Mevrouw Nederhorst echter bleef haar positie slechts al te goed

gevoelen; want ofschoon ze zich beter gevoelde en geen pijn meer leed,

bleef haar toch, ondanks de schijnbare toeneming harer krachten en

hoewel ze er beter uitzag, steeds dat gevoel van zwakte bij, dat haar

voortdurend belette, iets te doen, ja, zich zelf te helpen. Ze zei er

echter niemand iets van, zelf niet aan Helène, die even als haar vader,

aan de stellige beterschap der zieke geloof sloeg.

„Zeg aan Trui, dat ze schoon linnengoed in mijn reistasch doet,” zei

meneer Nederhorst op zekeren dag tegen Helène, toen hij van tafel

opstond. „Ik ga morgen ochtend vroeg op reis.”

„Wel, pa, dat zal ik zelf wel doen,” antwoordde Helène. „U blijft toch

niet lang weg, hoop ik.”

„Langer dan anders; stellig een dag of drie,” antwoordde meneer

Nederhorst, op vriendelijken toon. „En op mijn terugreis ga ik bij oom

Walburg aan en denk Leonie mee te brengen. Ze is hier al een heelen

tijd niet geweest, en daarenboven, je hebt het tegenwoordig zoo druk,

dat ze wel eens een paar weken mag komen helpen.”

Na afscheid van zijn vrouw genomen te hebben, die hij met een gerust

hart verliet, kuste hij Helène goeden dag.

„Zorg goed voor ma, Helène,” zeide hij. „Ze is je volkomen

toevertrouwd.”

Met deze woorden verliet hij ’t huis.

Toen ze, na haar broertje en zusje te bed gebracht te hebben, bij haar

moeder binnenkwam om haar volgens gewoonte den geheelen avond

gezelschap te houden en haar wat voor te lezen, zei mevrouw Nederhorst:

„Laat het boek vooreerst maar toe; ik wenschte eens met je te spreken.”

Helène dacht, dat dit het een of ander over huiselijke zaken zou zijn,

en zette zich neder, om oplettend te luisteren.

„Hoor eens, Helène, pa denkt, dat ik buiten gevaar ben, omdat ik geen

pijn meer heb en er beter uitzie, en dokter Van Esch schijnt dit ook te

gelooven; maar dokter Manders weet het wel beter. En als hij ’t niet

beter wist, dan zou ik het wel beter gevoelen. Ik zal niet lang meer

bij je zijn.”

„Maar, lieve ma! Hoe kunt u zoo iets denken. Zie u zelf maar in den

spiegel, en dan zult u bemerken, dat u er veel beter uitziet dan u

gedaan hebt. En wat hebt u rustige nachten; en in ’t geheel geen pijn

meer...”

„Dat alles is volkomen waar,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En ik kan

er God niet dankbaar genoeg voor zijn, dat Hij mij zulke kalme,

pijnlooze dagen schenkt. Maar ik voel, dat ik er wel eens plotseling

uit kon zijn. En daarom, lieve, wil ik er je op voorbereiden; opdat de

slag je niet te onverwachts moge treffen.”

„Nu, ik hoop dat dokter Van Esch de waarheid spreekt, en u weer geheel

beter wordt,” zeide Helène.

„We willen ’t hopen, kind,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Doch hopen

is nog geen gelooven. Geloof mij, vertrouw niet te veel op een

beterschap, die bedriegelijk is. In alle gevallen wil ik gebruik maken

van den tijd, dien ik nog bij je ben.”

Een oogenblik zwegen beiden, zooals ’t wel meer gaat, wanneer men

elkander niet kan overtuigen. Daarop hervatte mevrouw Nederhorst:

„Geef mij mijn juweelkistje eens aan, lieve!”

Helène gaf het haar.

„Daar is weinig van overgebleven,” hernam haar mama, „’t meeste heb ik

opgeofferd, om onze zaken te redderen. Doch dat weinige wil ik onder

mijn kinderen verdeelen. Als ik kom te sterven, zal jij voor de

uitvoering daarvan zorgen, niet waar?”

„Maar, lieve ma!” riep Helène uit, terwijl haar de tranen in de oogen

sprongen. „’t Is, alsof u op het punt bent van te sterven.”

„We zijn alle dagen in doodsgevaar, kindlief,” antwoordde mevrouw

Nederhorst ernstig. „En ’t is beter, dat ik het nu doe, dan dat ik het

uitstel tot dat ik op mijn sterfbed lig. Krijg nu even wat papier, pen

en inkt”.

