Trui. Ze vonden haar bij haar bewustzijn, maar met bleek
gelaat, witte lippen en holle in hun kassen gezonken oogen, waarmede ze
haar vader aanzag.
„Je bent ziek, niet waar Helène?”
„Ik ben ziek,” antwoordde zij met matte stem. „Ik heb ’t al eenige
dagen gevoeld.”
„En waarom het dan niet gezegd, kind?”
„Ik wilde u niet ongerust maken en dacht, dat het wel over zou gaan.”
„Trui, loop naar den dokter en vraag, of hij terstond komt.”
„Laat Trui eerst uw ontbijt klaar zetten, pa, en de kinderen helpen,
anders komen zij te laat op school.”
„Dat is goed, dan loop ik zelf naar den dokter; dat is ook misschien
beter.”
„Ze heeft zich al maanden lang overwerkt,” bromde Trui terwijl ze
achter haar meester de kamer verliet. „’t Was te zwaar voor zulke
jeugdige schouders als de hare.”
Ofschoon ze deze woorden slechts in zich zelf gebromd had, waren ze
door meneer Nederhorst gehoord. Ze vielen hem als lood op de ziel.
Reeds sedert lang was er een onbestemd gevoel bij hem wakker geworden,
dat Helène te veel deed, meer dan haar krachten haar veroorloofden; dat
gevoel was versterkt, toen ze dien dag vroeg naar bed gegaan was, door
verschillende beslommeringen echter was ’t weer in zijn geest
verdrongen. Thans kwam ’t met verdubbelde zwaarte voor hem op.
Hij spoedde zich naar dokter van Esch, dien hij nog thuis vond en die
terstond met hem mee ging.
„We kunnen er nog niets van zeggen,” was zijn oordeel. „’t Kan een
ziekte in haar begin zijn; ’t kan echter ook slechts gevatte kou en
overspanning van zenuwen wezen. Uw dochter is geducht zenuwachtig en
hoe meer stilte ze heeft, hoe beter ’t is. Doch er moet iemand bij haar
zijn, opdat ze niet aan haar eigen gedachten overgelaten wordt. Als u
uw jongere dochter eens uit Amsterdam liet overkomen.”
„Ik vrees,” zei meneer Nederhorst op eenigszins ontstemden toon, „dat
Leonie een zeer slechte ziekenoppaster is. Maar wie is daartoe nader
dan ik? Voorloopig laat ik mijn boeken naar de ziekekamer brengen; dan
heeft ze den geheelen dag gezelschap. Mocht het erger worden——dan
zullen we nader zien. Er behoeft toch niet gewaakt te worden?”
„Als de meid haar nachtleger op den grond opsloeg, zou ’t niet kwaad
zijn. De spanning harer zenuwen is zóó groot, dat het beter is, haar
ook ’s nachts niet alleen te laten.”
„U ziet er toch geen gevaar in, dokter!”
„Oogenblikkelijk niet het minste. Ik kan er nog niets van zeggen, en we
moeten den loop der ziekte afwachten. Ik kom echter van avond nog eens
terug.”
Dit gesprek had in meneers kamer plaats, en stelde den vader in
zooverre gerust, dat er geen oogenblikkelijk gevaar bij was. Toen de
dokter vertrokken was, riep hij Trui, deelde haar mede, dat de dokter
hoopte op een voorbijgaande ongesteldheid en vroeg haar, of ze zich
berekend gevoelde voor korten tijd de zorg voor ’t huishouden en de
kinderen op zich te nemen? Ze stemde terstond toe:
„Als de juffrouw maar beter wordt, zou ik dag en nacht willen werken,”
antwoordde ze trouwhartig. „’t Zal wel veel moeite kosten, haar te
vervangen; maar meneer zal wel geduld met mij hebben en de kinderen
zijn door haar zoo aan orde en regel gewend, dat die met een stroohalm
te regeeren zijn. En als meneer over dag bij de juffrouw blijft, is dat
al veel uitgewonnen. Als ze uit de school komt, kan Dora meneer wel
eens aflossen; ’t is een lief, hartelijk kind en ze houdt zielsveel van
haar tweede mamaatje.”
