XXXII.

DE JAGUARS.—DE IBIS.—DE KAAIMANS.—DE DRAAIERS.—EEN TWEEGEVECHT VAN

DEN ENCUERADO.—DE WILDE STIEREN.

Meester Job, Gringalet, Jaunet en Verdet hadden reeds de oogen open,

toen ik bij het aanbreken van den dag eveneens wakker werd. Lucien stond

juist op toen ik mij gereed maakte om naar den oever der rivier te gaan

en vergezelde mij. Ik bewonderde in 't voorbijgaan de wijfjesjaguar,

door den Encuerado geschoten. Een weinig verder vonden wij het mannetje

(_Felís onza_) waarvan de bruingele huid zwart gevlekt was; hij mat niet

minder dan anderhalven meter; de breedte van de met scherpe nagels

gewapende klauwen verbaasde den jongen natuuronderzoeker, die het

betreurde dat ik niet een dier tijgers gedood had,—dit spijtgevoel

legde een nieuw bewijs af van zijne bewondering voor den dader van dit

dubbel heldenstuk. Een sierlijke vogel met langen, gebogen snavel streek

op den oever neer; Lucien's oog viel op de fraaie bronskleur van den

steltlooper; ik vertelde hem dat het een Ibis was.

»De vogel van de Egyptenaren, die slangen verslindt?”

—Een van zijne verwanten”, antwoordde ik. »De Ibissen voeden zich over

't algemeen met wormen, schelpdieren en zelfs waterplanten; misschien

eten zij ook wel waterslangen; maar of zij zich nu uitsluitend met

kruipdieren voeden, of ze stelselmatig vernietigen, dat is eene andere

vraag.” Ik kwam weer bij het bivak terug, waar ik mijne makkers

reeds op de been vond.

Verdet babbelde. »Ja, mijnheer Verdet, van nacht twee tijgers gedood,”

antwoordde de Encuerado hem. »'t Is lang geleden, dat mij zulk een

buitenkansje is te beurt gevallen.

—Baparalaca, sprak Jaunet.

Zeker, zeker, men kan hem _por aca_ (van hieraf) zien,” antwoordde de

Indiaan levendig; »maar als gij slechts met één oog hadt geslapen,

zooals elke fatsoenlijke papegaai moet doen, zoudt gij de twee schoten

van mijn geweer gehoord hebben. Neem deze woorden ter harte, en gij ook,

meester Job, want uwe scheeve gezichten beletten niet, dat ik twee

tijgers heb gedood.”

Toen de koffie gedronken was, sloeg iedereen zijn mouwen om en begon

men de prachtige dieren, die in ons bezit waren gekomen, de huid af

te stroopen. Dit moeielijke werk nam den geheelen morgen in beslag.

Nauwelijks waren wij er mede gereed, of ik bracht onze bagage aan boord

van het vlot, dat zich weldra van den oever verwijderde. Lucien viel het

in dat Rougette op het strand was vergeten en hij verzocht ons haar niet

achter te laten.

Een flinke duw met den boom bracht ons naar het punt van vertrek terug

en de droefgeestige Ariane hernam hare plaats in de pan, die haar tot

woning diende, zonder de geringste ontroering te doen blijken.

De lianen en struiken, die de oevers omgaven, groeiden nu nog van

afstand tot afstand. Het vlot gleed tusschen varens en palmboomen door.

Naargelang de plantengroei minder afwisselend werd, verdwenen ook de

insecten en de vogels. Het woud verkreeg een zeer ernstig karakter.

Onze blikken drongen onder de door palmboomen gevormde gewelven door

en verloren zich in hunne duistere diepten. De muskieten en horzels

plaagden ons nog meer dan naar gewoonte en de warmte drukte ons neer.

