DE KONING DER GIEREN.—DE PINOLILLAS.—ANGST VAN DEN ENCUERADO.—DE
TAPIR.—AFSCHEID VAN DE RIVIER.—DE PROOI VAN DEN LEEUW.—EEN SLECHTE
NACHT.
Den volgenden morgen vertrok de Encuerado alleen op het vlot; wij
hadden besloten de Savanne te voet door te trekken, om zoodoende voor
een paar uur aan de insecten te ontsnappen, die van onze gedwongen
onbeweeglijkheid gebruik maakten om ons op hun gemak het bloed af te
tappen. Lucien en Gringalet trachtten den Indiaan te volgen, maar deze
werkte zoo goed met zijn boom, dat het vlot als een renpaard
vooruitschoot en hen spoedig vermoeide.
Troepen zwarte gieren zweefden in de lucht en richtten zich naar een
niet ver van de rivier gelegen punt. Daar de nieuwsgierigheid ons in die
richting heentrok, bleef Lucien, die vooruit was geloopen, eensklaps
staan; ik ging schielijk naar hem toe en in een groot gat met steile
wanden en ongeveer twaalf meters breed, bemerkte ik verscheidene
honderden der afzichtelijke vogels met naakten hals, die elkander het
lijk van een stier betwistten.
Ik stond op 't punt mij te verwijderen, toen de gieren, die door onze
tegenwoordigheid nauwelijks beangst waren, eensklaps eene levendige
vrees te kennen gaven, hunne prooi in den steek lieten en een wijden
kring vormden. In de lucht had zich een nieuwe gast vertoond, die boven
ons rondvloog. Hij streek zwaar neder en sloeg zijne witte met zwart
omzoomde vleugels toe. De nieuw aangekomene was de _sarcaramphus papa_
der geleerden, de koning der gieren of koningsgier, een broeder van den
condor.
De koning der gieren, zooals de Indianen hem noemen, had een zwarten
staart en witte vleugels. De hals was versierd met een kraag van
parelgrijze veertjes en het bovengedeelte van den kop gestreept met
een donker, in regelmatige rijën geplaatst dons; de wangen waren met
levendige kleuren getint, die het witte oog prachtig omlijstten. Zijn
geelachtige bek, van middelmatige grootte, droeg een vleezig uitwas in
den vorm van een klaverblad, waarvan de ornithologen zich tevergeefs
het nut zoeken te verklaren. De prachtige roofvogel wierp een
heerschzuchtigen blik om zich, naderde de prooi en begon zich te
verzadigen. Onophoudelijk kwamen nieuwe gasten aan, die op een afstand
bleven zitten. Gringalet, die met moeite werd tegengehouden, blafte uit
alle macht, zonder dat de vogels er in 't minst acht op sloegen.
Eindelijk vloog de koningsgier weg; de hongere gasten, door de kracht
van den machtigen tegenstander, wien zij, als bij instinct, den eersten
rang inruimden, in bedwang gehouden, wierpen zich allen te gelijk op den
stier, die onder hun opeengedrongen gelederen verdween. Er ontstonden
tweegevechten, de gebogen snavels botsten met kracht tegen elkander aan
en de slaande vleugels brachten zware verwondingen toe. Ik gaf het
teeken om te vertrekken.
Wij liepen niet minder dan twee uren eer wij het woud bereikten; wij
hadden ons in den afstand vergist en de wandeling was in een moeielijken
marsch veranderd. Ik vond den Encuerado slapende en meester Job bezig
met de schildpadeieren te ledigen, die onder zijn bereik waren gebleven.
Gringalet nam zijn deel van de door den aap gereedgemaakten struif,
terwijl Sumichrast een kijkje nam in den pot, waarin de schilpad kookte
en ik den Encuerado wakker maakte. Men bevond dat de schilpad goed van
gaarte was; maar toen de Encuerado de verwoesting zag, die onder de
eieren was aangericht, waarin hij gemeend had te zullen smullen, wilde
hij meester Job voor zijne straf een bad geven. Iedereen sprong voor den
schuldige in de bres; onze toegeeflijkheid vond, naar ik vermeen, hare
oorzaak wel wat in de schilpadeieren zelven, waarvan het onstolbaar wit
en zanderig geel ons gehemelte weinig konden bekoren. Gelukkig kon de
Encuerado niet lang boos blijven; hij schonk meester Job vergiffenis,
die tot driemaal toe het moest aanhooren, en dat nog wel voor getuigen,
dat hij zonder hoop op genade een bad zou krijgen, zoodra hij opnieuw
misbruik van vertrouwen zou plegen.