Den volgenden dag reeds schudde de dokter ’t hoofd.
„Het wordt een ernstige ziekte, meneer, en ik zou u raden, om uw tweede
dochter te schrijven; want er moet bepaald bij haar gewaakt worden.”
„Zoudt u een consult noodig oordeelen, dokter?” vroeg meneer
Nederhorst. „Dan zal ik Dr. Manders uit Amsterdam telegrafeeren.”
„Vooreerst niet, meneer,” antwoordde de dokter. „Intusschen kom ik van
avond terug.”
„Naar Leonie schrijven?” zei meneer Nederhorst. „Ik vrees, dat ze meer
drukte zal maken dan dat ze tot hulp is. Ik zal nog tot van avond
wachten. Dezen nacht waak ik—dan kan Trui eens goed uitslapen.”
Toen dokter van Esch ’s avonds kwam, vond hij de zieke buiten
bewustzijn en schreef meneer Nederhorst om Leonie. Dien geheelen nacht
ijlde Helène sterk, meestal was ’t een onverstaanbaar gemompel. Van
tijd tot tijd echter hield ze geheele redeneeringen, waarop haar vader
soms door een enkel woord opmerkzaam werd gemaakt. Zoo was ’t onder
anderen eens:
„Geef mij ’t horloge van ma, Rudolf. Hier is geld, geld dat ik zelf
verdiend heb. Waarom heb je ’t ook laten begraven? Wat lag het daar in
de kist en zonk in de zwarte aarde. De dokter zorgt voor versche rozen,
dokter Faminga, mijn beste vriend. Neen dokter, ik mag u niet spreken;
Mozes Zadok wil het niet hebben. Waar is nu al ’t geld, dat ik zelf
verdiend had? Mozes Zadok heeft den dokter verkocht, dien ik aan Rudolf
geleend had. Ik had je de bloemen niet moeten geven, Rudolf. Had ik ’t
pa maar gezegd, dat het Mozes Zadok was, die in de kist lag; maar ik
had dokter Faminga te lief, hij hield zooveel van ma. Als ik Mozes
Zadok maar spreken mocht, zou hij me den dokter wel bezorgen. Hij heeft
den dokter voor zijn glazen opgehangen, en nu zijn de bloemen weg. Pa
weet niet, dat ik den dokter aan Rudolf geleend had. Nu zal ik den
dokter nooit meer opwinden; want Mozes Zadok heeft hem verkocht voor
zestig gulden. Neen, pa! ik kan ’t u niet zeggen, waar ’t horloge van
ma is. Maar ik heb het begraven in ’t graf van ma, diep onder de rozen,
die Mozes Zadok er op heeft laten planten, omdat hij zooveel van ma en
mij hield. Dokter! Pa heeft het horloge in de kast gehangen en toen
heeft Mozes Zadok het van hem gekocht voor ’t geld, dat ik verdiend
had. O, dokter! ik heb u zoo lief, omdat u mij zoo lief hebt, en omdat
u zooveel van ma hield, dat u haar graf met horloges hebt beplant, die
’t heele jaar doorbloeien. Rudolf! Rudolf! Geef mij de roos terug, die
je geplukt hebt.”
Met oplettendheid had meneer Nederhorst in ’t stille, nachtelijke uur
naar deze vreemde, onsamenhangende taal geluisterd, die hem eensdeels
in zijn vermoeden versterkte, dat die dokter Faminga in betrekking
stond tot het verdwijnen van ’t horloge, anderdeels van Rudolf sprak
als hebbende ’t horloge van haar geleend.