Wij gleden stil en lusteloos verder. Die verlaten oever, die boomen met

breede, door geen windje bewogen bladeren, die naakte bodem, dat zwarte

water, hetwelk zonder de minste beweging voortvloeide, vervulden de ziel

met eene onbestemde droefheid. Ik merkte herhaalde malen op, dat

tegenover die eenzaamheid vol majesteit, een onverklaarbaar gevoel ons

overzacht deed spreken.

Het rustuur had sedert lang geslagen, maar niemand stelde voor aan wal

te gaan. Wij dachten aan de groote bosschen, welke wij den vorigen dag

doorgetrokken waren en gingen vooruit, met de hoop de bezielde wereld

terug te zullen vinden. De Encuerado, duwde ons, met zijn boom gewapend,

die soms den bodem der rivier bereikte, met kracht vooruit; maar

veelvuldige bochten vertraagden onzen gang en de nacht dreigde ons te

overvallen. Eindelijk lieten de minder dicht opeen staande palmboomen

een weinig licht doordringen en de rivier trad buiten het bosch om zich

in eene vlakte te storten, waarna het vlot onder een priëel van lianen

doorgleed.

Onze eerste zorg was om de tijgervellen op den warmen bodem uit te

spannen; eenige paaltjes, te voren in den grond gestoken, maakten het

werk gemakkelijk. Terwijl ik den Encuerado hielp gingen Sumichrast en

Lucien uit, om iets voor het middagmaal op te sporen. Het vuur brandde

reeds sedert lang, toen uit de verte een schot weerklonk. De Encuerado

had twee vischlijnen uitgezet, maar duizenden kleine vischjes verslonden

het aas, dat hij aan zijne haken had bevestigd en noodzaakten hem het

telkens te vernieuwen.

»Ziet ge me dan voor een gans aan, dat ik u voeden moet?” riep hij

toornig uit. »Dat zullen wij eens zien.”

En het vlindernet nemende, dat uit sterk linnen was vervaardigd, ving

mijn makker in een oogwenk eene menigte bakvischjes, aan welke hij zijne

spotternijen niet spaarde.

Sumichrast kwam terug, met een groenen iguano beladen; Lucien trok aan

een strik een jongen krokodil van ongeveer twintig centimeter lengte,

voort.

»Zie eens, mijnheer de Encuerado,” riep de knaap zijn vriend toe,

»hier heb ik een krokodil, alligator of kaaiman, een verwante van de

hagedissen en een vijand van de menschen. Dit lieve diertje heeft holle

en ongelijke kiezen, zoodat het zijne prooi niet kan kauwen. Het voedt

zich met visschen, otters, kalveren en eene menigte andere dieren. 't Is

een tweeslachtig dier, mijnheer de Encuerado, een wezen, dat evenals de

kippen eieren legt, maar ze in het zand begraaft, waar de zon zich met

het uitbroeden belast; een dier dat zooveel van den mensch houdt, dat

het hem opeet, als het hem beet kan krijgen.

—Pas op, dat gij u niet laat bijten,” riep ik mijn zoon toe; »hoe hebt

gij dien jongen kaaiman kunnen vangen?

—Ik heb hem vervolgd, want ik dacht dat het eene groote hagedis was;

mijnheer Sumichrast riep mij toe, dat ik hem niet moest aanraken en

heeft hem toen deze liaan om den hals gebonden.”

—Ik hoop toch niet, dat gij er aan denkt om hem meê te nemen?”

—Neen, 't is een te slechte kameraad; hij wil altijd bijten. Ik zal hem

eens aan meester Job laten zien en de vrijheid weergeven.”

Als men er meester Job naar gevraagd had, zou hij, denk ik, voor de eer

van de kennismaking bedankt hebben. Hij deinsde op het zien van den

jongen kaaiman terug en zocht te vergeefs zich te verbergen. Jaunet en

Verdet wisselden eenige woorden en klapwiekten, wat gewoonlijk hun eenig

hulpmiddel was. Rougette trok verontwaardigd al hare uiteinden in hare

schaal terug en bleef als versteend. De sauriër werd daarna op den oever

van de rivier gebracht; maar in plaats van er in te springen, zooals de

knaap verwacht had, beschreef hij een halven cirkel en ging het bosch

weer in.

