ontbijt verscheen en zijn gelaat minder stroef stond dan anders. Hij
praatte vooral met Rudolf over onverschillige dingen en roerde geen
enkele snaar aan, waardoor ’t gesprek op ’t horloge kon komen. De
laatste dagen van ’t jaar werden betrekkelijk genoegelijk doorgebracht,
terwijl de vacantiedagen der kinderen en ’t verblijf van Rudolf, aan
Helène weinig gelegenheid schonken, iets aan haar letterkundigen arbeid
te doen. Zoo kwam de eerste Januari aan, de dag waarop Rudolf naar
Amsterdam zou gaan, om zijn kamer te betrekken; ten einde den volgenden
morgen tijdig op het kantoor te kunnen zijn. Er was bepaald, dat hij
den eenen Zondag bij zijn oom, den anderen bij zijn vader te huis zou
doorbrengen. Helène had hem bepaald aanbevolen, naar den woekeraar te
gaan en dezen te zeggen, dat hij aan ’t eind van dezen of ’t begin van
de volgende maand de schuld zou afdoen, en Mozes Zadok had hem met een
grijnslach geantwoord, dat dit hem veel genoegen zou doen—zoodat van
deze kant de zaak geheel en al in orde was.
Omtrent veertien dagen, nadat Rudolf aan de Bank werkzaam was, moest
meneer Nederhorst voor zaken in Amsterdam zijn. Natuurlijk zou hij bij
zijn zwager dineeren en ook eens zelf naar de Bank gaan, om te hooren
hoe Rudolf het maakte. Hij had echter vooraf nog eenige boodschappen te
doen en zijn weg voerde hem voorbij den winkel van Mozes Zadok. Juist
toen hij zich vlak voor dien winkel bevond, noodzaakte een opstopping
van rijtuigen hem op den stoep des woekeraars zijn toevlucht te zoeken
en wierp hij toevallig een blik in de van allerlei zaken voorziene
glazen kast; toen opeens zijn oog geboeid werd door eenige horloges,
welke te koop hingen, en waaronder een met juweelen bezet dameshorloge
met gouden ketting. Eerst ontgaf hij ’t zich; want hoe zou ’t horloge
dat op zulk een onverklaarbare wijs was weggeraakt, zich in Amsterdam
en dan nog wel in zulk een winkel bevinden? Hij bleef echter staan,
bekeek het horloge oplettender, en hoe langer hij ’t bekeek, hoe meer
hij tot de overtuiging kwam, dat het inderdaad het verloren schaap was.
Hij trad den winkel binnen en vond er den knaap, dien we reeds ontmoet
hebben en die op zijn oude plaats achter de toonbank half zat te
dutten. Het toornige gelaat en de vlammende blik van den bezoeker
verschrikten dezen zoodanig dat hij slechts stamelend kon uitbrengen:
„Wat is er van mijnheers dienst?”
„Laat mij dat dameshorloge met gouden ketting eens zien; dat daar in de
kast hangt,” antwoordde meneer Nederhorst op bevelenden toon.
„Wacht even, meneer,” antwoordde de knaap, „dan zal ik den meester
schellen. Die zal u terstond helpen.”
Hij drukte op den knop eener andere schel dan de vorige maal, en een
oogenblik later kwam Mozes Zadok de trap af en stond hij diep buigende
en listig knipoogende achter de toonbank.
„Wat is er van meneers dienst?” vroeg hij kruipend vriendelijk.
„Laat mij dat gouden met diamanten bezet dameshorloge eens zien, dat
daar in de kast hangt.”
Aan het driftige van den toon bemerkte de slimme Zadok wel, dat er wat
met dat horloge gebeurd moest zijn, dat niet in den haak was. Hij keek
in de kast en zei daarop:
„Dat horloge hoort daar niet te hangen. ’t Is niet te koop. Mijn stomme
knecht heeft weer een onhandigheid begaan.”