Eer wij ons weer op het vlot inscheepten, moesten wij onze kleeren
reinigen van honderden _pinolillas_, die wij in Savanne hadden opgedaan
en welke het ons nu lastig begonnen te maken. Deze zwarte insecten,
kleiner dan vlooien, hoopen zich aan de uiteinden der planken op en zijn
gereed zich op het eerste dier het beste te werpen, dat er bij ongeluk
tegenaanstoot. De met haakjes gewapende pooten dringen dan in het
vleesch door en hun hongerige en vergiftige snuit zuigt met kracht het
bloed uit. Het was een zwaar werk om deze lastige parasieten, die hunnen
slachtoffers eene jeukte veroorzaken, welke met het ondergaan der zon
geregeld terugkeert, te verwijderen.
Tegen vijf uur in den namiddag landde het vlot in eene, door palmboomen
overschaduwde baai. De Encuerado haastte zich om de tijgervellen uit te
spannen en daar de nacht aanbrak, stelden wij ons tevreden met hetgeen
van onze schilpad was overgebleven. De Indiaan, die weinig geloopen had,
nam zijn geweer en liep de rivier langs. Na verloop van een kwartier
uurs kwam hij bleek en geheel ontdaan aanloopen.
—Zijt gij door eene slang gebeten? riep ik uit.
—Neen, Tatita,” antwoordde hij, geheel buiten adem, »er is mij iets
veel ergers overkomen. Ik heb hem gezien!
—Wien?
—Den _ante-burro_,” mompelde de Indiaan, een kruis makende.
De door den Encuerado te kennen gegeven vrees was voor Lucien zoo iets
geheel nieuws, dat hij groote oogen opzette. Hij had meer dan eens
over den _ante_ hooren spreken, een dier zoo groot als een ezel, met
zonderlinge vormen, en dat zich slechts laat zien aan hen, wien hij een
kwaden streek wil spelen.
»Stel u maar gerust,” zeide ik tot den Indiaan; »als gij den ante-burro
gezien hebt, zullen wij hem morgen doodschieten.
—Men kan den duivel niet doodschieten, Tatita.
—Met gewone kogels niet; maar wel met die, welke Sumichrast weet te
maken.
Mijne nieuwsgierigheid was opgewekt; het zeldzame en wantrouwende dier,
waarvan de Indianen als 't ware een fabelachtig wezen hebben gemaakt, is
niet anders dan de tapir, dien ik nog nooit ontmoet had. De Encuerado,
die zoo ontsteld was, dat hij nauwelijks kon eten, vertelde ons, dat hij
den oever van de rivier gevolgd was, die zich op ongeveer vijfhonderd
meters van de plaats, waar wij gekampeerd waren, in eene breedere en
diepere rivier uitstort. Op eene dikke graszode gezeten, zag hij naar de
uitgestrekte bruisende watervlakte, toen de ante-burro eensklaps, als
een los paard springende, op het grasperk was verschenen.
»En hebt gij er niet op geschoten?” riep mijn vriend uit.
—Ik heb de vlucht genomen,” antwoordde de tijgerjager.
Sumichrast deelde aan Lucien mede, dat de tapir een verwante is van
de pecaris, dat zijn neus in een niet grijpende slurf eindigt en dat
hij in de eenzaamste bosschen in de nabijheid van waterstroomen leeft.
Hij liet niet na zijn leerling te wijzen op het nadeelige van het
bijgeloof, dat een der vormen der onwetendheid is; zoo beefde dan ook
de Encuerado, dien wij den vorigen dag tijgers, krokodillen en stieren
het hoofd hadden zien bieden, bij de enkele gedachte van zich tegenover
een weerloos plantenetend dier te zien, waaraan zijne verbeelding
fantastische vormen en afmetingen gaf. Hij wilde niet gaan slapen; bij
het geringste geritsel der bladeren meende hij zijn vijand weer te zien.
