helft afdoe, zal hij ’t horloge wel meegeven,” dacht hij, en daar hij,
de reiskosten er afgerekend, zelf nog wel vijf gulden had, zei hij
onbeschaamd weg: „Tien gulden.”
„Tien gulden! Goede Hemel, Rudolf, wat heb je er dan mee uitgevoerd!
Tien gulden! Waar krijg ik die vandaan!”
„Ik had het laten vallen en toen was de ronsel gebroken, zei de
horlogemaker. Maar hij zou ’t goed maken.”
„In alle gevallen, ik moet het terug hebben, wat het ook kost!” zei
Helène. „Je moet er van daag naar toe, met den eersten den besten
trein, dan ben je voor den middag terug en merkt pa er niets van. Ik
zal je de tien gulden meegeven.”
Hoe Helène aan die tien gulden kwam? Dat zal ik u zeggen. ’t Was van ’t
huishoudgeld, hetwelk haar vader haar dien morgen gegeven had. Nu
redeneerde zij dus: in ’t begin van Januari krijg ik ’t honorarium voor
’t geleverde verhaaltje, tot zoolang laat ik sommige benoodigdheden
opschrijven en dan betaal ik ze van dat geld. Daarbij had ze van den
zoogenaamden meneer Radinus weer een stuk om te copiëeren ontvangen en
als dat af was, had ze ook weer contanten.
Rudolf vertrok met den eerstvolgenden trein naar Amsterdam en begaf
zich terstond naar den winkel van Mozes Zadok.
„Ha, jongeheer!” zei Mozes even vriendelijk als de vorig maal. „Ik had
je al lang verwacht. Kom je eindelijk je horlogetje inlossen?”
„Dat is te zeggen; ik kom u de helft op het voorgeschoten geld
betalen,” antwoordde Rudolf; terwijl hij vijftien gulden nedertelde.
„Nu zul je me plezier doen, me ’t horlogetje mee te geven; dan breng ik
je de rest binnen korten tijd.”
Mozes nam de vijftien gulden op, borg ze weg, schreef ze in zijn boek
als betaald op, gaf Rudolf daarop een kwitantie.
„Vijftien gulden afgedaan. Ziedaar ’t bewijs.”
„En nu ’t horlogetje?” zei Rudolf.
Mozes begon te lachen.
„Maar, vriendlief! Dat je onnoozel was heb ik dadelijk gemerkt. Maar
dat je zoo’n kalf van een jongen bent, had ik niet gedacht. Ik geef je
dertig gulden op een horloge, en nu zou je willen dat ik je ’t horloge
voor vijftien terug gaf. Dan moest ik immers half gek zijn en op die
manier zou ik gauw in ’t armhuis komen!”
„Maar ik ben een eerlijke jongen en je kunt er op rekenen, dat ik ’t je
spoedig breng. Ik kom hier in de stad in betrekking en dan doe ik je
alle maanden vijf gulden af.”
„Dat zal me veel plezier doen; want ik ben ook tevreden met kleine
payementen,” antwoordde Zadok. „Maar je kunt toch niet denken, dat ik
mal genoeg ben, om ’t horloge terug te geven, voor de vijf en veertig
gulden geheel afbetaald zijn.”
„Dertig gulden, meent u,” zeide Rudolf. „Ik heb u immers vijftien terug
gegeven.”
„Nu juist,” zei Zadok. „Vijftien en dertig is vijf en veertig. Of dacht
je, dat we je zoo maar voor pleizier ons geld leenden en er je goed op
den koop toe voor bewaarden? Daarvoor heb je toch zeker te lang school
gegaan. Dertig gulden heb ik u geleend, jonge heer! Vijftig percent
interest is vijftien gulden—dat maakt vijf en veertig gulden. Je bent
er nog goedkoop af, en dat komt omdat je door meneer Zalmvoort
gerecommandeerd was; anders rekenen we voor zulke postjes vijf en
zeventig percent, en er zijn er van ons slag van menschen, die zelfs
honderd percent vragen. Menigeen is blij, als hij het tegen honderd kan
krijgen.”
