lijden, als pa er zich beter in kon schikken. Maar ’t grieft haar, dat
pa er zoo onder gebukt gaat.”
„En jij Helène. ’t Is voor jou toch ook een heele verandering.”
„Dat is het, en ik wil niet ontkennen, dat het mij in den beginne hard
viel. Maar als je denkt, dat ik er onder zou lijden, heb je ’t geheel
en al mis. Ik ben gelukkiger, dan ik ooit geweest ben: want thans
gevoel ik, dat ik nuttig ben.”
„Nu, zusje! Wordt er maar niet boos om,” zei Rudolf, terwijl hij haar
in zijn armen sloot en hartelijk kuste. „Ik ben er van overtuigd, dat
jij de beste, de braafste, de liefste van ons allen bent, en daarom
kwam ik eigenlijk hier, om je een vriendelijk verzoek te doen.”
„Wel, wat is dat?” vroeg Helène.
„Dat zal ik je zeggen,” hernam Rudolf. „We zijn op de kostschool met
elkander overeengekomen, om gedurende de vacantie een model van een
boot te maken, en meneer Voornvisser, die dat gehoord heeft, was daar
zoo mee ingenomen, dat hij een prijs heeft uitgeloofd voor de beste,
die dan zijn eigendom blijft, en in de zijkamer onder een glazen stolp
zal worden geplaatst. Ik heb er veel hoop op dien prijs te zullen
behalen, en, al is dat het geval niet, dan zou ik toch niet graag
zonder model komen. Om echter zoo’n boot te maken, heb ik gereedschap,
hout en andere dingen noodig. Natuurlijk kost dat geld. En geld heb ik
niet. Ik durf pa niet vragen; hij kijkt zoo knorrig. Zou jij ’t niet
voor mij willen doen?”
„Ik?” vroeg Helène. „Hoe komt je dat in de gedachten? Ik durf ’t niet,
want ik geloof werkelijk dat pa ’t niet kan missen.”
„Nonsens, niet kunnen missen!” riep Rudolf uit. „Ik zal hoogstens een
gulden of zes, acht noodig hebben!”
„Dat is veel, Rudolf,” antwoordde Helène, haar hoofd schuddend. „Ik
durf zooveel niet vragen.”
„Je bent toch eigenlijk een bange meid,” zei Rudolf. „Als ik mijn
vroeger weekgeld kreeg, behoefde ik het niet te vragen. Maar ik heb zoo
goed als geen geld meer op zak. Je moet begrijpen, dat de reis mij meer
gekost heeft dan anders. En wat is zes, acht gulden voor pa?”
„Tegenwoordig meer dan je wel denkt,” antwoordde Helène. „En dan vooral
voor zulk een doel.”
„Ik kan ’t niet helpen,” hervatte Rudolf. „Maar zonder geld kan ik geen
boot maken. En wat zullen de jongens wel zeggen, als ik er geen heb,
omdat mijn vader er mij ’t noodige geld niet voor kon geven? Wanneer ik
als de zoon van een bedelaar op de kostschool moet komen, dan blijf ik
liever thuis.”
„Dat zou fraai zijn,” zei Helène. „Weet je dan niet, dat pa met groote
opoffering meneer Voornvisser een jaar kostgeld vooruit betaald heeft,
opdat je nog zoolang diens onderwijs zoudt kunnen genieten? Ik heb hem
tegen ma hooren zeggen, dat je schoolgeld hem een derde van zijn
inkomen kost. Dát maakt, dat hij op andere dingen zuinig moet zijn.”
„Allemaal mooi en wel,” zei Rudolf. „Maar ’t helpt mij wat, als pa mij
naar een der eerste scholen zendt, waar jongens van de rijkste familiën
gaan, als ik niet met hen kan meedoen. Ik weet zeker dat hij mij ’t
geld niet weigeren zal als hij maar weet, waarvoor ’t is. ’t Is immers
een uitgaaf, om mijn fatsoen op te houden.”
„Ik wou liever, dat je ’t zelf vroeg,” hervatte Helène, wie ’t leed
veroorzaakte, dat ze haar broer zijn verzoek moest weigeren.
Rudolf bemerkte, dat zijn zuster al wankelde, en met de
onbedachtzaamheid van een jongen maakte hij er gebruik van.
