XXXI.

DE STELTVOGEL.—DE JAGERS VERJAAGD.—DE PECARIS.—HET VLOT BLIJFT

STEKEN.—DE TEPOXOSLANG.

Ik stond den volgenden morgen nat van den dauw op. Gringalet, die in

gedachten verzonken zat, keek naar de slapers, terwijl meester Job om

hem draaide, hem bij de ooren nam en zelfs zijn staart om het lichaam

van zijn nieuwen vriend rolde. Jaunet en Verdet schommelden met

opgezette veeren en in stilte heên en weêr. Zoodra de zon opkwam bracht

ik ze aan den oever der rivier, waar zij, tot groote voldoening van hun

jongen meester, die hun telkens de namen voorzegde, welke hij hen wilde

leeren uitspreken, uit eigen beweging een bad namen. Rougette stak haar

kop buiten hare woning en scheen wat minder zwaarmoedig, ik liet haar,

tot aan het uur van het vertrek, aan hare gedachten over.

Terwijl de Encuerado de koffie bereidde, keek ik naar de flamingo's, die

een voor een opvlogen, om zich aan den oever der rivier of in de lagunen

neer te zetten. Een steltvogel, met buitengewoon lange beenen, en zoo

dun, dat men ze op een korten afstand nauwelijks zien kon, kwam zich bij

het riet neerzetten. Lucien kon bij het zien van den vogel, die men zou

zeggen dat in de lucht zweefde, eene uitroeping van verbazing niet

weerhouden.

»Dat is de _himantopus mexicanus_, de Mexicaansche strandruiter,” zeide

ik hem, »de type van de familie der steltloopers. Hij leeft voornamelijk

aan den oever der zee, waar hij zich met wormen en schelpdieren voedt.

—Wat een gekke loop,” riep de knaap uit; »ik dacht eerst dat hij geen

pooten had.

—Hij heeft integendeel te veel pooten, daar zijn loop er door

bemoeielijkt schijnt te worden.”

De vogel bleef buiten schot, en zette bovendien weldra zijne vlucht

voort. Toen het ontbijt was afgeloopen, werden bagage en menagerie weer

op het vlot gebracht; ik stond juist op 't punt er op te gaan, toen

een geluid van gebroken takken onze aandacht naar het woud trok, waar

twee pecaris, eene soort kleine wilde varkens, elkander vervolgende,

uitkwamen. De Encuerado, zoo onverwacht overvallen, schoot op een der

dieren zonder het te dooden; nu begon de jacht. Maar nauwelijks hadden

wij een paar honderd passen afgelegd, of de Indiaan, die voorop ging,

keerde om, roepende:

»Naar het vlot, naar het vlot!”

Een geraas, gelijk aan den galop van een troep paarden, deed den grond

dreunen. Ik greep Lucien bij de hand en sleepte hem in den looppas mede.

Een troep pecaris vervolgde ons. Mijn beide makkers bleven staan om te

schieten, terwijl ik het vlot bereikte, waar ik Lucien in veiligheid

bracht. De kleine wilde varkens, meer dan honderd in getal, kwamen

opeengedrongen en woedend aanrennen. Van nabij bestookt sprong

Sumichrast op het vlot, dat bijna omsloeg, terwijl de Encuerado langs

den oever liep.

»Snijd het meertouw los en steek van wal!” riep hij mij toe, terwijl hij

zich onder het dichte struikgewas begaf.

Een gedeelte der pecaris zette hem achterna; de andere, opeengehoopt en

elkander verdringende, maakten ons bijna doof door hun geknor. Ik sneed

het touw door en nam den duwboom ter hand; de woedende dieren gingen het

water in, waarover ik mij echter weinig bekommerde; ik richtte het vlot

naar den begroeiden oever, waar ik hoopte den Encuerado te voorschijn te

zien komen.

