zag er heel deftig uit en sprak op zoo’n fatsoenlijken toon.”
„Zeg eens, zou je ook kans zien, zijn adres op te diepen?”
„Om weer zulk een slag te krijgen, als Mozes mij gisteren gaf. Ik
bedank u, jongeheer!”
„Maar ik zal ’t Mozes niet vertellen, dat jij ’t me gezegd hebt.”
„Alsof hij ’t niet begrijpen zal, wie ’t hem gedaan heeft.”
„Maar ik wil niet hebben, dat je ’t voor niet doet. Zie, hier is een
gulden; die is voor jou, als je me het adres opgeeft. Bij elke
belangrijke tijding aangaande de zaak krijg je weer een gulden, en als
ik ’t horloge terug heb, drie.”
De oogen van den armen Daniel schitterden, toen Rudolf hem den gulden
liet zien.
„Ik zal zien, dat ik het te weten kom, jongeheer,” hernam hij. „Maar
daar zullen wel een paar dagen over heengaan.”
„Laat ons het dan bepalen op aanstaanden Vrijdag,” zei Rudolf.
„Dat is goed,” antwoordde Daniel. „Dan hoop ik ’t u te kunnen zeggen.”
„Hoe laat ga je ’s morgens naar den patroon?”
„Om negen uur moet ik bij hem zijn.”
„Wacht mij dan Vrijdagmorgen om negen uur op ’t Oude Kerksplein; daar
is het op dien tijd stiller dan hier.”
Mistroostig kwam Rudolf thuis. Hij had er nog mee gewacht, om de zaak
aan Helène te schrijven: want hij begreep maar al te goed, hoe ze bij
’t ontvangen van ’t bericht zou zijn. Doch thans kon hij niet langer
wachten. Hij schreef haar dus de zaak in ’t uitgebreide; ook wat hij
reeds gedaan had en voornemens was te doen en troostte haar met de
valsche hoop, waarmee hij ook zich zelf in slaap poogde te wiegen, dat
het horloge nog wel terecht zou komen; want dat degeen die het van
Mozes had meegenomen een fatsoenlijk heer was, en dat de zaak dus op
een bloote vergissing berustte.
Vrijdags wachtte hij Daniel op ’t Oude Kerksplein.
„Wel, heb je ’t adres?” vroeg hij.
„Toen de oude uit was, ben ik aan ’t snuffelen in zijn boek gegaan;
maar ik kon uit dat gekrabbel niet wijs worden.”
„Zoodat je niets weet?”
„Ik heb gezien, dat hij op dien dag zaken gedaan heeft met deze drie
personen.” antwoordde Daniel. „Ik heb ze voor u op een papiertje
geschreven. Hier zijn ze.”
Rudolf las: Muller, Jansen en Bekker.
„Nu, dat zijn namen, die men in Amsterdam bij de vleet kan vinden,” zei
hij mistroostig. „En stond er geen beroep bij?”
„Jawel, maar dat kon ik niet lezen. Alleen bij Jansen geloof ik, dat
boekhandelaar stond, maar ’t kan ook boekhouder, of boekdrukker zijn
geweest. De patroon schrijft zoo slecht, dat ik niet begrijp, hoe hij
er uit wijs wordt.”
„Maar een boekhandelaar zal toch niet bij Mozes Zadok komen?”
„Ook niet om een horloge, dat hem ontstolen is, terug te krijgen?”
„Je hebt gelijk,” antwoordde Rudolf, die nog steeds vasthield aan het
denkbeeld van vergissing. „Daar is meer gelijk dan eigen, en ’t kon
heel goed zijn, dat het juist zulk een heer was. Hier is je gulden.
Alle morgens kun je me hier vinden; dus als je wat te vertellen hebt en
’t is belangrijk genoeg—dan verdien je een gulden.”
Rudolf trok zijn stoute schoenen aan en ging een bezoek bij den heer
Jansen maken. Hij werd er vriendelijk ontvangen. ’t Kostte hem wel veel
moeite, om te bekennen, dat hij ’t horloge zijner zuster verpand had,
om geld te krijgen en hoe hij op raad van een zijner makkers bij den
woekeraar Mozes Zadok te land gekomen was. De heer Jansen hoorde hem
vriendelijk aan, beklaagde hem, betuigde, dat hij de persoon niet was,
wien een horloge ontstolen was, en ried hem aan, om er maar geen werk
van te maken; daar even goed Zadoks boek als de mededeelingen van
Daniel wel valsche namen konden bevatten.
