HET ONWEER.—HET BOUWEN VAN EEN VLOT.—DE HERTSLANG.—VAARWEL AAN DE
PALMBOOMEN-VILLA.—DE HORZELS.—PARRA JACANA, GALLINULA.—DE
RATELSLANG.—DE WILDE KAT.—DE ARAS.—
Mijne makkers sliepen nog toen ik wakker werd; de hemel was met lichte
wolken bedekt, de lucht snikheet en toch vertoonde de zon zich slechts
bij tusschenpoozen. De karavaan was eerst tegen negen uur gereed om te
vertrekken: Meester Job, die reeds minder wild was, klom zelf op mijn
schouder. De Encuerado sprong en zong, terwijl hij Lucien aan de hand
hield. Wij bereikten niet voor twaalf uur de Palmboomen-villa. Toen zij
ons zagen, begonnen Verdet en Jaunet hard te schreeuwen; Rougette
wandelde met eene deftige langzaamheid tusschen de overblijfselen van
maïskoeken.
De vogels zwegen; geen blaadje bewoog en de hemel werd naar het Oosten
steeds duisterder. Een bliksemstraal flikkerde, de wind deed de boomen
buigen, de donder ratelde en een stortregen zette de vlakte rondom
ons kampement onder water. Wij hadden, dank zij de voorzorgen van
den Encuerado, eene schuilplaats; om ons reisgoed gezeten, waren wij
gelukkig bij de gedachte hoezeer die regen, als hij den vorigen dag
ware gevallen, onzen toestand zou verergerd hebben.
Ik kende te goed het klimaat om niet de beteekenis van dit eerste onweer
te begrijpen; het was de voorbode van de regelmatig terugkeerende
regens, welke gedurende drie maanden over het Warme en het Gematigde
Land zouden losbarsten, de lage gedeelten in moerassen en de rivieren
in onoverkoombare hinderpalen veranderen, den grond doorweeken en het
loopen onmogelijk maken. Wij besloten onmiddellijk tot het bouwen van
een dier vlotten, welke de Indianen _balsas_ noemen, om zoo, den loop
der rivier volgende, de Savannen te bereiken.
Tegen drie uur brak de zon door en de lucht werd wederom met insecten
en vogels bevolkt. Ons eerste werk was eene geschikte plaats voor het
bouwen van ons vlot uit te zoeken. De vangst van eene schildpad bracht
ons in goede luim en terwijl zij op een zacht vuur braadde, begon de
Encuerado een der palmboomen, die door de apen geledigd waren, te
kappen, welk voorbeeld een ieder zich haastte na te volgen. Toen de
nacht aanbrak, hadden wij reeds acht blokken ter lengte van twee meter;
dit werk vertegenwoordigde ongeveer de helft van onze taak.
De zon vond ons den volgenden morgen reeds aan den arbeid en de
Encuerado ging met Lucien uit, om buigzame lianen te zoeken, die dienen
moesten om de stukken van het vlot onderling te verbinden. Toen onze
makkers bij ons terugkwamen, was Sumichrast juist bezig den laatsten
stam vierkant af te hakken. Lucien droeg, behalve de om zijn lijf
gerolde lianen, aan zijn stok nog het lijk van een hertslang—_atropos
mexicanus_—een zeer gevaarlijke soort, die zijn Indiaanschen naam van
_mazacoalt_ te danken heeft aan de schubben van den kop, die boven de
wenkbrauwen in den vorm van kleine horentjes overeind staan. De slang,
die ongeveer zestig centimeters lang en van eene grijze kleur was,
opende een verschrikkelijken muil, die, naar ik meen, zoo wijd open
stond tengevolge van de slagen, die de Encuerado haar had toegebracht.
Sumichrast stelde, na buitengewone voorzorgen genomen te hebben, zijn
leerling in staat de gifttanden te onderzoeken, waarmede de slangen het
vreeselijke gift, hetwelk de natuur aan enkele soorten heeft gegeven, in
het lichaam brengen.
»Als de slang bijt,” zeide mijn vriend, »drukken de tanden een klein
blaasje, dat aan den onderkant er van gelegen is, te zamen en het gift
dringt in de wonde.”
Onze natuuronderzoeker maakte zijne uitlegging duidelijk door op eenen
der tanden te drukken, aan welks uiteinde een bijna onmerkbaar
druppeltje van een groenachtig vocht parelde.
»Hoe komt het dat de slang zichzelve niet vergiftigt?” vroeg Lucien.
»In de eerste plaats kauwt de slang hare prooi niet en dan is het venijn
alleen dan gevaarlijk, als het in den bloedsomloop komt; daardoor komt
het dat de mensch, mits hij geene wonde in de spijsverteringsbuis heeft,
ongestraft dit gift kan innemen, waarvan eene geringe hoeveelheid, in de
aderen gebracht, binnen eenige minuten den dood tengevolge zou hebben.”
Dadelijk na den maaltijd, die uit de schildpad en een palmkool bestond,
waarvan de smaak aan dien van gebraden artisjokken herinnert, gaf ik het
voorbeeld om aan het werk te gaan. In minder dan twee uren bevonden de
bouwstoffen voor het vlot zich op den oever der rivier.
