Gedurende den korten tijd, dien de familie Nederhorst in ’t logement

doorbracht, werd de kennismaking met dokter Faminga een werkelijke

vriendschap, en weldra was hij ook de vriend der kinderen. Hij hield

ontzaglijk veel van kinderen en ’t was zijn grootste genoegen om des

namiddags met de beide kleinsten een wandelingetje te doen, ’t geen

mevrouw Nederhorst een paar rustige uurtjes bezorgde. Ook vond zij ’t

zeer plezierig, wanneer hij een kopje thee bij haar kwam drinken; want

hij was een man die veel ondervonden en gelezen had, en dus goed praten

kon.

Zoo gingen eenige dagen gelukkig voorbij, toen er een brief van meneer

Nederhorst kwam, waarin hij melde, dat de verkoop der meubelen niet

minder goed geslaagd was dan die van het huis; zoodat hem, na volkomen

afbetaling van al zijn schuldeischers, nog een som overbleef, voldoende

om van de intrest zuinig te leven. Doch dat zou ook hoogst zuinig

moeten zijn en ’t zou een groot verschil opleveren met hun vroegere

levenswijze. Ook meldde hij dat morgen de weder ingekochte meubels

kwamen; hij hoopte, dat zijn vrouw het oppertoezicht over de plaatsing

zou kunnen houden en ’t haar niet te zeer vermoeien mocht. Wat hem

aanging—hij moest nog eenige dagen in Amsterdam blijven, om zijn zaken

geheel te regelen.

„Mevrouw,” zei dokter Faminga, toen hij haar een bezoek bracht en ze

hem verteld had, dat ze nu spoedig haar nieuwe huis zou betrekken, „de

ontvangst der meubelen en de schikking daarvan is voor uw krachten te

zwaar. Zoudt ge ’t aan mij willen overlaten, om voor ’t vervoer en de

plaatsing te zorgen? Helène kan mij daarbij helpen.”

„Ik ben zeer gevoelig voor uw aanbod, meneer Faminga,” antwoordde

mevrouw Nederhorst, „en ik mag ’t niet afslaan. Als u het goedvindt,

zal Helène straks met u naar ’t nieuwe huis wandelen en u de door ons

gemaakte verdeeling wijzen. Daar ik echter niet weet, welke meubelen er

komen zullen, zal ik de plaatsing maar aan u en haar overlaten. Zij

weet wel hoe het naar mijn zin is.”

„Wel zeker, ma!” zei Helène. „En als dan morgenmiddag alles klaar is,

komen wij u halen en dan verandert u nog, wat u wilt.”

„Dat is goed,” antwoordde mevrouw Nederhorst. „En dan reken ik

tegelijkertijd in het logement af en betrekken we onze nieuwe woning.”

Terstond ging Helène met den dokter en de beide kinderen derwaarts. ’t

Nieuwe huis was nu van boven tot beneden schoongemaakt en zag er frisch

en helder uit.

„Nu, dat valt me niet tegen,” zei dokter Faminga. „Inderdaad, bevallig

en een goed voorkomen.”

„Vindt u niet, dokter?” zei Helène. „’t Is maar jammer, dat het zoo ver

van uw villa ligt.”

„En zegt dat een Amsterdamsche? Voor Amsterdam zou men het dichtbij

noemen.”

Helène stak den sleutel in ’t slot en deed de deur open. Trui was er

den vorigen dag klaargekomen en natuurlijk naar ’t logement

teruggekeerd. Ze had echter dien morgen overal de ramen opengezet,

opdat het goed luchten zou. ’t Huis zag er beter uit, dan toen mevrouw

Nederhorst het met haar man bezichtigd had: ’t was nu schoon en

vriendelijk.

„Nu, de ruimte valt mij mee,” zei de dokter. „Naar wat je mama er over

zei, dacht ik dat het een krot was.”

„Ma is ook gewoon aan zulk een kolossaal huis met zulke hooge, ruime

vertrekken,” zei Helène. „Zie, dit is onze huiskamer, die met

openslaande deuren in ons tuintje uitkomt. Vindt u die niet lief?”

„Alleraardigst; maar ’s winters zult ge niet veel uitzicht hebben,” zei

de dokter. „Ten minste nu is ’t al vrij bar. Ik zou er liever de

voorkamer voor genomen hebben; dan hadt je een ruim gezicht over de

weilanden.”

„Die kamer zouden we aan kant houden,” zei Helène.