„Kom, Helène! Doe het maar! Je bent altijd mijn liefste zuster geweest
en ik zou niet graag kwade vrienden met je worden, ’t zouden aardige
vacantiedagen zijn, wanneer we geen goede maatjes met elkander waren.”
„Nu ik zal dan gaan, Rudolf,” antwoordde zij met weerzin, en zij ging
werkelijk naar haars vaders kamer, waar ze aan de deur klopte.
„Binnen!” riep meneer Nederhorst.
„Wat moet jij hier doen?” vroeg hij haar op barschen toon, toen hij
haar zag binnentreden.
„Pa,” antwoordde Helène bedeesd, „ik kom uit naam van Rudolf, die graag
had, dat u hem wat geld gaf om een boot te maken.” En hierop legde ze
hem de zaak uit, zooals haar broer haar die had meegedeeld.
„Je weet zelf, Helène, hoe slecht ik geld kan missen,” antwoordde hij,
„en kan niet begrijpen, hoe je ’t me kunt komen vragen. Daar is twee
gulden; meer kan ik niet geven; dus behoef je niet terug te komen.”
Helène wou juist zeggen, hoeveel zij er tegen had gehad, om ’t hem te
vragen; doch ze durfde niet; want pa keek haar zoo boos aan. Ze nam dus
de twee gulden op en verliet de kamer.
„Daar, Rudolf,” zeide zij. „Meer heb ik niet kunnen krijgen, en
daarvoor heb ik pa boos op mij gemaakt.”
„Twee gulden!” riep Rudolf met een lang gezicht uit. „Dat helpt me
zooveel als niets. Daar kan ik toch geen boot voor maken.”
„Hoor eens, Rudolf,” zei Helène. „Ik heb nog wat in mijn spaarpot, en
daar wil ik je de overige drie of vier gulden wel van leenen. Maar je
moet ze me zoo gauw als je je weekgeld ontvangt terugzenden.”
„Ja, jij zult je geld zelf wel noodig hebben,” hernam Rudolf, „je hadt
niet eens handschoenen aan, toen je me van ’t station kwam halen.
Waarvoor wou je dan dat geld besteden?”
„Ik heb meer gehad dan ik nog over heb,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t
alles besteed aan port voor ma, die Trui in ’t geheim voor mij haalt;
en als ik nu ’t geld niet van je terug krijg, dan....”
„Dan zou ma haar port moeten missen!” riep Rudolf uit. „Hier, Helène!
leg die twee gulden bij jou geld, dan kan je nog langer port voor ma
koopen.”
„En dan kom jij zonder boot op school.”
„Beter ik zonder boot dan ma zonder port,” zei Rudolf hartelijk en
Helène viel hem om den hals en kuste hem.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE ERFENIS EENER MOEDER.
’t Was den dag na dit gesprek met Rudolf dat Helène, nadat ze ’t een en
ander had opgeredderd, als naar gewoonte bij haar moeder kwam, om haar
aan te kleeden.
„Doe mij mijn morgenjapon maar aan,” zei deze. „Ik heb geen lust om mij
aan te kleeden en beneden koffie te drinken. Ik hoop dat ik tegen het
eten wat zal opknappen.”
„Bent u dan niet wel, ma?” vroeg Helène bezorgd.
„Ik voel mij slechts wat lusteloos, en heb behoefte aan rust,”
antwoordde mevrouw Nederhorst. „Ik heb van nacht slecht geslapen en dat
zal er de oorzaak van zijn.”
„Ik hoop, dat u de rust goed zal doen, ma!”
„Ik hoop ’t ook. Maak je nu maar niet ongerust en ga aan je werk.”
Toen Helène een uur later bovenkwam, vond ze haar mama in slaap. Ze
sloop op haar teenen weg, om haar niet wakker te maken, en keerde niet
terug vóor het koffieuurtje had geslagen, om haar een kop koffie en een
broodje te brengen.
„Ik zal probeeren om het te eten,” zei mevrouw Nederhorst. „Maar ik heb
geen trek.”
„Doe het dan, om mij pleizier te doen,” zei Helène. „Wanneer u niet
eet, wordt u nog zwakker.”
„Nu, ik zal ’t probeeren.”
Helène verliet haar mama, om de koffie boven op pa’s kamer te brengen,
zooals ze gewoon was; want meneer Nederhorst dronk geen koffie beneden.