Rudolf stond het huilen nader dan het lachen. Zoo was hij dan in handen
van een woekeraar gevallen! O, dat hij zoo dwaas, zoo slecht gehandeld
had! Zonder een enkel woord te spreken, verliet hij de kamer en den
winkel van Mozes Zadok en spoedde zich naar ’t station van den
Oosterspoorweg. ’t Was of hem de straatsteenen tegen ’t hoofd sprongen,
terwijl hij voortliep. Zijn hoofd bonsde als een hamer en hij
verwenschte Mozes, Gerrit, ja zich zelf, dat hij zich in zulk een strik
had laten vangen. Eerst toen hij in den waggon zat en de trein stoomend
voortrolde, kwam hij tot zich zelf.
„’t Eenige wat ik doen kan, is, dat ik Helène de volle waarheid zeg,”
besloot hij. „De zaak ligt er nu eenmaal toe, er is niets aan te
veranderen.”
Zoodra hij thuis kwam, zocht hij Helène op en bracht haar op zijn
kamer.
„Waar is ’t horloge?” vroeg zij.
„In veilige bewaring,” antwoordde hij. „Maar ik heb ’t niet kunnen
meekrijgen!”
„Wat is er dan mee gebeurd?” vroeg zij.
„Er is niets mee gebeurd,” antwoordde hij. „Doch ga zitten; dan zal ik
je de volle waarheid meedeelen.”
Ze ging zitten en hij zette zich tegenover haar.
„Wanneer ik je alles zeg, zul je mij misschien voor minder slecht
houden, dan je zou doen, indien je ’t niet wist. Luister daarom bedaard
toe, en geloof dat ik geen woord zeg, of ’t is volkomen waar.”
„Daar vertrouw ik op, Rudolf,” antwoordde Helène.
„Welnu, vóór pa zijn geld verloor, was ik een der royaalste jongens op
de kostschool; want ik had altijd zakgeld in overvloed. Ik wist nog
niets van pa’s ondergang, maar kreeg de gewone toelage niet. Dat
hinderde mij volstrekt niet; want ieder der jongens wou mij graag
leenen, wat ik te kort kwam. Vooral één jongen, een zekere Gerrit
Zalmvoort, de zoon van een rijkgeworden komenijsbaas, zooals ik later
vernam, was een van hen, die altijd zijn beurs voor mij openstelde. Ik
leende zonder schroom; doch toen mijn zakgeld te lang uit bleef,
schreef ik pa, om ’t mij te zenden. En nu antwoordde pa mij, dat ik
voortaan slechts op een gulden per week kon rekenen; want dat hij niet
meer kon geven. Ik begreep die reden van bezuiniging niet; later vernam
ik, wat er van de zaak was, en toch moest ik op de school de eer van pa
ophouden.”
„Door geld te leenen?” vroeg Helène.
„Neen, door ’t geleende te betalen en mij toch royaal te toonen.
Zoodoende ben ik langzamerhand de schuldenaar van Gerrit geworden, tot
ik hem ruim vijf-en-twintig gulden schuldig was, tenminste zooals hij
later beweerd heeft. Ik had er geen boek van gehouden en moest het dus
maar op zijn woord gelooven. Toen werd ik ziek en moest eensklaps naar
huis.”
„Maar hoe staat dat alles in verband met mijn horloge?” vroeg Helène.
„Luister,” hernam Rudolf. „Je weet, hoe ik je ’t horloge voor de
maanden, die ik nog op school zou zijn, aftroggelde. Ach! hadt je ’t
mij maar blijven weigeren; ik zou er beter aan toe geweest zijn. Want
juist dat horloge was er de schuld van, dat de sluwe Gerrit, die zeker
bang was, zijn geld niet terug te krijgen, daarin ’t middel zag om tot
betaling van mijn schuld te geraken.”
En nu vertelde hij haar zonder omwegen en uitgebreid alles wat we reeds
weten. „Maar,” eindigde hij, „ik zal niet rusten, vóor ik dien ouden
schurk de dertig gulden betaald en je ’t horloge teruggegeven heb.”
Helène had hem geduldig tot den einde toe aangehoord en in haar hart
klonk het woord: „vergiffenis.” Alles wel beschouwd, was Rudolf meer
onbezonnen dan misdadig.
„’t Is goed dat je nu de volle waarheid gezegd hebt,” zei ze met van
ontroering bevende lippen. „Ik vergeef je van harte wat je gedaan hebt.