Sumichrast en de Encuerado begaven zich zonder dralen in het water en
begonnen het samenvoegen van het vaartuig, dat ons naar de vlakten zou
voeren. Ik ging met Lucien bossen droog gras zoeken, welke dienen
moesten om de _balsa_ te kalfateren. Een weinig vóór zonsondergang
manoeuvreerde de Encuerado reeds met behulp van een langen stok, die
gaffelsgewijze was uitgesneden, met het schip, dat ons, naar wij
hoopten, zoude vervoeren. Daar de proef naar genoegen was uitgevallen,
werd het vlot vastgemeerd en ieder ging bij de villa liggen, ten einde
wat uit te rusten.
De papegaaien vlogen door elkander in de lucht en snapten om het
hardst; Jaunet en Verdet antwoordden op hun gebabbel en sloegen met
hun nog niet geheel bevederde vleugels. Gringalet leefde in vrij goede
verstandhouding met de beide broeders; Lucien had zelfs een paar malen
beproefd ze op zijn rug te zetten, hopende dat hij hun rijdier zou
willen zijn. Maar de hond bewoog zich niet of de papegaaien sloegen
hunne nagels in zijn vel, om zich in evenwicht te houden, en de aldus
gespoorde Gringalet begon dan over den grond te rollen. Meer dan eens
had hij zijn ruiters bijna verpletterd. Wat meester Job aangaat, was de
Encuerado er evenwel niet door zijne bemiddeling in kunnen slagen om hem
een vredesverdrag met den hond te doen sluiten; zij maten elkander met
den blik, gromden, lieten de tanden zien, maar bepaalden zich toch met
eene verdedigende houding aan te nemen.
Toen wij wilden gaan slapen, bood de Encuerado ons een beker palmwijn
aan, die ons heerlijk smaakte, ofschoon hij wel wat zoet was. De bakken,
die door de apen geplunderd waren, bevatten groote, witte larven,
waarvan de Indiaan den smaak zeer prees. Ik beval hem echter den
voorraad, dien hij zeide opgedaan te hebben, weg te werpen en er onder
geen voorwendsel van bij ons voedsel te mengen. Zonder dit uitdrukkelijk
bevel zou onze kok niet nagelaten hebben ons schildpad voor te dienen,
met larven uit de palmboomen toebereid.
Den volgenden morgen, het was een zondag, werd ik gewekt door de stem
van den Encuerado, die een lofzang aanhief. Onze bagage, goed ingepakt,
lag reeds op het vlot. Verdet en Jaunet, op den rand van de draagmand
gezeten, lieten onophoudelijk hun geschreeuw hooren, terwijl meester Job
bang voor het water scheen te zijn. Rougette, stil en somber als altijd,
scheen diep bedroefd te zijn bij het verlaten van den geboortegrond.
Toen eindelijk alles zoo goed mogelijk geplaatst scheen te zijn, nam de
Encuerado, tot aan het middel naakt, aan het achtereinde als stuurman
plaats. De Palmboomen-villa werd met een vreeselijk hoera vaarwel
gezegd, zoodat onze menagerie er van verschrikte; ik wierp een laatsten
blik op het woud, waar ik zulke verschrikkelijke uren had doorgebracht;
daarna werd het vlot losgemaakt en dreef het langzaam met den stroom
mede.
De vreugde van Lucien zou volkomen geweest zijn, als ik hem had willen
toestaan de luchtige kleeding van zijn vriend na te volgen, maar zijne
huid zou niet tegen de brandende zon bestand zijn geweest, zoodat ik
dezen gril moest tegengaan. Weldra dreef het vlot op de lagune, die
overdekt was met zwemvogels en steltloopers, welke zich nauwelijks
bewogen, toen wij hun voorbijgingen. Wij moesten op goed geluk de
overstroomde vlakte oversteken, om den loop der rivier te vinden. De
stuurman moest zelfs van zijn duwboom gebruik maken, want de strooming
werd onmerkbaar. Eindelijk wezen de waaierpalmen ons den weg en weldra
gleed ons vaartuig opnieuw tusschen de oevers door, die omzoomd waren
met boomen, waarvan de hooge toppen ons door hunne schaduw beschutten.
Eene diepe stilte omringde ons en tegenover die majesteit der natuur
bleven ook wij sprakeloos. De rivier vloeide als eene effene vlakte en
langzaam voort. IJsvogels en levendig gekleurde _manakins_[42] vlogen,
elkander kruisende, van den eenen oever naar den anderen. De lianen
daalden van de toppen der boomen tot op het water neer, vliegenvogeltjes
en colibrietjes vlogen om de bloemkelken en spreidden hun in duizend
tinten schitterend metaalkleurig gevederte ten toon. Van tijd tot tijd
versperde een overhangende boom ons den weg; wij hurkten dan op het
vlot ineen en stieten dan tegen de takken, die op ons neerhingen; de
troepialen, wier in de lucht zwevende nesten wij onwillekeurig schudden,
vervolgden ons met hunne scherpe kreten. Eene verwarde menigte planten,
die zich om de stammen slingerden, belette ons dikwijls in het woud
te zien; maar plotseling liet dan weer eene opene plaats ons toe een
blik in zijne diepten te slaan, waar de boomen nu eens regelmatig op
rijen, dan weer aaneengedrongen groeiden, zoodat hunne takken in
elkander verwarden. Ebbenhout-, peper- en palmboomen wisselden met de
boomvarens, de magnolia's, de jeneverboomen, witte eiken en wilgen
af. Hier en daar teekende eene zonnestraal op de schaduw een breeden
lichtkring, binnen welken tienduizenden van waterinsecten, muggen,
waterjuffers en vlinders in de lucht speelden of op het verlichte water
liepen.
