Erger voor haar was een andere gril van Rudolf, een gril die haar vrij

wat angst en tranen, vrij wat zelfopoffering en zelfoverwinning kostte.

Rudolf was wel niet baatzuchtig, hij was een goede jongen, die veel

voor een ander over had; maar op sommige punten had hij zoo zijn eigen

wil en als hij zijn zinnen ergens op gezet had, wist hij de zaken door

te drijven met een onverzettelijkheid, dikwerf een betere zaak waardig.

Gedurende zijn ziekte en toen hij herstellende was, had Helène om hem

op zijn tijd zijn drankjes te kunnen ingeven ’t horloge, dat ze van

haar mama gekregen had, van haar kamer gebracht en in de ziekekamer

opgehangen. Zoolang hij bewusteloos was had hij er natuurlijk geen erg

in gehad; doch toen hij langzamerhand beter werd, had het zijn

oplettendheid getrokken; hij had er Helène al eens naar gevraagd, hoe

ze aan dat lieve horlogetje kwam, en ze had hem geantwoord, dat ze het

als een gedachtenis van ma had gekregen, zonder hem evenwel te zeggen,

dat ze ook voor hem een souvenir bewaarde, daar haar moeder haar

uitdrukkelijk bevolen had, hem die niet voor zijn zestienden jaar te

geven, en hij zeker wanneer ze ’t hem verteld had, niet zou hebben

opgehouden, vóor hij ’t in handen had.

Hij had toen op Helène’s antwoord geen verder acht geslagen. Doch toen

hij nu daar van tijd tot tijd alleen op het kamertje zat en ’t horloge

er natuurlijk niet meer hing, sloeg hij op zekeren dag, kort vóor hij

weer naar de kostschool zou vertrekken, zijn oog naar de plek, waar ’t

horloge gehangen had.

„’t Was toch een aardig horloge!” zei hij bij zichzelf, „en ’t zou net

goed voor mij zijn. Pa heeft mij vroeger een gouden horloge beloofd,

wanneer ik vijftien jaar zou zijn. Maar mijn verjaardag viel juist in

dien ongelukkigen tijd, toen we alles verloren, en ’t horloge schoot er

bij in. Al de jongens op de kostschool hebben horloges, behalve Ernst,

wiens papa niet rijk genoeg is, om hem er een te koopen. Daar heb je

zoo’n Gerrit Zalmvoort, de zoon van den rijk geworden komenijsman—die

heeft een horloge om te stelen, en ik, die toch van vrij wat

fatsoenlijker afkomst ben dan hij, heb er geen. Helène kan gemakkelijk

zeggen, dat ma haar ’t horloge gegeven heeft; misschien heeft ze zich

dat maar verbeeld. In alle gevallen had ma ’t zeker aan mij geschonken,

wanneer ik destijds thuis geweest was; want een jongen heeft veel meer

behoefte aan een horloge dan een meisje. Ik zal het eenvoudig aan Pa

vragen; die heeft over de erfenis van ma te zeggen, en, als ik hem zijn

vroegere belofte herinner, kan ’t niet anders, of hij geeft het mij.

Als oudsten zoon komt het mij toe en niemand anders!”

Misschien vindt ge die redeneering en dat besluit van Rudolf

allesbehalve broederlijk, vooral na al ’t geen hij aan Helène te danken

had; we moeten ’t echter uit zijn oogpunt beschouwen, en daarbij niet

vergeten, dat hem reeds beloofd was, dat hij op zijn vijftienden

verjaardag een gouden horloge zou krijgen. Daar dit nu door de treurige

omstandigheden, waarin zijn ouders toen en daarna verkeerden, geen

plaats had kunnen hebben, was ’t immers natuurlijk, dat, nu er een

horloge te vergeven was, hij begreep dat dit aan niemand anders dan aan

hem toekwam. Ook kon hij natuurlijk niet bevroeden, dat Helène, die

toch nooit uitging, er zooveel waarde aan zou hechten; daar ze er

eigenlijk toch niets aan had.

„Helène,” zei hij toen ze, nadat hij die overdenkingen door zijn hoofd

had laten gaan, weer bij hem in de kamer kwam. „Waarom hang je dat

horloge van ma niet meer op?”

„Wel, eenvoudig omdat we ’t gelukkig niet meer noodig hebben; daar je

geen medicijnen meer behoeft te slikken.”

