XXXIII.

DE KONING DER GIEREN.—DE PINOLILLAS.—ANGST VAN DEN ENCUERADO.—DE

TAPIR.—AFSCHEID VAN DE RIVIER.—DE PROOI VAN DEN LEEUW.—EEN SLECHTE

NACHT.

Den volgenden morgen vertrok de Encuerado alleen op het vlot; wij

hadden besloten de Savanne te voet door te trekken, om zoodoende voor

een paar uur aan de insecten te ontsnappen, die van onze gedwongen

onbeweeglijkheid gebruik maakten om ons op hun gemak het bloed af te

tappen. Lucien en Gringalet trachtten den Indiaan te volgen, maar deze

werkte zoo goed met zijn boom, dat het vlot als een renpaard

vooruitschoot en hen spoedig vermoeide.

Troepen zwarte gieren zweefden in de lucht en richtten zich naar een

niet ver van de rivier gelegen punt. Daar de nieuwsgierigheid ons in die

richting heentrok, bleef Lucien, die vooruit was geloopen, eensklaps

staan; ik ging schielijk naar hem toe en in een groot gat met steile

wanden en ongeveer twaalf meters breed, bemerkte ik verscheidene

honderden der afzichtelijke vogels met naakten hals, die elkander het

lijk van een stier betwistten.

Ik stond op 't punt mij te verwijderen, toen de gieren, die door onze

tegenwoordigheid nauwelijks beangst waren, eensklaps eene levendige

vrees te kennen gaven, hunne prooi in den steek lieten en een wijden

kring vormden. In de lucht had zich een nieuwe gast vertoond, die boven

ons rondvloog. Hij streek zwaar neder en sloeg zijne witte met zwart

omzoomde vleugels toe. De nieuw aangekomene was de _sarcaramphus papa_

der geleerden, de koning der gieren of koningsgier, een broeder van den

condor.

De koning der gieren, zooals de Indianen hem noemen, had een zwarten

staart en witte vleugels. De hals was versierd met een kraag van

parelgrijze veertjes en het bovengedeelte van den kop gestreept met

een donker, in regelmatige rijën geplaatst dons; de wangen waren met

levendige kleuren getint, die het witte oog prachtig omlijstten. Zijn

geelachtige bek, van middelmatige grootte, droeg een vleezig uitwas in

den vorm van een klaverblad, waarvan de ornithologen zich tevergeefs

het nut zoeken te verklaren. De prachtige roofvogel wierp een

heerschzuchtigen blik om zich, naderde de prooi en begon zich te

verzadigen. Onophoudelijk kwamen nieuwe gasten aan, die op een afstand

bleven zitten. Gringalet, die met moeite werd tegengehouden, blafte uit

alle macht, zonder dat de vogels er in 't minst acht op sloegen.

Eindelijk vloog de koningsgier weg; de hongere gasten, door de kracht

van den machtigen tegenstander, wien zij, als bij instinct, den eersten

rang inruimden, in bedwang gehouden, wierpen zich allen te gelijk op den

stier, die onder hun opeengedrongen gelederen verdween. Er ontstonden

tweegevechten, de gebogen snavels botsten met kracht tegen elkander aan

en de slaande vleugels brachten zware verwondingen toe. Ik gaf het

teeken om te vertrekken.

Wij liepen niet minder dan twee uren eer wij het woud bereikten; wij

hadden ons in den afstand vergist en de wandeling was in een moeielijken

marsch veranderd. Ik vond den Encuerado slapende en meester Job bezig

met de schildpadeieren te ledigen, die onder zijn bereik waren gebleven.

Gringalet nam zijn deel van de door den aap gereedgemaakten struif,

terwijl Sumichrast een kijkje nam in den pot, waarin de schilpad kookte

en ik den Encuerado wakker maakte. Men bevond dat de schilpad goed van

gaarte was; maar toen de Encuerado de verwoesting zag, die onder de

eieren was aangericht, waarin hij gemeend had te zullen smullen, wilde

hij meester Job voor zijne straf een bad geven. Iedereen sprong voor den

schuldige in de bres; onze toegeeflijkheid vond, naar ik vermeen, hare

oorzaak wel wat in de schilpadeieren zelven, waarvan het onstolbaar wit

en zanderig geel ons gehemelte weinig konden bekoren. Gelukkig kon de

Encuerado niet lang boos blijven; hij schonk meester Job vergiffenis,

die tot driemaal toe het moest aanhooren, en dat nog wel voor getuigen,

dat hij zonder hoop op genade een bad zou krijgen, zoodra hij opnieuw

misbruik van vertrouwen zou plegen.