„Dus is ’t hier verpand?” zei meneer Nederhorst.
„We houden hier geen pandjeshuis, meneer,” antwoordde Mozes.
„Nu, dan hebt je er geld op geleend.”
„Meneer, verschoon me van alle bijzonderheden; ik heb u gezegd, dat het
niet te koop was, en dat moet u, dunkt mij genoeg zijn.”
„Dat zou nog te bezien staan,” hernam meneer Nederhorst; terwijl hij
Mozes scherp aankeek. „Stel eens, dat dit horloge mijn eigendom is,
waarvoor ik het houd, ofschoon ik niet kan begrijpen, hoe ’t hier komt.
Doch stel nu eens, dat het zoo is; dan ben ik bereid u de som terug te
betalen, welke u er op voorgeschoten hebt.”
De slimme woekeraar begreep, dat hij hier zijn slag kon slaan en
bemerkte wel, dat die heer voor zijn toonbank veel waarde aan dat
horloge hechtte. Aan den anderen kant begreep hij ook, dat hij
voorzichtig met hem moest zijn: want dat er aan de geschiedenis van dat
horloge meer vast was, dan hij wel in den beginne gemeend had; en dus
haalde hij, schijnbaar tegen zijn wil, ’t horloge uit de kast en liet
het meneer Nederhorst zien, zonder ’t uit de handen te geven.
„Doe de kast open,” gebood meneer Nederhorst. Mozes deed het, en nu zag
de andere daar duidelijk de dooreen gevlochten letters M. L. N.
„Dit horloge is van mij en niemand heeft er het minste recht op,” zei
hij, terwijl zijn lippen van inwendige gramschap beefden.
„’t Spijt mij meneer, dat ik met u in gevoelen verschillen moet,”
antwoordde Zadok. „Ten aanzien van mij, hebt u er geen het minste recht
op. ’t Werd mij toevertrouwd als zekerheid voor een aardige som gelds.”
„Hoeveel?” vroeg meneer Nederhorst.
„Zestig gulden,” antwoordde Zadok zonder een oogenblik te aarzelen. „’t
Was in alle gevallen een goede borg. De diamanten alleen...”
„Genoeg,” zei meneer Nederhorst ongeduldig. „Ik heb er vrij wat meer
voor gegeven; dat kan ik u verzekeren. Bewaar het en beloof mij, ’t aan
niemand te laten zien. Binnen een uur of korter breng ik u de zestig
gulden.”
„Domoor, die ik ben!” mompelde Mozes in zich zelf, „dat ik niet het
dubbele der som gevraagd heb! Maar ’t is mijn oude gebrek. Ik ben te
onbaatzuchtig! Misschien is ’t ook beter zoo: want de zaak met dat
horloge is niet zuiver. Als ik honderd-twintig gulden gevraagd had, zou
hij er misschien andere handen in gehaald hebben, en op de politie ben
ik nu juist niet gesteld.”
Meneer Nederhorst begaf zich terstond naar de Bank, waar hij zijn broer
alleen in de directeurskamer vond.
„Beste Walburg,” zei hij. „Ik heb daar een raar geval. ’t Horloge van
mijn vrouw, dat ze een paar dagen vóor haar sterven aan Helène heeft
geschonken, bevindt zich in handen van een man, die mij verdacht
voorkomt.”
En hij vertelde hem ’t een en ander, wat er met Helène was
voorgevallen.
„Ik begrijp er niets van,” zei meneer Walburg. „Helène is ’t horloge
kwijt; ze zegt, dat het in goede handen is, en jij vindt het bij een
soort van uitdrager terug, als onderpand van een leening van zestig
gulden. Heb je ’t bij je?”
„Neen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik had het geld niet bij mij, en
kwam je vragen, ’t mij te leenen. Want ik wil dat horloge niet langer
dan noodig is in de handen van dien kerel laten.”
