voor haar broers over hadden. Gedurende zijn herstel toch had hij wel
bemerkt, dat ze een afzonderlijk potje had; want ze had dikwerf voor
hem versnaperingen laten halen, welke ze uit een andere beurs dan die
van ’t huishoudgeld bekostigd had. Had de knaap geweten, dat dit geld
kwam van ’t zuur verdiende copieloon, dat met de buitengewone uitgaven
geheel en al was opgeraakt, zonder dat zijn edelmoedige zuster er voor
zichzelf ’t noodwendigste afgenomen had—hij zou zich geschaamd hebben,
haar om iets te vragen; nog meer beschaamd, dat hij „en grand seigneur”
geleefd had; terwijl zijn arme zuster zich na haar drukken, huiselijken
arbeid, ’s avonds had ingespannen, om eenig geld te verdienen. Doch
Rudolf wist dit niet, daar Helène het zorgvuldig voor hem verborgen
gehouden had. Daardoor kon hij dan ook niet weten, dat ze in den
laatsten tijd, juist door zijn ziekte, geen geld had kunnen verdienen.
Ofschoon de handen van Rudolf jeukten, om Gerrit Zalmvoort eens een
ferm pak slaag te geven—begreep hij dit tot een gelegener tijd te
moeten uitstellen en wel, tot zijn krachten zouden bijgekomen zijn. En
nog dan was ’t niet voorzichtig geweest; want, als hij soms door zijn
meerdere vlugheid Gerrit een nederlaag had toegebracht, zou deze nog
meer gebruik gemaakt hebben van ’t zedelijk overwicht dat hij op zijn
schuldenaar had, door ’t geld dat deze hem schuldig was. Schier
dagelijks maande Gerrit hem om betaling, ja, dreigde hem, de zaak aan
meneer Voornvisser aantegeven, en de nood dreef Rudolf eindelijk, om
aan een deur te kloppen, waar hij ’t wel allerminst graag deed,
ofschoon zeker niemand beter in staat was, om hem te helpen: hij
schreef aan oom Walburg.
Den dag nadat hij dien brief verzonden had, waarop Rudolf, al mocht
zijn oom ook een beetje knorrig zijn, stellig een gunstig antwoord
wachtte, vond Gerrit Zalmvoort hem alleen en sprak hem aan.
„Hoor eens, Rudolf,” begon hij. „Mijn geduld loopt ten einde. Vijf en
twintig gulden veertig is geen kleinigheid. Gelukkig, dat de
komenijsjongen een rijken vader heeft, anders zou hij er mooi mee
zitten. Maar ondanks dat, laat de komenijsjongen zich door den kalen
Amsterdamschen heer niet van ’t hem eerlijk toekomend geld berooven.
Aan bedelaars van jouw soort kan men alle dagen zijn geld kwijt raken.
Ik verlang dus mijn geld of een gedeelte er van, anders ga ik naar
meneer Voornvisser, en dan moet je maar afwachten, wat er van komt.”
Rudolf keek hem met een blik vol verachting aan.
„Wees maar niet bang voor je geld,” zei hij.
„Dat zeggen ze meer,” hervatte Gerrit. „En ’t is heel gemakkelijk
iemand met zulke machtspreuken af te schepen. Ik vraag echter een
klinkend antwoord. Ik heb je nu lang genoeg krediet gegeven en verkies
je niet langer te borgen. Ik ben wel dom geweest, dat ik mij zoo heb
laten afzetten.”
Ofschoon Rudolf zich van toorn op de lippen beet en een kleur van
gramschap kreeg, bedwong hij zich echter en zei tamelijk kalm:
„Binnen een paar dagen verwacht ik de toezending van een bankje van ƒ
25; dan zal ik je voluit betalen.”
„Ei, ei! Zoo, zoo! En waar zul je dat van daan halen? Heeft je pa ’t
misschien in een oude kous voor je gespaard?”
„Dat kan jou niet schelen.”