„Dan zou ik er haast spijt over hebben, dat dit niet meer noodig is,”

hernam hij. „Ik had er zooveel genoegen in, het te zien. Weet je, wat

ik van plan ben? Ik zal pa vragen, of hij ’t mij wil geven.”

„Pa heeft er geen geven over, Rudolf,” antwoordde Helène. „Ma schonk ’t

mij zelf kort vóór zij ’s nachts stierf.”

„Dat heb je je verbeeld, Helène,” hernam hij. „Ma wist heel goed, dat

mij op mijn vijftienden verjaardag een horloge beloofd was, dat ik niet

gekregen heb, omdat pa ’t geld niet kon missen; dus zou ze ’t immers

natuurlijk aan mij gegeven hebben. Ik ben de oudste zoon en heb er meer

recht op dan jij. Een ring of oorbellen—dat is wat anders; maar een

horloge komt aan een jongen toe, die heeft er nog wat aan. Wat doet een

meisje er mee? ’t Is voor haar maar sieraad—anders niet.”

„Maar wezenlijk, Rudolf! Ma heeft het mij gegeven,” zei Helène.

„Toevallig, omdat jij bij haar was,” zei Rudolf. „Als ik thuis geweest

was, had ze ’t natuurlijk aan mij gegeven. Ik heb het terstond, toen je

mij vertelde, dat het van ma was, als mijn eigendom beschouwd, en ik

zou er niet eens zoo op staan, als ’t me niet verveelde, dat de jongens

er telkens aanmerking op maken, dat ik geen horloge heb.”

„Ik vind dat zeker heel onaangenaam voor je,” hernam Helène. „Doch ik

zie daarin nog geen reden, waarom ik afstand zou doen van mijn goed

recht.”

„Onaangenaam?” herhaalde Rudolf. „’t Is hard, vreeselijk hard voor me,

om te moeten denken, dat jij daar thuis op je slaapkamer een horloge

hebt hangen, waar je niet het geringste nut van hebt; terwijl ik het

kon gebruiken. En dat zou mij nog niet kunnen schelen, als ik ’t maar

had, zoolang ik nog op school ben. Ma heeft het nu eenmaal aan jou

gegeven, en daar is niets aan te doen. Maar doe me éen plezier, en leen

’t mij voor die maand of wat, dat ik nog op school ben.”

„Ach! Rudolf! Ik zou ’t niet graag aan iemand leenen! Ma stelde er zulk

een prijs op. Zorg er voor als voor de erfenis van je moeder,” zei ze.

„En nu zou ik ’t uit mijn handen geven.”

„Wanneer ’t aan een vreemde was, zou ik je volkomen gelijk geven,”

hervatte Rudolf. „Maar als ma nog leefde, zou ze ’t zeker goedkeuren.

Zij zou ’t mij zeker niet geweigerd hebben, als ik ’t haar voor eenige

maanden terleen gevraagd had. Als je veel van me hield, zou je ’t me

niet weigeren; vooral, daar je weet, dat pa als ik ’t hem vroeg,

waartoe ik inderdaad veel lust zou hebben, ’t mij zeker zou toestaan.”

Met deze woorden ging hij de kamer uit en liet Helène aan haar

gedachten over. De heele zaak was haar als een donderslag op ’t hart

gevallen. ’t Was haar een verschrikkelijk denkbeeld, haar broer van

haar te vervreemden, haar broer, die nog de eenige persoon was met wien

ze vertrouwelijk kon spreken; want van dokter Faminga was ze voor

altijd verwijderd. Daarbij kon ze het denkbeeld niet verdragen, dat

Rudolf aan haar liefde voor hem zou twijfelen. Maar ’t ergste van alles

was, als hij eens werkelijk hun vader in den arm nam. Dan kon ze er

zeker van zijn, dat deze niet alleen er in zou toestemmen, dat Rudolf

het horloge mee naar de kostschool nam; maar er was zelfs alle kans,

dat hij het hem voor goed zou schenken, daar hij meester was om er over

te beschikken en ze geen ander bewijs voor haar eigendomsrecht had dan

haar woord—en dat behoefde hij immers niet te gelooven. Nu de zaken zóó

stonden, begreep ze, dat de wijste partij was, hem maar zijn zin te

geven en ’t kostbaar kleinood voor die weinige maanden in zijn bezit te

laten, hoe hard het haar ook vallen mocht. Toen hij kort daarop weer

binnenkwam, zei ze:

„Hoor eens, Rudolf. Beloof je me heilig, dat je de grootste zorg voor

’t horloge zult dragen!”