„Wacht, dan laat ik een vigelante voorkomen en ga ik mee,” zei meneer
Walburg. „De zaak is mij interessant genoeg, om er bij tegenwoordig te
zijn.”
„Hoe ’t horloge hier en in handen van dien kerel komt begrijp ik niet,”
zei meneer Nederhorst. „Helène heeft het in bezit gehad; en is sedert
den tijd, dat ze ’t kreeg, niet in Amsterdam geweest. Daarenboven,
waartoe zou zij zestig gulden noodig hebben gehad, gesteld, dat daar nu
eens een gulden of tien interest bij is; want zulk volk kan interest
berekenen, dat verzeker ik je. Aan haar toilet besteedt ze ’t niet.
Daarbij leven we zoo doodeenvoudig, dat ze aan den kant der huishouding
ook geen aanzienlijk te kort kan gehad hebben.”
„Dan zou ze ’t je wel meegedeeld hebben,” hernam Walburg.
„Er is slechts éen persoon, dien ik van de zaak verdenk,” hervatte
meneer Nederhorst. „Er woont te Weesp een zekere dokter Faminga,
tenminste daarvoor geeft hij zich uit, een man, die zich nog tijdens ’t
leven van mijn vrouw bij ons heeft willen indringen. Dien man vertrouw
ik niet.”
„Maar dan deden we beter, even aan ’t commissariaat van politie aan te
gaan,” zei meneer Walburg. „Als die zoogenaamde dokter er de hand in
heeft gehad, dan worden ’t zaken voor de justitie.”
„Ik zal er wel oppassen, om ’t hardop te zeggen,” hernam meneer
Nederhorst. „’t Zijn maar bloote vermoedens en ik zou er slecht
bewijzen voor kunnen vinden.”
„Dan geloof ik, dat we ’t best doen, de zaak maar blauw blauw te
laten,” antwoordde meneer Walburg. „Kom, de vigilante is voor, laat ons
gaan.”
Nadat hij zijn schoonbroer de zestig gulden ter hand gesteld had,
stapte meneer Walburg in ’t rijtuig en reden de beide heeren naar de
woning van Mozes Zadok, waar ze uitstapten. Een gansche bende van
straatjongens, leegloopers en nieuwsgierigen verzamelde zich op den
stoep van den handelaar en vormden twee rijen, waardoor de bezoekers
heen moesten om in hun rijtuig te komen, en allerlei gissingen werden
onder ’t volk gemaakt; waarvan niet de minst ongerijmde was, dat het de
heeren van politie waren en dat Mozes zeker ’t een of ander
politiereglement overtreden had.
Intusschen waren de beide heeren ’t voorhuis in en voor de toonbank
getreden. Mozes die ’t standje voor de deur gewaar werd, verzocht den
heeren boven te willen komen.
„Ze zijn ’t niet gewoon, heeren! dat de oude Mozes zulke aanzienlijke
klanten ontvangt,” zei hij; „daarom groepeeren ze zich om mijn raam als
een kudde jonge bokken. Maar we zullen hun niets te zien geven, zoo
waar ik Mozes Zadok heet.”
Spoedig was nu ’t horloge betaald en geleverd.
„Uw naam, meneer?” vroeg de koopman.
„Mijn naam is niet noodig,” antwoordde meneer Nederhorst. „Als ’t soms
politiezaken mochten worden, zal ik maar zult u niet de aanklager zijn.
In dat geval zult u kennis met mijn naam maken.”
„Ik kan toch niet helpen, dat degeen die geld bij mij geleend heeft,
dat horloge gestolen heeft,” zei Mozes. „Daarenboven heb ik er scha
genoeg bij; want het horloge staat hier al sedert drie maanden.”
„Was het dan een jongeheer, die ’t hier gebracht heeft?” vroeg meneer
Walburg, die zich Rudolfs brief herinnerde.