„Maar wel, dat ik mijn duiten krijg. Ik heb mijn geld zelf noodig en
bedank er voor, om langer te wachten. Wat dat verwachten van geld
aangaat, daarvan geloof ik geen enkel woord, voor ik den brief zie,
waarin je de zekerheid wordt gegeven, dat het komen zal.”
„Welzeker!” riep Rudolf, die dit natuurlijk niet kon doen, hooghartig
uit, „je nog mijn particuliere brieven op den koop toe laten zien. En
dat voor een bagatel van vijf en twintig gulden!”
„Als het dan zoo’n bagatel is, betaal het dan maar.”
„Zoodra ik ’t geld krijg.”
„Dat ik je heet liegen, zoolang ik den brief niet gezien heb, waarin ’t
staat.”
„Mijn woord moet je genoeg zijn.”
„Jouw woord?” riep Gerrit schaterend van lachen uit. „’t Woord van een
afzetter, die geld van iemand leende, toen hij wist dat hij ’t nooit
zou kunnen terug betalen. Van iemand, die door jou zoo bedrogen is als
ik, zul je toch wel geen onvoorwaardelijk geloof kunnen verwachten.”
’t Was vreeselijk voor Rudolf zich zoo diep te moeten zien vernederen
door een knaap, dien hij zoo zeer verachtte. Wel werd aan hem de spreuk
bewaarheid: Die zich onder de varkens mengt, moet draf eten. Geduldig
moest hij al die vernederingen verdragen. ’t Minste wat hij er tegen in
zeide, zou zijn schuldeischer geducht op hem wreken. Hij zweeg dus op
die beleedigende woorden en zei alleen:
„Heb dan geduld, tot het geld komt.”
„Ik heb al zoolang geduld gehad en verkies meerdere zekerheid, of ik ga
terstond naar meneer Voornvisser. Ik heb ’t geld zelf noodig.”
„Maar ik kan het toch niet van mijn lijf snijden,” hernam Rudolf.”
„Je kunt het in alle gevallen leenen.”
„Ik leenen? Wie zal mij geld leenen?”
„O, een boel menschen, mits je hun een onderpand geeft.”
„Ik heb geen onderpand,” antwoordde Rudolf.
„Wat? Heb jij geen onderpand? Heb je daar geen mooi gouden horloge;
daar zul je ten minste wel vijf en twintig gulden op krijgen; dan kun
je mij betalen en ’t horloge later lossen. Acht stuivers zul je toch
wel in je zak hebben. Ik geef je een uur tijd om er over na te denken.
Als je over een uur niet tot het besluit gekomen bent, om het te doen,
dan klaag ik je terstond bij meneer Voornvisser aan.”
„Ellendige, inhalige vrek!” mompelde Rudolf, weinig bedenkende, dat
Gerrit in zijn volle recht was, en dat hij in diens geval zeker niet
anders zou gehandeld hebben, vooral na de beleediging, welke hij hem
had aangedaan door hem openlijk als den zoon van een komenijsman bekend
te maken. Daarenboven was ’t immers geleend geld, en nog wel geleend op
een tijd, waarop hij wist, dat hij ’t niet terug zou kunnen geven. Dat
Gerrit dus op betaling aandrong, was natuurlijk, en dat hij dreigde de
zaak aan meneer Voornvisser aan te geven, was niet minder natuurlijk.
En wat gaf hij er om welke waarde ’t horloge voor Rudolf kon hebben—als
hij zijn geld maar had. Daarenboven—Rudolf behoefde ’t immers niet te
verkoopen, slechts te verpanden. Tot zooverre dus was Gerrit in zijn
recht. Had hij nu Rudolf naar een door de wet erkende lombard of bank
van leening verwezen—er ware niets op zijn gedrag te zeggen geweest....
dat hij den onergdenkenden jongeling echter met een woekeraar in
aanraking bracht, was onvergeeflijk—was misdadig.
„Ellendige, inhalige vrek!” riep Rudolf uit, toen Gerrit hem verlaten
had. „Wat ben ik toch een dwaas geweest, om mij zoo in zijn klauwen te
werpen! Was Ernst maar hier! Dan kon ik hem raadplegen!”