„Dat beloof ik je,” antwoordde hij.

„Welnu, dan mag je ’t mee naar school nemen. Maar pas er op en doe ’t

af, als je speelt; want er mocht eens iets aan komen.”

Dit was dan zoo afgesproken, en, toen Rudolf eenige dagen daarna weer

naar school zou vertrekken stelde ze hem ’t horloge ter hand.

„Nu, de zorg zij je aanbevolen, Rudolf,” zei ze. „Denk er aan, dat ik

je ’t liefste meegeef, wat ik heb, en zorg er voor.”

„Daar kun je op rekenen, Helène, maar zou ’t niet goed zijn, dat ik pa

om permissie vroeg om ’t mee te nemen?”

„Waartoe zou dat noodig zijn?” vroeg ze. „’t Is immers mijn wettig

eigendom. Ma gaf ’t mij voor mijn eigen gebruik en pa weet het.

Daarenboven bemoeit hij zich met niets wat mij aangaat, en zou hij

zeggen, als je hem vertelde, dat ik je ’t horloge geleend heb: „Zoo, is

’t anders niet?” en daarmee was de zaak afgedaan.”

„Nu, ik voor mij ben er juist niet rouwig om, dat ik er hem niets van

behoef te zeggen,” hernam Rudolf. „Ik vind het alles behalve plezierig,

om hem over ’t een of ander te spreken; hij is altijd zoo knorrig.”

’t Viel Helène wat af, toen Rudolf weg was. Vooral den laatsten tijd

had ze zooveel aan hem gehad: een metgezel op haar wandelingen, iemand

met wien ze aan tafel praten kon, gezelschap in haar eenzame

avonden.... thans zou weer alles zoo stil en saai worden als ’t voor

zijn komst was. Met de oude Trui of met de kinderen kon ze toch slecht

zoo vertrouwelijk praten als met hem.

„Ik zal blij zijn, als je voor goed thuis komt, Rudolf,” zei ze den

laatsten morgen tegen hem.

„Nu, dat zal zoolang niet meer duren,” antwoordde hij. „De groote vraag

is echter of pa mij hier zal houden, dan of hij mij misschien op ’t een

of ander kantoor te Amsterdam zal zien te plaatsen. Is dat het geval,

dan zullen we weinig aan elkander hebben.”

„Misschien kom je dan de zondagen wel thuis en dat zal een troost en

afleiding voor mij zijn,” zei Helène, en ze dacht aan de lange

vervelende zondagen, die voor haar aanstaande waren.

Met Dora en Alfred bracht ze hem naar den trein en keerde nog vroeg

genoeg vandaar terug, dat de beide kinderen tijdig op school waren. En

zoo ging zij treurig naar huis, naar het huis, dat haar nu zoo eenzaam

en verlaten voorkwam. Dien avond haalde ze ’t plan van ’t verhaaltje,

waaraan zij begonnen was, voor den dag en—toen dacht ze aan eenzaamheid

noch verveling meer.

Rudolf zou dien dag bij zijn oom doorbrengen en eerst na den middag

naar de kostschool vertrekken. Van ’t station wandelde hij dus deftig

naar de Keizersgracht, waar hij de familie in welstand aantrof. Daar

hem de zaak met het horloge toch niet erg in den haak scheen en hij dus

niet gaarne zou gezien hebben, dat het opgemerkt werd, had hij ’t met

ketting en al in den zak van zijn buis laten glijden; zoodat niemand er

iets van bespeurde. Hoeveel vroolijker en prettiger Leonie ook was dan

Helène—’t was toch of de stille, ingetrokkene zuster hem meer aantrok

dan de levendige en vroolijke. Geen wonder: waar Helène geheel en al

zelfopoffering was, en voor anderen leefde—kende Leonie geen ander

genot dan dat, hetwelk zij zelf smaakte, geen ander genoegen dan dat,

hetwelk haar werd aangedaan. Dat stond bij hem vast, dat Leonie met het

horloge, als ’t van haar geweest was, niet zou hebben gehandeld, als

Helène gedaan had. Na bij oom en tante gedineerd te hebben, brachten

Leonie en Louise hem naar ’t station, waar hij in den trein stapte, en

weldra aan de kostschool aankwam.