De zaak ligt er nu eenmaal toe en met Gods hulp hopen we ’t horloge
eenmaal terug te krijgen. Ik wil je in ’t geheim meedeelen, dat ik
tegenwoordig van tijd tot tijd eenig geld verdien met copiëeren, ook
met zelf voor de pers te schrijven. Van dat geld heb ik je de tien
gulden voorgeschoten. Met wat ik nu verdien en wat jij kunt overhouden,
zullen we zien, de dertig gulden gauw bij elkander te krijgen. En dan
als ’t horloge terug is, zet je nooit weer een voet bij dien ellendigen
Mozes Zadok.”
„Daar zal ik wel voor oppassen,” antwoordde Rudolf. „Bij dien kerel zet
ik nooit een voet weer in huis, zoodra ik van hem af ben.”
En zoo was die zaak tusschen broeder en zuster geregeld en de vrede
tusschen hen hersteld.
’t Liep intusschen naar Nieuwjaar. Met het sluiten zijner boeken was
meneer Nederhorst op de gedachte gekomen, dat er nog enkele
kostbaarheden zijner vrouw moesten wezen, welke hem als echtgenoot en
voogd zijner kinderen moesten zijn uitgeleverd en onder zijn beheer
gesteld. Zoo herinnerde hij zich een paar juweelen bellen, een
diamanten speld en ook haar horloge. Flauw stond het hem nog vóor, dat
Helène hem daarvan iets had medegedeeld, als zou zijn vrouw die dingen
aan haar kinderen vermaakt hebben; doch dat getuigenis deed weinig bij
hem af. Van rechtswege behoorden ze hem toe, en waartoe zou hij die
renteloos laten liggen wanneer hij ’t geld dat ze waard waren, best kon
gebruiken? Alleen ’t horloge wou hij niet verkoopen; daaraan hechtte
hij een bijzondere waarde, omdat het een geschenk was, dat hij zijn
vrouw gegeven had, toen Helène, hun oudste dochter, geboren was.
„Niemand kan mij omtrent een en ander beter inlichting geven dan Helène
zelf,” zei hij, en begaf zich naar haar kamer, waar ze toevallig aan ’t
opredderen van den boel was.
„Helène,” zei hij. „Heb je me indertijd niet verteld, dat ma de haar
toebehoorende kleinoodiën aan jou ter hand gesteld had, om die voor je
broers en zusters te bewaren als ze oud genoeg waren?”
„Ja, pa,” antwoordde zij. „Ma heeft dat den avond toen u vertrokken
was, uitdrukkelijk bepaald.”
„Zoo, laat ze mij eens zien,” ging hij voort.
Helène haalde de juweeldoos met de door haar moeder verdeelde
kleinoodiën voor den dag en zette die op de tafel.
Meneer Nederhorst bekeek eerst de pakjes.
„Dat is er door jou opgeschreven,” zei hij. „Waarom heeft ma er dat
zelf niet opgezet?”
„Omdat ze te zenuwachtig was; daarom verzocht ze mij, dat te doen,”
antwoordde Helène, haar vader verwonderd aanziende.
„Maar dat alles heeft voor mij niet de minste waarde,” zei hij.
„Hoe meent u dat, pa?”
„Hoe ik dat meen? Wel, dat ik niet behoef te gelooven, dat ma dat juist
zoo bepaald heeft.”
Helène bemerkte nu wel, waar haar vader heen wilde. Hij scheen haar te
wantrouwen en dat denkbeeld joeg haar een blos op de wangen en de
tranen in de oogen.
„Dus zoudt u denken, dat ik dit maar zoo willekeurig bepaald had?” zei
ze.
„Dat denk ik niet en zeg het nog veel minder. Maar weet je wat je
plicht geweest was? Je had mij terstond met deze schikkingen moeten
bekend maken en de voorwerpen niet onder je gehouden hebben.”
„Hoe kon ik dat, pa? Toen u zag, dat ma gestorven was, viel u in een
bewusteloosheid, die dagen lang door ijlende koortsen gevolgd werd. En
toen ik er u later over sprak, luisterde u in ’t geheel niet naar me.”