In plaats van zijne dwaling te bestrijden—wat tot geen uitslag zou
gevoerd hebben—wilde ik hem doen gelooven, dat mijne macht die van den
ante-burro overtrof.
»Zou ik anders Lucien wel aan 't gevaar blootstellen in zijne nabijheid
te gaan slapen!”
Sumichrast overhandigde den Indiaan twee kogels, en verzekerde hem, dat
hij slechts behoefde te mikken om daarmede het dier te treffen. Allengs
begon de Encuerado zich gerust te stellen; de gedachte dat hij den
duivel onder zijne vreeselijkste gedaante zou kunnen dooden, prikkelde
zijne eigenliefde, en hij sliep in, zonder twijfel droomende over het
heldenstuk van den volgenden dag.
Bij het aanbreken van den dag waren wij reeds aan de samenvloeiing der
beide rivieren gekomen; voor ons strekte zich eene prairie, met zwaar
gras bedekt, uit, en als de tapir gedurende den nacht niet verzadigd was
geworden, zou hij zonder twijfel terugkeeren. Sumichrast en Lucien namen
naar links, dicht bij de rivier plaats, terwijl ik achter een boomstam,
bij den ingang van het woud, naast mijn bediende post vatte.
Er verliep meer dan een uur. Fraaie vogels kwamen dicht bij ons
neervliegen en drie chachalacas gingen boven onze hoofden zitten. Ik
begon te gelooven dat wij de huid van den tapir wat te vroeg verkocht
hadden, want wij waren overeengekomen dat mijn vriend alleen eene
verdedigende houding zou bewaren opdat de Encuerado zich kon overtuigen,
dat men een ante-burro kan dooden. Eensklaps week het riet vaneen en
twee dikhuiden vertoonden zich op het grasveld. De Encuerado maakte een
aantal kruisjes.
»Schiet,” sprak ik met zachte stem en mik op het voorhoofd. Het schot
viel en de tapirs sloegen op de vlucht; een hunner viel echter op den
grond eer hij het water bereikt had en liet een dof geknor hooren; hij
was dood toen ik bij hem kwam.
De Encuerado onderzocht het lijk, hetwelk ongeveer een meter lang was;
wat de grootte, die hij aan het dier toeschreef, aanmerkelijk
verminderde.
»Gij hebt den duivel gedood,” zeide Lucien hem, die op zijne beurt den
zonderlingen dikhuid onderzocht.
—Ja, Chanito, met behulp van den betooverden kogel; maar de duivel is
zoo dom niet, hij zal weer in het lichaam van een anderen ante-burro
herleven.”
Daar de Encuerado bepaald weigerde den tapir aan te raken, nam
Sumichrast op zich om van het dier, welks vleesch wij wilden proeven,
enkele stukken af te snijden. Al onze pogingen om den Encuerado van
zijne dwaling te overtuigen, waren vruchteloos. Zijn vindingrijke geest
verwrong al onze bewijsgronden. Dat de tapir niet grooter was, dat hij
zich had laten treffen, dat de kogel hem geraakt had, kwam omdat wij
tooverwoorden kenden, om de kunstenarijen van den duivel onschadelijk te
maken; maar willen staande houden dat de satan niet in het lichaam van
den ante-burro huist, dat de door den duivel bezetene zich niet naar
willekeur kon opblazen, dat hij dengenen, dien hij kan bereiken, niet
met den dood treft,—evengoed zou men het bestaan der Engelen kunnen
loochenen!
Al gevoelde de jager zich voor het oogenblik ook bij machte om nog een
anderen tapir te trotseeren, dan, hij verheelde het niet, zou hij, in
zijne hoedanigheid van Christen, de vlucht nemen voor een nieuwen
ante-burro, als zijn tweede kogel verschoten was.