„Ik begrijp er niets van,” zei hij; terwijl hij met de hand onder ’t
hoofd zat te peinzen. „En toch moet ik licht in die zaak hebben.
Misschien heeft ze briefwisseling met dien dokter gehouden en zal ik
daar licht in vinden.”
Dit zeggende stond hij op en sloot Helène’s kastje open. In een der
laden vond hij werkelijk brieven, alsook haar huishoudboekje. Een en
ander nam hij met zich naar de tafel, om ze op zijn gemak te
doorsnuffelen. De brieven lagen naar rangorde van de ontvangst. De
eerste, welke hij opende, was van een zekeren meneer A. D. Radinus. Hij
luidde:
„Mejuffrouw,
„Hiernevens het honorarium voor ’t overschrijven van de laatste
copie. Ik heb er op ’t oogenblik geen nieuwe gereed en geloof ook
wel, dat deze de laatste is, die ik u zenden zal. Een dame, die
zelf met zooveel talent schrijft, kan zich niet met copiëeren
bezighouden. Ik verwacht spoedig een nieuw verhaaltje voor ons
Tijdschrift van u; ik hoor algemeen dat uw eersteling met veel
ingenomenheid begroet en met genoegen gelezen wordt.
Uw. Dw. Dienaar
A. D. Radinus.”
„Hoe! Geld verdiend met copiëeren en zelf schrijven. Zou dat stukje,
dat Alfred voorlas, van haar zijn! O, Helène! wie had gedacht, dat
jij... Ik moet toch zien, wat zij met dat geld gedaan heeft. Misschien
brengt mij dat op de hoogte.”
Hij nam, alvorens verder te gaan met de correspondentie, haar
huishoudboekje. ’t Eerst viel hem de ontvangst in de oogen. Daar las
hij, onder ’t artikel „van pa ontvangen,” hier en daar: „voor
copiëeren,” ook eenmaal: „van oom gekregen voor mijn toilet,” en
eindelijk „honorarium voor mijn stukje in het Tijdschrift voor de
jeugd.” Nu sloeg hij de uitgaven op. Daar vond hij, behalve de gewone
huishoudelijke uitgaven, ook kleeding voor de kinderen; maar een post,
die hem groote oogen deed opzetten: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 10;” en
later: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 20.”
„Dus had Rudolf haar geld geleend,” zei hij. „Maar waarvan kan hij ’t
gedaan hebben? En waartoe heeft zij dan ’t horloge voor zestig gulden
verpand. Van dien post vind ik niets. Ook vind ik niet, dat ze die
geleende dertig gulden geboekt heeft. Nu wordt de zaak mij hoe langer
hoe raadselachtiger! Wacht! Misschien heeft die zoogenaamde dokter geld
van haar geleend en heeft ze ’t maar niet geboekt, omdat het mij soms
onder de oogen mocht komen. Dertig en zestig is negentig en misschien
nog tien gulden uit haar spaarpot; dat is honderd gulden. Ja, zoo is
het! Ik moet morgen dien schurk van een dokter eens opzoeken. Ik had
het wel gedacht, dat die indringerij haar doel had. Schande! Gebruik te
maken van de onnoozelheid van een zestienjarig meisje! Maar ’t zal je
slecht bekomen, meneer de dokter!”
Meenende, nu genoeg ingelicht te zijn ten aanzien van deze zaak, en
voornemens, die gerechtelijk te vervolgen, wilde meneer Nederhorst de
verdere brieven wegsluiten, toen zijn oog op den nu bovenop liggenden
brief viel en hij de hand van Rudolf herkende.
