DE STELTVOGEL.—DE JAGERS VERJAAGD.—DE PECARIS.—HET VLOT BLIJFT
STEKEN.—DE TEPOXOSLANG.
Ik stond den volgenden morgen nat van den dauw op. Gringalet, die in
gedachten verzonken zat, keek naar de slapers, terwijl meester Job om
hem draaide, hem bij de ooren nam en zelfs zijn staart om het lichaam
van zijn nieuwen vriend rolde. Jaunet en Verdet schommelden met
opgezette veeren en in stilte heên en weêr. Zoodra de zon opkwam bracht
ik ze aan den oever der rivier, waar zij, tot groote voldoening van hun
jongen meester, die hun telkens de namen voorzegde, welke hij hen wilde
leeren uitspreken, uit eigen beweging een bad namen. Rougette stak haar
kop buiten hare woning en scheen wat minder zwaarmoedig, ik liet haar,
tot aan het uur van het vertrek, aan hare gedachten over.
Terwijl de Encuerado de koffie bereidde, keek ik naar de flamingo's, die
een voor een opvlogen, om zich aan den oever der rivier of in de lagunen
neer te zetten. Een steltvogel, met buitengewoon lange beenen, en zoo
dun, dat men ze op een korten afstand nauwelijks zien kon, kwam zich bij
het riet neerzetten. Lucien kon bij het zien van den vogel, die men zou
zeggen dat in de lucht zweefde, eene uitroeping van verbazing niet
weerhouden.
»Dat is de _himantopus mexicanus_, de Mexicaansche strandruiter,” zeide
ik hem, »de type van de familie der steltloopers. Hij leeft voornamelijk
aan den oever der zee, waar hij zich met wormen en schelpdieren voedt.
—Wat een gekke loop,” riep de knaap uit; »ik dacht eerst dat hij geen
pooten had.
—Hij heeft integendeel te veel pooten, daar zijn loop er door
bemoeielijkt schijnt te worden.”
De vogel bleef buiten schot, en zette bovendien weldra zijne vlucht
voort. Toen het ontbijt was afgeloopen, werden bagage en menagerie weer
op het vlot gebracht; ik stond juist op 't punt er op te gaan, toen
een geluid van gebroken takken onze aandacht naar het woud trok, waar
twee pecaris, eene soort kleine wilde varkens, elkander vervolgende,
uitkwamen. De Encuerado, zoo onverwacht overvallen, schoot op een der
dieren zonder het te dooden; nu begon de jacht. Maar nauwelijks hadden
wij een paar honderd passen afgelegd, of de Indiaan, die voorop ging,
keerde om, roepende:
»Naar het vlot, naar het vlot!”
Een geraas, gelijk aan den galop van een troep paarden, deed den grond
dreunen. Ik greep Lucien bij de hand en sleepte hem in den looppas mede.
Een troep pecaris vervolgde ons. Mijn beide makkers bleven staan om te
schieten, terwijl ik het vlot bereikte, waar ik Lucien in veiligheid
bracht. De kleine wilde varkens, meer dan honderd in getal, kwamen
opeengedrongen en woedend aanrennen. Van nabij bestookt sprong
Sumichrast op het vlot, dat bijna omsloeg, terwijl de Encuerado langs
den oever liep.
»Snijd het meertouw los en steek van wal!” riep hij mij toe, terwijl hij
zich onder het dichte struikgewas begaf.
Een gedeelte der pecaris zette hem achterna; de andere, opeengehoopt en
elkander verdringende, maakten ons bijna doof door hun geknor. Ik sneed
het touw door en nam den duwboom ter hand; de woedende dieren gingen het
water in, waarover ik mij echter weinig bekommerde; ik richtte het vlot
naar den begroeiden oever, waar ik hoopte den Encuerado te voorschijn te
zien komen.
