je bent geducht overspannen, wat trouwens geen wonder is na al ’t geen
je in de laatste dagen hebt ondervonden. Vertel me iets van de laatste
levensdagen van je moeder!” Helène deed dit. „U vondt het toch niet
verkeerd, dokter,” eindigde zij, „dat ik op het kerkhof was? Oom had
het goedgevonden!”
„In ’t geheel niet, kindlief!” antwoordde de dokter. „Ik vond het
integendeel zeer natuurlijk, en als uw lieve mama ’t wist, zou ’t haar
zeker genoegen gedaan hebben, dat haar lieve Helène aan haar graf
stond, om haar ’t laatst vaarwel te zeggen.”
„Ik heb den doodgraver last gegeven, om twee mooie rozenpotjes op haar
graf te plaatsen en die te onderhouden.”
„Dat is lief van je. Hadt je er aan gedacht, dat ik hier zoo dicht bij
woonde, dan hadt je de zorg wel aan mij kunnen overlaten. Ik hield
zooveel van uw moeder. Ach, ze leek zoo sprekend op mijn brave
gestorven vrouw, evenals jij op mijn dochtertje lijkt, dat op jou
leeftijd door een hevig roodvonk uit mijn armen werd gerukt. Ach, toen
mijn Helène—ze heette toevallig even als jij—stierf, kon mijn arme
vrouw niet langer leven... Ze volgde haar kind maar al te spoedig in ’t
graf en liet mij alleen op de wereld!”
De goede dokter wischte een traan af, die zijns ondanks in zijn oogen
sprong. Daarop zei hij:
„Je moogt nu wel gauw naar huis gaan; anders zal je oom ongerust over
je worden. Ik zal je zelf naar huis brengen.”
Toen ze aan ’t huis van meneer Nederhorst gekomen waren, gaf de dokter
haar de hand:
„God schenke je kracht, om de zwaarte van ’t leed en van je taak te
dragen, lieve!” zeide hij. „En mocht het je soms te bang worden en je
kunt een oogenblik uitbreken—kom dan bij mij: je weet, waar ik woon.”
Dienzelfden namiddag vertrokken oom Walburg en Rudolf, en Helène bleef
alleen.
Er was bepaald, dat Dora en Alfred eerst zouden terugkomen, wanneer hun
vader wat beter was, en, ofschoon Helène er in moest toestemmen, daar
’t haar vrij wat meer tijd gaf, om zich over dag aan haar zieken vader
te wijden, miste ze toch ’t gezellig bijzijn der twee lieve kinderen,
die zoo aan haar gehecht waren. O, wat was ’t haar nu eenzaam in huis,
sedert haar moeder haar verlaten had, aan wier borst ze al haar leed,
al wat haar hinderde, kon uitstorten! Treurig zat ze aan ’t ziekbed
haars vaders, die nog steeds in ijlende koortsen lag. En toen deze hem
verlieten en zijn bewustzijn terugkeerde, was het, of haar
tegenwoordigheid hem hinderde als was zij de schuld van den dood harer
moeder. Misschien verbond zijn zwak denkvermogen dat overlijden wel met
haar, die hem ’t eerst die treurmare mededeelde. Hoe ’t zij, wat ze ook
deed en hoe ze ook voor hem zorgde, hoe ze hem zelfs de smakelijkste
kostjes bracht, om zijn ontwakenden eetlust te prikkelen—geen enkel
woord, geen enkele blik beloonde haar voor al haar bemoeiingen. ’t Werd
haar tusschenbeiden bang op die ziekekamer, en ’t was haar daarom een
weldaad, toen haar tante haar jongste broertje en zusje kwam
terugbrengen, en ze bij dezen de hartelijke liefde vond, welke ze bij
den zieke miste, toen ze door hen meer van de ziekekamer afwezig moest
zijn, waar haar hart zoo zeer op de pijnbank werd gelegd. Daarbij
kwamen de zorgen voor de huishouding; want het geld, dat haar oom haar
had gegeven, was reeds lang op. Daar ze haar vader niet om huishoudgeld
kon vragen, moest ze rekening maken bij de leveranciers, die dat niet
gewoon waren en haar dus reeds verscheidene malen om betaling
aangemaand hadden. Eindelijk trok ze de stoute schoenen aan en legde
haar vader de verschillende rekeningen met het bedrag daarvan op een
lijstje voor.