Hierop pakte haar ma een paar juweelen oorbellen in, en wou er iets op

schrijven; doch haar hand beefde te veel.

„Schrijf jij ’t Helène, maar verzegel ’t eerst met mijn cachet.”

Nadat dit gedaan was, zeide zij:

„Schrijf: Voor Leonie, ter gedachtenis aan haar liefhebbende moeder.

Haar te overhandigen, wanneer zij haar zestiende jaar bereikt heeft.”

Toen Helène dit gedaan had, werd het pakketje weer in ’t juweelkistje

gelegd. Een ander pakje werd gemaakt van een juweelen ring en daarop de

naam van Dora geschreven; toen een juweelen speld voor Rudolf, een

gouden ketting voor Alfred, en een keurig bijbeltje, dat ze dagelijks

gebruikt had, met een paar andere boeken voor haar man.

„En nu, Helène, is ’t jou beurt,” hervatte mevrouw Nederhorst. „Dit,

met diamanten omzette horloge met gouden ketting is voor jou. Ik kreeg

het eens, in onze gelukkige dagen, van je vader, toen je geboren werdt.

Het komt je dus toe. Bewaar het trouw en zorg er voor als voor de

dierbare erfenis van je overleden moeder. Maar ik weet, dat je dit doen

zult.”

Met tranen in de oogen beloofde Helène dat zij er de grootst mogelijke

zorg voor zou dragen en het boven alles zou waardeeren; maar dat zij

hoopte, ’t nog in geen jaren in bezit te zullen krijgen.

„Ga nu aan ’t lezen, kindlief!” zei haar moeder; terwijl ze vermoeid

van die inspanning in de kussens, die op haar sofa gelegd waren,

terugzonk. Helène las een hoofdstuk uit het boek waaraan zij bezig was.

’t Was een godsdienstig werk; waarin veel over de vreugde in den Hemel

kwam. Toen ze ’t hoofdstuk uit had, zei mevrouw Nederhorst:

„Roep Trui, dan kun je me samen naar bed brengen. Ik ben moe.”

Helène voldeed aan den wensch harer moeder, en riep Trui. Met haar

beiden brachten ze de zieke te bed, die van avond zoo zwak was, dat ze

haar bijna in ’t bed moesten dragen.

„U bent erger, ma! Laat Trui naar den dokter gaan!” zei Helène.

„Volstrekt niet. Ik ben wat erg zenuwachtig. Geef mij wat van mijn

druppels.”

Helène gehoorzaamde en gaf haar mama in.

„Dat doet me goed,” zei mevrouw Nederhorst. „Ziezoo, nu bedaart het al

wat.”

„Maar wezenlijk, ma; laat Trui naar den dokter gaan,” smeekte Helène.

„Is het dan niet om u, laat het dan voor mij zijn. Daarenboven, als u

eens iets overkwam, zou ik ’t voor pa niet kunnen verantwoorden.”

„Nu, ’t is goed,” zei mevrouw Nederhorst, „Trui, loop even naar den

dokter en vraag hem, of hij vóor den nacht nog eens aankomt.”

„Ik zal dadelijk gaan, mevrouw,” zei Trui. „En u doet goed, dat u hem

laat komen. ’t Is altijd een gerustheid voor den nacht.”

Trui vertrok.

„Hoe voelt u je nu?” vroeg Helène.

„Veel beter dan straks. De druppeltjes hebben mij goed gedaan.

Eigenlijk is de visite van de dokter overtollig.”

„’t Is voor onze gerustheid, ma!” antwoordde Helène. „U was daar straks

zoo naar. Als de dokter er geweest is zal ik mijn bed hier op de kamer

laten brengen; want ik laat u niet alleen.”

„Dat is goed”, antwoordde mevrouw Nederhorst. „Als ik dan wat noodig

heb, kan ik je roepen.”

Spoedig kwam Trui met dokter Van Esch terug. Hij voelde den pols der

zieke.

„U hebt u erg zenuwachtig gemaakt, mevrouw,” zei hij, „en moet alle

overspanning vermijden. Hebt ge al van de druppels gebruikt, die ik u

voorgeschreven heb?”

„Mijn dochter heeft ze mij daar straks ingegeven,” antwoordde zij.