Eer wij ons weer op het vlot inscheepten, moesten wij onze kleeren

reinigen van honderden _pinolillas_, die wij in Savanne hadden opgedaan

en welke het ons nu lastig begonnen te maken. Deze zwarte insecten,

kleiner dan vlooien, hoopen zich aan de uiteinden der planken op en zijn

gereed zich op het eerste dier het beste te werpen, dat er bij ongeluk

tegenaanstoot. De met haakjes gewapende pooten dringen dan in het

vleesch door en hun hongerige en vergiftige snuit zuigt met kracht het

bloed uit. Het was een zwaar werk om deze lastige parasieten, die hunnen

slachtoffers eene jeukte veroorzaken, welke met het ondergaan der zon

geregeld terugkeert, te verwijderen.

Tegen vijf uur in den namiddag landde het vlot in eene, door palmboomen

overschaduwde baai. De Encuerado haastte zich om de tijgervellen uit te

spannen en daar de nacht aanbrak, stelden wij ons tevreden met hetgeen

van onze schilpad was overgebleven. De Indiaan, die weinig geloopen had,

nam zijn geweer en liep de rivier langs. Na verloop van een kwartier

uurs kwam hij bleek en geheel ontdaan aanloopen.

—Zijt gij door eene slang gebeten? riep ik uit.

—Neen, Tatita,” antwoordde hij, geheel buiten adem, »er is mij iets

veel ergers overkomen. Ik heb hem gezien!

—Wien?

—Den _ante-burro_,” mompelde de Indiaan, een kruis makende.

De door den Encuerado te kennen gegeven vrees was voor Lucien zoo iets

geheel nieuws, dat hij groote oogen opzette. Hij had meer dan eens

over den _ante_ hooren spreken, een dier zoo groot als een ezel, met

zonderlinge vormen, en dat zich slechts laat zien aan hen, wien hij een

kwaden streek wil spelen.

»Stel u maar gerust,” zeide ik tot den Indiaan; »als gij den ante-burro

gezien hebt, zullen wij hem morgen doodschieten.

—Men kan den duivel niet doodschieten, Tatita.

—Met gewone kogels niet; maar wel met die, welke Sumichrast weet te

maken.

Mijne nieuwsgierigheid was opgewekt; het zeldzame en wantrouwende dier,

waarvan de Indianen als 't ware een fabelachtig wezen hebben gemaakt, is

niet anders dan de tapir, dien ik nog nooit ontmoet had. De Encuerado,

die zoo ontsteld was, dat hij nauwelijks kon eten, vertelde ons, dat hij

den oever van de rivier gevolgd was, die zich op ongeveer vijfhonderd

meters van de plaats, waar wij gekampeerd waren, in eene breedere en

diepere rivier uitstort. Op eene dikke graszode gezeten, zag hij naar de

uitgestrekte bruisende watervlakte, toen de ante-burro eensklaps, als

een los paard springende, op het grasperk was verschenen.

»En hebt gij er niet op geschoten?” riep mijn vriend uit.

—Ik heb de vlucht genomen,” antwoordde de tijgerjager.

Sumichrast deelde aan Lucien mede, dat de tapir een verwante is van

de pecaris, dat zijn neus in een niet grijpende slurf eindigt en dat

hij in de eenzaamste bosschen in de nabijheid van waterstroomen leeft.

Hij liet niet na zijn leerling te wijzen op het nadeelige van het

bijgeloof, dat een der vormen der onwetendheid is; zoo beefde dan ook

de Encuerado, dien wij den vorigen dag tijgers, krokodillen en stieren

het hoofd hadden zien bieden, bij de enkele gedachte van zich tegenover

een weerloos plantenetend dier te zien, waaraan zijne verbeelding

fantastische vormen en afmetingen gaf. Hij wilde niet gaan slapen; bij

het geringste geritsel der bladeren meende hij zijn vijand weer te zien.