„’t Zal hier in voor- en najaar nog al vochtig zijn ook, en dat is niet

goed voor de gezondheid van je mama. We zullen haar voorstellen om het

te veranderen. Daarom kan ze er zomers toch best in zitten.”

„Dat is pa’s kamer,” vervolgde Helène, toen ze boven op een

allerliefste kamer kwamen, die een riant uitzicht had. „We zullen haar

zoo gemakkelijk mogelijk inrichten.”

„Nu, dat is niet de minste van ’t huis,” zei dokter Faminga. „Maar dat

behoort ook zoo.”

Nadat ze ’t geheele huis bekeken hadden, keerden ze naar ’t logement

terug.

„Welnu, dokter, hoe bevalt u onze nieuwe woning?” vroeg mevrouw

Nederhorst. „Vreeselijk klein, niet waar?”

„Dat is al naar men ’t neemt, lieve mevrouw,” zei de dokter. „Uw vorig

huis op de Keizersgracht was er zeker een paleis bij; maar ik denk, dat

het u, als u er eenmaal in woont, wel bevallen zal. Beknoptheid van

woning heeft altijd iets geriefelijks.”

Daarop begon hij over de verandering van huiskamer te spreken, en wel

zóó overtuigend, dat mevrouw Nederhorst er in toestemde.

„Ik hoop, dat mijn man er genoegen mee zal nemen,” zeide zij.

„Waarom niet?” vroeg de dokter. „Natuurlijk moet u ’t laten voorkomen,

alsof het uit u zelf kwam. U brengt er immers uw dag in door en niet

hij. Daarenboven hebt u er een paar ferme kasten in—een heel gemak in

een huiskamer.”

„Wilt u wel gelooven, dat ik smachtend verlang om weer in mijn eigen

huis te zijn, dokter?” vroeg mevrouw Nederhorst. „Het verblijf in zoo’n

logement is niet alles.”

„Ik geloof het best,” antwoordde de dokter. „Eigen haard is goud waard,

zegt het spreekwoord.”

„Daarenboven is ’t nog al kostbaar ook,” hervatte mevrouw Nederhorst.

VIERDE HOOFDSTUK.

BROEDER EN ZUSTER.

Eenige dagen later kwam meneer Nederhorst te Weesp. Hij was alles

behalve vroolijk gestemd en zei Helène en de andere kinderen nauwelijks

goeden dag. Daar mevrouw Nederhorst, opdat haar echtgenoot zoo min

mogelijk de verandering zou gevoelen, den tijd van ’t middagmaal op

dien, welken zij in Amsterdam gewoon waren, gesteld had, ging men

spoedig na zijn komst aan ’t diner. Nadat de maaltijd afgeloopen was,

waarvan de eenvoud meneer Nederhorst erg gehinderd had, zei Helène:

„Pa! Nu wilt u zeker graag naar uw kamer gaan. Ik zal er u

heenbrengen.”

Meneer Nederhorst volgde zijn dochter.

„Nu zal pa zeker wel opgetogen zijn!” dacht ze; want ze had alles zoo

keurig mogelijk ingericht. En inderdaad, het kamertje (dat was ’t in

vergelijking van die, welke hij in Amsterdam gebruikte), was lief

gemeubeld. Papa’s schrijftafel, ofschoon wel wat groot voor ’t

vertrekje, stond toch heel goed tegen den eenen muur, en daarboven had

ze de fotografische groep gehangen, welke de geheele familie

voorstelde. Papa’s gemakkelijke stoel stond bij den haard, waarin een

turfvuurtje brandde, en op de tafel stond een lamp, die een vriendelijk

licht verspreidde. De overgordijnen waren toegeschoven, en boven op een

kleine boekenkast, waarin de boeken, welke hij van zijn groote

bibliotheek gehouden had, keurig netjes geschikt waren, stonden een

paar pleisterkoppen; terwijl de schoorsteenmantel alleen met het

keurige uurwerk versierd was, dat Helène van dokter Faminga ten

geschenke gekregen had. Ze had zeker gedacht, dat haar papa, al mocht

hij dan niet opgetogen wezen, ten minste zeer tevreden zou zijn over ’t

gezellig kamertje; maar meneer Nederhorst trad binnen, zonder iets te

zeggen.

„Nu, pa! hoe bevalt het u?” vroeg zij.

