geheel en al opleefde. Sedert haar moeders dood had Helène hem zoo
opgeruimd niet gezien. Hij kuste Leonie hartelijk en riep er over, dat
ze zoo gegroeid was en er zoo goed uitzag. ’t Hinderde Helène wel
eenigszins haar zuster, die niets voor haar vader deed, zoo met
liefkozingen overladen te zien, terwijl er voor haar, die zoo zorgde en
zwoegde, ter nauwernood een goed woord overschoot. Meneer Nederhorst
was grootsch op zijn tweede dochter, die in haar sierlijk toilet hem de
dagen van vroeger herinnerde en er inderdaad keurig uitzag; terwijl
zijn oudste in haar eenvoudig gewaad en met haar treurig, somber gelaat
hem dagelijks deed zien, tot welk een laagte hij gedaald was. Leonie,
de jonge, levenslustige, dartele dame der wereld, met haar lachend
gelaat, haar fladderende krullen, haar levendige oogen, vormde een
schreeuwend contrast met haar, het sombere, nadenkende meisje, dat oud
vóor haar jaren, daar in haar eenvoudige rouwjurk stond met groote
holle oogen, en haar eenvoudig opgemaakt, glad weggestreken en in een
bos krullen eindigend haar.
Hoe smartelijk Helène die onverdiende voorkeur van haar vader ook
aandeed, ze liet er haar niets van bemerken en kuste haar even
hartelijk welkom. Leonie beantwoordde dien welkomstgroet; doch toen,
haar zuster aandachtig bekijkende, zeide zij:
„Ben je ongesteld geweest, Helène?”
„Hoe dat?” vroeg deze.
„Je ziet er alles behalve goed uit,” antwoordde Leonie.
„Je oogen staan hol en groot,” voegde Louise er bij.
„Je zult het je verbeelden,” zei Helène. „Ik heb ’t met de zieken, die
er hier in huis geweest zijn, nog al druk gehad.”
Ofschoon ’t zonder erg gezegd was, voelde Leonie toch ’t verwijt, dat
er in die woorden gelegen was. Noch tijdens de ziekte van haar vader,
noch gedurende die van Rudolf had ze een enkele poging aangewend om
Helène in ’t oppassen der zieken te ondersteunen. Ze wendde het dus
terstond op een ander onderwerp.
„’t Zal wel tijd zijn,” zei ze, „om je voor het diner te gaan kleeden,
Helène.”
„Ik ben al gekleed,” antwoordde Helène.
„Maar Helène!” riep Louise uit. „Is dat een japon om aan het diner te
verschijnen?”
„Waarom niet?” vroeg Helène. „Je weet evengoed als ik, dat ik geen geld
heb, om veel aan mijn toilet te besteden.”
„Vergeef me, dat ik het zei,” hernam Louise. „Ik wist niet, dat je zoo
arm was. Jij wist dat, Leonie, en ’t had je mooier gestaan, dat je, in
plaats van al je geld aan beuzelingen te besteden, een paar cadeaux
voor je zuster had meegebracht.”
„Volstrekt niet; daar zou je me toch geen pleizier mee hebben gedaan,”
zeide Helène blozende. „Ik ben heel tevreden met mijn eenvoudige jurk.
Wat zou ik aan al die linten en strikken hebben?”
Een bittere glimlach trok over haar gelaat: ze bekeek Leonie van ’t
hoofd tot de voeten en dacht, hoe ’t zou staan, als zoo’n dame de
kinderen aan- en uitkleedde, kamers deed, bedden opmaakte, ja soms wel
in de keuken hielp.