Maar Ernst had ongelukkig sedert eenige dagen de kostschool verlaten.
De plotselinge dood zijns vaders, die kort voor ’t einde van ’t
kwartaal had plaats gevonden, had mevrouw van Hogenberghe, wier
weduwepensioen te gering was om het kostgeld voor hem te betalen, aan
den heer Voornvisser doen verzoeken, haar met het einde van ’t kwartaal
van haar verplichtingen te ontslaan, hetgeen deze gedaan had. En zoo
had zijn beste en oprechtste vriend hem verlaten en kon hij hem niet om
raad vragen; zeker een ongeluk in den toestand, waarin hij zich bevond.
Aan geen der andere jongens had hij zich zoo aangesloten, geen van hen
deelde zoo in zijn vertrouwen. Hij stond dus alleen, en waar Ernst hem
bepaald zou hebben aangeraden, om liever meneer Voornvisser in de zaak
te betrekken, in welk geval alles zeker beter zou zijn afgeloopen,
begon hij al spoedig tot het voorstel van Gerrit over te hellen.
„’t Is inderdaad het best wat ik doen kan,” zei hij bij zichzelf. „’t
Is toch maar voor een dag of wat; want oom zal mij de vijfentwintig
gulden zeker wel zenden. Had ik er maar een paar dagen vroeger om
geschreven, dan had ik ’t nu al gehad. De dreigementen van dien jongen
vervelen mij. Alles liever, dan langer onder hem te moeten zitten.”
„Maar,” sprak een inwendige stem, „je hebt Helène plechtig beloofd,
alle zorg voor ’t horloge te dragen.”
„Mijn hemel! Ik verkoop het niet; ik geef het maar voor een korten tijd
aan een ander in bewaring.”
„Maar Helène zou ’t niet willen hebben, dat je het deedt,” hervatte
zijn beter ik.
„Wat komt er dat op aan! Meisjes zijn altijd zoo bang en vreesachtig.
Ik zal er echter wel voor zorgen, dat ze er niets van verneemt.”
„Welnu,” vroeg Rudolf, toen Gerrit terugkwam. „Bij wien kan ik nu geld
te leen krijgen op ’t horloge?”
„Ha! Heb je toch eieren voor je geld gekozen!” zei Gerrit.
„Ik vraag je, waar ik geld kan krijgen op dit horloge?”
„In Amsterdam, bij Mozes Zadok. Een goede kerel, dien je vertrouwen
kunt.”
„Zoo. Maar hoe zal ik bij hem komen?”
„Dat hoeft niet. Ik zal dat zaakje wel voor je behandelen.”
„In ’t geheel niet. Zulke zaken doe ik ’t liefst zelf,” hervatte
Rudolf. „Maar ik had liever dat de kerel hier op het dorp woonde; dat
was handiger.”
„’t Is morgen Zondag. Als je nu aan meneer Voornvisser vertelt, dat je
papa graag had, dat je morgen voor den middag in Amsterdam kwam, dan
zal hij er zeker niets tegen hebben, dat je daarheen gaat. Ja, als je
’t graag hebt, wil ik wel meegaan. Zadok is een kennis van me en als ik
er bij ben, behandelt hij je zeker civieler.”
„Ik bedank om ’t voor jou te vragen. Dat zou achterdocht verwekken.”
„Mij goed; doe ’t dan niet. Maar je zult er spijt van hebben—dat
verzeker ik je.”
Hierop gaf hij hem een volledige beschrijving van ’t een en ander.