„Zoo, Rudolf. Ben je weer beter! Kom dat is goed! Dat is patent!” met

deze verschillende uitroepen van blijdschap werd hij op de kostschool

ontvangen; want hij was bij al de jongens bemind en ze hadden er allen

veel van geweten, toen hij ziek de kostschool verlaten had; n.l.

zooveel als een schooljongen er van weet als een van zijn kameraads

ziek naar huis gaat. Dan zijn ze ’t eerste uur stil en akelig, beginnen

vervolgens te praten, of hij nu al thuis zou zijn, zijn ze ’t er

eindelijk over eens, dat hij thuis is, nu dan zijn ze gerust en gaat de

pret zijn ouden gang. Alleen dan, als ze ’t een of ander spelen, waar

hij een baas in was, hoort men nog wel eens de opmerking: „Hoe zou hij

’t wel maken!” „Zou hij gauw terugkomen?” En dat is zoo onnatuurlijk

niet. Jongens op dien leeftijd houden zichzelf en hun kameraden voor

onsterfelijk. ’t Komt dus bij hen niet op, dat hun makker aan die

ziekte zou kunnen sterven, en ’t staat dus bij hen als een paal boven

water, dat hij beter moet worden. Vandaar dan ook de algemeene

verslagenheid, als een hunner door den dood wordt weggenomen; dat

trekken ze zich aan, doch ook slechts kortstondig.

Maar de blijdschap, dat Rudolf weer beter was, had vooral haar

oorsprong in de oprechte toegenegenheid, welke zij hem toedroegen.

Rudolf toch was zoo’n ferme jongen op de speelplaats, Rudolf liet zich

zijn kaas niet van zijn brood eten en kon als ’t noodig was, zijn

knuisten laten voelen, maar hij was ook klaar om die knuisten voor

anderen te gebruiken, wanneer grootere of sterkere hen wilden

onderdrukken. Daarbij leerde hij goed en had er nooit iets tegen, den

een of ander zijner makkers voort te helpen. Allen hielden veel van

hem, behalve een stuk of twee, drie, die trouwens met geen der

kostschooljongens overweg konden.

Al de jongens kwamen om hem heen staan, om hem op hun hartelijke,

ronde, echte jongensmanier te bekijken, de hand te drukken en welkom te

heeten. ’t Kon dus niet anders, of de gouden horlogeketting moest hun

in ’t oog vallen.

„Sakkerloot, Rudolf!” riep een van hen uit. „Je snijdt de kaas met

hompen!”

„Zeker een lotje uit de loterij getrokken!” zeide een tweede.

„Nu, je pa heeft in de bus geblazen!” riep een derde uit.

„Laat het ons eens zien! ’t Is vast een mooi horloge.”

„Toe laat het ons eens zien, Rudolf,” riepen drie of vier jongens te

gelijk.

Nu, dat behoefde geen tweemaal gezegd te worden. Terstond had hij het

horloge uit den zak, en deed het de ronde in verscheidene handen;

ofschoon ’t met den haak der ketting aan zijn vestje bleef vastzitten.

„O, wat een prachtstuk!” riep er een.

„Zijn ’t echte diamanten?” vroeg een ander.

„Natuurlijk,” antwoordde Rudolf. „Wie zal valsche steenen op een goud

horloge zetten!”

„Weet je wel, dat het een dames-horloge is?” vroeg een der jongens.

„Welzeker,” antwoordde Rudolf met zekeren trots. „’t Is ’t horloge van

mijn overleden mama.”

De jongens zwegen; met een gestorven vader of moeder zal geen ferme

knaap den spot drijven: hij vindt het natuurlijk, dat men met eerbied

daarvan spreekt. En niemand zou ’t ook gewaagd hebben er een enkele

aanmerking op te maken: want, al waren Rudolfs krachten nog niet geheel

teruggekomen, in zulk een geval had zijn drift hem onoverwinnelijk

gemaakt. Daarenboven iedereen zou ’t laag gevonden hebben, daar

aanmerkingen op te maken.

„Dus van je mama!” zei Ernst van Hogenberghe.

„Dat kun je toch ook wel begrijpen, Ernst,” zei Gerrit Zalmvoort op

verachtelijken toon. „Waar zou zijn vader ’t geld vandaan halen, om hem

zoo’n horloge te koopen? Ik heb bij een oom in Amsterdam gelogeerd en

daar gehoord, dat meneer Nederhorst bankroet heeft geslagen, en zijn

huis, ja zelfs zijn meubels door zijn crediteuren heeft zien verkoopen.