„Mijn God! Meneer! Aan jongeheeren zouden we immers geen geld op
dameshorloges leenen. Dan zouden we ’t gauw te kwaad met de justitie
krijgen.”
„U zult toch niet weigeren den naam van den inbrenger voor ons op te
zoeken. Natuurlijk staat die als debiteur in uw boek.”
„Om daardoor aan de politie ’t spoor in handen te geven,” zei Mozes.
„Neen, meneer. U hebt uw horloge terug en ik heb u op uw woord geloofd,
dat het het uwe was; ’t geen door uw overrompeling gekomen is, want wie
bewijst mij nog, dat u de eigenaar van ’t horloge bent en u niet door
een streek van mijn onnoozelheid gebruik gemaakt hebt om het ding
goedkooper in handen te krijgen?”
„Kerel,” riep meneer Nederhorst driftig uit. „Als ik er mijn redenen
niet voor had, om geen opspraak te maken, dan gaf ik de zaak regelrecht
aan de politie aan.”
„Bedaard, meneer!” zei Mozes, die toch liefst de zaak maar in de doos
deed en zich met ’t aardige winstje vergenoegde, liever dan het deksel
op zijn neus te krijgen door ’t onderste uit de kan te willen hebben.
„Al zeg ik den naam van den inbrenger niet, dat mag ik u toch wel
zeggen, dat het een vrij goed gekleed heer was van ongeveer dertig
jaren. Naar ’t mij voorkwam was ’t horloge van zijn vrouw.”
De beide heeren vertrokken, tot leedwezen der toeschouwers doodbedaard
alleen.
„Ik zal er Rudolf toch eens over spreken,” zei meneer Walburg, wien die
brief nog steeds voor de oogen speelde. „Want van die dertig jaren en
die vrouw geloof ik niets.”
„Waartoe zou dat dienen?” vroeg meneer Nederhorst hem. „Drie maanden
geleden was hij nog goed en wel op de kostschool. Daarenboven is ’t
horloge niet uit Helène’s handen geweest.”
„Nu, als je er op staat, wil ik er wel over zwijgen,” zei Walburg.
„Zelfs tegen je vrouw,” hernam Nederhorst. „Ik heb er mijn bijzondere
redenen voor, om de zaak geheim te houden. Ik ben tevreden, dat het
horloge terecht is, en zal je in orde ’t mij voorgeschoten geld
rembourseeren.”
„Wat dit laatste aangaat, dat zal wel terecht komen,” en beide heeren
stapten aan de Bank af, waar meneer Nederhorst een zeer voldoend
getuigenis over Rudolf’s ijver en bekwaamheid kreeg.
Toen hij ’s avonds thuis kwam, sloot hij ’t horloge in zijn secretaire,
zonder Helène er iets van te zeggen.
„Ze zal vreemd opzien, als hij, die ’t horloge voor haar verpand heeft,
het niet weervindt,” zei hij bij zich zelf. „Misschien zullen we dan
den draad in handen krijgen om hem te ontdekken, die ’t voor haar
gedaan heeft. Een heer van ongeveer dertig jaren. Dat kan die dokter
niet geweest zijn. Die is wel tweemaal zoo oud. Maar hij kan ook iemand
anders gebruikt hebben. Ik moet toch, als ik bij gelegenheid weer in
Amsterdam kom, nog eens bij dien Zadok achter den naam van den
verpander zien te komen.”
Intusschen leefden Helène en Rudolf in de heilige overtuiging, dat het
erfstuk hunner moeder veilig was en weldra weer in hun bezit zou zijn.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
UIT DEN DROOM ONTWAAKT.