„Pa, zoudt u mij geen geld daarvoor kunnen geven?” vroeg zij. „De
menschen worden ongeduldig.”
„Welke menschen?” vroeg haar vader.
„Onze leveranciers,” antwoordde Helène. „Daar ik u in uw ziekte niet om
huishoudgeld heb kunnen vragen, heb ik alles maar laten opschrijven.”
Meneer Nederhorst keek de rekeningen in, zijn gelaat betrok.
„Dat is een heele som!” zei hij. „Je moet verschrikkelijk verkwistend
zijn geweest! En dat bij al de andere uitgaven! En wat een rekening bij
den poelier!”
„Maar pa!” riep Helène schreiende uit: „hoe zou ik u kippensoep en
gebraden hoentjes hebben kunnen geven, als ik ze niet van den poelier
gehad had. En dan, in hoeveel tijd heb ik geen cent voor huishoudgeld
van u gehad!”
’t Scheen, dat meneer Nederhorst de juistheid van haar opmerking moest
toestemmen, erkennen deed hij ’t echter niet. Zwijgend betaalde hij
haar ’t bedrag der rekeningen, gaf haar daarenboven eenig huishoudgeld,
en zeide alleen: „Ik verwacht, dat je voortaan wat spaarzamer zult
zijn.”
Met een tot barstens toe vol gemoed nam Helène het geld op. O, als haar
vader eens wist, met hoe weinig Trui en zij zich en al dien tijd
vergenoegd hadden! Maar haar komst had nog een reden. Ze had de boeken
harer moeder meegebracht, welke deze haar den avond voor haar sterven
ter hand gesteld had. Ze vermande zich dus en zei zoo kalm mogelijk:
„Den avond van uw vertrek beval ma mij, u, wanneer zij gestorven was,
deze boeken ter hand te stellen. ’t Was de beste erfenis, die zij u kon
nalaten, zeide ze. Tevens verdeelde zij haar weinige overgeblevene
kostbaarheden onder haar kinderen. Ze pakte ze zelf in papier en beval
mij, ze te verzegelen en er de namen op te schrijven, daar zij te veel
beefde. Aan Leonie vermaakte zij haar juweelen oorringen, aan Dora haar
juweelen ring, aan Rudolf haar juweelen speld, aan Alfred haar gouden
ketting, haar horloge aan mij, en haar bijbeltje, dat ze dagelijks
gebruikt had, met deze boeken aan u. Ze stelde alles onder mijn
bewaring, opdat ik ’t hun ter hand zou stellen, wanneer ze zestien jaar
zijn. Vindt u dat goed, of zal ik ze u in bewaring geven?”
„Bewaar ze maar,” zei meneer Nederhorst afgetrokken; terwijl hij ’t
bijbeltje zijner vrouw in handen nam en in een zwijgende
afgetrokkenheid verviel.
’t Bleef een treurige verhouding tusschen meneer Nederhorst en zijn
dochter, en die verhouding deed haar des te meer haar moeder missen.
Intusschen was ’t voor haar een groote verlichting, dat Dora en Alfred
weer thuis kwamen, bij wie zij een hartelijke gehechtheid vond,
ofschoon zij haar taak vrij wat bemoeilijkten. Van Leonie hoorde of zag
zij niets, en Rudolf was ook geen ijverige briefschrijver. Toch hoopte
ze, dat haar vader, wanneer zijn oudste zoon thuis kwam, wel wat
opgewekter zou worden. Den eenigen troost zocht en vond ze bij haar
vriend, den dokter, dien ze van tijd tot tijd des avonds, als de
kinderen te bed waren, eens opzocht en bij wien ze haar hart
uitstortte. Met hem kon ze zoo vol vuur over haar lieve moeder spreken
en haar bezwaren mededeelen. Geen wonder dat, onder ’t spreken, ook
haar financiëele moeilijkheden voor den dag kwamen.
„Ik wou maar, dat ik wat geld verdienen kon, om in de huishouding te
gemoet te komen,” zei ze eens.
De dokter keek haar glimlachend aan.