Lucien, beangstigd door het geschreeuw der dieren, die den oever
overdekten, begreep dat zijn vriend in gevaar was; bleek en vol angst
dorst hij nauwelijks ademhalen. Wij hoorden de takken breken, den grond
dreunen en Gringalet zonder ophouden huilen. De troep, die Sumichrast op
de hielen had gezeten, voegde zich nu bij dien, waarvoor de Encuerado
vluchtte. Ik deed het vlot den rechter oever naderen, vanwaar het geraas
zich deed hooren.
»Hioe, hioe, Chanito!
—Ohé, ohé! antwoordde ik.
Ik wilde aan wal springen, toen de Encuerado door Gringalet gevolgd,
zich vertoonde en het water inging, zijn geweer boven het hoofd
houdende. De pecaris kwamen nu ook voor den dag; Gringalet, keerde, met
vurige oogen en opstaande haren zich tegen hen en een der dieren, dat
verblind van woede op hem losstormde, viel in 't water. Ik riep den
hond, die eindelijk besloot te gehoorzamen; het was niet meer dan tijd
ook.
In plaats van naar ons te komen, ging de Encuerado naar den pecari toe,
die weer den oever trachtte te bereiken; hij pakte hem bij een oor en
bracht hem, door Gringalet geholpen, die achter het wild zwom en het
telkens trachtte te bijten, naar het vlot.
»Schiet uw geweer tegen den kop van dien armen drommel af,” zeide de
Encuerado tot Sumichrast. Mijn makker gehoorzaamde.
»Lala!” hernam de Indiaan, bij een laatste stuiptrekking van het dier,
dat zich weldra niet meer bewoog.
»Neem Gringalet bij u, Tatita; als hij 't in zijn kop kreeg om naar de
pecaris terug te keeren, was hij verloren.”
Ik vatte den hond beet, die meester Job en de papegaaien goed
besproeide.
»Ja, ja, vriendjes, schreeuwt nu maar!” riep de Indiaan de wilde varkens
toe, »'t komt te laat om ons nog bang te maken. Hel een weinig naar
rechts over, Tatita, opdat ik met mijn gast er op kan komen. Wees maar
niet bang, Chanito, wij zullen niet omslaan.”
Nauwelijks was de Encuerado met zijn buit op het vlot gekomen of meester
Job verschrok zoo, dat hij bijna in de rivier viel; hij zocht zijne
toevlucht bij Gringalet, die hem zijn tanden liet zien. Verdet en Jaunet
keuvelden samen, maar niemand antwoordde hen.
De twee troepen pecaris, op den oever weer bijeengekomen, hielden niet
met hun schel geknor op; maar wij waren buiten hun bereik. Ik gaf het
vlot een flinken stoot, zoodat het weldra door den stroom werd
medegevoerd.
»Drommels, drommels!” riep Sumichrast met eene zucht van verlichting
uit, »daar zijn we de dans goed ontsprongen.
—Maar wie zou ook denken dat die vlegels in zoo'n groot aantal waren?”
sprak de Encuerado, terwijl hij een schop tegen het lijk van zijn vijand
gaf. »Gewoonlijk kondigen zij hunne komst door zulk een geraas aan, dat
hunne stilte mij bedrogen heeft.
—Zijn de pecaris dan roofdieren?” vroeg Lucien.
—Ja, Chanito, als dat ten minste roofdier heet te zijn, als men zijns
gelijken opeet. Als een onzer door de bende omver was geworpen, zou er
op dit oogenblik niet veel meer dan de beenderen van hem overblijven. En
Gringalet ging ze te lijf, zonder daar in 't minst aan te denken.
—Zijn zij dan even wreed als de tijgers?
—Hm! Ik geloof, Chanito, dat het gelukkig is, dat de tijgers niet in
troepen loopen; wel genomen zijn ze niet veel beter dan de pecaris.
—'t Is een wild zwijn, nietwaar mijnheer Sumichrast?
—Hij behoort tot de orde der dikhuidigen en is derhalve een broer van
het varken,” antwoordde mijn vriend. »Het wilde zwijn leeft alleen,
terwijl de pecaris in meer of minder talrijke troepen leven, zoodat zij,
niettegenstaande hunne geringe grootte, zeer te duchten zijn.