„In alle gevallen is ’t nu tijd, om de fout te herstellen. Indien ik op
dien noodlottigen avond thuis geweest was, zou je moeder mij die zaken
hebben toevertrouwd en bij mijn afwezigheid stelde ze die jou ter hand,
natuurlijk om ze mij over te geven. Ik ben de eenige, die daar recht op
heeft, en ’t staat geheel aan mij, of ik de beschikkingen der
overledene ten uitvoer wil brengen of niet.”
„Ma heeft de pakjes zelf gemaakt en mij gedicteerd, wat ik er moest
opschrijven,” zei Helène.
Meneer Nederhorst nam nu eerst het pakje van Leonie, las het opschrift,
deed het open en vond daarin de juweelen oorbellen. Hierop vouwde hij
’t weer net zoo toe als ’t gezeten had, en deed zoo met al de andere
pakjes. Daarop keek hij Helène aan.
„Er is niets voor jou bij. Wat had ma je toegedacht?”
„Haar horloge met gouden ketting.”
„En waarom ligt dat hier niet bij?”
„Omdat ma mij zei, dat ik het mocht dragen, daar ik zestien jaar oud
was.”
„En ik zie ’t je nu niet aanhebben? Laat het mij eens zien. ’t Horloge
maakt geen uitzondering.”
„Ik kan ’t u niet laten zien, pa,” antwoordde Helène; terwijl ze tot
achter haar ooren bloosde.
„Waarom niet? Ik zou wel eens willen weten, waarom niet,” hernam meneer
Nederhorst, eenigszins ongeduldig.
„Omdat ik het op ’t oogenblik niet hier heb,” antwoordde Helène
bedeesd.
„Waar is het dan?”
Een oogenblik wilde Helène zich door een der leugens redden als Rudolf
had willen doen; ze verwierp dit denkbeeld terstond, en zei:
„In goede bewaring.”
„Waar dan?”
„Dat kan ik u niet zeggen, pa.”
„Wat, kun je me dat niet zeggen?” riep hij uit. „Je hebt het gebroken
en ’t is bij den horlogemaker!”
„Ik heb ’t niet gebroken en ’t is dus niet bij den horlogemaker,”
antwoordde ze vastberaden en kalm.
„Dan heb je ’t verloren.”
„Ook niet, pa.”
„Of aan Leonie gegeven!”
„Ook niet, pa,” antwoordde Helène, bitter schreiend, maar toch bedaard.
„Waar drommel is dan ’t erfstuk van je moeder?” zei meneer Nederhorst.
„Pa!” zei Helène, nu in snikken uitbarstende, „ik mag het u niet
zeggen. ’t Is goed bewaard en ik zal het spoedig terugkrijgen.”
Meneer Nederhorst stond op en verliet het vertrek. Bij ’t heengaan
wierp hij een doorborenden blik op haar. En toch vond ze, dat ze niet
anders had kunnen handelen. Als ze haar vader verteld had, dat het
horloge bij een woekeraar was, zou hij naar Amsterdam getrokken zijn;
hij zou zijn broeder in de zaak gehaald hebben—en Rudolfs geheele
toekomst was verwoest geworden—want oom Walburg zou geen jongeling als
zoon aannemen, die reeds als knaap zich in de handen van woekeraars had
overgegeven.
Toch aarzelde ze nog tusschen ’t leed, dat ze zichzelf op den hals
haalde en dat wat haar vader zou treffen, als zoo op eenmaal al zijn
goeden gedachten van Rudolf de bodem werd ingeslagen, toen ze ’t oog
ophief naar ’t groote fotografisch portret harer moeder, waarvan elk
der kinderen voor een paar jaren een exemplaar cadeau gekregen had, dat
haar als ’t ware met haar vriendelijken glimlach toeriep:
„Helène! Spaar je vader en Rudolf! Lijd om mijnentwil liever verdenking
en verachting, hoe onverdiend ze ook mogen zijn. God zal alles te
zijner tijd wel aan ’t licht brengen!”
Rudolf was juist dien dag naar Amsterdam, om kennis te maken met de
kantoorwerkzaamheden, welke hij te verrichten zou hebben en met behulp
van den eersten klerk zijner afdeeling een fatsoenlijke, maar niet al
te dure kamer te huren. Verder zou hij dien middag bij oom dineeren en
eerst tegen den avond terugkomen. Meneer Nederhorst beval Trui, hem het
eten op zijn kamer te brengen en dat zelf te doen. In den toestand,
waarin hij zich bevond, kon hij Helène niet tegenover zich zien zitten.