„’t Gaat nog al,” zei hij, terwijl hij in den stoel voor ’t vuur ging

zitten. „Laat mij nu alleen, ik wil hier wat blijven.”

Teleurgesteld ging ze naar beneden; toen ze bij haar moeder kwam, zag

deze tranen in haar oogen. Mevrouw Nederhorst begreep er de reden van;

doch ze wilde er liefst niets van zeggen of haar naar de oorzaak der

droefheid vragen. Maar ’t was nog het ergste niet geweest. Tegen het

theedrinken kwam meneer Nederhorst binnen, zijn gelaat stond geheel

ontstemd.

„Hoe ben je aan dat uurwerk gekomen, dat op mijn schoorsteenmantel

staat?” vroeg hij.

„Dat heeft Helène voor haar verjaardag cadeau gekregen van iemand, dien

we hier gevonden en van wien we zeer veel vriendschap genoten hebben,

van een zekeren dokter Faminga, die sedert eenige jaren te Weesp

woont,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„Dokter Faminga? Wat is dat voor een man?” vroeg meneer Nederhorst,

wiens gelaat nog meer betrok.

„Een oud heer, die mij allerlei diensten bewezen heeft,” antwoordde

zijn vrouw. „Zoo heeft hij met Helène er voor gezorgd, dat de meubelen

goed hier in huis en op hun plaats kwamen. Ook was hij heel lief voor

de kinderen, met wie hij meermalen is gaan wandelen.”

„Zoo, en wat weet je nog meer van zijn hem?”

„Dat hij een hoogst fatsoenlijk en goedhartig man is, die veel in zijn

leven ondervonden en de praktijk neergelegd heeft, om hier te komen

wonen.”

„Dat heb je natuurlijk alleen uit zijn eigen mond gehoord.”

„Maar ik heb het onvoorwaardelijk geloofd. Een man als hij en....”

„En ik verbied allen verderen omgang met dien man,” zei meneer

Nederhorst streng. „Waarschijnlijk de een of andere avonturier, die

zich van de eenvoudigheid eener onergdenkende vrouw bedient, om zich

bij ons in te dringen. We hebben geen nieuwe vrienden noodig. Als onze

oude ons niet meer willen kennen, omdat wij arm geworden zijn, waartoe

zullen we dan nieuwe vriendschapsbetrekkingen aanknoopen? Inderdaad! ik

begrijp niet, hoe je met onze armoede zoo te koop hebt kunnen loopen.”

„Je oordeelt geheel verkeerd, Leonard,” antwoordde mevrouw Nederhorst.

„Meneer Faminga is een door en door braaf man, die volstrekt geen

waarde aan geld of positie in de maatschappij hecht, en leeft als hij

iemand een dienst kan doen. Zie hem, vóor je oordeelt.”

„Daar zal ik wel op passen,” antwoordde meneer Nederhorst. „Ik zal hem

schrijven en hem eens ferm laten gevoelen, wat ik van de manier denk,

waarop hij zich zonder mijn toestemming hier in huis heeft ingedrongen.

En wat het cadeau van Helène aangaat, dat zal ik hem terugzenden.”

„Dat zal je niet doen, Leonard!” zei mevrouw Nederhorst op smeekenden

toon. „Je weet niet, hoeveel verplichting ik aan den belangeloozen man

heb. Je doet er mij en de kinderen verdriet mee.”

„Ik zal het doen,” antwoordde meneer Nederhorst, „en wel terstond.”

„Je zult toch eerst thee drinken?” vroeg mevrouw Nederhorst.

„Een kop thee wil ik wel nemen, maar de zaak heeft haast; anders komt

die meneer soms nog hier.”

Mevrouw zei geen woord meer, en Helène ging de kamer uit naar de

keuken, waar ze in tranen losbarstte.

„Wat scheelt er aan, jongejuffrouw?” vroeg de goede Trui.

Schreiende vertelde Helène haar ’t voorgevallene.

„Nu, dat is mooi!” riep de oude meid uit. „Zoo’n lief man! En dan nadat

hij alles gedaan heeft wat hij kon, om ’t uw mama gemakkelijk te maken.

Wat heeft de man niet gesjouwd, om hier den boel in orde te brengen! ’t

Is schande! En die dokter Faminga is nog al zoo’n fatsoenlijk man!”

„Pa meent dat die goede dokter een gelukzoeker is, die er redenen voor

heeft om zich bij ons in te dringen. Als hij hem maar eens wilde zien,

dan zou hij misschien wel anders over hem denken.”