—Hoe, geringe grootte! deze is grooter dan Gringalet.
—De wilde zwijnen zijn tweemaal zoo groot. Eene bijzonderheid, welke de
_coyomeles_, zooals de Indianen uit Mexico hen noemen, kenmerkt, is, dat
zij drie teenen aan de achterpooten en vier aan de voorpooten hebben.
Bovendien hebben zij maar een bewijsje van staart en hunne borstels zijn
met zwart en wit gestippeld.
»Chema,” viel Lucien in, »gaat gij den pecari stroopen, omdat gij uw mes
zoo scherpt.”
—Neen, Chanito, ik ga hem slechts gereedmaken; kijk er maar niet naar;
't is evenmin aangenaam om te zien als om te doen, maar 't moet
geschieden. En met eene vlugge beweging gaf hij eene snede in den rug
van het dier.
»Als gij mij niet in de rede waart gevallen,” hernam Sumichrast, »zoudt
gij nu reeds weten dat de _sus torquatus_, zooals de geleerden den
pecari noemen, bij de lendenen een open zak heeft, waaruit een
vuilriekende stof komt; om die bijzonderheid hebben de geleerden de
pecaris tot een bijzonder geslacht gerekend.”
Meester Job, die altijd angstig was, hield zijn oogen toe, teneinde het
wild niet te zien, dat de Encuerado met zijn deken bedekte om de vliegen
er af te houden, die zeker door den reuk werden aangetrokken. Het vlot
vervolgde kalmpjes zijn loop; evenals den vorigen dag verlevendigden de
kolibries de oevers en liepen de eendagsvliegen over het sluimerende
water. Soms werden de heesters bevolkt met lepelaars en reigers, en in
de diepte eener baai zagen wij een naaktkoppigen Mexicaanschen Ibis
onbeweeglijk en staaroogend staan, alsof hij in diepe overweging
verzonken was. Nachtegalen, waarvan Mexico honderden soorten heeft,
wachtten den nacht niet af, om ons door hunne welluidende stemmen te
bekooren. Hier en daar zaten basilisken op de boomstammen, bliezen hun
keel op en schudden hun vliezigen helmkam of staken de rivier over, als
wilden zij hun naam van _pasario's_ (rivier-overstekers) rechtvaardigen.
Een groene iguano, door vorm en grootte aan een draak gelijk, ontkwam
aan het schot, hetwelk de Encuerado er op loste. De echo herhaalde de
losbranding, waarop woeste kreten antwoordden. Vervolgens dreef het vlot
over eene uitgestrekte lagune; kraanvogels, reigers, lepelaars, wulpen,
waterhoenders, waterrallen en kieviten schenen hier hunne bijeenkomsten
te houden. Zonderling genoeg gaven deze vogels in hunne onnoozelheid
zich nauwelijks de moeite van zich te verwijderen, ten einde ons door te
laten; wij hadden als 't ware het aardsche paradijs teruggevonden.