Lucien, beangstigd door het geschreeuw der dieren, die den oever

overdekten, begreep dat zijn vriend in gevaar was; bleek en vol angst

dorst hij nauwelijks ademhalen. Wij hoorden de takken breken, den grond

dreunen en Gringalet zonder ophouden huilen. De troep, die Sumichrast op

de hielen had gezeten, voegde zich nu bij dien, waarvoor de Encuerado

vluchtte. Ik deed het vlot den rechter oever naderen, vanwaar het geraas

zich deed hooren.

»Hioe, hioe, Chanito!

—Ohé, ohé! antwoordde ik.

Ik wilde aan wal springen, toen de Encuerado door Gringalet gevolgd,

zich vertoonde en het water inging, zijn geweer boven het hoofd

houdende. De pecaris kwamen nu ook voor den dag; Gringalet, keerde, met

vurige oogen en opstaande haren zich tegen hen en een der dieren, dat

verblind van woede op hem losstormde, viel in 't water. Ik riep den

hond, die eindelijk besloot te gehoorzamen; het was niet meer dan tijd

ook.

In plaats van naar ons te komen, ging de Encuerado naar den pecari toe,

die weer den oever trachtte te bereiken; hij pakte hem bij een oor en

bracht hem, door Gringalet geholpen, die achter het wild zwom en het

telkens trachtte te bijten, naar het vlot.

»Schiet uw geweer tegen den kop van dien armen drommel af,” zeide de

Encuerado tot Sumichrast. Mijn makker gehoorzaamde.

»Lala!” hernam de Indiaan, bij een laatste stuiptrekking van het dier,

dat zich weldra niet meer bewoog.

»Neem Gringalet bij u, Tatita; als hij 't in zijn kop kreeg om naar de

pecaris terug te keeren, was hij verloren.”

Ik vatte den hond beet, die meester Job en de papegaaien goed

besproeide.

»Ja, ja, vriendjes, schreeuwt nu maar!” riep de Indiaan de wilde varkens

toe, »'t komt te laat om ons nog bang te maken. Hel een weinig naar

rechts over, Tatita, opdat ik met mijn gast er op kan komen. Wees maar

niet bang, Chanito, wij zullen niet omslaan.”

Nauwelijks was de Encuerado met zijn buit op het vlot gekomen of meester

Job verschrok zoo, dat hij bijna in de rivier viel; hij zocht zijne

toevlucht bij Gringalet, die hem zijn tanden liet zien. Verdet en Jaunet

keuvelden samen, maar niemand antwoordde hen.

De twee troepen pecaris, op den oever weer bijeengekomen, hielden niet

met hun schel geknor op; maar wij waren buiten hun bereik. Ik gaf het

vlot een flinken stoot, zoodat het weldra door den stroom werd

medegevoerd.

»Drommels, drommels!” riep Sumichrast met eene zucht van verlichting

uit, »daar zijn we de dans goed ontsprongen.

—Maar wie zou ook denken dat die vlegels in zoo'n groot aantal waren?”

sprak de Encuerado, terwijl hij een schop tegen het lijk van zijn vijand

gaf. »Gewoonlijk kondigen zij hunne komst door zulk een geraas aan, dat

hunne stilte mij bedrogen heeft.

—Zijn de pecaris dan roofdieren?” vroeg Lucien.

—Ja, Chanito, als dat ten minste roofdier heet te zijn, als men zijns

gelijken opeet. Als een onzer door de bende omver was geworpen, zou er

op dit oogenblik niet veel meer dan de beenderen van hem overblijven. En

Gringalet ging ze te lijf, zonder daar in 't minst aan te denken.

—Zijn zij dan even wreed als de tijgers?

—Hm! Ik geloof, Chanito, dat het gelukkig is, dat de tijgers niet in

troepen loopen; wel genomen zijn ze niet veel beter dan de pecaris.

—'t Is een wild zwijn, nietwaar mijnheer Sumichrast?

—Hij behoort tot de orde der dikhuidigen en is derhalve een broer van

het varken,” antwoordde mijn vriend. »Het wilde zwijn leeft alleen,

terwijl de pecaris in meer of minder talrijke troepen leven, zoodat zij,

niettegenstaande hunne geringe grootte, zeer te duchten zijn.