’t Was een treurige maaltijd voor ’t meisje, toen ze daar met haar
broertje en zusje alleen aanzat en deze haar vroegen, waarom pa niet
kwam en waarom haar oogen zoo rood zagen van ’t schreien.
„Pa is niet heel goed in orde, en daarom blijft hij boven.”
„Zou hij dan weer ziek worden, zooals verleden jaar?” vroeg Dora.
„Toen we naar Amsterdam zijn gegaan en bij oom en tante gelogeerd
hebben,” zei Alfred.
„Dat zou prettig zijn!” zei Dora opgewekt.
„Dat pa ziek werd?” vroeg Helène zacht en vriendelijk.
„Neen, dat we weer eens bij oom en tante in Amsterdam gingen logeeren,”
verbeterde Dora. „O, daar hebben ze zoo’n grooten tuin en Anne en Emmy
hebben zulk mooi speelgoed.”
„Een olifant, die in een kring rond rijdt en zijn snuit beweegt net als
een levende olifant,” zei Alfred.
„En een pop, die haar oogen verdraait en papa en mama zegt,” voegde
Dora er bij.
Helène liet de kinderen praten en voegde er slechts nu en dan een enkel
woordje bij: ’t was haar een weldadige afleiding, dit ongekunstelde
gesprek aan te hooren.
ELFDE HOOFDSTUK.
ONWEERSWOLKEN.
Rudolf kwam vroolijk en opgewekt thuis. Terstond ging hij naar zijn
vader en deed hem van ’t een en ander verslag. Meneer Nederhorst werd
er door uit zijn kwaden luim opgewekt.
„Best, mijn jongen!” zei hij. „En dus ging dat alles goed? Ik twijfel
er niet aan of je zult spoedig op de hoogte zijn. Doch vooral twee
zaken, waarop men in Amsterdam op de groote kantoren zeer gesteld is:
precies op tijd komen en accuratesse in zaken. Ik zal nog pleizier van
je beleven en je zult mij troosten voor ’t verdriet, dat mijn andere
kinderen me aandoen.”
„Hoezoo, pa?” vroeg hij.
„Dat doet er niet toe. Laat me nu alleen; ik heb nog dringende zaken,
die van avond af moeten.”
Rudolf vertrok.
„’t Is goed, dat hij in andere handen geweest is,” dacht meneer
Nederhorst. „Hoe gelukkig dat mijn vrouw er op aandrong, hem uit huis
te doen. Wie weet, wat er van hem terecht zou zijn gekomen, zonder
moederoog! O! Marie! waarom moest je me zoo vroeg ontnomen worden, of
liever waarom zoo vroeg aan je kinderen ontrukt! Leonie—de
onverschilligheid zelf: zij taalt niet naar ’t ouderlijk huis; maar dat
is haar ook te klein en te gering.... en Helène, op wie ik al mijn
vertrouwen stelde.... heeft mij bedrogen—schandelijk bedrogen!”
Hij bleef eenigen tijd met de hand onder ’t hoofd zitten en gaf zich
geheel en al aan zijn verdrietige gedachten over. En misschien was het
goed, dat hij op die wijs nog eens op de zaak terug kwam; daar hij nu
bedaarder kon denken.
„Waar ’t horloge is!” zei hij in zich zelf. „Verloren kan ze ’t niet
hebben; dat is onmogelijk: want ze droeg het nooit. Of ze moest het
Leonie hebben meegegeven en die moest het verloren hebben—dat is
mogelijk. Maar ze heeft me verzekerd, dat ze ’t haar niet heeft
gegeven, dat het niet bij den horlogemaker is. Zou ze ’t dan soms in de
Bank van leening gebracht hebben! O, God! Waartoe kan iemand komen! ’t
Horloge van mijn vrouw—in de Bank van leening! In alle gevallen, dan is
’t hier in de stad! Misschien heeft ze een vreemden naam opgegeven! Dat
zou nog ’t verstandigst zijn. Zou ze ’t Trui hebben laten wegbrengen?