„Nu, droog uw tranen maar af,” hernam Trui, „en ga maar weer naar uw

mama, die ook wel bedroefd zal zijn over de behandeling die den dokter

wordt aangedaan. Ik hoor uw pa al naar boven gaan; hij heeft zijn thee

gauw op.”

Wat Trui na Helène’s vertrek in zich zelf prevelde van „groote”

menschen, die nog even „groot” bleven, al waren zij arm, en van andere

zaken, die ze niet graag hardop zou gezegd hebben, willen we u maar

niet mededeelen; liever volgen we Helène naar de huiskamer, waar ze

zich naast haar moeder op de sofa zette.

„O, vindt u ’t niet verschrikkelijk van pa?” vroeg zij. „Is ’t geen

schande, om een man, die zoo lief en zoo goed voor ons geweest is, zoo

te behandelen.”

„Stil, lieve,” antwoordde haar moeder. „’t Past je niet, om de daden

van je vader te berispen. Hij doet, zooals hij recht oordeelt, en ik

had verstandiger moeten handelen en de vriendschap van den dokter niet

moeten aannemen. Ik heb mij laten verleiden door ’t vertrouwen, dat

zijn gelaat en gedrag mij inboezemden; ook kon ik, nadat ik wist, dat

je hem onze familie-aangelegenheden hadt medegedeeld, in hem niets

anders zien dan een belangeloozen vriend. Dat kan je vader niet; want

hij weet niet, dat de dokter met onze omstandigheden bekend was, en dat

mag hij niet weten; want dan zou je ’t voor altijd bij hem verbruid

hebben.”

Helène gevoelde, dat haar moeder gelijk had, en in haar oog was ’t

gedrag van haar vader nu niet meer zoo hard, als ze ’t straks

beschouwde.

„Maar die goede dokter,” zeide zij. „Wat zal hij wel van ons denken,

als hij pa’s brief krijgt.”

„Hij is verstandig genoeg, om de zaak te begrijpen. Maar daarenboven

zal ik hem tegelijk een briefje sturen, waarin ik hem alles bloot leg

en hem onzen dank betuig voor al ’t geen hij voor ons gedaan heeft.

Geef me dadelijk pen en inkt, dan kan Trui mijn schrijven te gelijk met

dat van pa overhandigen en dan zal de goede man zich niet gekrenkt

voelen.”

Helène haastte zich, hieraan te voldoen, en juist toen Trui op meneers

kamer gescheld werd, sloot mevrouw ’t briefje, dat ze het dienstmeisje

meegaf, om dat tegelijk met het uurwerk en het briefje van meneer aan

dokter Faminga te overhandigen. Trui was nog niet lang terug, toen een

dienstmeisje een briefje voor mevrouw bracht, waarin de dokter zijn

leedwezen betuigde over ’t gebeurde, verklaarde dat hij zich de

handelwijs van meneer Nederhorst best kon verklaren, en haar

verzekerde, dat het hem een groot genoegen zou zijn, haar genegenheid

en die van haar dochter te behouden. Misschien zou in ’t vervolg van

tijd de tegenzin van meneer Nederhorst om met anderen te converseeren

wel slijten en dan zou alles wel weer terecht komen.

„O, hoe lief van hem, om zoo te antwoorden!” riep Helène uit.

„Allerliefst,” bevestigde mevrouw Nederhorst. „Maar ik verwachtte niets

anders van hem. We willen even onbaatzuchtig zijn als hij, en, nu we

ons niet meer over hem te bedroeven hebben, geduldig ons gemis dragen.”

Intusschen naderde de Paaschvacantie en zou Rudolf voor de eerste maal

in de nieuwe ouderlijke woning komen logeeren. Helène had er voor

gezorgd, zijn kamertje in orde te maken, een klein aardig hokje, maar

dat ze zoo had op weten te sieren, dat het er wezenlijk lief uitzag.

Daar ook de kinderen vacantie gekregen hadden, wandelde zij met hen

naar ’t station, om haar broer af te halen. Hij kwam tegen etenstijd;

want daar hij Amsterdam door moest, had hij bij oom en tante Walburg

koffie gedronken.

Verlangend naar den broer, van wien ze zooveel hield, stond Helène met

Dora en Alfred op het perron te wachten. Daar hoorde ze den trein van

Amsterdam fluiten, en weldra was de dampende en snuivende locomotief in

’t gezicht—eenige seconden later stond zij stil. Met zoekend oog sloeg

Helène al de passagiers gade, die te Weesp uitstapten, en spoedig vond

ze er Rudolf uit, die haar ook zag en haar een hartelijken kus gaf.