’t Was wel ongelukkig voor onzen Rudolf, dat de zaak zoo in ’t begin
van zijn kantoorloopbaan kwam. Door ’t wachten op Daniel kwam hij nu en
dan te laat, hetgeen hem telkens een berisping van den chef op den hals
haalde. En zoo vervuld was zijn ziel met de zaak van ’t horloge, dat
hij niet bij zijn werk was en de grofste fouten maakte. Toen zijn chef
bemerkte, dat zijn herhaalde vermaningen niet hielpen, klaagde hij er
meneer Walburg over en deze ontbood Rudolf op de directiekamer.
„Ik hoor allerlei klachten over je, Rudolf,” zei meneer Walburg.
„Dat spijt mij, oom!” antwoordde Rudolf.
„Je komt soms te laat en maakt fouten in je werk, hetgeen in den
beginne ’t geval niet was. Hoe komt dat?”
„Omdat dat altijd turen op cijfers een mensch in de war brengt,”
antwoordde Rudolf.
„Men moet daarmee beginnen; daar zal een tijd komen, dat je ander werk
krijgt. Doe dus je best om goed te doen, wat je thans is opgelegd, en
vergeet niet, dat je, wanneer je niet beter oppast, van ’t kantoor zult
worden weggejaagd, waarmee je je zelf en mij schande zult aandoen. Denk
er aan, dat ik de eenige directeur niet ben; en al was ik het—menschen,
die hun plicht niet doen, kan ik niet gebruiken.”
Beschaamd keerde Rudolf naar ’t kantoor terug. Hij gevoelde dat zijn
oom volkomen gelijk had, en was die ongelukkige historie met dat
horloge er niet tusschen in gekomen—hij zou zeker met den meesten ijver
zijn taak vervuld hebben. Maar ’t scheen, dat het hem nu onmogelijk
was, zich bij zijn arbeid te bepalen en ofschoon hij voortaan zorgde op
zijn tijd te komen, daar hij Daniel maar weer ’s avonds besteld
had—zijn werk was dikwerf van dien aard, dat hij ’t overschrijven
moest. Toen nu Daniel hem weken lang niets kon meedeelen, gaf hij hem
nog een gulden voor zijn moeite en zei hem, dat hij maar niet moest
terugkomen.
Een ander denkbeeld was hem in den zin gekomen. Hij zou een advertentie
plaatsen. Te dien einde begaf hij zich naar den boekverkooper Jansen,
om dezen raad te vragen en hem te verzoeken, de advertentie te stellen
en te laten plaatsen.
„Indien je er van overtuigd bent, mijn jonge vriend, dat het slechts
een vergissing is van dengeen, die ’t horloge opgeëischt heeft en niet
de een of ander schurkenstreek,” zei de boekverkooper, „dan is het
goed; anders gooit ge uw geld in ’t water.”
„Vooreerst schijnt het een fatsoenlijk man te zijn geweest,” zei
Rudolf; „maar ten tweede, wat meer zegt, heeft die man zoo overtuigend
gesproken, dat de sluwe Mozes Zadok, die anders van zessen klaar is,
hem ’t horloge voor zestig gulden zoogenaamd voorschot gegeven heeft;
ofschoon het door zijn diamanten zeker de dubbele waarde had.”
„Wij kunnen ’t probeeren, ofschoon ik er niet veel heil van verwacht,”
zei de boekverkooper, en stelde nu de volgende advertentie:
„Gouden Dameshorloge met dito ketting vermist.
„De persoon, die Donderdag den... Januari j.l. in den winkel van M. Z.
alhier, een gouden dameshorloge met diamanten bezet en van gouden
ketting voorzien, tegen zestig gulden heeft gelost, wordt verzocht,
zich aan te melden onder Lett. A. N. bij den Boekhandelaar J. G. Jansen
alhier.”
Tevreden over de poging, en daarvan alles verwachtend, betaalde Rudolf
den boekverkooper de onkosten der advertentie.