Helène ontving in de helft van Januari ’t honorarium voor haar
verhaaltje. Ofschoon ’t goed betaald was, vooral aan een
eerstbeginnende—’t was te klein van omvang om veel te geven. En dan
moest er nog de tien gulden af, die zij zoolang van ’t huishoudgeld had
afgenomen en waarvoor zij van enkele leveranciers op rekening genomen
had. Gelukkig, dat ze de kopie af had en juist weer nieuwe kreeg,
waardoor haar de andere betaald werd, zoodat zij twintig gulden
bijeengescharreld had, hopende dat Rudolf nu voor de tien andere zou
zorgen. Hij had het haar zoo stellig beloofd en zou zeker zijn belofte
houden.
Met ongeduld wachtte ze den zondag zijner komst af. ’t Was de tweede
maal, dat hij overkwam.
„Welnu,” zei ze. „Ik heb mijn belofte gehouden; hier zijn twintig
gulden, heb jij er nu de andere tien bij?”
„Overmorgen krijg ik mijn maandgeld en ziehier wat ik te betalen heb;
je ziet, dat ik zuinig geweest ben en ruim twaalf gulden overhoud. Jij
kunt er niet meer naar verlangen dan ik, om weer in ’t bezit van ’t
horloge te zijn.”
„Maar als je nu in ’t bezit bent,” zei ze, „hoe krijg ik het dan hier?”
„Zou ’t niet het best zijn, dat we daarmede wachtten tot vandaag over
veertien dagen? dan breng ik ’t zelf mee.”
„Dat is zoo kwaad niet,” antwoordde ze. „Als je ’t maar goed bergt;
want, nu ’t eens weg geweest is, ben ik er nog banger voor dan ik
vroeger was.”
„Nu, ik zal er wel voor zorgen,” zei Rudolf. „Daar kun je op rekenen.
Maar heeft pa er nooit weer een woord tegen je over gesproken?”
„Sedert dien eenen avond niet. Ik heb je toen al mijn verwondering
betuigd, dat hij den volgenden morgen weer even als anders was, en zoo
is hij gebleven. Laatst toen hij in Amsterdam geweest was, heeft hij
mij alleen gevraagd, of ik dokter Faminga nog wel eens sprak.”
„Dokter Faminga? Wie is dat?”
„Och, dat was die heer, dien we verleden jaar, na je ziekte, op ’t
kerkhof ontmoetten en dien ik toen uit scherts meneer Radinus noemde.”
„Dus was dat Radinus niet?” vroeg Rudolf verbaasd.
„Welneen. Ik zei ’t maar, omdat ik vreesde dat je den naam van den
dokter in tegenwoordigheid van pa zoudt noemen, en pa kan dien man, de
Hemel weet waarom, nu eenmaal niet velen.”
„O, daarom keek hij zoo verwonderd, toen ik hem naar meneer Radinus
vroeg, en begreep ik niet waarom jij me zoo wenkte. Maar wat is er dan
met dien dokter Faminga?”
Helène vertelde ’t hem en prees natuurlijk den dokter zeer.
„Maar hoe breng je nu de vraag, of je dien dokter met zijn barbaarschen
naam gesproken had, met het horloge in verband?”
„Dat weet ik niet,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t er ook eigenlijk niet
juist mee in verband gebracht; maar ik vond de vraag, omdat pa zoo even
uit Amsterdam gekomen was, zonderling en vreemd!”
„Waarschijnlijk heeft hij door den een of ander dien naam daar hooren
noemen.”
„Licht mogelijk,” antwoordde Helène en daarmee nam hun gesprek een
einde.
’s Avonds vertrok Rudolf met de twintig zuur verdiende guldens van
Helène in zijn zak naar Amsterdam, en ’t was haar alsof ’t een
eeuwigheid zou zijn, eer de veertien dagen om waren.
„Schrijf ’t nu toch gauw, zoodra ’t horloge weer in je bezit is,”
fluisterde zij hem toe, toen ze hem met de beide kinderen naar ’t
station had gebracht en men op den trein van Naarden-Bussum wachtte.
„Ik beloof ’t je,” antwoordde hij. „Zoodra ik ’t heb, schrijf ik je per
briefkaart: „Alles in orde.” „Vindt je dat niet goed?”