„Hoe gaat het, Helène?” vroeg hij. „En hoe maken ’t pa en ma? Dag Dora,

dag Alfred! Wel! ben je me mee komen afhalen? Nu, dat is goed, dat is

aardig van je.”

„Ma is heel verlangend naar je, Rudolf,” antwoordde Helène. „Laat ons

dus maar terstond opstappen.”

„’t Was me vreemd, dat ik, te Amsterdam gekomen, nog niet thuis was,

maar verder op moest,” zeide Rudolf, terwijl hij met Helène en de

kinderen den weg van ’t station naar de stad opwandelde.

„Je hebt toch bij oom en tante koffie gedronken, niet waar?” vroeg

Helène.

„Wel zeker, en ik heb ’t er volgens gewoonte zeer goed gehad ook. De

hartelijke groeten van oom en tante, en ook van Louise en Leonie.”

„Hoe maakt Leonie het? ze schijnt het erg druk te hebben; want ze is

heel lui in ’t schrijven.”

„Hoe ze ’t maakt? Wel perfect. Ze kan zich best in ’t royale leven daar

schikken. Waarom ben jij er niet heengegaan, Helène? ’t Kwam jou toch

toe: jij bent de oudste.”

„Oom en tante hebben mij niet gevraagd, Rudolf. Maar, al hadden ze ’t

gedaan, dan had ik toch bedankt. Ik ben de oudste, en moet ma

ondersteunen. Leonie is twee jaren jonger dan ik en zou het met den

besten wil ter wereld niet kunnen doen.”

Toen ’t ongeval met hun vader gebeurd was, had Helène hem wel een brief

geschreven, waarin ze hem meedeelde, dat ze Amsterdam zouden verlaten

en te Weesp gaan wonen, maar er hem de reden niet van medegedeeld. Ze

wist, dat jongens op zijn jaren hun eigen leed niet kunnen zwijgen en

wenschte niet, dat er ruchtbaarheid aan de zaak gegeven werd. Toen hij

kort daarop een brief van zijn vader kreeg, waarbij deze hem meldde,

dat hij voortaan met vrij wat minder zakgeld toe moest, had de knaap er

nog niets van begrepen; slechts toen hij te Amsterdam bij oom Walburg

kwam, had Leonie hem ’t een en ander van de zaak verteld; hij dacht

echter, dat ze overdreef en meende op een prachtig buiten te zullen

komen.

„Maar wat moet je dan doen?” vroeg Rudolf.

„Heeft Leonie je dan niet verteld, dat ma al de bedienden hun congé

heeft gegeven en dat we alleen onze oude Trui behouden hebben?” vroeg

Helène. „Daaruit volgt natuurlijk, dat Trui, die voor ’t schoonhouden

van ’t huis en ’t eten moet zorgen, die tegelijk keuken- en werkmeid

is, niet nog den post van kamenier, linnenmeid en bonne er bij kan

vervullen. Welnu, die drie laatste posten vervul ik.”

„Jij!” riep Rudolf verwonderd uit. „Hoe is ’t mogelijk, dat jij, die

vroeger....”

„Hoe ik, aan weelde gewend, zulke ondergeschikte betrekkingen kan

waarnemen, wil je vragen; niet waar?”

„Juist, hoe je je kunt vernederen tot zulk laag werk, zoo weinig

overeenkomende met den stand waarin je opgevoed bent?”

„Dat zou ik vroeger ook nooit gedacht hebben,” antwoordde Helène. „Maar

als ik het niet doe, zou ma ’t moeten doen, en je weet heel goed, hoe

zij is. Zij zou er onder bezwijken, ’t zou misschien haar dood zijn en

dan was ’t nog erger.”

„’t Is waar,” hernam Rudolf, na een oogenblik nagedacht te hebben, „en

weet je wel, dat ik het heel braaf van je vind en er je des te liever

om heb. Maar waarom is Leonie te Amsterdam gebleven? Die leidt daar een

damesleven; terwijl jij voor asschepoester speelt. Dat is toch niet

rechtvaardig.”