„Welnu, vóor den nacht nog eenmaal; dan zult ge zeker een goeden slaap

hebben en u morgen wel beter gevoelen. Ik kom mijn eerste visite bij u

maken.”

Helène liet den dokter uit.

„Vindt u ma werkelijk niet erger?” vroeg zij.

„Wees niet al te bezorgd, kindlief,” zei hij; „doch bespaar ma alle

mogelijke aandoening. Is er ook reden voor, dat ze zich zoo zenuwachtig

heeft gemaakt?”

„Ze sprak van avond over haar aanstaande heengaan en heeft eenige

beschikkingen gemaakt bij geval zij kwam te overlijden,” zei Helène.

„Alles verkeerd,” zei de dokter. „Praat maar zoo weinig mogelijk met

haar en zie haar iets voor te lezen, dat haar afleiding geeft. Ze moet

om andere dingen denken, of slapen. ’t Is een ongelukkig verschijnsel

van haar ziekte, dat de patiënt zich steeds opwindt.”

Toen Helène weer in de kamer van haar moeder terug kwam, was Trui reeds

bezig, om het beddengoed in het vertrek te brengen. Helène hielp haar,

en weldra was haar bed gespreid. Haar mama had echter een gerusten

nacht en sliep veel. Slechts tweemalen had ze Helène gewekt.

Toen de dokter den volgenden dag kwam, vond hij zijn patiënt erg mat.

Hij beval dus, dat ze maar even zou opzitten en verder den geheelen dag

te bed zou blijven.

„Is ’t ook noodig, om pa te telegrapheeren?” vroeg Helène.

„Volstrekt niet,” zei de dokter. „Waartoe zou dat dienen? ’t Is een

tijdelijke achteruitgang, die zich spoedig zal herstellen. Ik kom van

avond tijdig terug; is het dan noodig, welnu, dan is het tijd genoeg.”

Mevrouw Nederhorst scheen dien dag vrij wat op te knappen. Ook de

dokter vond haar dien avond wat beter. Doch dokter Manders had de zaak

beter ingezien.

Toen Helène dien avond naar bed zou gaan, en ze haar moeder goeden

nacht kuste, zei deze:

„Morgen komt pa met Leonie, niet waar?”

„Hoe dat, ma? Voelt ge u dan weer minder?”

„Neen, dat niet; maar ik zal toch blij zijn, als pa weer thuis is. Nu,

goeden nacht, Helène. Als ik wat noodig heb, zal ik je roepen.”

Helène legde zich niet zonder ongerustheid op haar kermisbed neder.

Tweemalen stond ze nog op, en bevond, dat haar moeder gerust sliep.

Door den slaap overmand was zij weldra in diepe rust verzonken. Reeds

vroeg in den morgen werd ze wakker, sprong op en snelde naar ’t bed der

zieke. Geen ademhaling liet zich hooren. Eerst meende Helène, dat haar

moeder gerust sliep en wilde ze een kus op ’t bleeke voorhoofd drukken.

Doch met een gil deinsde ze terug: dat ijskoude voorhoofd gaf haar te

kennen, dat die lieve moeder dezen nacht tot de eeuwige rust was

ingesluimerd.

„O, mijn God!” riep zij. „En ik heb geslapen! Misschien heeft ze mij

nog geroepen. Misschien is ze benauwd geweest!”

Doch een blik op dat stil en rustig gelaat met dien vriendelijken

glimlach om den mond, bewees maar al te zeer, dat de zieke van den

slaap in den dood was overgegaan!

ZESDE HOOFDSTUK.

ZWARE LAST OP ZWAKKE SCHOUDERS.

Op den gil van Helène was Trui verschrikt komen toeschieten. ’t Was aan

haar trouwe borst, dat het arme kind zich wierp en in tranen

uitbarstte. De goede dienstmeid zag terstond wat er gebeurd was en

poogde haar te troosten.

„O, Trui! Wie had dat gedacht!” snikte ze. „En gisterenavond vond de

dokter haar nog al redelijk.”

„Ik heb het wel gevreesd, jongejuffrouw,” zeide Trui. „Die erge zwakte

beviel mij niet. Men ziet het wel eens meer met zulke zwakke menschen,

dat ze ons ontvallen, voor men er op verdacht is. Dokter Manders had er

al van den beginne een zwaar hoofd in. Laatst, toen hij hier was,

hoorde ik hem tot uw papa zeggen: Reken niet te veel op die beterschap,

meneer! zulke patiënten ontvallen ons dikwerf plotseling.”