»Kunnen de jonge krokodillen dan niet zwemmen?” vroeg Lucien verbaasd.

—Ja wel, Chanito; maar zij gaan niet in 't water voor en aleer zij in

staat zijn zich te verdedigen.”

—Tegen wien?”

—Tegen de groote mannetjes, die zich gaarne met hun kinderen voeden.”

Dit staaltje uit de zeden der krokodillen was niet geschikt om den

jongen natuuronderzoeker met de dieren te verzoenen, waaraan het

monstertje, hetwelk hij zooeven weg had gebracht, hem even leelijk als

kwaadaardig toescheen.

»Och dan!” riep hij uit, »hoe hebt gij uwe pan zoo spoedig met visch

kunnen vullen?”

—Als gij er bij waart geweest, zoudt ge pret hebben gehad, Chanito.”

Ik had twee vischlijnen, goed van aas voorzien, uitgezet en die kleine

heeren, met hun zilveren kleed, zijn gekomen om het aas er af te

snoepen, zoodat ik het wel tienmaal heb moeten vernieuwen, want ik wilde

een _bobo_ vangen, en dacht volstrekt niet aan hen. Maar eensklaps zag

ik ze lachen....

—Hebben de visschen gelachen?”

—Ja, Chanito, met hun staart; op die manier,” voegde de Indiaan er bij,

met zijne hand eene beweging makende als de zwemmende vischjes doen.

Eerst lette ik er niet op; maar toen begonnen ze te dansen, te springen

en mij lomperd te noemen....

—De visschen zijn stom!”

—Hebt gij dan nooit gehoord, hoe zij het water met hunne vinnen

slaan?... Nu springen zij nog, maar nu lach ik en noem ik ze lomperds.”

De zorgen, die de maaltijd vereischte, maakte aan dit verhaal een einde.

De visschen, welke met het vet van de iguano gebakken waren, werden zeer

geprezen; het blanke en malsche vleesch van den Sauriër werd niet minder

goed gevonden, want het wildbraad begon ons tegen te staan.

Den volgenden morgen, een weinig voor het aanbreken van den dag, voerde

de wind ons een walgelijken reuk van muskus toe. Ongetwijfeld zouden wij

een met krokodillen bevolkt moeras door te trekken hebben. Nauwelijks

was de zon op, of ik zag op den oever, tien passen slechts van het vlot,

drie monsters lui uitgestrekt liggen. Ik wekte Lucien, die, bij het zien

der reusachtige dieren, eene beweging van schrik niet kon weerhouden.

Zij waren van vijf tot zes meter lang, het lichaam was bruin en met

bulten bedekt, en de muil tot aan de oogen gespleten; een hunner,

die zijne kaken wijd opengesperd had, liet zijne holle tanden zien.

Ik nam den knaap bij de hand om hem tot bij de amphibieën te brengen;

eerst wilde hij niet; het uiterlijk dezer monsters boezemde hem een

onoverwinbaren afkeer in.

»Ik mag nog liever een tijger,” zeide hij; »zijn gebrul is vreeselijk,

maar hij is niet zoo afschuwelijk.”

Ik overreedde mijn kleinen metgezel om zijn afkeer te overwinnen en

mij te vergezellen. Ik bleef op dertig schreden van de kaaimans staan,

die toen teeken van leven begonnen te geven en langzaam in 't water

dompelden. Lucien herademde; de voorwereldlijke vorm van deze

tweeslachtige dieren boezemde hem een onwillekeurigen angst in.