„En wat zou mijn klein huishoudstertje dan wel willen doen?” vroeg hij.
„Heeft ze ’t nog niet druk genoeg?”
„Ja, wat zou ik kunnen doen?” vroeg zij. „Er zijn dingen genoeg; b. v.
les geven aan kinderen, naaien, borduren of fantasiewerkjes maken. Maar
pa zou daar nooit zijn toestemming toe geven.”
„Ik geloof ook, dat die zaken je niet veel zouden opbrengen, en dat er
je de tijd toe zou ontbreken. Daarenboven zou je zeker tegenwerking bij
je vader vinden. Hij is te hooghartig, om het toe te staan.”
„Juist daar ben ik bang voor, dokter. En toch zou ’t zoo noodig zijn.”
„Luister eens, Helène, je schrijft zeker een goede, duidelijke hand?”
„Ik hoop van ja,” antwoordde ze bescheiden.
„Welnu, ik heb een vriend, die voor de pers werkt. Hij heeft het
ongeluk van heel onduidelijk te schrijven en daardoor nog al last op de
drukkerij. Hij zond mij deze week een zijner copieën, met verzoek, om
iemand te vinden, die ze voor hem wil overschrijven. Als jij dat eens
wilde doen. Ik weet zeker, dat hij er goed voor zal betalen; want het
is hem veel waard, om alles juist en net overgeschreven te hebben. Naar
ik merk, is ’t geen onaangename copie ook: ’t zijn verhaaltjes voor
kinderen. Daarenboven hoef je er je niet mee te haasten en je dus niet
te overwerken. Wacht, ik zal ’t manuscript eens halen, dan kun je zien,
of je ’t ontcijferen kunt.”
’t Was inderdaad een raar handje, maar Helène begreep toch, dat ze er
met een weinig studie gemakkelijk uit zou komen en dat slechts ’t begin
wat moeilijk zou zijn. Zij nam dus ’t voorstel aan en de belooning was
zoo, dat zij, als ze ’s morgens wat vroeger opstond en ’s avonds, als
ze toch alleen was, haar tijd aan ’t overschrijven besteedde, er vrij
wat mee verdienen kon, wat haar ’t besturen der huishouding zeer veel
verlichten zou. Met opgeruimder gemoed dan ze gekomen was, verliet ze
dokter Faminga, weinig vermoedende, dat deze zelf de schrijver was van
die lieve verhaaltjes voor kinderen en dat zijn verontschuldiging ten
aanzien van de drukkerij niets anders dan een voorwendsel was, om haar
op een fatsoenlijke manier door eigen arbeid eenig geld te laten
verdienen.
Wat een genoegen was ’t haar, toen ze de overgeschreven copie
terugbracht en de dokter haar uit naam van den haar nog onbekenden
schrijver het geld ter hand stelde. ’t Was een heele aardigheid, dat
zelf verdiende geld in haar portemonnaie te doen en het denkbeeld te
koesteren, nu wat beter rond te komen.
Jammer, dat de troost, dien haar de bezoeken bij den dokter schonken,
slechts al spoedig moest ophouden. Op zekeren avond toch, dat hij haar
na een bezoek thuisbracht, ontmoetten zij meneer Nederhorst, die een
avondluchtje ging scheppen. De dokter, die meende dat haar vader wel
bekend was met haar bezoeken, nam die gelegenheid waar, om hem geluk te
wenschen met zijn herstel. Hij trad dus op hem toe, stak de hand uit en
zeide:
„Het doet mij genoegen, meneer Nederhorst, u weer in zooverre hersteld
te zien. Met veel belangstelling en deelneming heb ik uw onherstelbaar
verlies en uw ziekte vernomen!”
„Dokter Faminga, naar ik meen,” antwoordde meneer Nederhorst. „De
onbeschaamste indringer dien ik ken, en dat in gezelschap mijner
dochter!”
„Die mij bezocht heeft en die ik naar huis breng,” zei dokter Faminga
met onverstoorbare kalmte; terwijl hij zich ter wille van Helène
bedwong.
„En die u niet meer bezoeken zal,” hernam meneer Nederhorst
beleedigend. „Ik denk toch wel dat ik baas ben over mijn eigen kinderen
en ’t aan mij zal staan om te veroorloven met wie ze al dan niet zullen
omgaan?”