„Neen, die briefkaart kan pa in handen komen; schrijf liever een brief,
hoe kort ook: ’t scheelt je maar twee centen.”
De Dinsdag was gekomen, en hij had zijn eerste maand tractement
ontvangen. Met welk een blik van welgevallen staarde hij op dat eerste
door hem verdiende geld, en met welk een genot nam hij er tien gulden
af, welke hij bij de twintig van Helène voegde.
’t Was al tusschen licht en donker, toen hij naar den winkel van Mozes
Zadok stapte. Op ’t kantoor van den woekeraar brandde al licht. Daniel
de winkeljongen zat in den winkel te slapen, maar werd wakker van het
luiden der veerschel. ’t Was zoo donker niet of hij herkende Rudolf.
„Is uw patroon thuis?” vroeg deze aan den knaap.
„Hij is op ’t oogenblik uit,” antwoordde Daniel.
„Uit! En ik wou hem ’t geld afdoen op mijn horloge. Zeg hem dat.”
„Op uw horloge?” vroeg Daniel nog half slapend. „Een paar weken geleden
is hier een heer geweest en toen heeft de patroon hem ’t horloge voor
een aardig sommetje verkocht. Ik heb ’t zelf gezien; ’t was bij toeval
in de kast gekomen en toen zag een heer ’t, die voor de glazen stond.
Later kwam hij met een anderen heer in een vigilante en toen hebben ze
’t boven betaald.”
„Dat is mijn horloge niet geweest,” hernam Rudolf.
„’t Is mogelijk, jongeheer!” antwoordde Daniel. „Maar ik zou er toch
hard aan twijfelen, of ’t niet waar was.”
„En is Zadok werkelijk uit, of speld je me maar wat op de mouw?”
„Hij is even een boodschap in de buurt gaan doen,” antwoordde Daniel.
„Zooals je ziet, is ’t licht op zijn kantoor al op. ’t Is goed, dat je
me wakker gemaakt hebt, anders zou er een potje te vuur gestaan hebben.
Ik zal gauw ’t licht hier opsteken.”
Rudolf kon maar niet gelooven dat de jongen de waarheid sprak. Toen dus
’t licht in den winkel op was en hij Daniel zien kon, zei hij:
„Nu ben je ten minste wakker. Zeg mij nu eens, of je gedroomd en me een
droom verteld hebt, dan of je me wat op de mouw wilde spelden.”
„Ik verzeker u, jongeheer! dat ik u de volle waarheid gezegd heb. De
patroon heeft zestig gulden voor ’t horloge ontvangen, en ik geloof,
dat hij er later spijt genoeg van heeft gehad, dat hij geen honderd
gevraagd had.”
„Maar dat is toch een gemeene streek!” riep Rudolf uit. „En als ik dit
aangeef...”
„Aangeven! Ach! jongeheer! laat dat maar uit uw gedachten... Doch daar
is de patroon al terug. Zeg er niets van, dat ik ’t u verteld heb.”
Inderdaad kwam Mozes Zadok thuis. Eerst wist hij niet, wie daar in den
winkel met Daniel stond te praten; doch toen hij Rudolf herkende, zei
hij:
„Zoo, goeden avond, jongeheer! Altijd wel geweest? Ik had u al sedert
lang verwacht. Komt u weer wat afdoen op de verschuldigde som?”
„Ja,” antwoordde Rudolf, nog steeds in ’t vaste geloof, dat de
woekeraar niet zoo slecht was, als diens bediende verteld had.
„Heel goed! heel goed! kom dan maar boven!”
En Mozes ging den knaap vóor naar de hem reeds bekende opkamer.
„Ik kom u de geheele som afbetalen,” zeide Rudolf.
„Wel, dat is goed. Ga zitten, jongeheer! Dan zal ik uw schuldbekentenis
opzoeken.”