„Loop terstond naar den dokter en vraag hem, of hij dadelijk hier komt.

Het kon wel eens een flauwte zijn, die veel op den dood geleek.”

„’t Kan zijn,” zeide Trui in zichzelf, „ofschoon ik er aan twijfel.”

Een oogenblik later was Trui de deur uit en naar dokter Van Esch, die

weldra met haar meekwam, en bevestigde, dat mevrouw Nederhorst

werkelijk gestorven was.

„’t Is mij onverklaarbaar,” zei hij. „Is er gisteren nadat ik weg was,

ook iets met mama gebeurd?”

„Volstrekt niets,” antwoordde Helène. „Alleen scheen ze zich doodzwak

te gevoelen. Wel vroeg ze, wanneer pa en mijn zuster Leonie

terugkwamen.”

„Zonderling!” hernam de dokter. „Ik had zoo gehoopt, dat we die zwakte

zouden overwinnen. Dokter Manders heeft het mij wel voorspeld; trouwens

hij kende haar gestel beter dan ik, omdat hij jaren lang over haar

gepractiseerd heeft. Papa is nog uit de stad, niet waar?”

„We verwachten hem vandaag thuis,” antwoordde Helène. „O, ’t zal een

slag voor hem zijn!”

„Er is geen twijfel aan, of mevrouw is dood,” zei de dokter tot Trui,

toen deze hem uitliet. „Tracht de jongejuffrouw uit de sterfkamer te

verwijderen.”

Trui deed wat haar bevolen was, en overreedde Helène om haar broertje

en zusje te gaan kleeden. Dan kon zij met hen terugkomen, om hun de

gestorven moeder te laten zien. Helène deed werktuigelijk wat Trui

zeide, en in dien tusschentijd verrichtte Trui de gewone plichten aan

de afgestorvene; „want,” zeide ze, „geen vreemde hand zal mijn lieve

mevrouw aanraken.”

Toen Helène met de beide kinderen binnentrad, lag haar moeder met

gevouwen handen, als bad ze in haar slaap. Dora en Alfred hadden niet

het minste begrip van dood en vroegen of ma nu niet wakker zou worden.

„Neen, lieve Dora,” antwoordde Helène. „Ma slaapt, om te ontwaken bij

onzen lieven Heer.”

„Maar ik wou liever dat ma wakker werd,” zei Alfred.

„En dat ze bij ons bleef,” voegde Dora er bij.

„Dat kan niet,” antwoordde Helène; terwijl ze met de kinderen de kamer

verliet.

„Moeten we niet naar school, Helène?” vroeg Dora, nadat ze ontbeten

hadden.

„Vandaag niet,” antwoordde Helène. „Ga nu maar zoet wat samen spelen,

hoor.”

„We zullen heel stil zijn, om ma niet wakker te maken,” zei Alfred.

„Dat is heel goed,” antwoordde Helène treurig.

Met den middagtrein kwam meneer Nederhorst terug. Op raad van den

dokter had Helène geen luiken gesloten. Daar hij niet juist den trein

had bepaald, waarmee hij zou thuiskomen, was hij er niet verwonderd

over, dat Helène hem niet van ’t station kwam halen—daarenboven

oordeelde hij ’t beter, dat ze bij haar moeder bleef. Helène keek door

de vensters, en toen ze hem den weg zag afkomen met Leonie naast hem,

klopte haar hart geweldig. Toch vond ze kracht genoeg, om naar beneden

te snellen en hem open te doen.

„Hoe is ’t....?” doch eensklaps zweeg hij, toen hij haar beschreid

gelaat zag. „Is er wat met ma?” vroeg hij angstig.

„O, pa! Iets verschrikkelijks!” snikte Helène. Meneer Nederhorst

wachtte geen verdere verklaring af, maar snelde zonder een enkel woord

te spreken naar de kamer zijner vrouw. Helène liep hem na; doch toen ze

aan de geopende kamerdeur kwam, was ze er juist bijtijds, om haar

ongelukkigen vader als levenloos op den grond te zien storten. Een

oogenblik later was Trui bij haar.

„Jongejuffrouw,” zei deze. „Ik kan uw papa onmogelijk verlaten, en toch

heeft hij een dokter noodig. Als u eens naar dokter Van Esch wilde

loopen. Terwijl zal ik mijn best doen, om uw papa bij te brengen.”