„Niemand betwist u die macht,” hernam de dokter schouderophalend. „Zij
zal mij niet weer bezoeken, meneer! Ik wist wel, dat uw huis mij
verboden was, doch kon daarin geen reden zien, waarom uw dochter niet
bij mij zou mogen komen.”
Dit zeggende, keerde de dokter zich om, ten einde alle verdere
wederspraak te vermijden, welke anders op een hevigen twist had kunnen
uitloopen, die de kloof nog wijder zou gemaakt hebben dan ze nu al was.
Bitter bedroefd ging Helène het huis in, en ze schreide lang, eer ze
den slaap kon vatten.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
WAT EEN GOUD HORLOGE AL NIET UITRICHT.
Was ’t verbod om dokter Faminga’s woning niet meer te mogen bezoeken,
voor Helène reeds een groot verdriet—spoedig ondervond zij, dat het
ophouden van werk haar niet minder onaangenaam zou zijn. Want het geld,
dat ze had meegebracht, raakte langzamerhand op, en hoe zou ze ’t
voortaan zonder deze bron van inkomen stellen? Gelukkig echter werd er
een week later een pakket aan haar adres bezorgd, en toen zij ’t
openbrak, vond zij er een nieuwe copie in van de hand desgenen, die de
eerste copie geschreven had en vergezeld van ’t volgende briefje:
„Mejuffrouw.
„Dokter Faminga heeft mij gezegd, dat het hem onmogelijk is, u
langer eigenhandig mijn werk ter hand te stellen. Slechts onder
couvert wil hij ’t u bezorgen en voor mij ontvangen. Zonder de
reden te kunnen gissen, welke hem daartoe beweegt, moet ik zijn wil
eerbiedigen. Ik hoop u geregeld mijn copiëerwerk toe te zenden en
zal er telkens het bedongen honorarium bijvoegen. Wees dus zoo
goed, de overgeschreven copie onder couvert bij dokter Faminga te
doen bezorgen, dan stuurt hij ze mij terug.
„Hoogachtend heb ik de eer te zijn:
„U dw. dienaar
„A. D. Radinus.”
Tegen deze kiesche manier van handelen kon zij niets inbrengen.
Onergdenkend als ze was, begreep ze niet, dat meneer Radinus niemand
anders was dan de dokter zelf, die op deze manier voor haar de bron van
inkomsten deed voortduren, zonder dat ze zich tot ongehoorzaamheid aan
haar vader behoefde te laten verleiden.
Maar met al dat copiëeren van goede verhaaltjes kwam in haar het
denkbeeld op, of ze niet zelf eens een verhaaltje zou kunnen
samenstellen. Ze schreef daarover bij de terugzending aan haar
onbekenden beschermer, meneer Radinus, en deze antwoordde haar, dat ze
’t maar eens moest beproeven, ’t geen juist thans des te beter zou
gaan, daar hij op ’t oogenblik geen werk voor haar had en ’t
waarschijnlijk wel een week of wat zou aanloopen, voordat het verhaal,
waaraan hij nu bezig was, zou voltooid zijn en hij ’t haar zenden kon.
Indien ze werkelijk een goed verhaaltje schreef, zou hij het in zijn
tijdschrift voor de jeugd plaatsen en zou zij er een aardig honorarium
voor ontvangen.
Helène ging aan ’t werk, om een plannetje voor een verhaaltje op touw
te zetten, en zoo peinsde zij er over, dat ze midden in haar gepeins in
slaap viel, en ’t reeds laat was toen ze wakker werd en zich snel
uitkleedde, om naar bed te gaan. Ze was spoedig in slaap en droomde den
ganschen nacht van haar plan. ’s Morgens wakker wordende, stond haar
alles nog zoo juist voor den geest, dat ze zich nederzette, om, wat
haar verbeelding er in een nacht bijgevoegd had, te veranderen of er
bij te zetten, tot ze, doodelijk verschrikt, haar vader naar haar kamer
hoorde komen. Snel raapte ze al haar papieren bij elkander, en had nog
juist tijd genoeg, om ze achter de gordijnen van het ledikant te
bergen, toen meneer Nederhorst met een geopenden brief in de hand de
kamer binnentrad. Zijn gelaat toonde aan, dat hij geen blijde tijding
ontvangen had.