Het vleesch van den dikhuid had wel wat weg van dat van den pecari,
maar met een minder merkbaren wildsmaak. Tegen den middag werden de
tijgervellen opgenomen en weldra dreef het vlot opnieuw op de beide
vereenigde rivieren. Wij hadden er eerst aan gedacht om de golf van
Mexico te bereiken, maar het te ver gevorderde jaargetijde stond dezen
tocht niet toe. Tegen den avond verduisterde een nieuw onweer den
horizon; de regen viel met geweld neder, terwijl de donder in de verte
ratelde. Opeengedrongen in eene in haast opgeslagen hut, aangevallen
door duizende insecten, die wij trachtten te verdrijven door te rooken,
besloten wij, dat het vlot den volgenden dag zijne reis alleen naar de
zee zou vervolgen en dat wij den tocht in den vorm van een hoefijzer
zouden besluiten met tot ons punt van uitgang terug te keeren. Lucien
ontroerde bij de gedachte dat hij zijne moeder, broertjes en zusjes zou
terugzien; de Encuerado die te vroolijker werd, naarmate hij zich meer
van de verblijfplaats der tapirs verwijderde, deelde het nieuws aan
Gringalet mede, die met blaffen antwoordde.
De volgende dag werd besteed met het in orde brengen van de bagage.
Jaunet en Verdet zouden de reis op de mars doen en meester Job nu eens
op den schouder van Sumichrast, dan weder op den mijnen. Eenige in de
braadpan gelegde bladeren waren voldoende voor de genoegzaamheid van de
zwaarmoedige Rougette.
In den schemeravond vervroolijkten duizenden vogels ons bivak. De
Encuerado sneed het meertouw van het vlot door, bedankte het vaartuig
voor de diensten, die het ons bewezen had en wenschte het eene goede
reis. Terwijl ik het zwakke vaartuig den stroom af zag zakken, gingen
twee reigers er zich op neerzetten en met deze gevederde bemanning
beladen verdween het uit 't gezicht. Bij het aanbreken van den dag was
iedereen op de been; de tapirrivier, zooals Lucien haar gedoopt had,
werd met drie hoera's begroet en de kleine troep volgde Sumichrast, die
meester Job droeg, op den voet. Jaunet en Verdet van voren naar achter
heen en weer geschud, trokken een droevig gezicht. Tevergeefs beschreef
de Encuerado hun de wonderen der stad, waarheen men hen voerde, de arme
vogels bleven stil alsof zij de zeeziekte hadden. Wij trokken een groot
bosch door, waarna de kleine troep op eene uitgestrekte vlakte kwam.
De warmte overstelpte ons en onze vracht drukte vreeselijk op onze
schouders. Dat kwam doordien acht dagen rust ons reeds verweekelijkt
hadden en meester Job, die toch niets woog, moest het dikwijls
aanhooren, dat zijne zwaarte hem verweten werd.
Na de prairie kwam een doodsch en stil bosch van palmboomen. Mijn vriend
nam de voorhoede en geleidde ons door de eenvormige stammen. Slangen
en raven, en dan enkele _sacuas_, een soort vogel met bruin en zwart
gevederte en gelen staart, waren de eenige levende wezens, welke wij
op onzen weg ontmoetten. De muskieten kwelden ons bijna evenveel als
op de oevers der rivier; eindelijk moesten wij, door de vermoeidheid
overwonnen, kampeeren; ons middagmaal bestond slechts uit maïskoeken;
maar onze papegaaien en meester Job vergastten zich op kleine
cocosnooten, die men _coyoles_ noemt.
Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en geleidde
ik, op mijne beurt, de karavaan. Wij moesten verscheidene open plaatsen
en daarna eene kleine savanne doortrekken, waar het hooge gras onzen
marsch vertraagde. De plantengroei nam weer eene andere gedaante aan,
de styrax- en ebbenhoutboomen vertoonden zich opnieuw en eene menigte
parkieten maakten door hun gesnap Jaunet en Verdet wakker. Een damhert
vluchtte voor ons en eene kleine beek versperde ons den weg.
Toen het bivak was opgericht bemerkte de Encuerado eene kreeft, waarna
hij met Lucien op de schaaldieren jacht maakte. Ik volgde met Sumichrast
het spoor van het damhert; nauwelijks hadden wij een afstand van
vijfhonderd schreden doorloopen, of een heuvel verhief zich voor ons.