Ze vond hem altijd druk bezig in de boeken, en dan sprak hij geen enkel
woord. Ze dronk dus vandaag alleen koffie met Rudolf. Na dat
koffiedrinken ging ze weer naar boven, om ’t kopje en ’t bordje van
haar moeder te halen.
„Zoodra ik den boel afgewasschen heb, kom ik wat bij u zitten, ma!”
„Dat is goed,” antwoordde deze, „want ik verlang eens met je te
spreken.”
Helène haastte zich om klaar te komen, en spoedde zich toen naar boven.
„Ga nu eens kalm bij mij zitten,” zei mevrouw Nederhorst.
Helène deed het.
„Kindlief! Ik heb in den laatsten tijd veel, zeer veel hulp en troost
aan je gehad,” begon mevrouw Nederhorst.
„O, lieve ma! Het maakt mij zoo gelukkig, dat uit uw mond te hooren. Ik
wou zoo graag, dat ik nog maar meer kon doen.”
„Mij dunkt, dat je wel alles doet, wat je kunt,” antwoordde mevrouw
Nederhorst. „Ofschoon je er zeker meer pleizier in zoudt gehad hebben,
om je met lezen of andere dingen te vermaken, heb je al je tijd
besteed, om mij op te passen, allerlei huiselijke zaken te doen, je
broertje en zusje bezig te houden, kortom—’t me zoo gemakkelijk te
maken als maar mogelijk was, door me alles uit de handen te nemen. Dat
was braaf van je, en je weet niet, hoe mij je liefde in ons ongeluk
vertroost heeft.”
„Maar, lieve ma! Hoe had ik anders kunnen handelen?” vroeg Helène.
„In alle gevallen, je hebt het gedaan, en ’t heeft mij in mijn verdriet
getroost. En thans wil ik je zeggen, wat ik je al lang had willen
mededeelen. Ik heb het al uitgesteld en uitgesteld en had het toch
vroeger moeten doen. Je zoudt me zeker missen, als ik je eens voor een
langen tijd verliet, niet waar?”
„U missen? Lieve ma! Hoe zou ik het zonder u kunnen stellen?”
„Indien je wist, dat het tot mijn best was, zou je toch de scheiding
wel kunnen verduren, niet waar?”
„Als het hielp om u beter te maken, dan zou ik om uwentwil heel blij
zijn, maar zonder u te leven, zou mij diep ongelukkig maken. Zouden we
dan niet samen kunnen gaan?”
„Neen, lieve! Dat is onmogelijk,” hernam mevrouw Nederhorst. „Wie zou
dan voor pa zorgen, als ik hier niet was? Tracht bij hem mijn plaats te
vervullen, Helène, en bedenk hoeveel verdriet hij heeft gehad en nog
heeft. Je moet alles doen wat je kunt, om hem ons huis aangenaam en
vroolijk te maken. Dat wil je toch wel doen, niet waar?”
„Maar, ma! Ik zal uw plaats nimmer kunnen vervullen,” zei Helène. „Ik
wou liever, dat u niet hoefde te gaan, of dat ik u kon vergezellen.”
„Dat kan niet, lieve. Wel hoop ik, dat ge allen eens bij mij zult
komen. Begrijp je dan niet, dat ik van mijn heen gaan spreek voor
altijd, naar den Hemel, waar Gods liefde mij roept?”
Helène barstte in tranen uit—ze kon geen enkel woord spreken. Eindelijk
stamelde zij:
„Maar voelt u je dan zooveel erger, ma?”
„Ik word van dag tot dag minder, kind. Dagelijks voel ik mijn krachten
afnemen. Dat verwondert me niet. Dokter Manders voorspelde ’t me al,
toen we nog in Amsterdam waren, en schreef me voor, om een jaar lang
naar ’t zuiden van Frankrijk te gaan; kort daarop kwam ’t ongeluk van
je pa, en ik sprak er niet over. Daarenboven wist ik toch dat het mij
niet helpen zou, en schrikte ik terug voor het denkbeeld, om een geheel
jaar van je allen gescheiden te zullen zijn.”
„O, ma! Ik zal ’t nooit zonder u kunnen doen,” zei Helène schreiend,
terwijl ze haar armen om den hals harer moeder sloeg.