„Wacht, deze werpt misschien nog meer licht over de zaak.” Hij vouwde
hem open en las:
„Lieve Helène. Ik ben wanhopend! Hoe gaarne ik het voor je zou
willen verzwijgen—ik mag je niet langer misleiden en kan het ook
niet; het hooge woord moet er uit: ma’s horloge is weg. Die schelm
van een Mozes Zadok heeft het aan een ander verkocht, die zei dat
het zijn eigendom was en wien hij er zestig gulden voor afgenomen
heeft. Ik vernam dat toevallig van zijn bediende. Begrijp eens,
zoo’n woekeraar! Dertig gulden ontving ik van hem te leen om mijn
schulden te betalen. Later hield hij mij vijftien gulden voor
interest af, en nu heeft hij er nog zestig gulden voor gemaakt. Als
ik niet bang was, om in de zaak te roeren, dan gaf ik het aan de
politie aan. Maar de kerel zou mij aanklagen als de dief van ’t
horloge, en wie zou, nu ’t weg is, bewijzen, dat ik het niet ben.
„Ik heb lang geaarzeld, om je deze verpletterende tijding mee te
deelen! O, had je je maar taai gehouden en mij ’t horloge nooit
geleend. Had pa mij maar geld gezonden, of oom mij slechts
vijf-en-twintig gulden geleend, dan was ik er nooit toe gekomen, om
de erfenis van ma, ’t eenige wat ze je geschonken had, te
verpanden! O, Helène! Ik gevoel me zoo slecht! Ik ben zoo kapot.
Werken kan ik niet. Alles staat mij tegen! Had je ’t maar met
Kersttijd aan pa bekend, dat ik ’t horloge van je geleend en ’t bij
een woekeraar verpand had, dan had hij ’t wel gelost. Maar neen, je
moest mij sparen, mij, die jou zoo slecht behandeld had, en pa voor
’t verdriet, om te weten hoe laag en gemeen zijn lieve Rudolf was.
O, had je het dokter Faminga maar gezegd, die zoo rijk is en
zooveel van je houdt, die had ’t wel voor je gelost, en je hadt hem
naderhand het geld van mijn bespaarde penningen kunnen teruggeven!
Maar je durfde niet naar dokter Faminga gaan, omdat pa je verboden
had, ooit weer dien braven man te spreken! O, was je maar voor
ditmaal ongehoorzaam geweest—de man, die zooveel achting en liefde
voor de nagedachtenis van ma heeft, dat hij de bloemen op haar graf
onderhoudt, zou niet geduld hebben, dat ma’s horloge langer in de
handen van dien woekeraar bleef!
„Maar wie had dien Mozes Zadok ook voor zoo slecht gehouden! Wie
had niet gedacht, dat de schurk zich tevreden zou hebben gesteld
met vijftig percent interest voor drie maanden!—’t Ergst van alles
is, dat je er nu pa niets van zeggen kunt en de verdenking op jou
blijft rusten. Zeg ’t hem maar—ik durf ’t hem niet bekennen; ik
schaam mij te veel voor mijn slechte handelwijs. Jij alleen, lieve
Helène, jij, jij alleen hebt mij de daad reeds vergeven en zult de
gevolgen, die geheel buiten zijn schuld zijn zeker niet toerekenen
aan
je berouwhebbenden broeder
Rudolf.”
Meneer Nederhorst liet den brief uit de handen vallen en zat als
versteend voor zich te staren. Wat straks Helène in haar waanzin
dooreen gemengd had, was hem duidelijk, en hoe weinig hij ook gestemd
tot lachen was, kon hij toch een glimlach niet onderdrukken over de
verdenking, die hij tegen dokter Faminga gekoesterd had. Wat was dat
dan toch voor een zonderling man? Een man, die zijn dochter eens een
geschenk had gegeven, een man, die ’t graf zijner Marie van bloemen
voorzag, een man, bij wien Helène troost en hulp wilde zoeken—hij zou
er morgen dokter van Esch eens naar vragen; die zou hem waarschijnlijk
wel kennen. Doch spoedig vestigden zijn gedachten zich op het hoofdpunt
van den brief, en doorzag hij al ’t groote van Helène’s edelmoedigheid.