Zeker wel! En dan op Trui’s naam. Daar is geen twijfel aan. Morgen ga
ik naar de Bank van leening, en vraag, of er ook op dien naam een
gouden dameshorloge met ketting is ingebracht.... Maar.... ik heb op ’t
oogenblik geen geld genoeg om het te lossen; want wie weet, hoeveel er
op gegeven is....”
Meneer Nederhorst bleef voor eenigen tijd in diep gepeins verzonken
zitten.
„Veel geld!” hernam hij weer halfluid, den draad zijner gedachten
hervattende. „Waartoe kan Helène veel geld noodig gehad hebben? Aan
haar toilet besteedt ze ’t niet—Leonie zei me nog, toe ze er was, dat
het schande was, zooals Helène er uitzag. Maar ze heeft kleeren voor
Dora en Alfred gekocht en ze me niet in rekening gebracht. Toen Walburg
hier met Leonie en Louise gelogeerd was, heb ik haar gezegd, dat ze
geen kosten zou ontzien.... en heb ik haar geen cent meer huishoudgeld
gegeven. O, zeker is ’t mijn schuld, eigenlijk de schuld mijner
armoede, dat ze ’t gedaan heeft. ’t Zal haar vrij wat gekost hebben van
het dierbaar kleinood harer moeder te scheiden, die ze als een heilige
vereert! Arme Helène! Hoe heb ik je kunnen verdenken!... Nu zal ze
zeker trachten, dat geld langzamerhand op te sparen en het dan te
lossen! Dat zal lang duren en dan komt er de interest bij!... Maar
waarom ’t mij niet royaal gezegd!... O, ik begrijp het: ze wilde niet,
dat ik de schande zou gevoelen, dat mijn goed naar de lombard gebracht
is! De slag, indien ik die zoo op eens uit haar mond gehoord had, zou
mij doodelijk hebben kunnen zijn. Laat ons dus vooreerst de zaak op
haar beloop laten en er over zwijgen. In alle gevallen—als Helène er
niet eerst over spreekt, zwijg ik er van.”
Terwijl meneer Nederhorst zoo in zich zelf zat te redeneeren en
Helène’s schuld in zijn ziel vergoelijkte, zat de arme schuldelooze en
zoo zwaar verdachte op haar kamer te schreien. Ze had het verhaaltje
voor haar genomen, dat ze voor het Tijdschrift van meneer Radinus
bestemd had; maar de denkbeelden wilden niet komen; ze was daartoe ook
in geen gemoedsstemming. Toen had ze ’t weggeborgen en het copieerwerk
ter hand genomen; maar haar tranen beletten haar te werken en de
letters dansten haar voor de oogen. Daar werd gescheld. ’t Was Rudolf,
dat hoorde ze aan zijn stem, en hij ging terstond naar pa.—O, als hij
zich maar niet versprak; want pa zou hem zeker wel naar ’t horloge
vragen. Als hij zich versprak, was ’t in alle gevallen beter voor haar.
Haar vader zou misschien op ’t oogenblik driftiger worden, maar veel
meer tot vergiffenis gezind zijn, als hij de zaak uit Rudolfs mond
hoorde, dan wanneer de knaap door haar beticht was. Hij kon dan ook
beter de redenen tot zijn verdediging aanbrengen, dan zij het doen kon.
Het duurde niet lang, of Rudolf verliet zijn vader’s kamer en trad de
hare binnen. Vroolijk en opgeruimd als hij was over zijn welbesteden
dag en de ontvangst bij zijn vader, was hij verwonderd, Helène zoo in
tranen te vinden.
„Wat is er?” vroeg hij welwillend en hartelijk.
„Heeft pa je niet naar ’t horloge gevraagd?” vroeg zij.
„Naar ’t horloge? Hoe dat?”
Helène verhaalde hem, wat er gebeurd was.
„Dan ga ik ’t hem zelf vertellen,” zei Rudolf met edele
verontwaardiging. „Ik wil niet, dat er door mijn schuld op jou eenige
verdenking rust.”
Helène hield hem tegen.