„Bedaard, kind!” zei haar moeder. „Houd je kalm om mijnentwil, en droog
die tranen.”
„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet!” snikte Helène.
„Je kunt wel, als je God slechts om bijstand smeekt. Ik zal rustig
heengaan, omdat ik weet, dat jij mijn plaats vervullen en een troost en
hulp zijn zult voor hen, die ik achterlaat. Beloof je me dat?”
„Dat beloof ik u,” antwoordde Helène.
„Welnu, huil dan ook niet meer. Zoo spoedig denk ik je niet te
verlaten. Zeg er echter niets van aan je vader; ’t zou hem nog maar
ongelukkiger maken, dan hij al is. Maar neem nu voortaan, onder mijn
toezicht, alle huiselijke bezigheden op je; dan ben je er aan gewoon,
wanneer God mij van je roept. En ga nu heen—ik heb mij wat overspannen
en ook jij hebt rust en eenzaamheid noodig.”
Een uur later kwam Helène bij haar moeder terug. Ze was nu vrij kalm,
en in staat, om de beschikkingen aangaande het huishoudgeld en andere
zaken te hooren, welke zij nu voortaan, altoos onder het toezicht harer
moeder zou besturen. Dit gedeelte van de opdracht harer moeder vond ze
heel pleizierig; want zoo kon ze haar vrij wat moeite en last van de
schouders nemen. Wat haar echter treuriger stemde, toen haar moeder de
rekening van ontvangsten en uitgaven voor legde, was, dat er niets
overschoot, hoe zuinig ze ’t ook aanlegde, om haar, de zwakke vrouw,
dat te verschaffen, wat ze tot versterking noodig had. Ze maakte daar
aanmerking op.
„Pa kan niet meer geven,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „’t Huishouden
kost toch al geld genoeg.”
Helène zweeg, maar besloot, haar vader er bij de eerste de beste
gelegenheid over te spreken. Die gelegenheid kwam dienzelfden middag,
toen ze aan tafel zaten. Mevrouw Nederhorst had zich te zwak gevoeld,
om beneden te komen. Toen nu haar vader binnenkwam en zich op zijn
plaats aan tafel had neergezet, bemerkte hij eerst, dat zijn vrouw er
niet was.
„Komt ma van daag niet meeëten?” vroeg hij aan Helène.
„Ma voelde zich te zwak, pa,” antwoordde zij.
„Te zwak, om aan tafel te komen? Dat moet dan wel een plotselinge
verzwakking zijn.”
„Misschien hebt u het niet opgemerkt,” hernam Helène. „Mama is al
sedert lang zwakker en zwakker geworden. Ze heeft volstrekt geen trek
in eten, en ’t eenige wat haar nog smaakt, is een kippensoepje, of zoo
iets. Maar dat alles kost zooveel geld, en ma ontbeert het liever, dan
u om meer huishoudgeld te vragen. Er zijn zooveel dingen, die haar
versterken zouden, doch die voor ons te duur zijn.”
„Ik kan ma op dit oogenblik niet meer geven,” zei meneer Nederhorst
treurig. „Ik had haar juist willen vragen, of ze zich niet met minder
kon behelpen.”
„O, pa!” zei Helène. „U weet niet, hoe naar zij is.”
„Ik moet met haar spreken,” zei meneer Nederhorst meer tot zich zelf
dan tot Helène. „De uitgaven moeten hier of daar op verminderd worden.
Wij kunnen ’t in alle gevallen met eenvoudiger middageten doen, zeg dat
aan Trui.”
Zwijgend werd de maaltijd genoten; terwijl Rudolf zijn vader boos
aankeek en slechts met moeite door Helène weerhouden werd, om iets te
zeggen. Nauwelijks echter was meneer Nederhorst de kamer uit, of de
knaap riep uit:
„Hoe schandelijk! Ma niet eens te gunnen, wat zij noodig heeft!”
„Maar Rudolf, je hoort immers zelf, dat pa ’t niet missen kan!”
„’t Is verschrikkelijk! Als ik een vrouw had, die ziek was, zou ik
liever honger lijden, dan dat het haar aan iets ontbrak!”
„Foei, Rudolf! Oordeel toch zoo niet over pa! ’t Doet hem leed genoeg,
daar kun je op aan. Je behoeft zijn gezicht maar te zien. De goede man
gaat er onder gebogen!”