„Ik zal terstond gaan, Trui,” antwoordde Helène, die bleek zag van den

schrik, en ze snelde naar haar kamer om zich aan te kleeden. Toen ze

juist de deur wilde uitgaan, hoorde ze de stem van Leonie die haar

riep.

„Wat is er toch gebeurd?” vroeg deze. „Dora en Alfred vertellen mij,

dat ma slaapt. Is dat een thuiskomst! Was ik maar in Amsterdam

gebleven!”

„Wat er gebeurd is, Leonie!” riep Helène uit. „Heb je het niet

begrepen? Ma is van nacht gestorven!”

„Ma dood!” riep Leonie uit. „En waarom mij dat niet dadelijk gezegd? O,

moest ik daarvoor hier komen!”

Helène liet haar een oogenblik uitschreien.

„Zet je hoed op, en ga met mij mee om den dokter te halen. Pa heeft een

flauwte gekregen.”

„Ik mee de straat op! Dat kun je begrijpen,” antwoordde Leonie. „Laat

mij maar uithuilen; want die tijding is verschrikkelijk.”

Helène antwoordde niets meer, maar snelde alleen het huis uit, den weg

op naar dokter Van Esch.

Hij was gelukkig thuis, en hij ging terstond met haar mede. Hij vond

meneer Nederhorst nog bewusteloos, bracht hem met behulp van Trui naar

zijn kamer, waar ze hem uitkleedden en te bed legden.

„Er zal vannacht bij hem gewaakt moeten worden,” zei de dokter. „Hoe

zult u dat doen?”

„O,” zeide Helène. „Ik zal wel in den voornacht waken: dan kan Trui ’t

in den nanacht doen.”

„Heel goed; maar dat kunt u niet lang uithouden,” zei de dokter. „Hebt

u geen familie, die u kan helpen?”

„Mijn oom Walburg, de eigen broer van ma, woont in Amsterdam,” zei

Helène. „Ik zal hem van avond schrijven; dan kan hij maatregelen

nemen.”

„Dat is goed,” antwoordde de dokter. „Maar uw vader heeft volstrekt

stilte noodig. Hoe zult ge ’t met die twee kleinen maken, die toch,

zoolang uw moeder boven aarde staat, niet naar school kunnen gaan. Dan,

zooals u me vertelde, is daar nog uw zuster Leonie, wier handen

natuurlijk verkeerd staan en die de drukte maar vermeerdert!”

„Leonie zal misschien wel naar Amsterdam terug willen,” zei Helène. „’t

Ergst is, dat zij daar ’s avonds zal aankomen.”

Dokter Van Esch dacht een oogenblik na.

„Ik heb er een middel op gevonden,” zei hij, en schreef op een

receptenpapier het volgende telegram:

„Walburg, Keizersgracht, Amsterdam.

Uw zuster erger. Uw zwager ziek. Kom zoodra mogelijk. Leonie komt

trein 7.5 uur terug.

Van Esch.”

„Laat Leonie nu in der haast wat gebruiken, dan neem ik haar mee naar

’t station en verzend eerst het telegram. Verder zal ik met mijn vrouw

afspreken, om voorloopig voor van nacht en morgen de kinderen bij ons

te houden. Dan hebt ge in zooverre rust. Uw oom krijgt dan eerst het

telegram; daarna door Leonie de doodtijding.”

„Ik hoop, dat Leonie er niet tegen heeft,” zei Helène. „Misschien

wenscht ze te blijven.”

„Des te beter; dan kan ze u behulpzaam zijn.”

„Ik zal ’t haar gaan vragen,” hervatte Helène; die zich naar haar

zuster begaf, en haar vertelde, wat de dokter voornemens was te doen.

„O, ja!” zei Leonie. „Laat mij liever naar Amsterdam terugkeeren; want

hier is het alles zoo somber en zoo akelig.”

„Dan zal ik voor wat eten zorgen en kunnen de kinderen tegelijk mee

eten; want die gaan van nacht naar dokter Van Esch logeeren.”

Spoedig had zij het eten opgedischt, en gebruikten Leonie, Dora en

Alfred het middagmaal. Zij zelf kon niets binnen krijgen; ze was er te

vol toe. Intusschen had dokter Van Esch het telegram weggebracht. Toen

hij weerom kwam, was de maaltijd afgeloopen, en nadat hij nog eens naar

den zieke gekeken en Leonie het lijk harer moeder gezien had, begaf hij

zich met Leonie naar ’t station, waar hij haar op den trein van 7 uur 5

minuten plaatste en daarop naar huis ging, om met zijn vrouw over ’t

ontvangen der beide jongste kinderen te spreken, welke weldra door zijn

dienstbode gehaald en naar zijn huis gebracht werden.