Het vlot dreef op nieuw verder en de met lianen, kinaboomen en

Amerikaansche lotusboomen versierde oevers hernamen hun lachend en

tevens wild uiterlijk. Wij zouden veel gevaar geloopen hebben midden

in de moerassen, die wij moesten doortrekken, te verdwalen, zonder de

kennis van den Encuerado, die ons spoedig weer op den goeden weg bracht.

Eindelijk werd de rivier weer nauwer en herkreeg zij hare gewone diepte.

»Zie eens daar, mijnheer Sumichrast,” riep Lucien uit, »men zou zeggen

dat er oogen op het water drijven.”

—Daarin hebt gij u niet vergist; dat zijn oogen van krokodillen.”

De knaap drukte zich tegen mij aan; ik trachtte hem gerust te stellen,

maar die sombere oogen, die in alle richtingen zich vertoonden en de

bewegingen van het vlot volgden, maakten hem buitengewoon ongerust.

Soms kwam een krokodil dwars voor ons vaartuig liggen.

»Ga door,” riep de Encuerado, »al weet gij ook dat uw huid onkwetsbaar

is, dan is dat nog geen reden om u hier als heer en meester op te

werpen. Ik ken wel een naadje in je rok, waar mijn kogel eene opening

zou weten te vinden. Wees maar niet bang, Chanito; zij zullen ons niet

aanvallen.”

Soms waren de lage oevers overdekt met deze monsters, die met wijd

geopenden muil naar de zon toegekeerd lagen. Sommige gleden in het water

en kwamen om het vlot dolen; maar het grootste aantal bleef onbeweeglijk

en verwaardigde zich niet van plaats te veranderen. De vrees van Lucien

bedaarde allengs; maar nadat hij zoo zeer gewenscht had kaaimans te

zien, begon hij er zich nu over te beklagen, dat hij er te veel zag.

»Zij zijn hier de baas,” zeide mijn vriend hem; »zij groeien en

vermenigvuldigen zich ongestoord. De rivier bevat visch genoeg om hen

te voeden, en zonder twijfel gaan zij nu en dan wel in het bosch op de

jacht. Zie daar eens naar dien, welke de landtong opklimt, hij draait

met moeite om zich zelven; men zou zeggen, dat hij geen ledematen heeft

en kruipt. Dat komt omdat zijn lichaam geen gewrichten heeft en hij zich

niet anders dan met het geheele lichaam kan bewegen. Men heeft derhalve

wel gelijk als men zegt, dat men aan een krokodil kan ontsnappen, door

op zijne schreden terug te keeren; men behoeft slechts een korten draai

te nemen.”

Bij de horzels en muskieten, welke ons reeds kwelden, kwamen zich nu nog

andere tweevleugelige insecten, _radadores_ (draaiers) genoemd, voegen.

Die bloedzuigers hadden het vooral op de handen voorzien en als bewijs

dat zij er op geweest waren, lieten zij op de huid een druppeltje bloed

achter. Lucien, die reeds tweemaal gestoken was, vond eerst vermaak in

de vlugheid dezer insecten; maar weldra vond hij, dat zij te veel

misbruik van hun angel maakten.

Tot dusverre was de rivier bijna even hoog geweest als de bodem langs

hare oevers, wat de vorming van de talrijke moerassen, waarover ik

gesproken heb, verklaart. Nu begonnen de oevers echter allengs hooger te

worden en dreef het vlot onder een gewelf van groen door. De Encuerado

moest neerhurken om er onder door te komen; hij ging weer overeind staan

om Lucien een boom aan te wijzen, geheel met papegaaien overdekt, die

ons met hun geschreeuw begroetten, waarop de Indiaan niet in gebreke

bleef pittig te antwoorden. Terwijl al onze aandacht door deze

vermakelijke woordenwisseling gaande werd gehouden, had niemand erg in

een dikken tak, die onze hoofden aanraakte en onzen stuurman omverwierp.