Sedert mevrouw Nederhorst gestorven was, was de piano schier niet open
geweest. Een enkele maal had Helène er op gespeeld; maar ’t waren alle
treurige en sombere stukken, welke zij koos en die, hoewel
overeenkomende met haar gemoedsstemming, weinig geschikt waren om haar
op te wekken. Zoodra ze vernomen had, dat haar zuster en haar nicht
zouden komen, had ze den pianostemmer ontboden en hem ’t instrument in
orde laten brengen. Toen nu ’t diner was afgeloopen, werd de
medegebrachte muziek voor den dag gehaald, en speelden Louise en Leonie
een paar quatremains; daarna zongen ze een paar vroolijke duetten, en
’t was of meneer Nederhorst geheel en al opleefde bij ’t hooren van die
voor hem zoo vreemd geworden tonen.
„Wel, Leonie!” zei hij met blijkbaar welgevallen. „Wat ben je
gevorderd. Kom, speel nog eens wat!”
Helène gevoelde wel eenige jaloezie. Haar had vader nog nooit opgewekt
om voor hem iets op de piano te spelen, en al had hij ’t gedaan, ze zou
’t nooit gewaagd hebben, voor hem een vroolijk stuk te kiezen. Toch
deed het haar genoegen, haar vader in zulk een opgewekte stemming te
zien—sedert hun het ongeluk trof, had zijn gezicht zoo vroolijk niet
gestaan.
Leonie was dien avond al geest en opgewektheid, wat er aan was. Ze
zong, ze danste, ze schertste, kortom ze vloeide over van vernuft en,
zonder het te weten of te willen, stelde ze de sombere, stroeve Helène
zoodanig in de schaduw, dat deze er zich verdrietig over gevoelde, ’t
geen er toe strekte, om haar zuster nog meer op den voorgrond te doen
komen. Steeds onder menschen verkeerende, had zij al de vrijheid van
manieren, welk daar ’t gevolg van is, had ze de geestigste invallen,
gaf haar vader de vleiendste namen en wist hem zóó in te nemen, dat hij
geheel en al vergat, hoe hij zich meermalen over haar beklaagd had, dat
ze zoo onverschillig was en zoo weinig schreef.
Toen de jongelui de kamer verlaten hadden, bleven de beide zwagers nog
onder een glas wijn zitten, en begon meneer Walburg over de eigenlijke
reden te spreken, die hem hierheen gevoerd had, namelijk over de
toekomst van Rudolf.
„Met de aanstaande kerstvacantie komt hij voor goed van school,” zeide
meneer Nederhorst. „En ik geloof, ofschoon ’t mij een groote opoffering
geweest is, dat ik mij geluk mag wenschen, hem nog een jaar te hebben
school gelaten. Al de berichten, welke ik van zijn onderwijzer krijg,
luiden gunstig. Hij heeft zijn tijd goed besteed, en is, van nature
vlug zijnde, zeer voldoende in alle zaken gevorderd.”
„En wat ben je nu voornemens, met hem te doen?” vroeg meneer Walburg.
„Dat is juist de zwarigheid, en ’t was daarom, dat ik je raad en
voorlichting wenschte. Ik heb gedaan, wat ik kon; meer doen kan ik
niet, daar mijn middelen ’t mij niet veroorloven. Helaas! ik had zulke
schitterende plannen met hem; hij zal zijn toekomst nu zelf moeten
banen.”
„In ’t geheel zoo kwaad niet,” hervatte meneer Walburg. „Veel beter
voor jonge menschen, dat ze zich een toekomst moeten maken, dan wanneer
ze haar als gesneden koek voor zich vinden.”
„Dat is zeker waar,” zei meneer Nederhorst. „Maar ik ben sterfelijk, en
kan mijn kinderen nagenoeg niets nalaten. Als broeder zou dan de zorg
voor zijn zusters en jongeren broer op hem rusten.”
„Ho, ho, wat!” zei meneer Walburg. „Leonie is bij mij, Helène zal zelf
haar toekomst wel banen; dan blijven Dora en Alfred nog over, en wij
zijn er ook nog. In alle gevallen trek je je ’t ongeluk te zeer aan. Je
hebt je goeden naam aan de beurs behouden en je schulden tot den
laatsten cent betaald. Zelfs je ergste vijand zou niet anders van je
kunnen zeggen, dan dat je een eerlijk man bent.”