„Ik krijg daar juist een brief van meneer Voornvisser, dat Rudolf ziek
is. De dokter oordeelt hem nog vervoerbaar; ik ga hem dus halen. Zorg,
dat mijn ontbijt terstond gereed is; ik wil met den eerstvolgenden
trein vertrekken.”
„Ik zal er voor zorgen, pa,” antwoordde ze.
„Hoe komt het, dat je nog niet gekleed bent?” vroeg hij.
„’t Is nog vroeg, pa,” antwoordde ze.
Terstond zorgde ze, dat het ontbijt klaar was, haar vader gebruikte er
wat van, stond toen op en zei:
„Maak dat alles klaar is voor de ontvangst van Rudolf. Goeden dag!”
„Dag pa! Ik hoop dat u hem beter zult vinden dan u denkt,” zeide
Helène, wie haar vader niet eens met een afscheidskus verwaardigde.
„Alweer nieuwe drukte voor u, juffrouw Helène,” zei Trui toen Helène
haar mededeelde, waarom haar vader onverwachts vertrokken was. „’t Is
of ’t hier in huis nooit ophoudt met zieken.”
„Wat zal men er tegen doen, Trui!” zei Helène. „Een geluk dat ik jou
heb, die mij zoo trouw bijstaat.”
„Ja, hoe u ’t anders ook doen zou, zou ik waarlijk niet weten,” zei
Trui. „We zullen nu maar gauw ’t kamertje van den jongenheer in orde
maken, dat is het beste.”
„Neen, Trui! dat kamertje deugt volstrekt niet voor een zieke. Weet je,
wat ik gedacht had? Ik moest hem mijn kamertje afstaan, dan ga ik
zoolang op ’t zijne logeeren.”
„Ofschoon ’t voor u niet pleizierig is, is dat toch het best,” zei
Trui. „Laat ons dus maar gauw beginnen.”
Spoedig hadden ze met hun beiden alles gereed.
„Hoor eens, juffrouw Helène,” zei Trui. „Eén ding! Ge moet u niet
overspannen. Als er soms (men kan het niet weten) gewaakt moet worden,
dan mag je ’t niet doen. Ik zal ’t meneer wel zeggen, dat hij een
waakster moet nemen.”
„We zullen zien,” antwoordde Helène. „Misschien zal ’t niet noodig
zijn.”
Reeds tegen den middag kwam meneer Nederhorst met Rudolf terug.
Terstond hielp Helène den zieke, die zich erg onplezierig gevoelde en
daarenboven van de reis vermoeid was, naar bed. Trui was al naar den
dokter geloopen, die weldra kwam.
„De arme jongen is hard ziek,” zei dokter Van Esch. „We zullen hopen,
dat het nog met een sisser zal afloopen; ’t is echter maar goed, dat
hij thuis is. Er is niets angstigers, dan wanneer een der onzen bij
vreemden ziek ligt.”
Toen meneer Nederhorst den dokter uitliet, zei deze tot hem: „Als er
soms gewaakt moet worden, mag uw dochter dat niet doen. Ze zou zich
overspannen en dan had u twee zieken in plaats van een. Ze ziet er
tamelijk slecht uit.”
„Vindt u dat dokter? Ja, ik heb het nog niet opgemerkt. ’t Zal
waarschijnlijk de angst over haar broer zijn.”