In plaats van zijne dwaling te bestrijden—wat tot geen uitslag zou

gevoerd hebben—wilde ik hem doen gelooven, dat mijne macht die van den

ante-burro overtrof.

»Zou ik anders Lucien wel aan 't gevaar blootstellen in zijne nabijheid

te gaan slapen!”

Sumichrast overhandigde den Indiaan twee kogels, en verzekerde hem, dat

hij slechts behoefde te mikken om daarmede het dier te treffen. Allengs

begon de Encuerado zich gerust te stellen; de gedachte dat hij den

duivel onder zijne vreeselijkste gedaante zou kunnen dooden, prikkelde

zijne eigenliefde, en hij sliep in, zonder twijfel droomende over het

heldenstuk van den volgenden dag.

Bij het aanbreken van den dag waren wij reeds aan de samenvloeiing der

beide rivieren gekomen; voor ons strekte zich eene prairie, met zwaar

gras bedekt, uit, en als de tapir gedurende den nacht niet verzadigd was

geworden, zou hij zonder twijfel terugkeeren. Sumichrast en Lucien namen

naar links, dicht bij de rivier plaats, terwijl ik achter een boomstam,

bij den ingang van het woud, naast mijn bediende post vatte.

Er verliep meer dan een uur. Fraaie vogels kwamen dicht bij ons

neervliegen en drie chachalacas gingen boven onze hoofden zitten. Ik

begon te gelooven dat wij de huid van den tapir wat te vroeg verkocht

hadden, want wij waren overeengekomen dat mijn vriend alleen eene

verdedigende houding zou bewaren opdat de Encuerado zich kon overtuigen,

dat men een ante-burro kan dooden. Eensklaps week het riet vaneen en

twee dikhuiden vertoonden zich op het grasveld. De Encuerado maakte een

aantal kruisjes.

»Schiet,” sprak ik met zachte stem en mik op het voorhoofd. Het schot

viel en de tapirs sloegen op de vlucht; een hunner viel echter op den

grond eer hij het water bereikt had en liet een dof geknor hooren; hij

was dood toen ik bij hem kwam.

De Encuerado onderzocht het lijk, hetwelk ongeveer een meter lang was;

wat de grootte, die hij aan het dier toeschreef, aanmerkelijk

verminderde.

»Gij hebt den duivel gedood,” zeide Lucien hem, die op zijne beurt den

zonderlingen dikhuid onderzocht.

—Ja, Chanito, met behulp van den betooverden kogel; maar de duivel is

zoo dom niet, hij zal weer in het lichaam van een anderen ante-burro

herleven.”

Daar de Encuerado bepaald weigerde den tapir aan te raken, nam

Sumichrast op zich om van het dier, welks vleesch wij wilden proeven,

enkele stukken af te snijden. Al onze pogingen om den Encuerado van

zijne dwaling te overtuigen, waren vruchteloos. Zijn vindingrijke geest

verwrong al onze bewijsgronden. Dat de tapir niet grooter was, dat hij

zich had laten treffen, dat de kogel hem geraakt had, kwam omdat wij

tooverwoorden kenden, om de kunstenarijen van den duivel onschadelijk te

maken; maar willen staande houden dat de satan niet in het lichaam van

den ante-burro huist, dat de door den duivel bezetene zich niet naar

willekeur kon opblazen, dat hij dengenen, dien hij kan bereiken, niet

met den dood treft,—evengoed zou men het bestaan der Engelen kunnen

loochenen!

Al gevoelde de jager zich voor het oogenblik ook bij machte om nog een

anderen tapir te trotseeren, dan, hij verheelde het niet, zou hij, in

zijne hoedanigheid van Christen, de vlucht nemen voor een nieuwen

ante-burro, als zijn tweede kogel verschoten was.