„Kom nu over drie dagen maar eens hooren, of er een antwoord is,” zei
de boekverkooper.
„Zoo laat?” vroeg Rudolf.
„Vroeger kan er geen antwoord zijn, tenzij de menschen de krant ’s
avonds te voren krijgen. Eerst morgen avond komt het in de krant. En
zulk een haast tot antwoorden heeft men in dergelijke gevallen niet.”
Rudolf begreep, dat de boekhandelaar gelijk had en ging tamelijk gerust
naar huis. Den volgenden dag was hij wel iets geduriger op ’t kantoor,
maar gaf toch weer blijken van afgetrokkenheid.
Den avond daarop zag Rudolf met hijgend verlangen uit naar ’t
Handelsblad, dat in de directiekamer gebracht en beurtelings door een
der jongste bedienden gehaald werd, die ’t aan zijn chef ter hand
stelde. Deze keek het even in en liet het dan aan een der andere chefs
brengen, tot het de ronde gedaan had, om in de directiekamer terug te
keeren.
’t Was of ’t van avond niet kwam. Eindelijk daar bracht de jongste
klerk van een andere afdeeling het. Wat keek Rudolf er schuin naar;
terwijl de chef het doorlas. ’t Was alsof hij ’t eens zoolang las als
anders. Eindelijk klonk het:
„Nederhorst!”
„Tot uw dienst, meneer!”
„Breng ’t Handelsblad maar hier naast.”
Nauwelijks was Rudolf het vertrek uit en had hij de deur gesloten, of
hij vouwde ’t blad open. Lang behoefde hij niet te zoeken: want daar
stond zijn advertentie met een hoofd van zulke groote letters, dat ze
ieder in ’t oog moesten vallen—zoo ten minste dacht Rudolf, wien ze,
omdat hij haar zocht, terstond voor de oogen stond. Nu die advertentie
er in stond was de zaak gezond en ’t horloge zoo goed als terecht. Daar
was geen twijfelen aan. Terstond vouwde hij de krant toe, bracht haar
naar ’t vertrek, waar zij wezen moest en keerde met een vergenoegd hart
naar ’t zijne terug.
Weinig dacht onze knaap, dat juist die advertentie van welke hij
zooveel verwachting had, hem ten val zou zijn. Gaan we daarom een half
uur vroeger naar de directiekamer, waar we den heer Walburg en nog een
anderen directeur vinden zitten. Daar de laatste nog aan den arbeid is,
heeft de eerste de krant opgenomen en den inhoud doorgekeken.
Niet gewoon advertentiën te lezen, wil hij ’t blad juist aan zijn
mededirecteur overgeven, toen zijn oog toevallig op het met groote
letters gedrukt „Gouden dameshorloge met dito ketting vermist,” valt.
Hij leest de advertentie.
„Ha, daar brengt de rat zich zelf in den val!” zegt hij. „Nu zullen we
zien, wie ’t horloge verpand heeft: Rudolf of zijn zuster, die ’t dan
door middel van een ander heeft laten doen. We zullen de zaak echter
slim en bedaard overleggen en de vesting bij verrassing innemen.”
Terstond beval hij, een vigelante te laten voorkomen en liet zich naar
den boekhandelaar Jansen brengen.
„Meneer thuis?” vraagt hij aan den in den winkel staanden bediende.
„Om u te dienen. Meneer is op ’t kantoor.”
„Geen belet?”
„Voor u niet. Mag ik u maar verzoeken, binnen te gaan.”
Voor u niet! geen wonder. Door meneer Walburgs invloed had meneer
Jansen al jaren een aardige rekening voor leverantie van druk en
bindwerk aan de Bank. Zoodra dus meneer Walburg op ’t kantoor trad,
vloog de man op, en bood hem met veel buigingen een stoel aan.
„Meneer Jansen,” begon deze. „Naar ik zie hebt u de advertentie voor
den klerk van ons bureau, den heer Nederhorst, geplaatst.”
„Die van dat horloge, meent u,” antwoordde de boekverkooper.