—Hoe, geringe grootte! deze is grooter dan Gringalet.

—De wilde zwijnen zijn tweemaal zoo groot. Eene bijzonderheid, welke de

_coyomeles_, zooals de Indianen uit Mexico hen noemen, kenmerkt, is, dat

zij drie teenen aan de achterpooten en vier aan de voorpooten hebben.

Bovendien hebben zij maar een bewijsje van staart en hunne borstels zijn

met zwart en wit gestippeld.

»Chema,” viel Lucien in, »gaat gij den pecari stroopen, omdat gij uw mes

zoo scherpt.”

—Neen, Chanito, ik ga hem slechts gereedmaken; kijk er maar niet naar;

't is evenmin aangenaam om te zien als om te doen, maar 't moet

geschieden. En met eene vlugge beweging gaf hij eene snede in den rug

van het dier.

»Als gij mij niet in de rede waart gevallen,” hernam Sumichrast, »zoudt

gij nu reeds weten dat de _sus torquatus_, zooals de geleerden den

pecari noemen, bij de lendenen een open zak heeft, waaruit een

vuilriekende stof komt; om die bijzonderheid hebben de geleerden de

pecaris tot een bijzonder geslacht gerekend.”

Meester Job, die altijd angstig was, hield zijn oogen toe, teneinde het

wild niet te zien, dat de Encuerado met zijn deken bedekte om de vliegen

er af te houden, die zeker door den reuk werden aangetrokken. Het vlot

vervolgde kalmpjes zijn loop; evenals den vorigen dag verlevendigden de

kolibries de oevers en liepen de eendagsvliegen over het sluimerende

water. Soms werden de heesters bevolkt met lepelaars en reigers, en in

de diepte eener baai zagen wij een naaktkoppigen Mexicaanschen Ibis

onbeweeglijk en staaroogend staan, alsof hij in diepe overweging

verzonken was. Nachtegalen, waarvan Mexico honderden soorten heeft,

wachtten den nacht niet af, om ons door hunne welluidende stemmen te

bekooren. Hier en daar zaten basilisken op de boomstammen, bliezen hun

keel op en schudden hun vliezigen helmkam of staken de rivier over, als

wilden zij hun naam van _pasario's_ (rivier-overstekers) rechtvaardigen.

Een groene iguano, door vorm en grootte aan een draak gelijk, ontkwam

aan het schot, hetwelk de Encuerado er op loste. De echo herhaalde de

losbranding, waarop woeste kreten antwoordden. Vervolgens dreef het vlot

over eene uitgestrekte lagune; kraanvogels, reigers, lepelaars, wulpen,

waterhoenders, waterrallen en kieviten schenen hier hunne bijeenkomsten

te houden. Zonderling genoeg gaven deze vogels in hunne onnoozelheid

zich nauwelijks de moeite van zich te verwijderen, ten einde ons door te

laten; wij hadden als 't ware het aardsche paradijs teruggevonden.