Dat heeft hij mooi verborgen gehouden! Jammer dat ik juist in Amsterdam

moest logeeren, anders had hij hier nog langer den banjer uitgehangen!”

Rudolf stond als van den donder getroffen. Een donkere gloed van

schaamte rees op zijn gelaat, zijn oogen flikkerden van inwendige

woede. Zoo iets te moeten aanhooren en te weten dat men ’t geen liegen

kan heeten—’t is verschrikkelijk!

De jongens stonden een oogenblik sprakeloos en keken elkander aan, in

de blijkbare verwachting dat Rudolf zulk een beleedigende uitdaging zou

tegenspreken. Maar dat gebeurde niet.

„Maak hem tot een leugenaar, Rudolf!” riep er een uit.—„Laat hem ’t

bewijzen!” schreeuwde een ander.—„Ik liet me zooiets niet zeggen!”

kreet een derde.

„Ik kan het bewijzen!” riep Gerrit. „Toen ik bij mijn oom zoowat

opnoemde, wie er al hier op school waren, noemde ik Rudolf Nederhorst,

een fermen jongen, wien ik van tijd tot tijd vrij wat geld geleend had.

„Geld geleend!” riep mijn oom uit, „dat kun je gerust uitschrappen;

want daar zie je nooit een rooie cent van terug.” En toen vertelde hij

mij, dat meneer Nederhorst zulk een schandelijk bankroet geslagen

heeft.”

„Dat is een fatale leugen!” riep Rudolf uit. „’t Is waar, dat pa

ongelukkig is geweest, ’t is waar dat hij zelfs alles verkocht heeft;

maar hij heeft zijn crediteuren tot den laatsten cent betaald en is dus

geen bankroetier, evenmin als hij een rijk geworden komenijsman is,

zooals jouw vader met wien hij, al heeft die ook nog zooveel geld, niet

zou willen ruilen, omdat hij nooit met een schortje aan achter de

toonbank zou hebben willen staan.”

Nu was het de beurt van Gerrit Zalmvoort om een kleur te krijgen. Wat

hij altijd zoo zorgvuldig verborgen had gehouden, en de anderen slechts

aan zijn minder beschaafde uitspraak en manieren hadden gemerkt, dat

hij een jongen was, die volgens stand en opvoeding niet onder de

jongens van meneer Voornvissers school thuis behoorde, werd hem daar op

eens voor de voeten geworpen. Wat hielp ’t hem nu, of hij al de rijkste

jongen op de kostschool geweest was, die met zijn geld gebluft had?

Iedereen wist nu, dat zijn vader met een sloofje aan achter de toonbank

gestaan en rookvleesch, ham, kaas en worst gesneden had.

’t Is wel ongelukkig, niet waar? dat men de menschen naar hunne

betrekking in de maatschappij acht; terwijl eigenlijk alleen deugd en

goed gedrag hun waarde moesten bepalen. Maar dat is nu eenmaal zoo, en

in de maatschappij is ’t een conventioneele toestand, dat er standen

zijn; ’t geen voor ’t behoud eener goede orde noodzakelijk is. Maar dat

dit verschil van standen kinderen moeten scheiden, is onnatuurlijk en

barbaarsch. Wat kon Rudolf het helpen, dat zijn vader ongelukkig

gespeculeerd had, wat zelfs had hij ’t kunnen doen, al had meneer

Nederhorst een frauduleus bankroet geslagen? En aan den anderen

kant—wat kon Gerrit Zalmvoort er aan doen, dat zijn vader zijn geld

eerlijk met ham en worst snijden verdiend had; wat had hij er zelfs

tegen kunnen doen, al had zijn vader zijn geld met schelmerij verdiend?

Inderdaad—er is niets dwazer, ongerijmder, lager en verachtelijker

zelfs, dan kinderen strafbaar te stellen voor ’t geen hun ouders

misdaan, ja, soms zelfs niet misdaan hebben!

De meeste jongens, die van goeden huize waren, voelden zich bitter

gekrenkt, dat ze familjaar met den zoon van den komenijsman hadden

omgegaan, en Gerrit wist dat. Daarom maakte ’t verwijt van Rudolf, dat

ook hij niet kon tegenspreken, hem woedend.