„Eerlijk, maar ten koste van mijn vermogen, Walburg,” antwoordde meneer
Nederhorst. „Niemand weet het, hoe geldelijke zorgen mij steeds
drukken.”
„Ik heb je een voorstel te doen, Nederhorst,” hervatte de andere: „Aan
de Bank, waarvan ik directeur ben, komt met Januari een betrekking
vacant. ’t Is natuurlijk een zeer inferieure, doch ze zal genoeg
opbrengen om er in Amsterdam zuinig van te leven. Indien Rudolf goed
oppast, zal hij, wanneer hij zich spoedig op de hoogte der zaken stelt,
weldra verhoogd worden. Rudolf is een ferme jongen en ik twijfel er
niet aan, of hij zal zijn best doen. Nu heb ik u ’t volgende plan
gevormd. Ik heb, helaas! geen zoon. Welnu, als Rudolf goed oppast en
zorgt, dat hij vooruit komt, dan neem ik zijn toekomst op mij en zal
hem ’t noodige kapitaal verschaffen, om mij door den tijd als directeur
van onze Bank op te volgen. Natuurlijk zal dat nog jaren duren; maar
dan is ook zijn fortuin gemaakt.”
„Voor mij zelf zou ik niets willen aannemen,” zei meneer Nederhorst.
„Voor mijn zoon alles. Ik ben je dankbaar voor je voorstel, en
accepteer het met beide handen. Je ontlast me van een mijner meest
drukkende zorgen!”
„Doch ik stel een voorwaarde. Rudolf mag van mijn plannen niets weten.
Hij zelf moet er voor zorgen, om vooruit te komen, ook zonder ’t
uitzicht van eenig kapitaal te zullen bezitten.”
„Natuurlijk, en ik zal mij wel wachten, er hem ook de mogelijkheid van
te laten doorschemeren. ’t Zou zijn toekomst bederven, als hij wist,
dat hem de weg al gebaand is.”
Met een opgeruimd hart wees meneer Nederhorst zijn zwager de voor hem
bestemde kamer, en begaf hij zich naar de kamer van Helène. Hij kwam
haar op den drempel tegen; want ze had nog ’t een en ander voor hem in
orde gebracht.
„Hoe, nog niet naar bed?” vroeg hij.
„Ik had het een en ander te doen,” antwoordde zij.
„Hoor eens, Helène. Het diner was vandaag alles behalve in orde. Zorg,
dat er morgen meer op tafel is. Als Trui ’t alleen niet af kan, geef
haar dan iemand, die haar helpen kan. Wat zou je oom wel van ons
denken?”
„Ik heb gedaan, wat ik kon, pa,” zei Helène, terwijl haar de tranen in
de oogen schoten. „U weet zelf, hoe onze geldelijke middelen staan, en
daar we maar één meid hebben.... Hij zal het ook wel begrijpen....”
„Wat je oom begrijpt, kan mij niet schelen. ’t Moet morgen beter zijn,
ik wil het.”
„Hier is uw kamer, pa,” zei ze, de deur opendoende. „Ik hoop dat ze
naar uw zin is.”
„Heel goed,” zei haar vader, terwijl hij met een tevreden blik de kamer
rond keek. „Rust wel!”
De arme Trui had het den volgenden dag geducht druk met koken en braden
en ofschoon ’t wel tegen den vorm streed, kwam Helène dien morgen niet
voor den dag, daar ze de meid in de keuken hielp. Ze verontschuldigde
zich, toen haar oom haar uitnoodigde, een rijtoertje mee naar Hilversum
te doen en wist hem over te halen, Dora en Alfred in haar plaats mee te
nemen, ’t geen een heele uitgang voor de beide kinderen was, wien zoo
iets natuurlijk nooit ten deel viel. Het diner was dan ook dien dag
rijkelijker voorzien dan den vorigen, maar ten koste van nieuwe
schulden en een afmattenden arbeid van Helène. Hoe aangenaam haar ’t
bezoek ook was, ze was toch blij, dat de gasten den volgenden morgen
weer vertrekken zouden. Dien avond kwam Leonie bij haar op de kamer.