„Ga uw gang en krijg dan meteen ’t horloge.”
„Dat zal van avond slecht gaan; want het is zoo goed bewaard, dat ik ’t
moeilijk met licht kan vinden. Kom ’t morgen even afhalen; u hebt toch
nog altijd het bewijs in uw zak?”
„Ik wil ’t nu hebben, anders betaal ik je niet,” zeide Rudolf kortaf.
„Maar waarom ben je dan niet wat vroeger gekomen, jongeheer?” zei Mozes
nog altijd vriendelijk.
„Dat is mijn zaak,” antwoordde Rudolf. „Kom, kom! krijg ’t horloge voor
den dag! Een man, die zooveel orde in zijn zaken houdt, kan een gouden
horloge wel op den tast vinden. Of ’t zou waar moeten zijn, dat je ’t
voor zestig gulden verkocht hebt?”
„Hoe kom je daar aan, jongeheer?” vroeg de woekeraar, eenigszins van
zijn stuk gebracht.
„Je bediende heeft het mij verteld, en als je ’t me niet terstond
geeft, dan geloof ik, dat het waar is en zal ik ’t er niet bij laten.”
„Daar zal hij voor lusten!” riep Mozes uit, en snelde buiten zichzelf
van gramschap naar den winkel, waar hij den armen Daniel een oorveeg
gaf, die hem van zijn hoogen stoel deed rollen. Daarna kwam hij op ’t
kantoor terug. ’t Gelaat van den woekeraar was nu geheel en al
veranderd; hij keek Rudolf aan als wilde hij hem met huid en haar
opeten. Maar deze was alles behalve bang.
„Welnu, meneer Zadok,” zei hij. „Naar ik bemerk is de zaak waar.”
„Dat is ze,” antwoordde Zadok met een onbeschaamd gelaat. „Ik heb ’t
horloge wel niet meer, maar ’t ook niet verkocht: want de man aan wien
ik ’t met een klein winstje heb overgedaan, was de eigenaar. En dus,
jongeheer, hou je mond maar dicht; want als je den boel roert, dan
stinkt ze. Als ik de zaak aangeef, dan kom je achter de tralies. Je was
niet eerlijk aan ’t horloge gekomen.”
„Wie durft dat zeggen?”
„Niet ik, maar de heer, die beweerde en bewees, eigenaar er van te
zijn.”
„Dat heeft hij gelogen!” riep Rudolf uit. „Ik was er eigenaar van, of
liever mijn zuster die ’t mij gegeven had om het te verpanden, daar ze
geld noodig had. Hoe kon je zoo dom zijn, sluwe Zadok, om te denken,
dat een heer eigenaar van een dameshorloge was? ’t Is niets dan logen,
gemeene zwendelarij, en ’t eenige wat je doen kunt, is mij den naam en
’t adres op te geven van den persoon, die zei er recht op te hebben.”
„Dat weet ik zelf niet; want hij verkoos mij noch ’t een noch ’t ander
te zeggen.”
„Dan zal ik wel middelen vinden, om er u toe te noodzaken.”
„Alles bedreigingen in den wind!” zei Mozes doodbedaard; want hij
begreep dat hij op die wijs het best van den knaap kon afkomen.
„Wanneer je de zaak aangeeft, zeg ik eenvoudig, dat de rechtmatige
eigenaar gekomen is, wien ’t horloge ontstolen is. Als ik er een eed op
doe, dan kom jij in de kast.”
„Dat zou te bezien staan,” zei Rudolf, „wie van ons beiden er in zou
komen: ik, die je ’t horloge tot pand geef en er op afbetaal of jij,
die mijn eigendom aan een ander verkoopt?”
„Stil wat, jongeheer! Eerst zoudt u moeten bewijzen, dat het uw
eigendom was en dat is een punt, waaraan ik van den beginne af aan
getwijfeld heb.”