Daarop ging Rudolf naar meneer Voornvisser. ’t Kostte hem, die gewoon
was altijd de ronde waarheid te zeggen, moeite om zijn onderwijzer zoo
goedsmoeds wat voor te liegen, en hij besloot, dat hij, als hij uit de
netelige zaak gered was, zich nooit weer in zulk een wespennest zou
begeven. Hij kreeg ’t gevraagde verlof, en, na van Gerrit geld te
hebben geleend voor de reis, waardoor de schuld alweer vermeerderde,
ging hij den volgenden dag met een retour naar Amsterdam. Wie hem daar
had zien komen, zou ’t er zeker voor gehouden hebben, dat zijn geweten
niet zuiver was, en, om u de waarheid te zeggen, klopte zijn hart van
angst, dat hij soms zijn oom of tante of een zijner kennissen mocht
tegenkomen; waardoor hij stellig verraden zou zijn geworden. Hij volgde
dan ook niet den koninklijken weg, maar sloop door zij- en
achterstraten naar de straat, waar Mozes Zadok woonde.
’t Was een ruime winkel met slechts éen breed raam, maar als men er
voor stond kon men duidelijk bespeuren, dat Mozes in alle zaken
handelde; want wat daar al niet in bonte wanorde door elkander voor de
glazen lag, is schier niet te gelooven. Rudolf zag daar onder andere
ook eenige zilveren en gouden horloges liggen. Met een kloppend hart
stapte hij den stoep op, deed de onderdeur, waarvan de bovendeur wijd
aan stond, open en trad, terwijl een veerschel een vreeselijk gelui
aanhief, het met blauwe tegels bevloerde voorhuis binnen. Van de
helder-lichte straat zoo op eens in het betrekkelijk donkere voorhuis
komende, kon hij geen hand voor de oogen zien, toen een schelle stem,
die van achter de toonbank scheen te komen, hem, zoodra de voorschel
had opgehouden te luiden, tamelijk onbeleefd toeriep:
„Wat mot je? Verkoopen of beleenen?”
„Beleenen,” antwoordde Rudolf, die nu eerst een mageren, tamelijk
haveloozen jongen van een jaar of zestien achter de toonbank zag
zitten.
„Ga dan het trapje maar op, die dubbele deur door; daar is de patroon,”
antwoordde de knaap, op een knop drukkende, waardoor een schel op de
opkamer werd gehoord. De porte-brisée was voor de helft van kleine
ruiten voorzien, die met groen gaas bespannen waren, zoodat men er
doorheen kon zien. Nauwelijks stond hij op de bovenste trede, of de
deur werd van binnen opengetrokken en hij bevond zich in een donker,
smerig vertrek, van een groot raam voorzien. Aan de wanden waren kasten
en laden. Vóor het raam zat aan een lessenaar de eigenaar van den
winkel, Mozes Zadok, een man van in de zestig jaar, met grijze lokken,
een paar listige oogen en een sluwen glimlach om den mond. Zijn magere
gestalte was in een soort van tabbaard of kamerjapon gehuld en op ’t
hoofd had hij een zwartfluweelen kalotje.
„Waarschijnlijk de jongeheer, die van wege meneer Zalmvoort komt,” zei
Mozes sluw en nederig. „Kom nader, jongmensch.”
„Ik kom in ’t geheel niet van wege Gerrit Zalmvoort,” antwoordde Rudolf
trotsch. „Ik kom voor mijn eigen zaken.”
„Nu, ja, zoo meende ik ’t ook niet,” antwoordde Mozes. „Ik meende, de
jongeheer, die door meneer Zalmvoort aan me gerecommandeerd is.”
„Niemand behoefde mij aan u te recommandeeren,” hervatte Rudolf. „’t
Schijnt echter, dat Gerrit Zalmvoort bijzondere connectiën met u
onderhoudt, daar hij u vooraf van mijn komst onderricht heeft.”
„Alles in mijn voordeel, beste jongeheer,” antwoordde Mozes. „Wij arme
lieden zijn zoo dikwijls de dupes van ’t bedrog van vreemden, dat we
blij zijn, als iemand ons een fatsoenlijk mensch recommandeert, die ons
niet bedriegt, zooals met die vreemden dikwerf het geval is.”
Rudolf, hoe onbekend hij ook met de wereld was, begreep zeer goed, dat
Mozes Zadok er de man niet naar was, om zich te laten beetnemen en wist
niet, wat hij er van maken moest dat Gerrit aan Mozes vooraf van zijn
komst bericht had gegeven. Hij bleef daar echter niet lang over denken,
maar haalde zijn horloge voor den dag en zeide:
„Ik wou op dit horloge dertig gulden te leen hebben. ’t Zal
waarschijnlijk slechts voor weinige dagen zijn, dat ik het geld noodig
heb.”