„Hoor eens, Helène,” zei ze. „Hoe staat het toch met pa’s zaken? Je
schijnt hier nog maar altijd in dit kleine huis te blijven wonen. Zou
er geen uitzicht zijn, spoedig een betere woning te betrekken?”
„Ik vrees van neen,” antwoordde Helène. „’t Valt mij al moeilijk
genoeg, om van hem geld voor de noodzakelijkste dingen te krijgen.”
„’t Is miserabel,” zei Leonie. „Ik had nog al gedacht, spoedig weer
thuis te komen.”
„Jij thuis komen!” riep Helène verbaasd uit. „En je hebt het zoo goed
bij tante.”
„Nu ja, zooals de zaken thans staan, zou ik ’t ook niet verlangen. Ik
zou op den duur in dit enge huis en zoo bekrompen niet kunnen leven.
Maar dat neemt niet weg, dat ik, als de zaken anders waren, toch liever
thuis was. ’t Is niet plezierig, als men voor alles zoo geheel
afhankelijk is van anderen. Als ik geld wil hebben, moet ik er oom om
vragen, en hij heeft het mij al een paar malen geweigerd. Je begrijpt
wel, dat me dit hard viel. Als pa ’t gedaan had, dan was ’t wat anders
geweest.”
„Maar als ik jou was, zou ik nooit om geld vragen,” zei Helène. „Oom
geeft je toch zeker je vaste weekgeld.”
„Nu ja; maar men heeft wel eens niet genoeg daaraan. Ik krijg ook
zooveel zakgeld niet, niet eens het vierde part van Louise.”
„Die is ook ouder dan jij, en daarenboven hun eigen dochter.”
„Juist dat laatste kan ik zoo aan alles merken,” hernam Leonie. „’t
Hindert me, dat ze onderscheid tusschen ons maken. En dat doen ze; al
merken ze ’t misschien zelf niet op—ik voel het zeer goed.”
„Je bent onredelijk, Leonie,” zei Helène. „Oom en tante zijn waarlijk
veel te goed voor je, om hen van zoo iets te beschuldigen. Dat Louise
hun eigen kind blijft en dus de eerste en oudste brieven heeft, kun je
hun toch niet ten kwade duiden. Daarom zou ik mij, als ik jou was, maar
tevreden stellen met hetgeen ik had. Waarlijk, jij, aan zulk een leven
gewend, zou je hier onmogelijk meer thuis voelen. We hebben, en dat wil
ik je wel in vertrouwen meedeelen, gedurende je verblijf hier een
weelde tentoongespreid, waaraan we niet meer gewoon zijn. Voortdurend
is hier schraalhans keukenmeester, en hangt ons leven van ontberingen
aan elkander. Blijf dus stil waar je bent, en tracht zooveel te leeren,
dat je eens, als ’t noodig is, je zelf een onafhankelijk bestaan kunt
verschaffen.”
„In alle gevallen,” hernam Leonie hooghartig, „keer ik niet terug,
zoolang de omstandigheden hier blijven, zooals ze tegenwoordig zijn. Ik
zou er voor bedanken, mij af te sloven, zooals jij doet, en mijn jeugd
in zulk een omgeving door te brengen. Ik weet niet, hoe je ’t
uithoudt.”
Helène zuchtte, doch antwoordde niet.
„Als ik er maar wat meer dank voor inoogste,” lag haar op de lippen;
doch ze uitte de woorden niet, en zei alleen:
„’t Is tijd, om naar bed te gaan, Leonie. Maar eer we elkander goeden
nacht zeggen, moet ik je dezen zusterlijken raad geven: houdt wat je
hebt, en klaag niet over kleinigheden, die slechts in je verbeelding
bestaan. Bedenk, dat je geheel en al afhankelijk bent van oom en tantes
goedheid en tracht je dit waardig te maken.”