Het vleesch van den dikhuid had wel wat weg van dat van den pecari,

maar met een minder merkbaren wildsmaak. Tegen den middag werden de

tijgervellen opgenomen en weldra dreef het vlot opnieuw op de beide

vereenigde rivieren. Wij hadden er eerst aan gedacht om de golf van

Mexico te bereiken, maar het te ver gevorderde jaargetijde stond dezen

tocht niet toe. Tegen den avond verduisterde een nieuw onweer den

horizon; de regen viel met geweld neder, terwijl de donder in de verte

ratelde. Opeengedrongen in eene in haast opgeslagen hut, aangevallen

door duizende insecten, die wij trachtten te verdrijven door te rooken,

besloten wij, dat het vlot den volgenden dag zijne reis alleen naar de

zee zou vervolgen en dat wij den tocht in den vorm van een hoefijzer

zouden besluiten met tot ons punt van uitgang terug te keeren. Lucien

ontroerde bij de gedachte dat hij zijne moeder, broertjes en zusjes zou

terugzien; de Encuerado die te vroolijker werd, naarmate hij zich meer

van de verblijfplaats der tapirs verwijderde, deelde het nieuws aan

Gringalet mede, die met blaffen antwoordde.

De volgende dag werd besteed met het in orde brengen van de bagage.

Jaunet en Verdet zouden de reis op de mars doen en meester Job nu eens

op den schouder van Sumichrast, dan weder op den mijnen. Eenige in de

braadpan gelegde bladeren waren voldoende voor de genoegzaamheid van de

zwaarmoedige Rougette.

In den schemeravond vervroolijkten duizenden vogels ons bivak. De

Encuerado sneed het meertouw van het vlot door, bedankte het vaartuig

voor de diensten, die het ons bewezen had en wenschte het eene goede

reis. Terwijl ik het zwakke vaartuig den stroom af zag zakken, gingen

twee reigers er zich op neerzetten en met deze gevederde bemanning

beladen verdween het uit 't gezicht. Bij het aanbreken van den dag was

iedereen op de been; de tapirrivier, zooals Lucien haar gedoopt had,

werd met drie hoera's begroet en de kleine troep volgde Sumichrast, die

meester Job droeg, op den voet. Jaunet en Verdet van voren naar achter

heen en weer geschud, trokken een droevig gezicht. Tevergeefs beschreef

de Encuerado hun de wonderen der stad, waarheen men hen voerde, de arme

vogels bleven stil alsof zij de zeeziekte hadden. Wij trokken een groot

bosch door, waarna de kleine troep op eene uitgestrekte vlakte kwam.

De warmte overstelpte ons en onze vracht drukte vreeselijk op onze

schouders. Dat kwam doordien acht dagen rust ons reeds verweekelijkt

hadden en meester Job, die toch niets woog, moest het dikwijls

aanhooren, dat zijne zwaarte hem verweten werd.

Na de prairie kwam een doodsch en stil bosch van palmboomen. Mijn vriend

nam de voorhoede en geleidde ons door de eenvormige stammen. Slangen

en raven, en dan enkele _sacuas_, een soort vogel met bruin en zwart

gevederte en gelen staart, waren de eenige levende wezens, welke wij

op onzen weg ontmoetten. De muskieten kwelden ons bijna evenveel als

op de oevers der rivier; eindelijk moesten wij, door de vermoeidheid

overwonnen, kampeeren; ons middagmaal bestond slechts uit maïskoeken;

maar onze papegaaien en meester Job vergastten zich op kleine

cocosnooten, die men _coyoles_ noemt.

Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en geleidde

ik, op mijne beurt, de karavaan. Wij moesten verscheidene open plaatsen

en daarna eene kleine savanne doortrekken, waar het hooge gras onzen

marsch vertraagde. De plantengroei nam weer eene andere gedaante aan,

de styrax- en ebbenhoutboomen vertoonden zich opnieuw en eene menigte

parkieten maakten door hun gesnap Jaunet en Verdet wakker. Een damhert

vluchtte voor ons en eene kleine beek versperde ons den weg.

Toen het bivak was opgericht bemerkte de Encuerado eene kreeft, waarna

hij met Lucien op de schaaldieren jacht maakte. Ik volgde met Sumichrast

het spoor van het damhert; nauwelijks hadden wij een afstand van

vijfhonderd schreden doorloopen, of een heuvel verhief zich voor ons.