In plaats van naar ons toe te zwemmen, zoodra hij boven water kwam, zwom

de Encuerado naar den oever. Wij waren reeds een eind ver eer ik het

vlot stil kon doen houden en de hemel weet hoeveel moeite het mij kostte

om tegen den stroom op te komen.

Met zijne machete in de hand trok de Indiaan van leer tegen den boom,

die de oorzaak van zijn ongeval was.

»Zoo! overvalt gij de menschen zoo verraderlijk, om ze in 't water te

smijten,” riep hij uit; »dat is nog al een slimme zet en dat voor een

honderdjarigen grijsaard! Maar dat zult ge vooreerst niet weer doen, dat

zweer ik je.

—Als gij dien reus omver wilt werpen,” riep mijn vriend hem toe,

»kunnen wij wel gaan kampeeren; gij hebt er minstens acht dagen werk

aan.

—Hoogstens voor tien minuten, Tatita Sumichrast; men zal niet kunnen

zeggen, dat die groote lummel mij den hals zal gebroken hebben, om er

later met de papegaaien, die hem die aardigheid zeker hebben aangeraden,

over te lachen.”

Door de kerven, die hij in den stam had gemaakt, kon de Encuerado tot

aan den eersten tak klimmen; maar door zijne te groote haast gleed hij

naar omlaag en kwam nog eens in 't water terecht. Nu kende zijn toorn

geen grenzen.

»Lach maar, lach maar!” riep hij, »wij zullen wel zien wie het hardst

zal lachen.

En opnieuw naar boven klimmende ging hij op den tak zitten, welke hem

had omgeworpen; wij hoorden hem pruttelen zonder zijne woorden te

verstaan, terwijl hij uit alle macht er op loshakte. Ik wilde het vlot

dichterbij brengen, om met hem te kunnen spreken; eensklaps weerklonk

een gekraak en de Indiaan en de tak vielen tegelijkertijd in de rivier.

Op dit geraas begonnen de papegaaien te schreeuwen en namen de vlucht;

de zware tak gleed langs ons heen en had ons bijna meegesleept. Onze

makker klom op het vlot en lachte zoo hartelijk over de nederlaag van

den boom en den schrik der papegaaien, dat hij zijne vroolijkheid aan

Lucien mededeelde. Bij slot van rekening had hij eenen grooten bult op

zijn voorhoofd en gevoelde hij zich geheel uitgeput. Ik verbond hem,

waarop hij slapen ging met dien rustigen slaap van een kind, dat door

een boozen bui vermoeid is geworden.

Gedurende twee uren bestuurde ik ons vaartuig; daarna hernam de

Encuerado zwijgend zijne gewone post. Eensklaps bewogen zich de

bladeren; de grond dreunde en tusschen de lianen werd de kop van een

wilden stier zichtbaar. Het dier zag ons met woeste blikken aan, stiet

een dof gebrul uit en verdween daarop.

Het zien van dezen nieuwen gast verkondigde ons de nabijheid der

Savannen; wij verwachtten om bij elke kronkeling van de rivier uit het

bosch te komen. De boomen werden kleiner en het struikgewas talrijker en

plotseling ontplooide zich voor onze oogen eene onmetelijke vlakte,

welke de rivier doorsneed. Wij zouden juist den laatsten struik

voorbijgaan, toen de Encuerado eensklaps het vlot achteruitduwde. Ik

stond op en zag eene kudde stieren, welke zich naar de plek begaven, die

wij juist wilden oversteken.

»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »dat is veel zeldzamer

schouwspel dan dat van de krokodillen; laten wij meester Zonnestraal zoo

plaatsen, dat hij goed zien kan.”

De Encuerado, die naar de prairie was gegaan, riep ons. Ik vond hem bij

den stam van een grooten wilg staan; zonder een oogenblik te verliezen

namen Lucien, Sumichrast en ik tusschen de takken plaats. Gringalet

werd ook naar omhoog geheschen, maar de Indiaan ging te water en zwom

naar een alleenstaanden boom tegenover ons.