Zadok nam ’t horloge aan, bekeek het, woog het op de hand en zeide
minachtend:
„Een ouderwetsch dingetje—niet veel waard—uit de mode.”
„’t Heeft pa toch geld genoeg gekost,” zei Rudolf.
„Wel mogelijk. Een twintig, dertig jaren geleden misschien.”
„En rekent u de juweelen dan niet waarmee ’t bezet is?”
„Als die er niet op waren gaf ik er geen drie gulden op pand voor,”
antwoordde Zadok.
„En dan de gouden ketting?” vroeg Rudolf.
„Nu, weet je wat: omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd ben,
zal ik er je dertig gulden op voorschieten—anders kreeg je er niet meer
dan twintig, zoowaar ik Mozes Zadok heet. Hier is ’t geld. Je naam
is...”
„Rudolf Nederhorst.”
„Nu meneer Nederhorst,” ging Zadok voort. „Teeken nu dat kleine
papiertje, waarbij je bekent, dat je me dertig gulden schuldig bent. Je
kunt het aan kleine payementen af doen, als je wilt. Hier heb je van
mij het bewijs, dat je me een gouden horloge verpand hebt.”
Rudolf teekende het briefje en ontving het bewijs. Met een verruimd
hart ging hij de deur uit, nam weder den weg, waar hij de minste kans
had van door bekenden gezien te worden en kwam zoo aan ’t station, waar
hij nog eenigen tijd op ’t vertrek van den trein moest wachten.
Wie dien morgen in de wachtkamer derde klasse had gekeken zou daar een
in rouw gekleeden, ongeveer zestienjarigen knaap hebben zien zitten, op
wiens bleek gelaat de sporen van angst te lezen waren en die zijn oogen
meestal strak op den grond gevestigd hield. Hij zou misschien
medelijden met hem gekoesterd en gemeend hebben, dat hij voor zijn
vervolgers vluchtte. Maar wie in de ziel van dien knaap had kunnen
lezen, zou daarin reeds de eerste zaden van innig berouw hebben
gevonden over een daad, wier afschuwelijkheid hij, nu ze bedreven was,
eerst in al haar laagheid zag. ’t Had weinig gescheeld, of diezelfde
knaap had zich naar de Keizersgracht begeven, had daar aan ’t huis van
den rijken meneer Walburg gescheld, was zijn oom te voeten gevallen,
had hem alles bekend en gesmeekt, met hem naar Mozes Zadok te gaan om
’t horloge van meneer Walburgs overleden zuster voor ’t ontvangen geld
terug te eischen. O, had hij ’t gedaan—hij zou zich zelf en zijn brave
zuster vrij wat verdriet bespaard hebben. Maar valsche schaamte deed
hem daar in de wachtkamer toeven, valsche schaamte deed hem ’t eenige
redmiddel verwerpen—daar ging de bel... Rudolf spoedde zich in den
trein, de conducteur knipte ’t retourkaartje, sloeg ’t portier toe...
daar klonk nog even de bel, de fluitjes der conducteurs lieten zich
hooren, en met hijgend geluid voerde de locomotief hem weg van de
plaats, waar hij ’t verraad aan zijn zuster gepleegd had.
NEGENDE HOOFDSTUK.
LENTEKNOPPEN.
Het wordt tijd, dat we naar die zuster terugkeeren, welke we ’t laatst
ontmoetten, toen ze den draad van het voor Rudolfs ziekte begonnen
verhaaltje weder opvatte. Maar ’t wou niet lukken. Ze was het vroeger
door haar geweven verband kwijtgeraakt, en zag er geen kans op de los
daar neder geschreven, schetsachtige aanteekeningen weer zoo juist bij
elkander te brengen. Ze begreep, dat het een mislukte arbeid zou
worden, nam een kort en moedig besluit en scheurde al wat ze geschreven
had aan stukken. Nu zette ze een nieuw plannetje op het touw, veel
eenvoudiger in verbinding en ontwikkeling, schreef haar schets op,
verdeelde haar hoofdstukken en begon te schrijven. Zoo wonder wel
gelukte haar dit, dat ze menigen avond een uurtje langer opbleef, om
een of ander hoofdstuk af te werken, en ’t was dan ook spoedig gereed.