De Encuerado voer langs den zoom van het meer om den loop der rivier
terug te vinden. Er verliep meer dan een uur met valsche manoeuvres,
totdat het vlot eindelijk op eene lage plek bleef vastzitten. Daar de
Encuerado zijn boom gebroken had, zonder dat het hem gelukte ons vlot te
brengen, sprong ik, door Sumichrast gevolgd, in 't water. Ten einde een
omweg van meer dan een half uur te voorkomen, spanden wij ons, door
middel van onze riemen, voor ons vaartuig om het over een kleiachtig
slib voort te trekken. Ofschoon dit werkje ons minder aangenaam was,
vermaakte het Lucien, die, midden op het vlot gezeten, hetwelk in eene
slede veranderd was, onzen ijver aanwakkerde en om eene zweep vroeg. De
lust om ons te helpen ontbrak hem niet; maar ik wilde het niet toestaan,
uit vrees dat hij in dit moeras een dier koortsen zou opdoen, waaraan
elke reiziger in het warme land zijne schatting moet betalen. Eindelijk
dreef het vlot weer op diep water. Daar vertoonde zich een zandige
oever, met boomen omzoomd; ik loste met Sumichrast de bagage; Lucien
stelde den haard op en de Encuerado sneed den pecari in stukken, waarvan
men evenwel slechts de bouten kon eten. Ik stelde eene wandeling onder
de boomen voor, in de hoop er vruchten aan te treffen en vertrok in
gezelschap van Sumichrast. Bij onze eerste schreden ontdekte ik reeds
kinaboomen, klein van stuk, maar die vroeg of laat een belangrijken
handelstak tusschen Mexico en Europa zullen uitmaken. Mijn makker
op den voet volgende, bereikten wij eene opene plaats, bedekt met
palmboomen, brijappelboomen en roode ebbenhoutboomen, door de Mexicanen
_granadilles_ geheeten. Ik verzamelde eenige vruchten en ging toen naast
mijn vriend zitten, die een boomstam van de schors ontdeed.
Eensklaps vertoonde zich een troep herten, die bedaard begonnen te
grazen. De eerste beweging van Sumichrast was zijn geweer aan te leggen;
maar een dezer sierlijke dieren te verwonden zou een nuttelooze moord
zijn geweest, want de pecari was voor onzen maaltijd voldoende. De zon
begon laag te staan; ik dacht er aan naar het bivak terug te keeren,
waarheen het verwijderde _hioe, hioe!_ van den Encuerado ons riep. Daar
ik de herten, die zeker van plan waren den nacht op die plaats door te
brengen, niet verjagen wilde, volgde ik den stillen gang van mijn makker
na. Onze menschlievendheid ware ons bijna duur te staan gekomen. Een
_tepoxo_slang[46] (_Botrops atrox_), een verbazend groot dier, waarvan
het venijn niet minder gevaarlijk is dan dat van de ratelslang, ontrolde
zijne kronkels bijna tusschen onze beenen en ik zag, dat zij haar wijden
muil naar de heup van mijn vriend richtte. Gelukkig had ik mijne machete
in de hand, en met een slag met den achterkant sloeg ik haar neer. De
onthoofde romp sloeg zoo geweldig tegen mijne kuiten, dat ik moest gaan
zitten en hinkende, maar ditmaal in de struiken slaande, ging ik den
Encuerado mijn ongeval mededeelen.
[46] Soort lansslang, _Lataria_ geheeten, (N. v. d. B.) wordt van 1.40
tot 1.80 meter lang.
Meester Job betoonde zich zeer dankbaar voor de vruchten, welke ik voor
hem had meêgenomen; Verdet en Jaunet smulden in de brijappelen. De door
den Indiaan gebraden ham werd zoo goed en zoo malsch bevonden, dat
Sumichrast voorstelde den kok eene belooning te geven.
»Meent gij dat, Tatita?”
—Zeker is 't gemeend,” antwoordde ik, »wilt ge dat wij u in zegepraal
ronddragen, dat wij driemaal ter uwer eer hoera roepen of dat wij een
getuigschrift onderteekenen?”
—Als 't u hetzelfde is,” sprak de Indiaan, terwijl hij zijne witte
tanden liet zien, »zou ik liever een klein druppeltje cognac willen
hebben.”
Ik schonk hem een goeden borrel in en men dronk op zijne gezondheid en
op het goede einde van de reis.
Toen de zon onderging en de vogels boven onze hoofden vlogen om hunne
slaapplaatsen te bereiken, begonnen Jaunet en Verdet dat onbestemd
gesnap, dat, op een afstand gehoord, zou doen meenen, dat twee personen
halfluid met elkander praten. Ik ging een bezoek brengen aan Rougette,
die, aan den oever der rivier gekampeerd, haar kop buiten hare schaal
stak, zonder er minder droefgeestig dan naar gewoonte uit te zien. Ik
kwam bij het bivak terug, waar de Encuerado bezig was een lijfband voor
meester Job te maken; daar op de bladeren uitgestrekt en terwijl ik zag
hoe de sterren een voor een den hemel versierden, viel ik in slaap onder
de namen van Hortense en Emile, welke Lucien zijne leerlingen vol geduld
voorpraatte.