Intusschen was meneer Nederhorst, toen hij van tafel opstond,
regelrecht naar de kamer zijner vrouw gegaan. Hij vond haar in een
lichte sluimering. Hij knielde naast de sofa neder en beschouwde met
aandacht dat uitgeteerde gelaat.
Hoe was ’t mogelijk, dat hem dit niet eerder opgevallen was! Wat was ze
vermagerd en hoe slecht zag ze er uit! Op dit oogenblik werd ze wakker
en glimlachte vriendelijk, toen ze haar man bij zich zag.
„Hoe is ’t, Marie?” vroeg hij op vriendelijken, angstigen toon.
„Ik heb geen pijn; maar ik voel mij zoo zwak,” antwoordde ze.
„Helène zei, dat je veel erger was. Is dat waar?”
Ze zag hem vriendelijk aan, zonder een woord te spreken. Hoe kon zij,
door hem de waarheid te zeggen, zijn verdriet nog vermeerderen?
Haar stilzwijgen verontrustte hem.
„Zeg mij, Marie,” zeide hij, „of je denkt, dat je toestand gevaarlijk
is?”
Thans moest de waarheid er uit, hoe hard het haar ook mocht vallen, die
te openbaren.
„Ik heb ’t al maanden lang geweten, dat er voor mij geen hoop op
herstel was,” antwoordde zij.
„Dwaasheid, Marie!” antwoordde hij. „’t Is alleen de werking van je
zenuwgestel, de verbeelding, die je zwakte je geeft. ’t Is niets, dan
de verandering in onze maatschappelijke positie, ’t verdriet over die
verandering en de onaangenaamheden, die je te verduren hebt gehad. De
ellendige armoede heeft gemaakt, dat je verwaarloosd bent en niet de
noodige geneeskundige hulp gehad hebt. Morgen ga ik toch naar Amsterdam
en zal dokter Manders bij je halen, en dan ben je spoedig weer
dezelfde.”
„Neen, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „Denk niet, dat ik
verwaarloosd ben geworden. Helène heeft mij met alle liefde en
zorgvuldigheid opgepast. Ook zijn het onze veranderde omstandigheden
niet, die mijn toestand verergerd hebben. Reeds vóor de slag kwam wist
ik, dat ik nooit beter zou worden. Ik ben niet zwakker geworden, omdat
ik meer te doen had; Helène heeft mij dat alles uit de handen genomen.
Ze heeft nu ’t huishouden ook voor haar rekening. Je weet niet, wat dat
kind voor mij is.”
„Het doet mij genoegen, dat te hooren,” antwoordde meneer Nederhorst.
„Toch kan ik ’t niet dulden, dat je je aan zulke inbeeldingen
overgeeft. ’t Is volstrekt noodig, dat je de zaken uit een lichter
oogpunt inziet; is het dan niet om jouwentwil, dan om mij.”
„Heusch, Leonard! Ik zou er jou en mij zelf maar door misleiden. Ik kan
niet lang meer leven; en die gedachte maakt mij niet ongelukkig, dan
alleen, omdat ik jou dan zou moeten verlaten.”
„Geen woord meer daarover, Marie. Dokter Manders komt morgen of
overmorgen en dan zal je ’t wel anders inzien. Rust nu maar wat; ik heb
nog wat te schrijven en moet je nu alleen laten.”
Toen hij de kamer verlaten had, kwam hij Helène op ’t portaal tegen.
„Ik heb van ma gehoord, dat je tegenwoordig huishoudster bent. Zeg aan
Trui, dat zij alles voor haar klaar maakt, waar ze maar trek in heeft
en kom slechts bij mij om geld. Zuinig echter in ’t huishouden uit, wat
je kunt. Je moeder moet aan niets gebrek hebben.”
„Dat zal ik doen, pa!” zei Helène.
„En tracht haar zooveel mogelijk op te vroolijken,” hernam hij. „Ze
heeft opbeuring noodig. Laat haar daarom zoo weinig alleen, als
volstrekt noodig is, hoor!”
Helène was recht in haar schik over deze woorden van haar vader. Zoo
had ze hem in lang niet tegen haar hooren spreken; ze kwam dus met een
opgeruimd gelaat de kamer van haar moeder binnen. Ze vond haar in
tranen.