„Betaal je schulden, bankroetierszoon!” riep hij.

„Dat zal ik doen, komenijsman!” antwoordde Rudolf. „Ik zal je alles

betalen wat ik je schuldig ben, met nog een pak slaag op den koop toe.”

De jongens maakten ruimte in afwachting dat ze nu aan ’t plukharen

zouden gaan; want zoo’n vechtpartijtje was alles voor hen.

Daar ging op eens een stem uit het midden van den troep op: ’t was die

van Ernst van Hogenberghe.

„Jongens!” riep hij. „Als er gevochten moet worden, laat het dan

tusschen twee posturen zijn. Gerrit is gezond en sterk als een leeuw;

Rudolf nog verzwakt van de koorts. Dat zijn geen posturen!”

„Neen, dat zijn ze niet en we zullen ’t niet toelaten, dat er gevochten

wordt!” riepen al de jongens uit.

Toen nam Ernst zijn vriend onder den arm en voerde hem, half met

geweld, vandaar weg.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN ONGELUKKIG REDMIDDEL.

„Is ’t waar, Rudolf, wat Gerrit daar zei?” vroeg Ernst van Hogenberghe

hem, toen zij alleen waren.

„De zaak van mijn vader?” vroeg Rudolf.

„Neen, die meen ik niet. Ze is ongelukkig genoeg, maar kan je nooit tot

schande strekken, en een laag karakter, die den zoon verwijt wat zijn

ouders gedaan hebben.”

„En dan nog op zoo’n gemeene, lage manier,” zei Rudolf. „Alsof pa een

bankroetier was!”

„’t Stond jou evenmin mooi, hem te verwijten, dat zijn vader een rijk

geworden komenijsman is. Je hebt hem daardoor in de oogen van al de

jongens vernederd.”

„’t Viel mij in mijn drift uit den mond,” zei Rudolf. „Als jij of een

ander mij verweet, wat hij durfde doen, zou ik ’t misschien geduldig

verdragen; maar uit den mond van zoo’n jongen....”

„Juist tegenover zoo’n jongen moest je gezwegen hebben, vooral omdat je

verplichtingen jegens hem hebt, ten minste als het waarheid is, wat

Gerrit daar zei: en dat was het, wat ik je zooeven vroeg. Heb jij, die

wist in welke omstandigheden je vader zich bevond, geld geleend, en dat

nog wel van zoo’n jongen!”

„Helaas! ja, Ernst,” antwoordde Rudolf.

„En is ’t veel?”

„Ik vrees van ja. Om je de waarheid te zeggen, heb ik er geen rekening

van gehouden.”

„Nog dwazer—Gerrit kan je nu voorleggen wat hij wil en je kunt hem het

tegendeel niet bewijzen. Ik wou, dat ik je helpen kon, dan verloste ik

je terstond uit zijn klauwen. Maar je weet zelf, hoe schriel ik ’t moet

aanleggen om rond te komen. Niet dat ik er mij over schaam—dat heb ik

nooit gedaan; maar ik heb ook nooit een cent van iemand geleend, hoe

hartelijk ’t mij ook door verscheidene is aangeboden.”

„Dat weet ik, en ik had evenzoo moeten doen,” hernam Rudolf. „Maar

valsche schaamte weerhield me. Ik, die vroeger altijd zoo ruim van

zakgeld voorzien was, bekennen, dat ik nu niet meer mee kon doen! Dan

had ik tevens de treurige geldelijke omstandigheden van pa moeten

meedeelen...”

„Die nu toch aan ’t licht gekomen zijn, en wel op een vrij wat

onaangenamer manier dan toen ’t geval zou zijn geweest,” hernam Ernst.

„Je hadt eenvoudig kunnen zeggen: pa houdt me tegenwoordig kort; dus

kan ik er niet aan meedoen. Doch ’t is nu te laat, en je moet ’t nemen

zoo als ’t is. Kun je ’t geld niet van den een of ander te leen

krijgen?”

„Van wien zou ik dat te leen krijgen!” zuchtte Rudolf. „Pa kan ’t mij

niet geven, mijn zuster heeft het ook niet, en bij mijn oom Walburg,

ofschoon hij rijk is, zou ik er niet mee durven aankomen.”