„Luister eens, Rudolf,” zei Helène. „Vooreerst is Leonie tot gezelschap

van Louise en komt ze in leeftijd en aard beter met deze overeen. Ten

tweede is ze twee jaar jonger dan ik en is haar opvoeding nog niet

voltooid, en ten derde.... al was ’t mij gepresenteerd, dan had ik het

toch niet aangenomen.”

„Niet aangenomen?” vroeg Rudolf verwonderd.

„Neen, niet aangenomen,” herhaalde Helène. „O, je weet niet, hoe zwak

ma is! ’t Gebeurde heeft haar gestel vreeselijk geknakt. Leonie zou,

bij den besten wil, niet in staat geweest zijn, haar genoegzaam te

verlichten. Ik had bij oom geen oogenblik rust gehad, wanneer ik wist,

dat ma zich overspande. Doch hier zijn we thuis.”

Ze stonden voor hun woning. Rudolf keek verbaasd.

„O, wat een klein, onaanzienlijk huis!” riep hij uit. „Wonen we daar?

Ik dacht ten minste een villa te vinden.”

„’t Scheelt zeker vrij wat bij ons vroeger huis op de Keizersgracht,”

antwoordde Helène, terwijl ze aanschelde. „Maar ’t is een heel lief

huis en tamelijk ruim voor den geringen huurprijs, dien pa er voor

betaalt.”

„’t Valt me niet mee, dat moet ik royaal zeggen. Hoe kun je hier

wonen?”

„’t Zal je wel meevallen, als je er eerst maar een paar dagen in bent.”

Juist deed Trui open.

„Dag, jongeheer Rudolf!” riep de trouwe ziel uit. „Wel hoe maakt u ’t?

Wat bent u gegroeid! Ik zou u niet gekend hebben, als ik u alleen was

tegengekomen.”

„Je ziet, dat ik gezond en frisch ben,” antwoordde Rudolf. „En jij bent

ook nog de oude gebleven, Trui, en ik ben hartelijk verheugd, dat ik je

terugzie, waar al de anderen vertrokken zijn!”

Dit zeggende drukte hij haar van ’t werken ruwe rechterhand, en Trui

was dol gelukkig, dat haar jongeheer zoo weinig „grootsch” was.

Helène deed de deur der woonkamer open, waar mevrouw Nederhorst op de

sofa zat. Zoodra deze haar Rudolf zag binnenkomen, stond ze op, en

weldra rustte de zoon in de armen zijner moeder. Met welgevallen zag ze

den knappen jongen aan, die, net als Trui zei, al weer gegroeid was en

die haar met zijn heldere, oprechte oogen zoo ferm aankeek.

„Ma,” zei hij, „u ziet er niet goed uit. U is toch niet ziek hoop ik!”

„’t Is maar wat hoofdpijn, Rudolf,” antwoordde mevrouw Nederhorst,

terwijl ze weer ging zitten. „Kom, neem eens hier naast mij plaats, en

vertel me veel van je; dan gaat de hoofdpijn van zelf over.”

Rudolf ging naast zijn moeder zitten, die met veel belangstelling naar

hem luisterde en hem van tijd tot tijd eenige vragen deed, die hij

beantwoordde.

Intusschen verrichtte Helène haar gewone bezigheden, en daar ’t

langzamerhand etenstijd werd, dekte ze de tafel. Nu kwam ook meneer

beneden, die Rudolf verwelkomde, doch met zulk een stroef gezicht, dat

de knaap een groot verschil tusschen de ontvangst van hem en die van

zijn moeder opmerkte.

Men zette zich aan tafel en Trui bracht het eten op. Rudolf keek raar

op over den eenvoudigen pot en was op het punt om er iets van te

zeggen. Zijn moeder bemerkte het en gaf hem een wenk om te zwijgen.

Hij was de eenige, die aan tafel sprak. Hij wist niet, dat er sedert

hun ongeluk genoegzaam geen woord aan tafel gesproken werd; daar het

somber en streng gezicht van meneer Nederhorst langzamerhand elk

gesprek had doen verstommen. Hij had zooveel te vragen en te vertellen,

en de anderen hadden hem zooveel te antwoorden, dat het gesprek aan

tafel dien middag vrij levendig was. Meneer Nederhorst mengde er zich

echter niet in. Toen de maaltijd geëindigd was, bracht Trui een lekkere

zandtaart binnen, welke zij ter eere van Rudolf gebakken had.