„O, ma! U moet niet zoo verdrietig zijn,” zeide zij. „Pa kan ’t vast
wat beter doen, want hij heeft mij daar juist gezegd, dat ik, als ik
extra geld voor u noodig had, maar bij hem moest komen, en hij was
vriendelijk tegen mij. Vindt u dat niet heerlijk, ma!”
„Pa is zoo goed, Helène, al toont hij dat uiterlijk niet,” zei mevrouw
Nederhorst, haar tranen drogende. „O, Helène, het bedroeft mij zoo dat
pa maar niet gelooven wil in welk een gevaarlijken toestand ik mij
bevind. Als ik eens stierf, zou hij ’t zooveel te zwaarder voelen!”
Op dit oogenblik werd de deur der kamer met groot geweld opengedaan en
kwam Rudolf, doodsbleek en verschrikt aanloopen. ’t Bloed liep
tappelings uit zijn hand, waarin hij zich een diepe snee tusschen duim
en vinger had toegebracht.
„Wat heb je uitgevoerd, Rudolf?” vroeg de verschrikte moeder, die van
de sofa opstond en geweldig aan de schel trok.
„Ik heb mij zoo vreeselijk gesneden!” zei Rudolf.
„Trui! Loop eens terstond naar den eersten dokter den beste. Zie eens,
hoe Rudolf zich gesneden heeft.”
Trui liep terstond heen, en kwam spoedig met een dokter terug. ’t Was
niemand anders dan dokter Faminga, dien ze toevallig dicht bij ’t huis
ontmoet en te hulp geroepen had. De goede man, wien ze in een paar
woorden ’t voorgevallene had medegedeeld, had geen oogenblik geaarzeld,
om aan ’t verzoek der oude dienstmaagd te voldoen en was haar ’t huis
in en den trap op gevolgd.
Terstond liet hij zich ’t noodige linnen geven en verbond hij de hand
van Rudolf; maar mevrouw Nederhorst zag niet zoodra dat haar zoon hulp
had, of haar geestkracht ontzonk haar, en overspannen als ze geweest
was, viel ze bezwijmd op de kanapé neer.
Nadat dokter Faminga de hand van den knaap verbonden had, begaf hij
zich naar de bezwijmde moeder, en ’t gelukte hem, haar door de
aanwending van eenig vlugzout, dat hij toevallig bij zich had, tot
bewustzijn terug te brengen. In dien tusschentijd was meneer
Nederhorst, door Trui gewaarschuwd, die hem eenige bijzonderheden
aangaande ’t bevinden van den dokter had meegedeeld, op de kamer
gekomen. Toen nu zijn vrouw weer bij bewustzijn was, wendde hij zich
tot den dokter.
„Wat ben ik u schuldig, meneer?” vroeg hij.
„Ik neem geen geld voor visites, mijnheer,” antwoordde dokter Faminga.
„Ik ben geen practiseerend geneesheer meer.”
„Dat is mij hetzelfde. Ik verlang u te betalen.”
„Ik kan geen geld aannemen, meneer! en ik zou ’t niet mogen doen ook;
daar ik geen patent meer heb. Vergun mij morgen eens terug te komen en
naar de beide patiënten te zien. Hier is mijn kaartje.”
Dit zeggende reikte hij meneer Nederhorst zijn kaartje over.
„In ’t geheel niet,” antwoordde deze trotsch. „Ik verlang geen
aalmoezen aan te nemen, en ’t allerminst van iemand, die vast schijnt
voorgenomen te hebben zich in mijn huis te dringen.”
„Ik ben niet in uw huis gedrongen, meneer Nederhorst,” zei dokter
Faminga op een toon die aantoonde, hoe zeer hij zich beleedigd achtte
over den onbeleefden uitval van meneer Nederhorst. „De wond van uw zoon
heeft verdere hulp noodig, indien u niet wilt, dat hand of duim stijf
worden. Gevaarlijker echter is de toestand uwer vrouw. Ze heeft
onmiddellijk geneeskundige hulp noodig.”
„Daar zal ik wel voor zorgen,” antwoordde meneer Nederhorst, die nu
begon te denken dat het dokter Faminga was, die ’t hoofd van zijn vrouw
met al die inbeeldingen van sterven had vervuld.