Nu schreef zij een brief aan meneer Radinus, pakte het in en schreef
het adres van den redacteur van het Tijdschrift nogmaals op ’t pakket.
„Breng dat even naar dokter Faminga, Trui,” zei ze.
„Heel goed, juffrouw,” antwoordde de meid. „U hebt al lang geen pakjes
naar den goeden dokter gestuurd. Hij zal wel gedacht hebben dat u dood
was.”
„Die pakjes zijn niet voor hem, Trui,” antwoordde Helène. „Ik zou niet
graag een pakje voor hem sturen; want pa mocht er eens achterkomen. Hij
bezorgt ze slechts aan hun adres.”
„Zoo,” zei Trui droog, en ze snelde heen, om het pakje te bezorgen. Het
duurde niet lang, of Helène kreeg een antwoord van meneer Radinus, een
antwoord, dat menig ander voor goed uit het veld geslagen zou hebben,
doch haar juist aanspoorde, om andermaal haar krachten te beproeven.
Dat antwoord, hetwelk met de terugzending van haar copie vergezeld
ging, luidde aldus:
„Mejuffrouw. Met veel genoegen ontving ik van u een oorspronkelijk
verhaaltje, en ik heb mij de moeite gegeven, het geheel te
doorlezen en van aanmerkingen te voorzien.
Het geheel toont, dat ge wel aanleg hebt. Lees nu mijn aanmerkingen
oplettend na, neem ze niet aan, voor u begrepen hebt waarom ik
gelijk heb, en werk dan ’t zelfde idée nog eens geheel om;
misschien is het dan de plaatsing in mijn tijdschrift waard. In dat
geval kunt ge daarop, als ook op een behoorlijk honorarium rekenen;
want het is mij van hoog belang, van tijd tot tijd nieuwe, frissche
krachten onder mijne medewerkers op te nemen. Wat ik u vooral moet
aanraden: werk niet met overhaasting. Aankomende talenten moeten
langzaam en bedaard arbeiden en er wel over denken, eer ze een zin
neerschrijven. Daarna leest ge ’t geheel nog eens over, besnoeit
hier het overtollige en zet daar het ontbrekende bij. Eindelijk
schrijft ge alles nog eens over. ’t Is zeker een lange en
omslachtige weg, dien ik u voorschrijf—’t is de eenige, die tot het
doel kan leiden.
Geloof mij, Mejuffrouw,
uw toegenegen vriend
A. D. Radinus.”
’t Was inderdaad een lange weg, dien meneer Radinus haar voorschreef.
Maar ze was niet zoo verwaand, om den raad in den wind te slaan van een
man, die zeker beter dan iemand op ’t punt van lektuur voor de jeugd
beoordeelaar en raadsman tegelijk was. Ze volgde dus zijn raad en
hoopte nu, dat haar verhaaltje zou worden geplaatst. Wel eenigszins
ontmoedigend mocht het heeten, dat ze het terug kreeg, nu met
aanmerkingen over stijl en constructie. „Thans,” schreef hij, „hebt ge
’t alleen oplettend te corrigeeren en dan nog eens in ’t geheel over te
schrijven; want bij ’t overschrijven zult ge steeds nog iets te
veranderen vinden, als ge ten minste geen bloote copiïst zijt.”