„Juist, van dat gouden horloge. Dat is een rare zaak. Ik heb er zoo
iets van gehoord, maar dacht, dat het een sprookje was. Zou dan toch
werkelijk die meneer Nederhorst dat horloge beleend en een ander het
bij den pandhouder als zijn eigendom weggehaald hebben? Ik heb er
natuurlijk niet naar willen vernemen, daar wij ons niet met de
bijzondere zaken onzer klerken bemoeien; maar men hoort soms zoowat
daarvan, en deze historie vond ik al bijzonder vreemd.”
„Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden mededeelen,”
antwoordde de boekverkooper, weinig vermoedende dat meneer Walburg de
oom van Rudolf was, hetgeen hij wel zou geweten hebben, indien Rudolf
hem niet verteld had, dat zijn familie te Weesp woonde, zonder te
zeggen, dat ze vroeger op de Keizersgracht gewoond had. „Toevallig kan
ik u de zaak in zijn bijzonderheden verhalen; want meneer Nederhorst
kwam voor eenigen tijd bij mij, om te vragen of ik de persoon was, die
’t horloge gemeend had voor mijn eigendom te herkennen en toen diende
hij mij toch eenigszins met de historie bekend te maken, een zaak
waarin hij ingeloopen is als een jonge muis in den val.”
En meneer Jansen verhaalde aan meneer Walburg de zaak, zooals Rudolf
hem die naar waarheid en met de meeste verschooning voor zich zelf
medegedeeld had. De directeur der Bank scheen met de meeste
onverschilligheid naar ’t verhaal van den boekverkooper te luisteren;
daarop zei hij:
„Met al die dwaasheid zou ik ’t werkelijke doel van mijn komst
vergeten. Er zal eerstdaags een inschrijving van drukwerk aan de Bank
plaats moeten hebben, en nu wenschte ik, dat u dit bestek eens inzag,
en mij daarop morgen ochtend vóor negenen uw aanmerkingen maakte.”
„En is meneer daarom expres bij mij gekomen!” riep de boekverkooper
uit. „Meneer had mij immers op ieder uur van den dag bij zich kunnen
laten ontbieden.”
„Ik moest toch bij u voorbij en had die advertentie gelezen. Zulke
beuzelingen gaan ons zoo licht door ’t hoofd, en daarom dacht ik: nu
moet ik het ijzer smeden, terwijl het heet is. Maar nog iets: Ik ben
bij u ingeteekend op het „Tijdschrift voor de jeugd.” Mijn beide
jongste dochtertjes lezen dat graag en mijn vrouw ziet het ook wel eens
in. Ge schijnt daar een goede medewerkster te hebben gekregen, een die
onder den pseudoniem van Helène schrijft. Mijn vrouw roemde haar
bijzonder, en daar de vrouwen zeer nieuwsgierig zijn, had ze mij
opgedragen, wanneer ik u bij toeval eens sprak, te vragen, wie die
Helène is?”
„’t Spijt mij, dat ik u hierop geen antwoord kan geven,” antwoordde
meneer Jansen, „’t schijnt een favorietje van den redacteur te zijn,
en, naar ’t mij voorkomt, moet ze nog jong zijn ook. Bij gelegenheid
echter zal ik ’t meneer Radinus wel eens vragen en dan zal ik ’t
mevrouw melden.”
„Nu ja, van zooveel belang is ’t niet, en ’t zal nog te bezien staan,
of dat jeugdige talent zoo voortgaat. Vogeltjes die zoo vroeg zingen
zijn wel eens voor de poes. Adieu! meneer Jansen!”
Met veel buigingen en strijkages begeleidde de boekverkooper meneer den
directeur tot op den stoep en deed het portier der vigilante open.
„Naar de club!” zei meneer Walburg, stapte in en reed wel te vreden
naar zijn sociëteit.
„Ik had dan toch niet mis gezien,” zei hij met die vergenoegdheid,
welke zich van ons meester maakt, wanneer we vinden, dat we eens
buitengemeen scherpzinnig geweest zijn. Later echter was zijn
alleenspraak minder opgewekt, toen hij zei: „’t Spijt me toch van mijn
plannen, ofschoon de knaap mij tegengevallen is; en nog meer van dien
armen Nederhorst. Maar ik moet door een zuren appel heen bijten: beter
ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ha, daar zijn we aan de
club!”