Nog echter begreep hij de zaak niet in haar geheel, en meende hij, dat
Helène ’t horloge aan Rudolf had geleend om het te verpanden en
daarvoor zijn schulden te betalen; in welk geval ze toch eenigermate
aan de eer van de nagedachtenis harer moeder had tekort gedaan.
Nogmaals las hij den brief over; doch op dit punt kon hij maar geen
licht krijgen.
Intusschen bleef Helène woelen en ijlen en telkens kwamen ’t horloge en
dokter Faminga in de hitte harer koortsverbeelding voor. En steeds
waren de bloemen op ’t graf harer moeder daarmee verbonden.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN BRAAF MAN IN ZIJN EER HERSTELD.
Den volgenden dag kwam dokter van Esch reeds vroegtijdig. Hij vernam,
hoe de zieke ’t dien nacht had gemaakt, voelde haar de pols, zat
eenigen tijd te peinzen en zei toen:
„De ziekte neemt zulk een ernstigen keer, dat ik gaarne een consult zou
hebben.”
„Als u ’t noodig oordeelt, dan vind ik ’t goed. Doch wees zoo goed, mij
éen vraag te beantwoorden. Kent ge hier ook een zekeren dokter
Faminga?”
„Wel zeker ken ik dien. Hij is mijn huisvriend. We hebben samen te
Leiden gestudeerd. Maar mijn lot is gelukkiger geweest dan ’t zijne.
Hij had een allerliefste vrouw en een dochter. De laatste ontviel hem
op ongeveer den leeftijd, dien uw oudste dochter thans heeft. Ze was
zestien jaren en zeer ontwikkeld; ze was de grootste vreugde, de trots,
de eenige liefde van vader en moeder. Door een hevigen roodvonk bezweek
ze in weinige dagen. Mevrouw Faminga, een vrouw van zwakke constitutie,
trok zich ’t verlies van haar eenig kind zoo aan, dat ze aan ’t kwijnen
raakte en weldra haar dochter volgde. Een tijdlang lag ook mijn vriend
op den rand van ’t graf, en vreesden we, toen hij beter werd, dat hij
zijn verder leven in een doffe krankzinnigheid zou doorbrengen. Toen
wist ik hem over te halen, tot herstel zijner gezondheid eenige maanden
bij mij te logeeren en bemerkte ik, hoe niet alleen zijn krachten
opleefden, maar ook zijn geestvermogens hun vroegere veerkracht
terugkregen. Daar hij rijk genoeg was, ried ik hem aan, de praktijk
neer te leggen en zich hier te vestigen. Kortom, hij verkocht zijn
huis, liet de overblijfselen van vrouw en kind herwaarts voeren en
begraven, kocht een stuk grond niet ver van ’t kerkhof en liet daar een
allerliefste villa bouwen. Alle dagen wandelt hij naar de graven zijner
lieven, die zoolang ’t seizoen het toelaat, met bloeiende heesters
bezet zijn, en leeft heel eenvoudig met zijn oude dienstbode, die hij
tot huishoudster bevorderd heeft, en éen meid. Zijn leven brengt hij
door met wèl te doen en, onder den naam van Radinus, voor de jeugd te
schrijven. Al wat hij daarmee verdient, is voor arme en noodlijdende
huisgezinnen, die hij zelf bezoekt. Praktijk oefent hij niet meer uit;
alleen wanneer ik het bij epidemieën te druk heb, dan neemt hij mijn
armenpraktijk over en ik heb wel eens gehoord, dat de behoeftigen hem
liever hebben dan mij.... natuurlijk; mijn middelen en de zorg voor ’t
onderhoud van mijn huisgezin veroorloven mij niet, om mijn patiënten
soep of gebraden kippetjes, soms ook kleeren en dekens te zenden. Ook
staat hij mij dikwijls in consult bij; want hij is zeer knap en heeft
veel ondervinding. Laat het u dus niet verwonderen meneer, dat ik
trotsch ben op mijn huisvriend, aan wien mijn kinderen met den ganschen
rijkdom hunner liefde hangen en die bij ons dan ook oom Albert genoemd
wordt.”