Den volgenden morgen vertrok meneer Nederhorst voor zijn zaken naar
Amsterdam, en verzocht dokter Manders met hem mee te gaan, om zijn
vrouw eens te komen zien.
„Wat is uw oordeel?” vroeg hij, toen dokter Manders haar gezien had en
zij op meneers kamer waren.
„De zaak is uiterst kritiek,” antwoordde de dokter. „Ik mag u met geen
valsche hoop vleien. Herstelling is onmogelijk, er kan zelfs
onmiddellijk alle gevaar bij komen. Ik had het reeds te Amsterdam
voorspeld. Een badkuur had haar misschien toen kunnen redden; doch ’t
is nu onmogelijk.”
„Overdrijving, dokter, niets dan overdrijving!” riep meneer Nederhorst
uit. „Mijn vrouw heeft zich hier door iemand, die zich den titel van
dokter geeft, laten wijsmaken, dat ze een doodelijke kwaal heeft,
waarvan geen herstel mogelijk is, en nu is haar zwakke zenuwgestel
daardoor aangetast. Lastige en gevaarlijke menschen, die zich indringen
in iemands huis en dan zulke adviezen geven.”
„Welnu, meneer! Als u dan op mijn oordeel niet vertrouwt,” zei dokter
Manders, „laat ons dan consult houden met een der hier wonende
doctoren. Dan hebt u tevens een practiseerend geneesheer; want u weet,
welk een drukke praktijk ik heb, en dat het mij bijna onmogelijk is,
zelfs een enkele maal over te komen.”
Meneer Nederhorst voelde waarschijnlijk wel, dat dokter Manders hem
niet op zulke ontzaglijke kosten wilde jagen als een dagelijksche
overkomst uit Amsterdam natuurlijk na zich zou sleepen; tevens begreep
hij, dat hij zijn toevlucht zou moeten nemen tot een der Weesper
geneesheeren die dan met dokter Manders correspondentie kon houden.
„Waarschijnlijk weet u wel, dokter, wie hier voor den knapsten dokter
gehouden wordt,” zei meneer Nederhorst.
„Dokter Van Esch wordt zeer geroemd,” antwoordde dokter Manders.
Meneer Nederhorst zond Trui naar dokter Van Esch, met verzoek of hij
terstond bij hem wilde komen. Weldra verscheen dokter Van Esch en werd
door den Amsterdamschen geneesheer op de hoogte gebracht van den
toestand der zieke. Daarna bezochten zij gezamelijk de zieke, en
beloofde hij haar te zullen behandelen en zijn Amsterdamschen collega
op de hoogte te houden, die dan van tijd tot tijd eens zou over komen.
Eenige weken waren verloopen en ’t scheen, dat mevrouw Nederhorst,
onder de dagelijksche geneeskundige behandeling en de zorgvuldige
oppassing harer dochter begon op te knappen. Dokter Manders kwam
geregeld elken Zondag om de veertien dagen over en toonde zich zeer
tevreden over den voortgang der ziekte; doch, wanneer meneer Nederhorst
hem bij ’t heengaan vroeg, hoe hij de patiënt vond, schudde hij steeds
het hoofd.
„Altijd in een hoogstgevaarlijken toestand,” zeide hij. „Laat u door
die schijnbare beterschap niet misleiden. Ik ken die gestellen:
eensklaps komt er, zonder dat men er de oorzaak van kan vermoeden, een
verandering en ze ontvallen ons, eer we ’t vermoeden. Vlei u daarom nog
niet; wat de zomer kan uitwerken, is een zaak, die ik niet kan
bepalen.—Op dit oogenblik verkeert uw vrouw nog steeds in een toestand,
waarop in ’t geheel niet te bouwen is.”
„Zwaarhoofd!” zei meneer Nederhorst dan als hij den dokter had
uitgelaten. „’t Komt omdat hij haar niet alle dagen ziet. Dokter Van
Esch, die toch ook een knap man is, geeft mij alle hoop, zoo niet op
geheel herstel, dan toch op behoud.”
Wie kan ’t den armen man kwalijk nemen, dat hij, ziende hoe zijn vrouw
opknapte, meer vertrouwen in den Weesper geneesheer stelde, die hem
hoop op een voor hem reeds zichtbare beterschap gaf, dan in den
Amsterdamschen, dien hij oordeelde, dat door een te donkere bril zag.