Ten derde male zond onze geduldige schrijfster haar werk in, en nu
volgde het antwoord, dat het verhaaltje weldra geplaatst en dat haar
bij ’t afdrukken ’t honorarium ter hand gesteld zou worden. Had ze eens
geweten, dat meneer Radinus daar ginds op de villa aan den weg woonde,
en dat hij het was, die zich een moeite gaf, welke niemand voor haar
zou over gehad hebben! Welke redacteur toch zou zich de moeite hebben
getroost, om zoo het werk eener aankomende schrijfster na te zien en
nogmaals te herzien? Wie zou het ontluikende talent, dat nog in de
windselen lag, zoo aangemoedigd hebben, als ’t niet iemand was, die in
de jeugdige auteur belang stelde als in een dochter? Zeker waren haar
dan de aanmerkingen van den pseudoniem Radinus des te aangenamer en nog
meer waard geweest.
En toch was ’t vreemd, ofschoon wel begrijpelijk, dat ze zich meneer
Radinus onder de gedaante van dokter Faminga voorstelde. Vooreerst in
de brieven die zij van meneer Radinus ontving, dezelfde hartelijkheid
als in de gesprekken van den dokter, en ten tweede had haar dwaze
naamverandering, toen Rudolf haar vroeg, wie die heer was, dokter
Faminga en meneer Radinus in haar idée langzamerhand tot éen en
denzelfden persoon vervormd. Ondanks dat schreef ze toch aan den
redacteur van het Tijdschrift anders dan ze zou gedaan hebben, wanneer
ze geweten had, dat hij dokter Faminga in eigen persoon was.
Eén ding echter was er dat Helène gedurig bij haar werk hinderde en dat
haar bijna ’t vroeger copieerwerk boven het tegenwoordige „stellen” zou
hebben doen verkiezen: ze miste namelijk dat lieve, gouden horlogetje,
dat als zoo’n prettige verdeeler en wijziger van haar tijd vroeger zoo
gezellig naast haar lag. Doch ze troostte zich met de gedachte, dat ze
’t over weinige maanden weer in haar bezit zou hebben—gelukkig
inderdaad, dat ze er onbewust van was, hoe de erfenis harer moeder
onder allerlei prullen in ’t kantoor van een Amsterdamschen woekeraar
lag!
’t Was op dit tijdstip, dat haar papa op zekeren middag aan tafel tegen
haar zei:
„Helène! Overmorgen komt oom Walburg met Louise en Leonie hier voor een
paar dagen logeeren. Zorg vooral dat oom een goede kamer heeft.”
Helène keek haar vader min of meer verlegen aan.
„Welke kamer zal ik oom geven?” vroeg zij. „Er is er maar éen: die
waarin Rudolf geslapen heeft en de kinderkamer.”
Een wolk trok over ’t gelaat van meneer Nederhorst. Gewoon over tal van
kamers te beschikken, had hij er niet aan gedacht, dat hij zoo klein
behuisd was, en drie logé’s tegelijk verzocht.
„Laat oom mijn kamer dan maar betrekken,” zei hij, na eenige
oogenblikken nagedacht te hebben; „dan kunnen Louise en Leonie die van
Rudolf krijgen. Maak dan mijn bed maar op de kinderkamer.”
„Neen, pa,” antwoordde zij. „Dan weet ik beter. U zult op mijn kamer
slapen; die is beter voor u.”
„Ook al goed,” antwoordde meneer Nederhorst onverschillig.
Hoe aangenaam ook voor Helène de afwisseling moest zijn, die drie
logé’s haar zouden verschaffen, leverde hun verblijf voor haar een
groote, geldelijke zorg op. ’t Waren toch weer nieuwe en voor haar
verbazende onkosten. Met haar gewone huishoudgeld kon ze natuurlijk
niet toekomen, haar vader om meer vragen, durfde ze niet; ’t honorarium
voor haar verhaaltje had ze nog niet ontvangen;—wat bleef haar dus
over, dan schulden te maken? Want ze moest haar gasten goed ontvangen;
te meer daar deze aan allerlei gemakken gewoon waren.
„Ze zullen hier van middag dineeren,” zei haar vader. „Zorg ook, dat er
op de logeerkamers vuur aanligt.”
„Ja, pa!” antwoordde Helène, maar in haar binnenste klonk de
jammerkreet; „O, wat kost dat weer een kolen!”