„Des te schurkachtiger van jou, om op gestolen goed geld te leenen,”
zei Rudolf. „Ik kan voor de rechtbank bewijzen, dat het horloge op ’t
oogenblik, dat ik ’t bij u beleende, mijn eigendom was; laat de man,
wien ge ’t verkocht hebt, dat eens doen.”
„Ik heb het niet verkocht; ik heb ’t hem teruggeven, en als je niet
fatsoenlijk genoeg bent, om mij de dertig gulden te betalen, die ik er
op voor geschoten heb, dan heb ik er een heele schâ aan.”
„Ik jou nog geld toe betalen? Geef mij de vijftien gulden terug, die ik
je betaald heb. Noem mij liever den persoon, die u er de zestig gulden
voor ter hand heeft gesteld, dan ga ik naar hem toe en zal hem de zaak
verklaren. Geef mij zijn adres.”
„Hoor eens, knaap,” zei Mozes Zadok, wien al dat praten verveelde, „ik
ben niet van zins, langer je onbeschaamde taal aan te hooren. Als je
wat te reclameeren heb, klaag me dan bij de politie aan. Maar nu, mijn
deur uit!”
Dit zeggende, pakte hij Rudolf, die daar niet op verdacht was, bij den
kraag van zijn buis, duwde hem de trap af, ’t voorhuis door en zoo de
deur uit, welke hij op den grendel sloot. Schuimbekkend van woede was
Rudolf juist op het punt, om tegen de deur te schoppen en te bonzen;
hij begreep echter, dat hij alsdan burengerucht zou veroorzaken en dit
verlangde hij juist niet. Hij keerde dus stil en in een alles behalve
aangename stemming huiswaarts.
Maar hij was er de jongen niet naar, om zich door een vergeefsche
poging te laten afschrikken. Den volgenden avond ging hij andermaal
naar den woekeraar, die hem evenwel nog onvriendelijker dan den vorige
afscheepte en hem zelfs dreigde, de zaak te zullen aangeven, wanneer
hij hem niet met rust liet. Tevens bood hij hem aan, hem op dezelfde
manier de deur uit te smijten als gisteren. Rudolf, die nu wel bemerkte
dat hij met den patroon niet verder zou komen, fluisterde Daniel toe,
die achter de toonbank van daan kwam, om hem uit te laten.
„Hoe laat kom je hier van daan?”
„Om half tien.”
„Kom dan op de Nieuwmarkt, bij de Vischmarkt.”
„Goed.”
En met die woorden deed hij de deur achter hem toe.
„Wat zei de knaap?” vroeg Mozes aan zijn bediende.
„Dat hij u wel vinden zou.”
„En wat heb je hem geantwoord.”
„Dat hij u al gevonden had.”
„Ha! ha! ha!” lachte Mozes en voegde er bij: „Je bent geestiger dan ik
dacht, Daniel.”
„Misschien slimmer ook,” prevelde Daniel. „Ik zal tenminste probeeren,
er nog een broodje aan te verdienen.”
Rudolf stond reeds onder het afdak der groote vischmarkt te wachten,
toen Daniel kwam aansukkelen.
„Je komt laat, Daniel,” zei hij. „De klok van de Oudekerk heeft al lang
halftien geslagen. ’t Is bij tienen.”
„De oude heeft altijd zoolang werk, eer alles geborgen is, en dan is er
nu nog ’t een, dan weer ’t ander te doen; zoodat het dikwijls tien uur
op de Zuiderkerk slaat, eer ik wegkom.”
„’t Is goed. Zeg eens, zou je me ook kunnen zeggen, wie de man was, die
mijn horloge kocht; je zegt toch dat je de heele zaak heb bijgewoond.”
„Hoe kan ik dat zeggen? Amsterdam is zoo groot en er zijn zooveel
menschen, dat ik ze niet allemaal ken.”
„Nu ja. Maar wat was ’t voor een man?” vroeg Rudolf.