„Laat dat,” zei ze. „Zooals de zaken nu staan, is ’t misschien beter,
dat pa maar in zijn waan blijft. Ik geloof niet, dat hij op ’t
oogenblik dertig gulden kan missen, om ’t horloge te lossen. En dat zou
hij toch willen doen, als hij ’t wist. Dan had je kans, dat hij ’t bij
oom Walburg leende, en,—je kent hem genoeg—in de eerste drift zou hij
de geheele historie meedeelen. En welk een begin zou dat voor jou zijn
aan de Bank? De zaak ligt er nu eenmaal toe, en in de helft, uiterlijk
’t laatst van de maand hoop ik wel zooveel bij elkander te hebben, dat
ik met wat jij overgespaard hebt, de dertig gulden heb om het in te
lossen.”
„Maar waarvan wil je dat bij elkander halen?” vroeg Rudolf.
„Ik werk immers voor de pers,” antwoordde Helène. „Van hetgeen ik
daarmede verdien, kleed ik Dora en Alfred, maak ik de bijzondere
uitgaven goed, en hoop ik ook ma’s horloge terug te krijgen.”
„Maar dan ben je een opofferende engel, Helène!” riep Rudolf uit. „O,
God! en dan zoo verdacht te worden! Neen, ik vlieg naar pa en werp mij
voor zijn voeten! Hij moet het weten, wie de schuldige is.”
Helène stond op, vatte hem bij den arm en bracht hem naar ’t portret
van hun moeder.
„Kort voor haar sterven,” zei ze plechtig, „verzocht ze mij pa ’t lot
zooveel mogelijk te verzachten. De arme man heeft al genoeg verdriet.
Welnu, Rudolf, op dit oogenblik sta ik hier in de plaats van onze lieve
moeder, en als door haar mond smeek ik je: maak pa niet ongelukkiger
dan hij reeds is. Als hij me vraagt, waarom ik ’t horloge verpand heb,
kan ik hem zeggen, dat Dora en Alfred kleeren moesten hebben, dat het
logeeren van oom, Louise en Leonie bijzondere onkosten eischte; ik kan
hem bewijzen, dat ik geen cent aan mijn toilet heb besteed, dat ik
zelfs de twee gouden tientjes, die oom mij bij zijn vertrek in de hand
stopte, geheel en al aan de huishouding en een paar warme en stevige
winterlaarzen voor Dora en Alfred besteed heb—en hij zal beschaamd
moeten zwijgen, al moge hij ’t middel niet goed keuren. Hij weet zelf
maar al te goed, hoe ik om meer bij hem heb aangehouden, en zal dan
tevens vernemen, hoe ik, al wat ik met copiëeren van slecht leesbaar
schrift verdiend heb, in dien bodemloozen put—het huishouden heb
geworpen. En dat alles heb ik gedaan ter liefde van ma, wier
nagedachtenis mij is als die eener heilige. In den naam van die heilige
nu vraag ik je, kan jij hem zulke gronden voor ’t verpanden van ’t
horloge voorleggen?”
„Neen,” antwoordde Rudolf met een gebroken hart.
„Ik zei ’t niet, om je eenig verwijt te doen,” vervolgde ze. „Ik zei ’t
alleen, om je te overtuigen, hoe pa, ’t ware van de zaak wetende, diep
ongelukkig zou zijn, en hoe ’t slechts van mij afhangt, om, door de
schuld op mij te nemen, hem zelf tot onwilligen medeplichtige van de
daad te maken. Wanneer je daarentegen je zelf gaat aangeven, maak je
hem diep ongelukkig. Dat kan die lieve moeder niet gewild hebben.”
Rudolf viel haar om den hals.
„Helène!” riep hij uit. „Voortaan beschouw ik je als mijn moeder. Leid
mij ten goede, zooals zij zou gedaan hebben.”
„O, als ik maar sterker was!” zuchtte Helène. „Je zult er dus niets van
aan pa zeggen?” voegde zij er kalmer bij.
„Ik beloof ’t je.”
„Ook aan niemand, dat ik voor de pers werk?”
„Waarom niet?”
„Omdat ik daar mijn bijzondere reden voor heb.”
Vrij wat bedaard, borg ze haar werk op.
„Kom, laat ons naar beneden gaan, voor het avondeten. Ik zal dat van pa
door Trui boven laten brengen, ze heeft het van middag zijn diner ook
moeten doen. ’t Is dan ook maar beter zoo. Ik kan zijn verachting beter
verdragen, wanneer ik niet bij hem ben, dan wanneer hij mij met die
doorborende blikken aanziet.”