De Encuerado voer langs den zoom van het meer om den loop der rivier

terug te vinden. Er verliep meer dan een uur met valsche manoeuvres,

totdat het vlot eindelijk op eene lage plek bleef vastzitten. Daar de

Encuerado zijn boom gebroken had, zonder dat het hem gelukte ons vlot te

brengen, sprong ik, door Sumichrast gevolgd, in 't water. Ten einde een

omweg van meer dan een half uur te voorkomen, spanden wij ons, door

middel van onze riemen, voor ons vaartuig om het over een kleiachtig

slib voort te trekken. Ofschoon dit werkje ons minder aangenaam was,

vermaakte het Lucien, die, midden op het vlot gezeten, hetwelk in eene

slede veranderd was, onzen ijver aanwakkerde en om eene zweep vroeg. De

lust om ons te helpen ontbrak hem niet; maar ik wilde het niet toestaan,

uit vrees dat hij in dit moeras een dier koortsen zou opdoen, waaraan

elke reiziger in het warme land zijne schatting moet betalen. Eindelijk

dreef het vlot weer op diep water. Daar vertoonde zich een zandige

oever, met boomen omzoomd; ik loste met Sumichrast de bagage; Lucien

stelde den haard op en de Encuerado sneed den pecari in stukken, waarvan

men evenwel slechts de bouten kon eten. Ik stelde eene wandeling onder

de boomen voor, in de hoop er vruchten aan te treffen en vertrok in

gezelschap van Sumichrast. Bij onze eerste schreden ontdekte ik reeds

kinaboomen, klein van stuk, maar die vroeg of laat een belangrijken

handelstak tusschen Mexico en Europa zullen uitmaken. Mijn makker

op den voet volgende, bereikten wij eene opene plaats, bedekt met

palmboomen, brijappelboomen en roode ebbenhoutboomen, door de Mexicanen

_granadilles_ geheeten. Ik verzamelde eenige vruchten en ging toen naast

mijn vriend zitten, die een boomstam van de schors ontdeed.

Eensklaps vertoonde zich een troep herten, die bedaard begonnen te

grazen. De eerste beweging van Sumichrast was zijn geweer aan te leggen;

maar een dezer sierlijke dieren te verwonden zou een nuttelooze moord

zijn geweest, want de pecari was voor onzen maaltijd voldoende. De zon

begon laag te staan; ik dacht er aan naar het bivak terug te keeren,

waarheen het verwijderde _hioe, hioe!_ van den Encuerado ons riep. Daar

ik de herten, die zeker van plan waren den nacht op die plaats door te

brengen, niet verjagen wilde, volgde ik den stillen gang van mijn makker

na. Onze menschlievendheid ware ons bijna duur te staan gekomen. Een

_tepoxo_slang[46] (_Botrops atrox_), een verbazend groot dier, waarvan

het venijn niet minder gevaarlijk is dan dat van de ratelslang, ontrolde

zijne kronkels bijna tusschen onze beenen en ik zag, dat zij haar wijden

muil naar de heup van mijn vriend richtte. Gelukkig had ik mijne machete

in de hand, en met een slag met den achterkant sloeg ik haar neer. De

onthoofde romp sloeg zoo geweldig tegen mijne kuiten, dat ik moest gaan

zitten en hinkende, maar ditmaal in de struiken slaande, ging ik den

Encuerado mijn ongeval mededeelen.

[46] Soort lansslang, _Lataria_ geheeten, (N. v. d. B.) wordt van 1.40

tot 1.80 meter lang.

Meester Job betoonde zich zeer dankbaar voor de vruchten, welke ik voor

hem had meêgenomen; Verdet en Jaunet smulden in de brijappelen. De door

den Indiaan gebraden ham werd zoo goed en zoo malsch bevonden, dat

Sumichrast voorstelde den kok eene belooning te geven.

»Meent gij dat, Tatita?”

—Zeker is 't gemeend,” antwoordde ik, »wilt ge dat wij u in zegepraal

ronddragen, dat wij driemaal ter uwer eer hoera roepen of dat wij een

getuigschrift onderteekenen?”

—Als 't u hetzelfde is,” sprak de Indiaan, terwijl hij zijne witte

tanden liet zien, »zou ik liever een klein druppeltje cognac willen

hebben.”

Ik schonk hem een goeden borrel in en men dronk op zijne gezondheid en

op het goede einde van de reis.

Toen de zon onderging en de vogels boven onze hoofden vlogen om hunne

slaapplaatsen te bereiken, begonnen Jaunet en Verdet dat onbestemd

gesnap, dat, op een afstand gehoord, zou doen meenen, dat twee personen

halfluid met elkander praten. Ik ging een bezoek brengen aan Rougette,

die, aan den oever der rivier gekampeerd, haar kop buiten hare schaal

stak, zonder er minder droefgeestig dan naar gewoonte uit te zien. Ik

kwam bij het bivak terug, waar de Encuerado bezig was een lijfband voor

meester Job te maken; daar op de bladeren uitgestrekt en terwijl ik zag

hoe de sterren een voor een den hemel versierden, viel ik in slaap onder

de namen van Hortense en Emile, welke Lucien zijne leerlingen vol geduld

voorpraatte.