Den volgenden morgen reeds met den eersten trein kwam oom Walburg in ’t

sterfhuis aan. Hij vond Helène nog aan ’t bed van haar vader. Ze viel

hem snikkend om den hals.

„O, hoe goed van u, dat u zoo dadelijk gekomen bent!” riep ze uit, toen

de eerste droefheid wat bedaard was.

„En hoe slecht van jou, om den heelen nacht te waken!” zeide hij. „Je

zult zelf ook nog ziek worden. Waarom heb je Trui niet geroepen?”

„Omdat het goede mensch den heelen dag voort moet en ik straks naar bed

kan gaan, oom,” antwoordde zij.

„Waarom dan Leonie niet hier gehouden? Die had je ten minste kunnen

aflossen.”

„Haar wil is wel goed, oom, maar ze zou ’t niet kunnen doen.”

„Hoe gaat het nu met je vader?” vroeg meneer Walburg.

„Nog steeds bewusteloos,” antwoordde Helène. „Van nacht scheen hij even

bij kennis te komen; maar ’t was gauw over. Dokter Van Esch komt zeker

wel dadelijk.”

„Laat Trui je even bij pa aflossen, Helène. Dan kun je mij bij ma

brengen; daarna wenschte ik je te spreken.”

Helène ging Trui roepen; daarna vergezelde zij haar oom naar ’t lijk

zijner zuster.

„Ze rust nu van haar lijden,” zeide hij; „en jij, lief kind! hebt haar

laatste levensdagen verhelderd. Met een kalm oog kan je de lieve

gestorvene nastaren, die zeker met een blik van welgevallen uit den

Hemel op je nederziet. Uit de brieven van je lieve moeder weet ik, wat

je voor haar geweest bent, sedert het ongeluk je vader getroffen heeft.

Blijf dat voor je vader, lieve! En vindt je niet altijd bij hem den

dank en de erkentelijkheid, die de gestorvene je bewees—denk dan

slechts aan haar, die hem zoo innig liefhad; denk er aan, hoe diep

ongelukkig hij is, nu er dit verlies is bijgekomen.”

„Ik heb ’t ma beloofd, oom!” zei Helène schreiende, „en ik beloof ’t u

ook. Ik zal voor pa zijn, wat ik voor hem wezen kan.”

Helène was er erg verguld mee, toen haar oom met haar in de huiskamer

ging, en daar met haar raadpleegde alsof zij de vrouw des huizes was.

Trouwens, hoe jong ook, was ze dit op het oogenblik; daarbij was ze in

de laatste maanden in haar handelen en denken vrij wat ouder en wijzer

geworden, en had van haar moeder verscheiden inzichten in zaken

gekregen, welke men van een zestienjarig meisje niet zou verwachten.

Zoo bepaalden zij, dat oom, die zoo onverwachts zijn huis had verlaten,

na de behoorlijke maatregelen tot de begrafenis vastgesteld te hebben,

na ’t koffiedrinken zou vertrekken en de beide kleintjes met zich zou

nemen; dat Helène voor de bezorging van hun goed zou zorgen en dat op

den trein laten brengen, en dat ze dien avond Rudolf zou schrijven en

hem geld zenden, om onverwijld over te komen. Wat den rouw aanging,

daar zou tante wel voor zorgen; als Helène hem maar een maatjapon

meegaf, welke ze best in den koffer, waarin ’t goed van de kleintjes

gezonden zou worden, kon sluiten. Tante wist zulke zaken ’t best, en

daarenboven zou ’t voor Helène een veel te drukke bemoeiing zijn. Hij

repte er daarbij geen woord van, dat hij den geheelen rouw voor zijn

rekening nam; ’t geen hij des te beter doen kon, nu zijn zwager buiten

staat was, om er iets van te vernemen; daar deze ’t anders geweigerd

zou hebben. Helène, die de zaak zeer goed begreep, vond er niets

vernederends in, dat de eigen broer van haar moeder er op gesteld was,

dat haar kinderen in den rouw zouden gaan, en dat hij, de rijke man,

die onkosten op zich wilde nemen. Van ieder ander zou zij ’t geweigerd

hebben; niet van hem. Oom gaf haar wat geld, om in de noodige uitgaven

te voorzien, beloofde pogingen aan te wenden, om uit de ziekeverpleging

te Amsterdam een ziekezuster mee te brengen, dokter Manders te

verzoeken, met dokter Van Esch een consult te houden over haar vader,

en den volgenden middag terug te komen, om tot na de begrafenis te

blijven. Opdat Helène echter den avond niet weer zou waken, wilde hij

den dokter verzoeken, voor dien nacht een goede waakster te bezorgen.