„Nu, daar heb je eer van, Trui,” zei hij, toen de meid weer binnenkwam,

om ’t een en ander af te nemen. „Je schijnt in ’t bakken niet

achteruitgegaan te zijn, al is je keuken vrij wat kleiner. Apropos,

Papa! Ik had haast Ernst van Hogenberghe meegebracht. Ik ben echter

blij, dat ik ’t niet gedaan heb; want in zulk een klein huisje als dit

zou ik hem niet hebben durven brengen.”

’t Gelaat van meneer Nederhorst betrok nog meer. Helène stootte Rudolf

onder de tafel aan; maar hij scheen den wenk niet te begrijpen.

„Ik hoop echter, pa,” vervolgde hij, „dat u niet van plan bent, hier

lang te blijven; dan breng ik hem met de zomervacantie mee.”

„Ik heb je raad of voorlichting niet noodig, Rudolf,” zei meneer

Nederhorst streng, „en ben in ’t geheel niet van plan, jou daarover te

raadplegen.”

Rudolf zweeg, en was blij, dat pa naar boven trok en hij weer zonder

omwegen met ma en Helène kon praten.

„Helène,” zei hij den volgenden dag tegen zijn zuster, toen hij met

haar alleen was, „zou ’t waar zijn, dat pa al zijn geld verloren heeft?

Of zou hij zich maar zoo arm houden?”

„Hoe kom je daaraan, Rudolf? pa zal toch niet voor zijn pleizier ons

groote huis op de Keizersgracht en onze prachtige meubelen verkocht

hebben.”

„Maar hoe is pa dan al zijn geld zoo op eens kwijt geraakt?”

„Dat weet ik niet. Ik heb alleen hooren zeggen, dat pa gespeculeerd

heeft en dat de speculatie tegengevallen is. Als ’t anders was

geloopen, dan zou hij schatrijk zijn geweest. Maar spreek er in

vredesnaam geen woord van tegen ma. Ze lijdt er genoeg onder en ’t

verdriet hoeft haar niet zwaarder gemaakt te worden dan ’t al is.”

„Ik zal er met ma niet over spreken; maar toch vind ik het onaangenaam,

dat pa mijn weekgeld zoo verminderd heeft. Op de school van meneer

Voornvisser gaan allemaal jongelui van rijke ouders, die overvloed van

zakgeld krijgen. Ze hebben er al aanmerking op gemaakt, dat ik sedert

een paar maanden zoo schraal bij kas ben. Vroeger had ik overvloed van

geld en kon aan alles meedoen.”

„’t Is zeker onaangenaam voor je—ik wil ’t niet tegenspreken,” hernam

Helène. „Maar bedenk eens, hoeveel erger ’t voor ma moet zijn, die al

op alles bezuinigt en toch telkens door pa wordt aangezet om nog minder

uit te geven; zoodat ze zelfs geen glas port kan krijgen, wat ze toch

zoo tot versterking noodig heeft.”

„’t Is dwaas van ma, om zich daaraan te storen,” zei Rudolf bitter. „Pa

houdt zich stellig armer dan hij is, en als ik ma was, dan zou ik er

niet om geven, maar koopen wat goed voor mij was.”

„Je spreekt naar dat je verstand hebt, Rudolf,” hernam Helène. „Geloof

maar vrij, dat pa, als hij ’t missen kan, er de man niet naar is, om op

bezuiniging aan te dringen.—’t Is waarlijk nog gelukkig, dat hij

zooveel heeft overgehouden, om hier te kunnen leven, zooals wij doen.

Er had wel eens niets kunnen overblijven; en wat hadden we dan moeten

beginnen?”

„Maar waarom is pa dan niet in Amsterdam gebleven?” vroeg Rudolf. „Daar

had hij in alle gevallen geld kunnen verdienen.”

„’t Zou pa’s dood zijn geweest, als hij zich in Amsterdam, waar hij

zulk een staat voerde, zoodanig had moeten verminderen. Daarenboven is

’t hier veel goedkooper leven dan in de hoofdstad, wat huur, belasting

en schoolgeld aangaat en waar ook niemand ons kent en we dus zoo

eenvoudig kunnen leven als we willen.”

„Nu, ’t is er dan ook leven na,” zei Rudolf. „Niet wat mij aangaat; ik

zou ’t hier best kunnen stellen; maar voor ma en voor jou, die altijd

gewoon bent geweest om alles te genieten, wat er te genieten was.

Leonie is maar wat gelukkig, dat ze bij oom en tante in huis is.”

De erfenis eener moeder · 第 3 / 15 段