Ik beklom hem en mijne blikken verloren zich in eene savanne, die zich
uitstrekte zoover het oog reikte en waarvan het hooge gras op een rijpen
korenoogst geleek. Sumichrast, die halverwege was blijven staan, riep
mij, door het geluid van den uil na te bootsen; ik ging zonder geraas
naar hem toe en mijn makker toonde mij tusschen de boomen een damhert,
dat rustig graasde en hetwelk zijn besluiteloos heen en weer loopen
zeker in onze nabijheid zou brengen. Ik ging naast mijn vriend op den
loer staan, vol bezorgdheid het gaan en komen van het sierlijke dier
bespiedende; het hief tot tweemaal toe den kop op en gaf blijken van
eene onbestemde ongerustheid.
Vreezende dat het ons zou ontvluchten, wilde Sumichrast schieten, toen
het hert opsprong en onder het gewicht van een leeuw ineenzakte. Ik
schoot mijn geweer af; het roofdier brulde, sleepte zijne prooi een
twintig schreden voort en verdween toen.
Op het hooren van mijn schot kwam de Encuerado, door Lucien gevolgd,
aanloopen, en begon onmiddellijk eenige stukken van het dier af te
snijden, terwijl Sumichrast en ik den omtrek goed in 't oog hielden, uit
vrees dat de woeste jager mocht terugkeeren. Hij, van zijn kant, had ons
in 't oog gehouden; want nauwelijks hadden wij de overblijfselen van het
hert laten liggen of hij brulde en kwam terug om bezit van zijn aandeel
te nemen. Dit wildbraad en een dertigtal kleine kreeften, door de twee
vrienden gevangen, troostten onze magen over het magere maal van den
vorigen dag.
Van den top van den heuvel woonden wij het ondergaan der zon bij; eene
stevige koelte bracht het hooge gras in beweging en deed het als eene
vloeibare vlakte golven. Aan onze rechterhand teekenden de Cordilleras
hunne blauwe lijnen af, en de vulkaan van Orizava, waaromheen wij een
grooten boog beschreven hadden, vertoonde zich in het Westen. Van nu af
moest de berg ons tot kompas dienen; maar de onmetelijke savanne, die
zich voor ons uitstrekte, maakte mij voor mijn jongen metgezel bevreesd.
»Moeten wij die groote vlakte doortrekken?” vroeg hij.
—Ja, beste Zonnestraal, dat is de kortste weg om Orizava te bereiken.
—Maar hoe moeten wij door dat gras komen, dat hooger dan u is.
—Daar ligt de moeielijkheid niet; ten koste van een weinig arbeid, zal
het ons wel een doortocht verleenen.
—Hoeveel uren hebben wij wel noodig om die savanne door te trekken?
—Hoeveel uren! gij bedoelt zeker minstens drie of vier dagen.
—Hm!” gaf mijn arme, lieve jongen ten antwoord.
De koelte nam toe; groote zwarte wolken stapelden zich boven ons op;
snelle bliksemstralen doorkliefden de lucht. Zware regendruppels
ratelden op de bladeren, zoodat wij ons haastten in de hut terug te
keeren. Een donderslag weerklonk, en de regen, door den wind opgezweept,
maakte ons onder ons afdak nog nat. Weldra ontstond er een vreeselijk
geraas; de wind deed de boomen buigen, de bliksemschichten volgden
elkander zonder tusschenpoozen op en verblindden ons door hun rood of
blauw licht. Jaunet en Verdet sliepen niet meer en meester Job liet
zekere ongerustheid blijken.
Het vuur was uitgegaan en het water stroomde over den grond. Slechts de
Encuerado kon te midden van het geraas der ontketende elementen en op
een drassig geworden grond slapen. Eindelijk verwijderde de donder zich;
maar de regen bleef gedurende vier uren onophoudelijk vallen. Wij waren
nat tot op de huid en Lucien klappertandde, niettegenstaande Sumichrast
en ik hem tusschen ons beiden beschut hadden. De wolken openden zich
evenwel en eenige sterren begonnen te schitteren.
Tegen middernacht hernam de opgehelderde lucht hare azuurblauwe tint en
de maan verlichtte flauwtjes het bosch. De Encuerado, die wakker was
gemaakt, hielp ons het vuur weer in orde brengen, maakte een kop koffie
gereed, en allen gingen wij slapen, na eerst andere kleeren te hebben
aangetrokken en den versterkenden drank te hebben genoten.