Leonie zei haar zuster goeden nacht. „Op stuk van zaken,” mompelde ze,
terwijl ze naar haar kamer ging, „is zij gelukkiger dan ik; want ze
behoeft niemand naar de oogen te zien.”
Den volgenden morgen vertrokken de gasten en drukte oom Walburg Helène
twee gouden tientjes in de hand, haar toefluisterende: „Voor je toilet,
lieve!” Natuurlijk was ’t cadeau van haar oom Helène aangenaam. „Dank,
oom!” zei ze. „Ik zal ’t er voor gebruiken.”
Doch in plaats dat ze dit deed, haastte ze zich er de gemaakte schulden
van af te doen, en niemand vernam van de zaak iets.
Trui werd voor al haar moeite ruimschoots schadeloos gesteld door een
rijke fooi, en ze zei tegen Helène, dat ze op dien koop nog wel eens
zoo’n drukte wilde hebben.
’s Middags, nadat het nu weer dood eenvoudige diner was afgeloopen en
de kinderen weg waren, bleef haar papa tegen zijn gewoonte nog een
oogenblik zitten. Hij was blijkbaar opgeruimder dan hij in maanden
geweest was.
„Helène,” zei hij, „dat bezoek heeft mij goed gedaan.”
„Dat doet me pleizier, pa,” antwoordde zij.
„Oom heeft mij beloofd, voor de toekomst van Rudolf te zullen zorgen.”
„O, dat is heerlijk, pa!” riep ze met onverholen vreugd uit.
„’t Is een uitkomst, waarin ik in de verste verte niet van gedroomd
had!” vervolgde hij.
„O, wat zal Rudolf gelukkig zijn, als hij ’t hoort!”
„Maar hij mag ’t niet weten; dat heb ik oom moeten beloven. Je moogt er
hem dus niets van zeggen.”
„Ik beloof u, pa, dat ik zwijgen zal.”
„Vindt je niet dat Leonie in haar voordeel veranderd is?” vroeg meneer
Nederhorst. „Ze is een aardige, prettige meid geworden.”
„Ik geloof, dat ze bij oom en tante goed op haar plaats is, en zich
slecht weer hier zou kunnen voegen,” antwoordde Helène. „Daarom is ’t
ook maar gelukkig, dat ze er blijft.”
Meneer Nederhorst gevoelde de waarheid, welke er in Helène’s woorden
lag, en toch hinderde die waarheid hem. Dat antwoord miskennende, keek
hij haar aan en zei eenigszins scherp:
„Je bent zeker jaloersch op haar! Trouwens,” voegde hij er overtuigend
bij. „Er is ook nog al wat onderscheid in je beider positie, en ’t is
je niet kwalijk te nemen; want voor een jong meisje is je leven hier
vrij eentonig en verdrietig.”
„Ik wil met Leonie niet ruilen, pa,” antwoordde Helène. „’t Gevoel van
voor anderen werkzaam en nuttig te zijn, heeft ook zijn genoegens. En
zeker is ’t voor mij geen kleine zelfvoldoening, als ik mag zeggen, dat
ik ma’s laatste wensch vervul en u ’t leven zoo dragelijk mogelijk
maak. Die zelfvoldoening kan Leonie in alle gevallen niet smaken.”
Meneer Nederhorst was getroffen. ’t Was, als zag hij op dit oogenblik
de grootheid van Helène’s zelfopoffering in, waarvan hij echter het
tiendepart niet kende of waardeerde. Hij trok haar naar zich toe, kuste
haar en zei met tranen in de oogen:
„Je bent een goede, lieve, brave meid, Helène, weinigen die jou
gelijken!”