»Wij zullen heden avond gebraden runderhaas eten,” riep hij ons toe en

hij maakte tusschen de takken zulke dwaze sprongen, dat ik andermaal

voor een val vreesde.

De stieren naderden. De grond beefde onder hunne hoeven en hun geloei

maakte ons doof. Een hunner, een prachtig dier, met zwart en wit

gevlekte huid, liep met opgeheven hoorns en onrustigen blik voorop. De

troep, die nu eens draafde en dan weer stil stond om te grazen, volgde

zijn onstuimigen aanvoerder; de kaaimans, als door het geraas ontwaakt,

verzamelden zich bij het begin van de Savanne en de op het water

drijvende oogen werden steeds talrijker.

De wilde troep bleef op vijftig schreden van de rivier halt houden; de

zwartbonte stier ging alleen vooruit, dronk langzaam en wierp zich toen

in de rivier; hij bereikte den overkant en keerde zich dan om. Daarop

hernam de geheele troep, waarboven een wolk horzels zweefde, den draf,

om zich bij den aanvoerder te vervoegen. De verschrikkelijke dieren,

ongeveer vijfhonderd in getal, wierpen zich in het water, verdrongen

elkander en stieten een afschuwelijk geloei uit. In minder dan een

kwartier uurs bleven er aan onzen kant niet meer dan vijf of zes stieren

over, die schenen te aarzelen om zich in 't water te begeven. Plotseling

knalde een schot, een der dieren stiet tegen den boom waarop wij zaten;

een bloedstroom gutste uit zijne borst. Hij draaide rond, loeide en het

zware lichaam stortte neer. Ik wierp een blik naar den Encuerado, die,

tot op de onderste takken afgedaald, zijne gymnastische toeren hervatte.

De jonge stieren, door het geweerschot en den val van een hunner

verschrikt, besloten eindelijk om de rivier over te steken; een blijft

staan om te drinken; de muil van een krokodil vat hem bij den snuit en

sleept hem mede. Een tweede verdwijnt midden in de rivier en een der

aanvoerende stieren begint eensklaps te worstelen en bereikt, geheel met

bloed overdekt, den oever. De door de horzels gekwelde troep hervatte

daarop zijn woedenden loop en verdween in de verte.

Ik wilde naar beneden dalen, toen een welbekend gejank zich deed hooren;

een twaalftal jakhalzen naderde reeds het door den Encuerado gedoode

dier. Een schot van Sumichrast verwondde een der stroopers; de anderen,

voorzichtig geworden, hielden zich op een afstand. De Indiaan snelde

toe om de opbrengst van zijne jacht te beschermen en sneed het dier in

stukken, terwijl hij met de coyoten een gesprek voerde.

»Weest dan toch zoo goed te wachten,” sprak hij bij elk gejank; »ik heb

het dier gedood; 't is dus niet meer dan billijk, dat ik mij het eerst

bedien.”

Gedurende dit tooneel hadden wij meester Job en de papegaaien uit het

oog verloren; ik vond ze in de zon zitten en half slapende. Zij lieten

eene zekere blijdschap merken toen zij ons terugzagen. Toen het etensuur

daar was, zette de Encuerado ons een stuk haas, hersenen, tong en nieren

van het rund voor. Lucien was verbaasd toen hij vernam dat deze dieren,

door de Spanjaarden uit Europa naar Amerika overgebracht, zich, evenals

de paarden zoo zeer vermenigvuldigd hebben, dat zij nu de Savanne bij

troepen van dertig- en veertigduizend stuks doorloopen.

Tegen den avond begon in de verte een onweer te grollen en talrijke

bliksemstralen verblindden ons. Wij hadden een afdak gemaakt, voor 't

geval dat de regen naar ons zou toekomen. Gelukkig bleven wij er van

verschoond; maar het was eene nieuwe waarschuwing om onze reis te

verkorten.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 49 / 54 题