„En zulk een man heb ik zoo grof beleedigd en voor ’t hoofd gestooten!”
zei meneer Nederhorst halfluid. „Dokter!” vervolgde hij luide tot den
geneesheer. „Zeg mij, zou dokter Faminga dat consult over mijn dochter
wel met u willen houden, of zou hij, gedachtig aan vroeger misverstand
van mijn zijde, daartoe niet kunnen besluiten?”
„Ik begrijp u, meneer; want ik weet zeer goed, wat er tusschen u en
mijn vriend is voorgevallen. Ik weet, dat hij aangetrokken door de
gelijkenis van uw dochter met de zijne, haar heeft aangesproken en zoo
in kennis gekomen is met uw overleden echtgenoot, in wie hij zoo geheel
’t karakter zijner gestorven vrouw herkende. ’t Heeft hem innig leed
gedaan, driemaal op zulk een on...”
„Zeg maar onbeschofte wijs, dokter, dat is ’t rechte woord.”
„Onaardige wijs door u te zijn teruggestooten; maar hij heeft het u
vergeven, begrijpende, dat het ongeluk den mensch wrevelig maakt.”
„’t Is waar, dokter! Ik was van rijk arm geworden en verbeeldde mij nu,
dat de man, door ijdele nieuwsgierigheid gedreven, zich bij mij in
wilde dringen; of dat hij, arm zijnde, meende voordeel van een vreemde
familie te trekken. Met niemand omgaande, heeft ook niemand mij beter
kunnen inlichten, en vrouw en dochter, die ’t wilden doen, waren in
mijn oog te blind bevooroordeeld. Doch ik heb evenzeer hem onrecht
gedaan als mijn dochter.”
„Hij zal van middag met mij tot consult komen,” verzekerde de dokter.
„Neen, dokter. Ik kan wel iemand beleedigen en krenken; maar dit niet
zwijgend voorbij laten gaan. Ik zal hem zelf schrijven—die
genoegdoening ben ik hem en mijzelf schuldig. Er is niets vernederends
in, den beleedigde vergiffenis te vragen en hem de hand der verzoening
aan te bieden;—’t is wel vernederend voor den beleediger, wanneer de
beleedigde dat zelf eerst komt doen. Die vernedering wenschte ik
mijzelf te besparen.”
Zoodra de dokter weg was, begaf meneer Nederhorst zich naar de
ziekekamer terug en schreef een brief aan dokter Faminga, zeggende aan
Trui, die juist met een brief, door den besteller gebracht, binnenkwam,
dat ze maar iemand moest opschommelen om dien terstond te bezorgen.
Meneer Nederhorst deed den ontvangen brief open; hij droeg ’t postmerk
Amsterdam, en was van zijn zwager. Hij verbleekte, toen hij dien las.
„Moet dan alles op eens komen!” zei hij. „Goede God! houden de slagen
dan nooit op!”
De brief was kort en luidde:
„Waarde zwager. Met mijn plannen ten aanzien van Rudolf is ’t uit.
Niet alleen is hij onoplettend bij zijn werk en schijnt dit,
ondanks herhaalde waarschuwingen, niet te kunnen of te willen
verbeteren; maar wat meer is, op vijftienjarigen leeftijd heeft hij
een daad gepleegd, die men nog van geen doorslepen, twintigjarigen
jongeling zou verwachten: hij was het, die ’t horloge zijner moeder
van Helène leende, om er bij zijn kameraads mee te pronken en het
toen, om zijn schulden te betalen, bij den zwendelaar Mozes Zadok
verpandde. Wie als kostschooljongen reeds zoo bedorven is—wat zal
die als volwassen mensch zijn. ’t Spijt mij om zijnentwil zoowel
als om den uwen, en ik hoop, dat de stap waartoe ik overga, geen de
minste verandering zal brengen in de vriendschappelijke en
broederlijke gezindheid, die er bestaat tusschen u en uw steeds
toegenegen zwager
„Walburg.”