Weinig dacht Rudolf, die dezen nacht zulke heerlijke droomen had,
waarbij ’t horloge de hoofdrol speelde, dat zijn lot onherroepelijk
beslist was.
Opgeruimder dan sedert eenige dagen begaf Rudolf zich naar de Bank en
ging hij aan den arbeid. Hij was er echter nog niet lang, of hij werd
op de directiekamer geroepen. Daar gekomen, vond hij er zijn oom geheel
alleen, wiens gelaat niet veel goeds voorspelde.
„Rudolf,” zei hij, „het doet me leed, je te moeten zeggen, dat je me
bent tegengevallen. Ik heb, helaas! tot mijn leedwezen bemerkt, dat ik
me in je heb bedrogen. Ik had goede plannen met je; ik moet er echter
bijtijds van afzien. ’t Spijt mij voor je—meer echter voor je braven
vader, die al zijn hoop voor de toekomst op je gevestigd had. Op heden
ben je uit je betrekking aan de Bank ontslagen. Hier is een cheque op
den kassier, waarbij je ’t bedrag van de volle maand wordt uitbetaald.
Pak terstond je goed, betaal je schulden en vertrek naar Weesp.”
„Maar oom!” zei Rudolf. „Waarom zulk een plotseling ontslag! Wat zijn
de redenen?”
„Die zal ik je vader in een uitvoerigen brief bloot leggen en dan zal
hij ze je wel meedeelen. Wellicht zal ’t je dan een les voor je leven
zijn en zal je het later beter leeren waardeeren, wanneer men zich je
lot aantrekt.”
„Oom!” zei Rudolf smeekend. „Kunt u ’t dan niet nog voor ditmaal eens
inzien; zeg me, wat me ontbreekt, en ik zal het trachten te
verbeteren.”
„Mijn besluit is onherroepelijk en ik verlang niet in bijzonderheden te
treden. Doe wat ik je zeg. Vaarwel! God geve, dat je je verbetert.”
Diep terneergeslagen en niet begrijpende, waaraan hij dit plotseling
ontslag te danken had, nam Rudolf de cheque aan en ging met tranen in
de oogen de directiekamer uit. Daarop wisselde hij de cheque bij den
kassier in geld, betaalde zijn kamerhuur de maand uit, liet zijn goed
op ’t spoor bezorgen, en vertrok zelf met een bezwaard hart en angst
voor den toorn zijns vaders naar Weesp.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
PAPA KOMT VREEMDE DINGEN TE WETEN.
’t Wordt tijd, dat we ook naar Weesp terugkeeren, maar een paar weken
vroeger en wel op den tijd, dat Rudolfs brief aan Helène aldaar
aankwam.
’t Is moeilijk de ontsteltenis te beschrijven, welke die brief haar
veroorzaakte. Ze was juist op haar kamer, bezig haar bed op te maken,
toen Trui hem haar boven bracht. Met smachtend verlangen had ze de
komst van dien brief te gemoet gezien en met zenuwachtige haast
scheurde ze er ’t couvert af. Nauwelijks echter had ze de eerste regels
gelezen, waarin Rudolf schreef: „’t Horloge is weg! Mozes Zadok heeft
het aan iemand verkocht, die zei, dat hij de eigenaar was,” of alles
begon voor haar oogen te draaien, ze moest zich aan de tafel
vasthouden, de brief viel uit haar handen en ze zonk op een stoel
neder. Hoelang ze in dien half bewusteloozen toestand verkeerd had,
wist ze niet: eindelijk kwam ze bij, maar ’t was of ze versuft was.
Daarop herinnerde ze zich den brief, zag dien aan haar voeten liggen,
nam hem op, las nog eens den aanhef en vatte toen moed, om het overige
te lezen. Toen ze dat gedaan had, viel ze luid snikkend met haar gelaat
op ’t nog afgehaalde bed en riep toen op wanhopigen toon uit:
„O, moeder! Waarom heb ik mij laten overhalen, uw erfenis uit handen
te geven! Nu is zij verloren! voor altijd verloren! O, God! Welk een
tijding!”