Ik beklom hem en mijne blikken verloren zich in eene savanne, die zich

uitstrekte zoover het oog reikte en waarvan het hooge gras op een rijpen

korenoogst geleek. Sumichrast, die halverwege was blijven staan, riep

mij, door het geluid van den uil na te bootsen; ik ging zonder geraas

naar hem toe en mijn makker toonde mij tusschen de boomen een damhert,

dat rustig graasde en hetwelk zijn besluiteloos heen en weer loopen

zeker in onze nabijheid zou brengen. Ik ging naast mijn vriend op den

loer staan, vol bezorgdheid het gaan en komen van het sierlijke dier

bespiedende; het hief tot tweemaal toe den kop op en gaf blijken van

eene onbestemde ongerustheid.

Vreezende dat het ons zou ontvluchten, wilde Sumichrast schieten, toen

het hert opsprong en onder het gewicht van een leeuw ineenzakte. Ik

schoot mijn geweer af; het roofdier brulde, sleepte zijne prooi een

twintig schreden voort en verdween toen.

Op het hooren van mijn schot kwam de Encuerado, door Lucien gevolgd,

aanloopen, en begon onmiddellijk eenige stukken van het dier af te

snijden, terwijl Sumichrast en ik den omtrek goed in 't oog hielden, uit

vrees dat de woeste jager mocht terugkeeren. Hij, van zijn kant, had ons

in 't oog gehouden; want nauwelijks hadden wij de overblijfselen van het

hert laten liggen of hij brulde en kwam terug om bezit van zijn aandeel

te nemen. Dit wildbraad en een dertigtal kleine kreeften, door de twee

vrienden gevangen, troostten onze magen over het magere maal van den

vorigen dag.

Van den top van den heuvel woonden wij het ondergaan der zon bij; eene

stevige koelte bracht het hooge gras in beweging en deed het als eene

vloeibare vlakte golven. Aan onze rechterhand teekenden de Cordilleras

hunne blauwe lijnen af, en de vulkaan van Orizava, waaromheen wij een

grooten boog beschreven hadden, vertoonde zich in het Westen. Van nu af

moest de berg ons tot kompas dienen; maar de onmetelijke savanne, die

zich voor ons uitstrekte, maakte mij voor mijn jongen metgezel bevreesd.

»Moeten wij die groote vlakte doortrekken?” vroeg hij.

—Ja, beste Zonnestraal, dat is de kortste weg om Orizava te bereiken.

—Maar hoe moeten wij door dat gras komen, dat hooger dan u is.

—Daar ligt de moeielijkheid niet; ten koste van een weinig arbeid, zal

het ons wel een doortocht verleenen.

—Hoeveel uren hebben wij wel noodig om die savanne door te trekken?

—Hoeveel uren! gij bedoelt zeker minstens drie of vier dagen.

—Hm!” gaf mijn arme, lieve jongen ten antwoord.

De koelte nam toe; groote zwarte wolken stapelden zich boven ons op;

snelle bliksemstralen doorkliefden de lucht. Zware regendruppels

ratelden op de bladeren, zoodat wij ons haastten in de hut terug te

keeren. Een donderslag weerklonk, en de regen, door den wind opgezweept,

maakte ons onder ons afdak nog nat. Weldra ontstond er een vreeselijk

geraas; de wind deed de boomen buigen, de bliksemschichten volgden

elkander zonder tusschenpoozen op en verblindden ons door hun rood of

blauw licht. Jaunet en Verdet sliepen niet meer en meester Job liet

zekere ongerustheid blijken.

Het vuur was uitgegaan en het water stroomde over den grond. Slechts de

Encuerado kon te midden van het geraas der ontketende elementen en op

een drassig geworden grond slapen. Eindelijk verwijderde de donder zich;

maar de regen bleef gedurende vier uren onophoudelijk vallen. Wij waren

nat tot op de huid en Lucien klappertandde, niettegenstaande Sumichrast

en ik hem tusschen ons beiden beschut hadden. De wolken openden zich

evenwel en eenige sterren begonnen te schitteren.

Tegen middernacht hernam de opgehelderde lucht hare azuurblauwe tint en

de maan verlichtte flauwtjes het bosch. De Encuerado, die wakker was

gemaakt, hielp ons het vuur weer in orde brengen, maakte een kop koffie

gereed, en allen gingen wij slapen, na eerst andere kleeren te hebben

aangetrokken en den versterkenden drank te hebben genoten.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 50 / 54 题