Een gebrul deed mij wakker springen; ik deed de oogen open en zag
Lucien, met het geweer in de hand, bij Sumichrast neêrgehurkt. Meester
Job schreeuwde van angst, en Gringalet, door mijn vriend tegengehouden,
bromde, zonder te kunnen blaffen. Op den oever, op een vijftigtal meters
afstand, onderscheidde ik een langen, gelen vorm en twee vurige oogen.
Een tweede gebrul leerde mij den naam van den nachtelijken bezoeker
kennen, dien ik in mijn droom meende gehoord te hebben.
»En de Encuerado?” vroeg ik aan mijn makker.
»Hij kruipt naar dien kant uit.
Een geweerschot sneed mij het woord af, het dier brulde op nieuw en
wierp zich in de struiken. Een geraas als van eene worsteling deed zich
hooren; daarop verscheen de tijger andermaal en beschreef, van woede
huilende, verscheidene kringen. Een laatste sprong bracht hem tot op
twintig schreden van den haard; hij viel om niet meer op te staan.
»Hioe, hioe, Chanito.”
Dit roepen ontlastte mij van eene drukking, welke mij belette adem te
halen. Lucien bezat nauwelijks de kracht om te antwoorden.
Gringalet, die los was gekomen, liep naar het zware roofdier toe en
bleef op een afstand blaffen. De Indiaan kwam, met het geweer op den
schouder, naderbij.
»Uwe Heerlijkheid zal mij dit recht laten wedervaren,” sprak hij, over
het lijk van zijn vijand gebogen, »dat zij zeer dicht bij het hart
getroffen is. Zij zou den kogel zelfs tusschen beide oogen ontvangen
hebben, als zij het gewaagd had naar mijn kant heên te zien... Schreit
gij, Chanito!” riep de Encuerado uit, van toon veranderende. »Waart gij
dan bang!”
—Zeker was ik dat; de tijger liep naar den kant toe waar gij waart.
—Maar wat zou dat? 't Is toch mijn beroep om die groote katten te
dooden. Niet waar, Tatita, dat dier hoorde mij toe en ik ben nog de
tijgerjager?
—Ja, sprak ik. Maar laten wij de tijgers met rust en dat zij het ons
ook doen, en gaan wij slapen.
Ik vond meester Job onder mijne deken verscholen; hij stelde zich gerust
zoodra hij bemerkte dat Gringalet naast hem ging liggen. Wij wilden weer
gaan liggen, toen het gebrul van een tijger opnieuw de lucht deed
dreunen.
»Drommels!” vroeg mijn vriend, zou dat beest weer levend zijn geworden.
—Neen, Tatita Sumichrast; maar mijn tijger is een tijgerin en haar
gemaal komt mij nieuws van haar vragen.
Ik beval den Indiaan zich niet te bewegen.
»Laat hem zijn gang gaan,” sprak mijn makker, »hij zou u toch niet
gehoorzamen.”
Een half uur verliep, de diepste stilte heerschte en wij luisterden naar
het minste geritsel der bladeren. Het geluid van eene losbranding kwam
tot ons en vijf minuten later begroetten wij het zegevierende _hioe,
hioe!_ met onze bravo's, terwijl de Encuerado van 't water druipende,
zich voor het vuur droogde.
»Ik moest de rivier overzwemmen”, zeide hij; »maar ditmaal heeft zijne
Heerlijkheid den kogel tusschen beide oogen.
—Gij zijt een dappere kerel,” sprak Sumichrast, hem de hand reikende.
Lucien vloog hem om den hals.
»Wat zal ik lekker slapen,” sprak de Indiaan.