Toen ze lang genoeg geschreid had, richtte zij zich op, wischte haar
tranen af, sloot den brief weg, sloeg nog een langen, smartelijken blik
op ’t portret harer moeder, en ging toen weder aan den arbeid. Maar ze
werkte niet met den lust en ijver, welken ze vroeger aan den dag
legde—al wat ze deed, verrichtte ze met een doffe gevoelloosheid, als
droomende, en toen ze beneden kwam, was ’t met gebogen hoofd en treurig
gelaat. Haar vader bemerkte dat in zijn verstrooidheid niet op; wel
Trui, die haar herhaalde malen vroeg, wat haar scheelde?
„Hoofdpijn, Trui,” antwoordde ze. „Ik denk, dat ik van nacht wat laag
met mijn hoofd gelegen heb.”
„Ge overwerkt u, juffrouw,” zei Trui. „’t Is te veel voor uw krachten,
’t zal net zoolang duren, dat u ziek wordt. Ik zou ten minste maar naar
mijn kamer gaan en wat stil gaan zitten.”
„Maar er is nog zooveel goed te verstellen en er zijn zooveel kousen te
mazen,” zei Helène.
„Laat het goed zich zelf verstellen en de drommel de kousen mazen. Dat
zit hier alle dagen te sjouwen en te ploeteren, als een dienstmeid;
terwijl juffrouw Leonie daar in Amsterdam een leventje leidt als een
prinses. Als ik in uw plaats was, dan zou ik tegen mijn papa zeggen,
dat ik er voor bedankte, om hier alleen voor meid te spelen, en dat zij
terug moest komen, om de helft van mijn werk over te nemen. En wat heb
je er voor dank voor? Ternauwernood een goed woord. Neen, ik ben maar
een dom mensch, maar zoo dom niet, of ik zeg, dat het hier alles
behalve recht toegaat. Ik heb me wat geërgerd, toen juffrouw Leonie die
paar dagen over was, en...”
„Laat je dat niet hinderen, beste Trui,” zei Helène glimlachend.
„Leonie is nog jong. Zachts dat ze op dien leeftijd even goed haar
genoegelijke dagen heeft als ik die gehad heb. Is ze zoo oud als ik
was, toen onze omstandigheden veranderden—welnu, dan is het tijds
genoeg om haar thuis te laten komen en haar aan ’t werk te zetten.”
„Wat wel nooit zal gebeuren!” zei Trui. „Uw oom en tante zouden haar
niet laten gaan. En wat mij aangaat, ik ben er juist niet verlangend
naar, want toen ze hier voor een paar dagen was, werd ik door haar
gekommandeerd alsof ik zoo’n Oostinjesche slavin was. Ziet u, en dat
ben ik nooit gewoon geweest, zelfs niet van mijn goede mevrouw, toen
die nog leefde. Die was altijd de goedheid en vriendelijkheid zelf.”
„Ja, dat was ze wel,” zei Helène zuchtend, „en daarom heeft mijn arme
vader zooveel aan haar verloren.”
„Dat heeft hij, de man;” zei Trui, „en dat moet ik zeggen, ik heb nog
weinig twee menschen gezien, die zooveel van elkaar hielden. ’t Was
zeker de zwaarste slag die hem kon treffen, en daarom kan ik hem veel
van zijn raar humeur vergeven; ofschoon ik er weinig van te lijden heb
en hij voor mij heel goed is en me nooit een overtogen woord zal geven.
Maar ik zou zoodoende al mijn kostelijken tijd verbabbelen en ik moet
van daag dubbel pootaan spelen. Want, u zult nu niets doen, niet waar,
juffrouw?”
„Neen, Trui,” antwoordde Helène; terwijl ze de trouwe meid de hand
reikte, en deze ’t vertrek verliet.
’t Gesprek met Trui had haar een weldadige afleiding van haar verdriet
bezorgd. Daar waren zooveel andere gedachten door haar brein gegaan;
want ofschoon ze ’t niet voor zich zelf wou weten, was ze niet zonder
jaloezie op ’t lot van Leonie, en had de blijkbare voorkeur, welke haar
vader tijdens haar verblijf aan zijn jongere dochter schonk, haar
gehinderd. Trui’s voorliefde voor haar, ofschoon Trui maar een
dienstbode was, deed haar goed; daarbij stemde ’t goedhartige oordeel
over haar vader, dat zij zoo veel moeite had zichzelf op te dringen en
dat de eenvoudige meid zoo rond en onbewimpeld uitsprak, haar
vriendelijker, en ze herinnerde zich, hoe hij, schoon natuurlijk eerst
driftig over ’t verdwijnen van ’t horloge, haar den volgenden dag reeds
daarvan niets had laten merken. En zoo namen haar gedachten
langzamerhand een andere richting en gevoelde ze zich niet meer zoo
diep rampzalig als straks.