„PS. Rudolf komt heden reeds terug.”
„Ik kan hem geen ongelijk geven en in zijn geval zou ik eveneens
gehandeld hebben,” zei meneer Nederhorst. „O, God! had ik ooit in de
verste verte vermoed, dat mijn zoon zoo slecht was! Marie! Je bent voor
veel verdriet gespaard! Als je nog leefde, zou dit je den dood hebben
aangedaan! En daar ligt zij neder, die onschuldig, al de schuld van
haar broer op zich nam. Zeer waarschijnlijk zijn de angst en de schrik
over dat horloge de voorname oorzaken van haar ziekte!”
Trui kwam boven, om hem hier voor eenigen tijd af te lossen.
„Speld de gordijnen goed toe en laat dan de deur en het raam tegen
elkander openstaan,” zei meneer Nederhorst. „De dokter heeft vooral op
frissche lucht aangedrongen.”
„Dan zal ik meteen den boel wat opredderen,” zei Trui.
„Dat is goed, Trui. Leg mijn boeken dan maar op een hoop op die tafel.
En wat ik zeggen wil, zorg dat er slaapplaatsen gereed zijn voor den
jongeheer Rudolf en de jongejuffrouw Leonie. Die komen beiden hier.”
„Maar dat zal de drukte nog vermeerderen, meneer,” zeide Trui.
„Mijn dochter komt in alle gevallen om je te helpen, en mijn zoon kan
ons voor een gedeelte in de oppassing bij de zieke vervangen.”
„’t Zal wat helpen, die opgeprikte medam,” bromde Trui in zichzelf;
toen haar heer de kamer verlaten had. „Maar ze kan lang wachten, eer ik
haar bedien en als ze niet uitvoert wat ze moet, dan loopt voor mijn
part de boel maar in de war. En wat nu Rudolf hier komt doen, begrijp
ik waarlijk niet. Ik had hem maar stilletjes in Amsterdam gelaten.
Kwaad is hij anders niet—dat moet ik zeggen. Maar wat doet hij hier?”
Na eenigen tijd kwam meneer Nederhorst terug.
„Ga nu maar aan je werk, Trui. Ik blijf hier. Als mijn zoon of mijn
dochter komen, laat ze volstrekt niet boven; maar in de huiskamer. Ze
mogen zoo direct van straat niet bij de zieke komen; daarenboven moet
ik hen eerst spreken. Richt alles dus zoo in, dat je mij kunt
vervangen.”
Rudolf en Leonie kwamen toevallig met denzelfden trein, ofschoon ze
elkander niet ontmoetten, dan op het perron te Weesp, daar ze in
verschillende klassen hadden gezeten. Ze waren nu verwonderd, elkander
te zien en deelden elkaar de reden hunner komst mede. Die van Rudolf
interesseerde Leonie al heel weinig; die van haar hem des te meer.
„Is Helène erg?” vroeg hij.
„Vast wel; anders zou pa niet om mij geschreven hebben.”
„Hij zal jou haar taak willen opdragen, zoolang zij ziek is.”
„Daar zou ik hem voor bedanken. Omdat Helène zoo mal is geweest, om
voor meid te spelen, behoef ik het daarom niet te doen. Je ziet nu, wat
er ’t gevolg van is. Ik heb haar verleden jaar wel gewaarschuwd, dat ze
’t niet zou kunnen uithouden; maar ’t hielp wat: ze ging toch haar
gang. Nu, van mij zullen ze geen nood hebben, dat ik mij overwerken
zal. Pa zou ’t ook niet willen hebben, al wilde ik het. En waarom ben
jij ontslagen?”