Toen stond hij diep bewogen op en ging naar zijn kamer, die Helène weer
geheel en al voor hem in orde gemaakt had. Wat haar aangaat, die
eenvoudige bekentenis van een vader, die zoo weinig haar verdiensten
inzag, maakte haar voor ’t oogenblik gelukkiger dan ze geweest zou
zijn, wanneer ze zich in Leonie’s plaats bevonden had, en deed allen
schijn van jaloezie verdwijnen. En ofschoon ze zeer goed wist, dat haar
vader ’t eenige dagen later wel weer vergeten zou zijn, wat hij haar
uit de volheid van zijn gemoed betuigd had, schonk het haar toch
zelfvoldoening, dat hij in het binnenste van zijn hart overtuigd was
van haar waarde.
Toen meneer Walburg thuiskwam, vond hij verscheiden brieven, onder
andere ook dien van Rudolf. Hij brak hem open en keek raar op.
„Neen, mannetje!” zei hij, „daar beginnen we niet aan. Dat zou juist
zijn, om mijn plannen voor goed den bodem in te slaan.” Hierop stak hij
den brief in zijn zak, en ’t was eerst eenige dagen later, dat hij er
aan dacht om dien te beantwoorden en wel in dezer voege:
„Beste Rudolf. Ik ben zeer verbaasd geweest over je verzoek. Je
moet toekomen met het zakgeld, dat je vader je geeft en kun je dat
niet, dan moet je de tering maar naar de nering zetten. Ik zou
rekenen, heel verkeerd te doen, je een cent meer te geven. ’t Zou
je aanmoedigen op een weg, die je zeker ten verderve zou leiden.
Jonge menschen als jij, die in de wereld geen ander vooruitzicht
hebben dan ’t geen ze zelf door eigen vlijt zullen moeten
verdienen, moeten leeren zich zelf te bedruipen, en, daar ik
voornemens ben, je, wanneer je van de kostschool komt, een
betrekking te bezorgen, moet je je best doen, mij in dat opzicht te
voldoen. Ik ben
„je toegenegen oom Walburg.
„PS. Mijn besluit staat onveranderlijk vast.”
TIENDE HOOFDSTUK.
RUDOLF IS IN HANDEN VAN EEN WOEKERAAR GEVALLEN.
’t Was Rudolf, toen hij dien brief van zijn oom kreeg, alsof er een
donderslag boven zijn hoofd losbarstte. Hij had er al spijt van gehad,
dat hij maar geen dertig gulden gevraagd had, dan had hij ’t horloge in
eens kunnen aflossen; want van de dertig gulden, welke hij van Zadok
ontvangen had, waren hem nog een paar overgebleven en die bewaarde hij
zuinig, om bij die gelegenheid nog eens naar Amsterdam te kunnen
reizen. En nu kwam daar die verpletterende brief en dat hatelijke
postscriptum: „Mijn besluit staat onveranderlijk vast!” ’t Was
verschrikkelijk! Helènes horloge was in vreemde handen, en dat, terwijl
hij over weinige weken de school voor goed zou verlaten! Wat moest hij
haar zeggen! O, welk een zelfverwijt vervulde zijn ziel, en hoe zeer
begreep hij ’t verkeerde zijner handelwijs! Daarbij had hij niemand op
de kostschool, dien hij in deze zaak vertrouwen kon en moest hij dus al
zijn verdriet voor zich zelf houden. Wat zou hij beginnen! ’t Eenige
wat hij doen kon, was aan zijn vader te schrijven om ’t achterstallige
weekgeld. Dat kon hij dan al vast op afrekening aan Zadok geven en hem
beloven ’t overige te zullen afdoen, zoodra hij weer thuis zou zijn.
Hij hoopte, wanneer zijn oom zijn belofte gestand deed en hem een
betrekking bezorgde, maandelijks zooveel te besparen, dat hij ’t
horloge na eenigen tijd zou kunnen lossen.