„Wat scheelt er aan, Helène, dat je niet eet?” vroeg Dora ’s middags
aan tafel.
„Je ziet zoo bleek,” voegde Alfred er bij.
Meneer Nederhorst keek op. Met zijn gewone afgetrokkenheid had hij
niets gemerkt. Thans zag hij, dat zij er bleek en afgemat uit zag.
„Scheelt er wat aan, Helène?” vroeg hij deelnemend.
„Ik heb zware hoofdpijn, pa,” antwoordde zij.
„Je werkt te hard, kindlief,” zei meneer Nederhorst. „Je moet straks
naar bed gaan, en als ’t morgen niet beter is, dan laat ik den dokter
komen.”
„’t Zal morgen wel beter zijn,” verzekerde Helène. „Ik zal echter uw
raad opvolgen en dadelijk na de thee naar bed gaan.”
„Dan kom ik bij je zitten en zal je wat voorlezen,” zei Dora. „Ik mag
immers wel, Helène?”
„Neen, ik zal het doen,” zei Alfred. „Ik heb een heel mooi verhaaltje,
dat ik te leen heb gekregen van Karel. ’t Is gemaakt door een juffrouw,
die net zoo heet als jij, Helène.”
„Dat is goed. Maar dan mag ik toch zoolang bij Helène opzitten, terwijl
jij leest. Niet waar, Helène! En als je dan wat noodig hebt, dan haal
ik het voor je.”
„En we zullen ons van avond zelf wel uitkleeden,” zei Alfred.
„En ons goed netjes opvouwen, precies alsof je er bij bent,” voegde
Dora er bij.
„Maar moet je dan geen werk voor school maken!” zei Helène.
„Dat zullen we netjes afmaken vóor het theedrinken,” antwoordde Alfred.
„We zullen ’t heel keurig doen. Je hoeft er niet naar te kijken.”
’t Scheen, dat meneer Nederhorst getroffen was door de ongekunstelde
blijken van innige liefde en toegenegenheid, door zijn beide jongste
kinderen voor hun oudste zuster aan den dag gelegd.
„Hoor eens, Helène,” zei hij. „Ik oordeel ’t noodig, dat je terstond na
den eten te bed gaat. Intusschen kunnen Dora en Alfred hun werk maken.
Trui zet het theegoed op je kamer. Dan schenkt Dora thee, Alfred leest
je voor en ik kom bij je theedrinken en naar ’t verhaaltje van die
juffrouw Helène luisteren.”
„O, dat is lief van u, pa,” zei Helène, terwijl ze hem met een
dankbaren blik aanzag.
Zoodra Trui kwam afnemen, gaf Helène de noodige bevelen.
„U heeft wel gelijk, juffrouw,” zei Trui. „’t Is misschien zware
gevatte kou en die moet er door transporteeren uit.”
„En jij zet thee, hoor; want Dora zal schenken,” vervolgde Helène.
’t Deed haar werkelijk goed, toen ze te bed lag, ofschoon slechts voor
haar vermoeid lichaam; wat haar geest aangaat: de heden ontvangen
tijding woedde, nu ze alleen en ’t lichaam tot rust was, met dubbele
hevigheid door haar brein, zoodat er geen denken was aan slaap. Maar ’t
moede, pijnlijke hoofd rustte en dat was al een troost. Trui bracht het
theegoed, Dora, die al sedert een half uur met Alfred bij haar was,
zette zich heel deftig aan de theetafel; terwijl Alfred met de
aflevering van het Tijdschrift voor de jeugd, waarin Helène’s verhaal
stond, voor haar bed ging zitten.
Pa kwam en ging terstond naar ’t bed.
„Hoe is het, lieve?” vroeg hij.
„’t Gaat nog al, pa,” antwoordde ze met een vergenoegden glimlach en
een dankbaren blik.