De woorden van dokter Van Esch hadden meneer Nederhorst toch
eenigermate tot nadenken gebracht, en, ofschoon hij in de verste verte
niet begreep, wat Helène voor hem opofferde, oordeelde hij het toch
noodig, haar krachten te sparen, en toen de dokter een paar dagen later
zei dat er voorloopig bij den zieke, die in ijlende koortsen viel,
gewaakt moest worden, verzocht hij dezen, voor een waakster te zorgen;
over dag echter wijdde Helène al haar tijd aan Rudolf. Zoolang hij ziek
bleef, was dit voor haar geen zware post; want zijn ijlen geleek niet
in de verte op dat van haar vader: meestal was hij bezig met de jongens
op de kostschool—vooral had hij nog al eens ruzie met een zekeren
Gerrit, dien hij naar ’t scheen niet best kon uitstaan, of maakte hij
plannen met zijn vriend Ernst. Dan weer leerde hij zijn lessen, werkte
sommen uit, maakte vertalingen, zei brokstukken van verzen op—kortom,
zijn ijlen was vermoeiender voor hem zelf, dan voor de omstanders. Doch
toen hij aan de betere hand kwam, werd hij lastig van humeur: nooit was
er iets goed, wat Helène deed. Ook dit droeg zij met geduld, overtuigd
dat (zooals dokter zeide) knorrige zieken niet gevaarlijk zijn. Toen
volgde er een tijdperk van zwakte, en dat was voor haar ’t
genoegelijkste. Want nu was hij zoo volgzaam als een kind, en ’t was
gedurende dien tijd, dat ze al de liefde leerde kennen, welke de knaap
voor haar gevoelde.
Gelukkig, dat het grootste gedeelte van Rudolf’s ziekte in de
zomer-vacantie viel; want daardoor verzuimde hij niet zooveel en mocht
hij ook spoediger na zijn herstel in de lucht. ’t Was aardig, den nog
zwakken en bleeken knaap te zien voortstrompelen aan den arm van dat in
diepen rouw gekleede meisje met haar ernstig gezichtje, en wie op hen
gelet hadden, zouden gemerkt hebben, dat ze hun wandelingen alle dagen
iets verder uitstrekten. Toen Rudolf nu sterk genoeg was, wandelde
Helène met hem naar ’t kerkhof, waar ’t graf hunner lieve moeder was,
en dat door een vriendelijke hand (welke Helène heel goed raadde)
geheel met bloeiende maandrozen bezet was; terwijl diezelfde hand er
een houten bank bij had laten zetten, welke den herstellende een
welkome rustplaats aanbood.
Daar sprak zij met hem over de lieve moeder, die onder de bloemen
rustte en herinnerde haar broer zooveel van haar, die zulk een
liefderijke moeder voor hen allen geweest was. En Rudolf luisterde
gretig naar haar; want ook hij had veel van zijn moeder gehouden. ’t
Was natuurlijk, dat dit niet bij die eene wandeling bleef; want niet
alleen was de weg naar ’t kerkhof een allerliefste, maar de plaats zelf
was zoo belommerd, dat die allergeschiktst was was voor een
herstellende.
Eens toen ze weer op ’t kerkhof kwamen, zagen ze op de bank een deftig
oud heer zitten, die echter, zoodra hij hen bemerkte, opstond en zonder
een woord te spreken, hen met een vriendelijken groet voorbij ging.
„Wie is die vriendelijke heer?” vroeg Rudolf die zag, dat Helène toen
ze hem groette, tot achter de ooren bloosde.
„Een kennis van ma,” antwoordde Helène eenigszins verward.
„Waarom krijg je zoo’n kleur, Helène!” vroeg hij. „En waarom spreek je
hem dan niet aan?”
„Omdat.... omdat hij geen vriend van pa is, of liever.... omdat pa geen
vriend van hem is.”
„Pa geen vriend van hem, en hij ziet er toch zoo goedig uit,” zei
Rudolf. „Waarom is pa geen vriend van hem?”
„Ach, ik weet het niet,” antwoordde Helène. „Pa heeft daar geen reden
voor gegeven en ik heb er hem ook niet naar gevraagd. Dit weet ik
alleen dat pa niet verkiest, dat ik met dien heer spreek.”
„Wel, dat is wonderlijk!” riep Rudolf uit. „En hoe heet die heer?”
„Laat mij zijn naam verzwijgen, Rudolf,” antwoordde Helène, die niet
kon jokken. „Je mocht hem eens in tegenwoordigheid van pa noemen, en
dan zou je hem boos maken.”
Maar nu Rudolf’s nieuwsgierigheid eenmaal was opgewekt, hield hij niet
op, haar te plagen, om hem den naam te zeggen; want het ging ook hier
als altijd: meisjes zijn nieuwsgierig, maar jongens weten graag alles.