Een gebrul deed mij wakker springen; ik deed de oogen open en zag

Lucien, met het geweer in de hand, bij Sumichrast neêrgehurkt. Meester

Job schreeuwde van angst, en Gringalet, door mijn vriend tegengehouden,

bromde, zonder te kunnen blaffen. Op den oever, op een vijftigtal meters

afstand, onderscheidde ik een langen, gelen vorm en twee vurige oogen.

Een tweede gebrul leerde mij den naam van den nachtelijken bezoeker

kennen, dien ik in mijn droom meende gehoord te hebben.

»En de Encuerado?” vroeg ik aan mijn makker.

»Hij kruipt naar dien kant uit.

Een geweerschot sneed mij het woord af, het dier brulde op nieuw en

wierp zich in de struiken. Een geraas als van eene worsteling deed zich

hooren; daarop verscheen de tijger andermaal en beschreef, van woede

huilende, verscheidene kringen. Een laatste sprong bracht hem tot op

twintig schreden van den haard; hij viel om niet meer op te staan.

»Hioe, hioe, Chanito.”

Dit roepen ontlastte mij van eene drukking, welke mij belette adem te

halen. Lucien bezat nauwelijks de kracht om te antwoorden.

Gringalet, die los was gekomen, liep naar het zware roofdier toe en

bleef op een afstand blaffen. De Indiaan kwam, met het geweer op den

schouder, naderbij.

»Uwe Heerlijkheid zal mij dit recht laten wedervaren,” sprak hij, over

het lijk van zijn vijand gebogen, »dat zij zeer dicht bij het hart

getroffen is. Zij zou den kogel zelfs tusschen beide oogen ontvangen

hebben, als zij het gewaagd had naar mijn kant heên te zien... Schreit

gij, Chanito!” riep de Encuerado uit, van toon veranderende. »Waart gij

dan bang!”

—Zeker was ik dat; de tijger liep naar den kant toe waar gij waart.

—Maar wat zou dat? 't Is toch mijn beroep om die groote katten te

dooden. Niet waar, Tatita, dat dier hoorde mij toe en ik ben nog de

tijgerjager?

—Ja, sprak ik. Maar laten wij de tijgers met rust en dat zij het ons

ook doen, en gaan wij slapen.

Ik vond meester Job onder mijne deken verscholen; hij stelde zich gerust

zoodra hij bemerkte dat Gringalet naast hem ging liggen. Wij wilden weer

gaan liggen, toen het gebrul van een tijger opnieuw de lucht deed

dreunen.

»Drommels!” vroeg mijn vriend, zou dat beest weer levend zijn geworden.

—Neen, Tatita Sumichrast; maar mijn tijger is een tijgerin en haar

gemaal komt mij nieuws van haar vragen.

Ik beval den Indiaan zich niet te bewegen.

»Laat hem zijn gang gaan,” sprak mijn makker, »hij zou u toch niet

gehoorzamen.”

Een half uur verliep, de diepste stilte heerschte en wij luisterden naar

het minste geritsel der bladeren. Het geluid van eene losbranding kwam

tot ons en vijf minuten later begroetten wij het zegevierende _hioe,

hioe!_ met onze bravo's, terwijl de Encuerado van 't water druipende,

zich voor het vuur droogde.

»Ik moest de rivier overzwemmen”, zeide hij; »maar ditmaal heeft zijne

Heerlijkheid den kogel tusschen beide oogen.

—Gij zijt een dappere kerel,” sprak Sumichrast, hem de hand reikende.

Lucien vloog hem om den hals.

»Wat zal ik lekker slapen,” sprak de Indiaan.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 48 / 54 题