„En toch zou ik ’t royaalweg aan mijn vader schrijven,” zei Ernst. „’t

Zal hem voor dien eenen keer een kleine opoffering en jou natuurlijk

een duchtig verwijt kosten (dat je trouwens dubbel en dwars verdiend

hebt), maar je tevens verlossen uit de handen van een jongen, die zoo

gemeen is, dat ik hem tot alles in staat reken.”

„Je hebt gelijk, en ik zal het doen,” antwoordde Rudolf.

Maar daar kwam weder die ongelukkige valsche schaamte in den weg. In

plaats van royaal aan zijn vader te schrijven schreef hij den volgenden

brief aan Helène.

„Lieve Helène. Aan pa schrijvende, sluit ik hier een lettertje aan

jou in. Zooals je uit pa’s brief wel zult vernomen hebben, ben ik

goed en wel hier aangekomen, en neem ik deze gelegenheid waar, om

je nogmaals te bedanken voor al de zorgen, die je aan mij gedurende

mijn ziekte en mijn herstel besteed hebt. Hoeveel ik altijd van je

gehouden heb—ik houd nu nog meer van je, en dat voel ik eerst

recht, nu ik hier weer onder vreemden ben, die hoe goed ze ook voor

mij zijn, toch jou niet vervangen kunnen.

„’t Zal je ook wel stil zijn, nu ik weg ben. Maar jij hebt altijd

Dora en Alfred nog, die je den tijd verdrijven. Niet dat ik mij

hier verveel, o, neen! De jongens zijn allen even goed en

vriendelijk voor me. Ze waren heel blij dat ik terug was. Hoe goed

ze echter zijn, er gaat niets boven een zuster, ten minste niet

voor

„je liefhebbenden broer

Rudolf.”

„PS. Heb je meneer Radinus nog wel eens gezien, sedert ik weg ben?

Ik kan ’t nog maar niet opkrijgen, dat pa hem zoo vijandig is. Je

moet er toch eens zien achter te komen, wat er de reden van is.”

„PS. PS. Ik heb geld noodig. Zou je niet een twintig,

vijf-en-twintig gulden voor mij van pa kunnen krijgen? Ik wil ’t

later wel van mijn weekgeld inhalen. Misschien heb je ’t nog wel in

je spaarpot, of van ’t huishoudgeld een spaarpotje gemaakt. ’t

Liefst had ik dat je ’t mij kon voorschieten—dan had pa er niets

mee te maken.”

Uit dezen brief kunt ge den heelen Rudolf proeven. Inplaats van rond

voor de zaak uit te komen en te zeggen dat hij geld geleend had, liep

hij er luchtig over heen en haalde ’t los in ’t voorbijgaan in een

postscriptum aan. Was het dus wel wonder, dat hij een brief kreeg van

den volgenden inhoud:

„Lieve Rudolf. Je brief deed me veel genoegen, ofschoon ik niet

begrijp, hoe het komt, dat jij, die toch weer naar de kostschool

verlangde, je niet volkomen gelukkig gevoelt onder je kameraads.

Waarschijnlijk een gevolg van de overgebleven zwakte. Dat zal wel

spoedig beter worden. Ontzie echter vooreerst je krachten en doe

niets boven je macht—’t zou zeer nadeelig voor je gezondheid kunnen

zijn. Wat aangaat je vraag om geld, beste jongen, ’t spijt me, dat

ik daaraan niet voldoen kan. Ik heb gedurende de ziekten van ma, pa

en jou alles wat ik had voor bijzondere uitgaven moeten gebruiken

en nog ander geld daarbij. En op het huishoudgeld kan ik geen cent

besparen: ’t is toch al moeielijk genoeg, om daarmee rond te komen.

Wat pa aangaat, dien zou ik ’t niet durven vragen. Hij gaat gebukt

onder de groote uitgaven, welke hem drie zoo kort op elkander

gevolgde ziekten veroorzaakt hebben. Je zult je voor ditmaal dus ’t

genoegen moeten ontzeggen, van met de andere jongens mee te doen,

’t geen je des te beter kunt, wanneer je je nog zwakke gezondheid

in rekening brengt, waarbij je gerust kunt aanvoeren, dat dokter

van Esch je uitdrukkelijk verboden heeft, om in den eersten tijd

aan overspannende lichaamsoefeningen deel te nemen.

„De hartelijke complimenten van Dora en Alfred. Ik ben als altijd

je liefhebbende

Helène.

De erfenis eener moeder · 第 7 / 15 段