Helène die nu begreep, dat hier „een leugentje om bestwil geen zonde
was,” antwoordde zonder dat zij ’t wist, met een halve waarheid, en
zei:
„Op je woord, dat je er geen syllabe tegen pa van zult spreken, zal ik
je dan in vertrouwen zijn naam zeggen: hij heet meneer Radinus.”
„Hoe! Is dat meneer Radinus? A. D. Radinus?”
„Ik geloof, dat hij A. D. Radinus heet. Maar hoe ken je hem?”
„Wel, hij is redacteur van dat mooie „tijdschrift voor jongelieden,”
waarvan we op school elke maand een aflevering krijgen en waarvan we
zooveel houden, dat we er half om vechten, wie ’t eerst zal lezen.”
„Is hij een kinderschrijver?” riep Helène uit. „Dat wist ik niet.” Ze
vond het nu wel wat dwaas, dat ze den naam van meneer Radinus aan
dokter Faminga had gegeven, en om haar verlegenheid te verbergen, deed
ze dien uitroep.
In alle gevallen was ze nu maar blij, dat er geen gevaar van was om er
haar vader in te mengen, want dat Rudolf niet zwijgen zou, dat stond
bij haar vast.
En ze had goed geoordeeld.
„Pa,” zei hij dien middag aan tafel. „Ik wist niet, dat de geliefde
schrijver voor de jeugd, A. D. Radinus, hier in Weesp woonde.”
„Zoo,” antwoordde meneer Nederhorst. „Dat wist ik ook niet.”
„En u is kwade vrienden met hem,” vervolgde Rudolf.
„Ik kwade vrienden met meneer Radinus!” riep meneer Nederhorst uit.
„Wie heeft je dat in ’t hoofd gebracht?”
„Helène,” antwoordde Rudolf. „Ik kende meneer Radinus alleen uit zijn
geschriften en had hem nooit gezien. Toen we van morgen naar ’t kerkhof
wandelden, om ’t graf van ma te bezoeken, zat hij daar op de bank, die
u aan dat graf hebt laten maken en groette ons, vooral Helène, zeer
vriendelijk, zonder ons echter aan te spreken.”
Gelukkig was meneer Nederhorst door ’t noemen van ’t graf zijner vrouw
op eens in zulk een diep gepeins verzonken dat hij niet verder op
Rudolf lette, en Helène nam die gelegenheid waar, om haar broeder te
wenken, dat hij niet verder zou vragen, waardoor deze onweersbui
stilletjes en zonder gevaar afdreef. Zoodra dan ook de maaltijd
geëindigd was, ging meneer Nederhorst zwijgend naar boven.
„’t Staat je alles behalve mooi, Rudolf,” zei ze, „om toch tegen pa
over meneer Radinus te spreken. Je hadt me nog al beloofd, te zullen
zwijgen. Nu zie je, wat er ’t gevolg van is. Pa is geheel uit zijn
humeur naar boven gegaan.”
„Zou dat over meneer Radinus wezen?” vroeg Rudolf die de ware oorzaak
van pa’s somberheid niet begreep. „Ik had je raad moeten volgen, zusje.
’t Spijt me intusschen, dat ik niet wist wie hij was; anders had ik hem
stellig eens aangesproken en hem mijn compliment gemaakt over de
prachtige verhaaltjes, die hij schrijft. Jongens! dan zou ik er bij de
vrienden op bluffen.”
Helène had moeite om zich goed te houden, ze geraakte echter wel wat in
verlegenheid, toen haar broer vervolgde:
„Maar als we hem weer tegenkomen, spreek ik hem stellig aan. Al is pa
kwade vrienden met hem, ik ben een zijner groote vrienden en
bewonderaars, en pa heeft er niets mee te maken, dat ik eens een
praatje met hem houd.”
„Nu, jij moet weten, wat je doet,” hernam Helène. „Maar als pa er
achter komt, ben je voor altijd uit zijn gunst, hoor!”
Helène besloot niet meer den weg naar ’t kerkhof te gaan, uit vrees van
dokter Faminga te ontmoeten en een mal figuur te maken. Ze begreep wel,
dat dit alles ’t gevolg van haar noodleugentje was, en toch was ze
blij, dat ze hem den waren naam des dokters niet genoemd had, want dan
had er zeker een uitbarsting van toorn plaats gevonden.