Hij schreef dus een brief aan zijn vader, waarin hij dezen dringend
verzocht, hem ’t laatste kwartaal van zijn weekgeld te zenden en als ’t
eenigszins kon, nog iets meer; daar hij bij ’t verlaten der kostschool
nog enkele dingen te verrekenen had. Hoezeer was hij echter
teleurgesteld, toen hij van huis, in plaats van de dertien gulden,
welke hij per kwartaal ontving, niet meer dan ruim de helft kreeg. „Ik
reken dat je een paar dagen vóór Kerstmis thuiskomt, dus heb je vijf
weken lang geen weekgeld noodig; overleg het met het overige zoo, dat
je er je reis uithaalt. Wat mij aangaat, ik kan op ’t oogenblik geen
cent meer missen.”
In alle gevallen wilde hij toch afdoen wat hij kon, maar meneer
Voornvisser wilde hem geen verlof geven, om naar Amsterdam te gaan.
Toen schreef hij Zadok, dat hij hem in de week voor Kerstmis wat zou
komen afdoen en hij hem dus thuis hoopte te vinden; maar de woekeraar
antwoordde hem niet. ’t Waren voor hem alles behalve aangename dagen,
de laatste dagen welke hij op school doorbracht, en zijn kameraden
konden maar niet begrijpen, hoe Rudolf, die altijd de vroolijkste en
prettigste van hen allen geweest was, in den laatsten tijd zoo stil
was. Sommigen schreven ’t er aan toe, dat het was, omdat men op school
de verandering in zijns vaders fortuin wist; doch daar geen der jongens
hem ooit getoond had, dat hij hem daarom minder achtte, verwierp men
dat denkbeeld en, zooals ’t met jongens gaat, dacht men er niet meer
over na, maar liet hem eenvoudig loopen.
Intusschen naderde de kerstvacantie, en Rudolf, die niet zooals andere
jongens die de school verlaten, aan zijn kameraden een klein
afscheidspartijtje kon geven, had meneer Voornvisser verzocht, den dag
vóór de vacantie te mogen vertrekken, voorgevende, dat hij dien dag in
Amsterdam moest zijn, om door zijn oom aan zijn aanstaande patroons te
worden voorgesteld. Meneer Voornvisser, die wel begreep, waar de schoen
hem wrong en van meneer Nederhorst het verzoek had ontvangen, niet meer
voor zijn zoon uit te schieten dan volstrekt noodzakelijk was, had
daartoe gereedelijk verlof gegeven en Rudolf had naar huis geschreven,
dat hij om de onkosten van een afscheidspartij uit te winnen, een dag
vroeger zou thuiskomen. Hij was van plan om bij zijn oom aan te gaan,
maar eerst Mozes Zadok te bezoeken en hem vijf gulden op afrekening te
betalen. Dat liep hem tegen: want Helène had zijn komst te Amsterdam
aan Leonie geschreven en nu stond deze met Louise hem aan ’t station af
te wachten, en noodigden ze hem uit naam van oom en tante uit, om daar
dien middag te blijven dineeren, waarna ze hem weder naar ’t station
van den Oosterspoorweg zouden brengen. Daar kon hij niets tegen doen.
Hij besloot dus maar „de faire bonne mine à mauvais jeu” en zich zoo
opgeruimd en vroolijk mogelijk voor te doen, hetgeen hem niet moeielijk
viel, daar hij spoedig in ’t gezelschap van zijn dartele zuster en zijn
vroolijk nichtje vergat, wat hem zoo hinderde.
’s Middags ging hij met oom Walburg naar de Bank, waar deze hem
voorstelde aan den chef der afdeeling bij welke hij den tweeden Januari
aanstaande zou komen. Deze deed hem eenige vragen, welke Rudolf zeer
tot zijn genoegen en tot dat van zijn oom beantwoordde; daar hij door
die beantwoording een mate van kennis tentoonspreidde, welke beiden
zeer beviel. Daarop bracht zijn oom hem op de Tentoonstelling van
schilderijen van levende meesters in Arti; toen ging men eten en na het
diner was het spoedig tijd, om naar ’t station van den Oosterspoorweg
te wandelen. En zoo reed hij naar Weesp, waar hij niemand aan ’t
station vond, om de eenvoudige reden, dat men daar niet wist, met
welken trein hij komen zou.