Voor alle dingen moest ze echter een paar uren op de kanapé gaan

liggen—zoolang zou hij wel bij haar vader blijven en daar de noodige

schikkingen voor de begrafenis en andere dingen maken.

Den volgenden namiddag kwam oom Walburg terug en bracht Rudolf mede,

wien hij in Amsterdam een rouwpak had laten aanmeten, en een

pleegzuster, die terstond reeds dien eersten nacht bij den zieke zou

waken, die nu wel niet meer bewusteloos was, maar toch in ijlende

koortsen lag. Dokter Manders zou den volgenden dag, Zondag, overkomen

om een consult te houden; want dokter Van Esch vreesde dat het een

langdurige ziekte zou worden.

Rudolf was diep getroffen over den dood zijner lieve moeder, van wie

hij inderdaad veel gehouden had, en gedurende den tijd, dien hij thuis

vertoefde, loste hij Helène geregeld aan ’t ziekbed van zijn vader af.

En zoo kwam de dag der begrafenis aan. Niemand zou het lijk

vergezellen, dan oom Walburg, dokter Van Esch en Rudolf. Helène had

echter, met verlof van haar oom, zich een halfuur te voren naar het

kerkhof begeven, om bij de begrafenis tegenwoordig te zijn en te weten,

waar ze haar lieve moeder zouden leggen. Ze had den doodgraver eenig

geld ter hand gesteld, om daarvoor een paar mooie rozenpotten te

koopen, die op het graf te planten en ze te onderhouden. Daar stond ze

snikkend en met een doodsbleek gelaat aan den kuil, waarin ’t liefst,

wat ze op aarde had, nederzonk, en daar bleef ze nog staan, steeds op

die lijkkist starende toen de anderen reeds vertrokken waren.

Eensklaps werd er een hand zacht op haar schouder gelegd en sprak een

vriendelijke meewarige stem achter haar:

„Zalig zijn de dooden die in den Heer sterven: want ze rusten van hun

arbeid en hun werken volgen hen!”

Helène keek op, in ’t volgende oogenblik lag ze in de armen van haar

lieven vriend, den goeden dokter Faminga.

„Lieve Helène! Arm kind!” zeide hij meewarig. „Zoo jong nog, en al zoo

onder ’t verdriet gebogen!”

„Ze was zoo goed, zoo engelachtig goed, dokter!” riep Helène snikkend

uit. „O, u hebt haar maar korten tijd gekend!”

„Lang genoeg, om te weten, wat je in haar verloren hebt,” antwoordde de

dokter. „Doch ga even met mij mee naar huis; dan zal ik je iets

kalmeerends geven.”

Helène ging met hem mee.

„Ach, pa is ook zoo ziek!” zei Helène. „Wanneer ook hij ons maar niet

ontvalt!”

„Ik weet alles,” antwoordde dokter Faminga; „want dokter Van Esch is

mijn vriend en houdt mij op de hoogte van ’t geen er bij u aan huis

voorvalt, hij zou mij gaarne in consult nemen, indien de onverklaarbare

tegenzin, welke uw vader tegen mij koestert, dat niet onbepaald

verhinderde.”

„O, dokter! Ik heb er zooveel verdriet van, dat pa zoo tegen u is, en

’t heeft ma ook heel wat leed veroorzaakt. Ze had vrij wat liever, dat

u haar behandeld hadt dan dokter Van Esch, ofschoon ze hem volkomen

vertrouwde en hij een allerliefst, hartelijk man is.”

En ze vertelde hem, hoe hij uit zichzelf haar broertje en zusje bij

zich had genomen om haar te verlichten.

Zoo sprekende, waren ze aan de villa van den dokter gekomen, en

verzocht deze Helène om plaats te nemen, waarop hij naar een klein

kastje ging, waarin zich een apotheek bevond, iets in een kopje schonk

en ’t Helène gaf.

De erfenis eener moeder · 第 5 / 15 段