Daar hij er tegen opzag, om Helène alleen te ontmoeten, wendde hij dien
avond vermoeidheid en slaap voor en begaf zich vroeg naar bed. Dat
hielp hem echter weinig: nauwelijks was hij op zijn kamertje, of Helène
stond voor hem.
„Rudolf,” zei ze. „Wat heb ik naar dezen dag verlangd. Ik heb ’t je nog
niet kunnen vragen, anders had ik ’t al gedaan.—Je hebt nu mijn horloge
niet langer noodig en je moest het mij dus maar terstond teruggeven. Ik
ben zoo blij, dat ik het terugkrijg. O, ik heb het zoo gemist.”
Rudolf kreeg een kleur tot over zijn ooren, en sprak geen enkel woord.
„Nu! Hoe is het?” vroeg Helène. „Plaag mij niet en geef ’t mij.”
„Ik heb ’t op de kostschool laten liggen,” antwoordde hij.
„Op de kostschool laten liggen! Mijn horloge, waarvoor je me beloofd
hadt alle mogelijke zorg te zullen dragen. Maar dat is onmogelijk!”
„’t Is toch zoo.”
„Maar dan moet er terstond naar de kostschool geschreven worden! Ik zal
dadelijk aan meneer Voornvisser schrijven en hem verzoeken, het
onmiddellijk op te zenden.”
„Dat zou je weinig helpen,” hernam Rudolf, die wel begreep, dat de zaak
dan zou uitkomen. „Ik heb het eigenlijk niet op de kostschool laten
liggen en zal nu maar ruiterlijk voor de waarheid uitkomen. Met het
opwinden heb ik de veer gebroken en het naar Amsterdam bij een
horlogemaker gebracht. Ik had het stellig bij hem afgehaald; maar ik
had geen geld genoeg om het te betalen, toen ik vandaag terugkeerde.”
„O, Rudolf! Hoe leelijk van je om zoo te handelen!” zei Helène vol
verontwaardiging. „Als je er dan al een ongeluk mee gehad hebt, dan
hadt je ’t kunnen meebrengen, en dan zijn hier wel horlogemakers, die
’t in orde kunnen brengen. Je wist, dat ik er zoo bang voor ben. Je
moet het morgen gaan halen.”
„Alles goed en wel; zoodra ik maar geld genoeg heb,” hernam Rudolf.
„Eer kan ik ’t niet krijgen.”
„O, had ik mijn honorarium maar!” riep Helène uit. „Ik had het je nooit
moeten leenen!” vervolgde zij snikkend. „Als er wat mee gebeurd is, dan
vergeef ik het je nooit! Je hebt je belofte niet gehouden. Nooit of
nimmer vertrouw ik je weer.”
Bitter schreiende en vol verontwaardiging verliet ze de kamer.
Den eersten dag van Rudolfs verblijf te huis was de verhouding tusschen
broeder en zuster zeer gespannen. Hoe vergevensgezind Helène ook
was—haar verontwaardiging was te groot dan dat ze ’t hem kon vergeven,
dat hij zoo nonchalant te werk gegaan was met iets, dat haar
dierbaarder was dan eenig ding op aarde. En nog vermoedde ze de volle
waarheid niet!
Gelukkig was meneer Nederhorst zeer afgetrokken en bemerkte hij niet
eens, dat zijn zoon en dochter iets met elkander schenen te
hebben.—Toch oordeelde Helène dat het zoo niet kon blijven. Den
volgenden dag na ’t ontbijt toen de kinderen naar school waren, zei ze
tegen Rudolf:
„Hoeveel geld heb je er voor noodig?”