[42] Manakins (_Pipridae_) ook fluweelvogels geheeten, zijn in Midden-
en Zuid-Amerika voorkomende vogeltjes, die veel met onze meezen
overeenkomen.
(N. v. d. B.)
Gringalet en meester Job, weinig gevoelig voor de schoonheden der
natuur, waren ingeslapen; Jaunet en Verdet, op den rand der mars
gezeten, lieten nu en dan onverstaanbare volzinnen hooren, waarop de
Encuerado zich evenwel haastte te antwoorden. Eindelijk werd de
onbeweeglijkheid, waartoe wij veroordeeld waren en die nog verergerd
werd door het steken der muskieten, geholpen door eene soort groote
vliegen met groene oogen, eene marteling.
»Dat zijn horzels,” zeide Sumichrast tot Lucien, »bloeddorstige,
tweevleugelige insecten, die van het eene einde der wereld tot het
andere alle zoogdieren kwellen.
—Hun steek doet meer pijn dan die der muskieten,” antwoordde de knaap,
op wiens hand een bloeddruppel parelde.
—Dat komt omdat hun slurf gewapend is met mesjes, die bestemd zijn om
de huid van stieren en paarden te doorboren.
—Bacarapataca, riep Jaunet.
—Ja zeker, antwoordde de Encuerado, de steek van de horzels is minder
onaangenaam dan die der _garapatas_.
—Bacapalataca, zei Verdet, op zijne beurt.
»_Saca la pata_ (geef een pootje),” vertaalde de Indiaan, »gij hebt nog
gelijk, dat kunstje zullen Chanito en ik u wel eens leeren.”
Lucien lachte hartelijk om de verklaring, welke de Indiaan van het
gebabbel der papegaaien gaf en over den ernst en de beleefdheid,
waarmede hij hen antwoordde. Hij trachtte de beide vogels de namen van
zijn broertje en zusje te leeren naspreken. De papegaaien leenden, met
opgeheven poot en overhangend kopje aandachtig het oor aan de, door den
knaap herhaalde woorden; maar zij trokken nog niet veel vrucht uit zijne
lessen.
De rivier overstroomde, evenals alle waterstroomen, die de hand van
den mensch niet heeft geleid, de lage landen en vormde nu en dan
uitgestrekte lagunen. Wij verloren dan, evenals bij ons vertrek, veel
tijd, om haar loop terug te vinden. Bij eene dezer opsporingen ontdekte
ik zulk eene schilderachtige baai, dat ik eene halt voorstelde.
Tegenover ons opende zich eene vrij diepe opene plaats, door hooge
palmboomen omzoomd. Het vlot, door den Encuerado met kracht door de
waterplanten voortgestuwd, landde en ik sprong aan den oever om het vast
te meeren.
Verdet en Jaunet, met de mand aan wal gebracht, gaven door luid
geschreeuw hunne vreugde te kennen. Gringalet, wien de Encuerado
onverwacht een duwtje had gegeven, nam een bad en meester Job, den
staart om den hals van zijn jongen meester gerold en zich aan diens haar
vasthoudende, werd in de schaduw gebracht en naast Rougette, die zich in
haar schaal terugtrok, vastgebonden.
Nauwelijks hadden wij ons ingericht of twee jacana's[43], door de
Mexicanen _Viuda's_ geheeten, streken bij ons neder en vlogen toen met
lichte beweging op de drijvende planten om de zaden en insecten er af
te pikken. Twee schoten brachten ze in ons bezit en Gringalet bracht de
twee steltloopers, die een rosachtig gevederte hadden, wier snavel een
vleeschachtigen uitwas had en waarvan de vleugeleinden in een scherpen
spoor eindigden, een voor een bij ons. De jacht leverde geen al te best
middagmaal op, want met uitzondering van de kleinere soorten—zooals
snippen, waterrallen en plevieren—hebben de moerasvogels een taai
en weinig smakelijk vleesch. Gelukkig wist Gringalet een vogel van
lichtbruine kleur, met fraaie parelgrijze veeren aan den hals en die den
naam van hoen van Montezuma draagt, machtig te worden. Dit schoone stuk
verwierf hem van den kant van den Encuerado verscheidene krachtige
handdrukken, waarmee hij evenwel weinig ingenomen scheen te zijn.
[43] _Parra jacana_, in Zuid-Amerika zeer algemeen, behoort tot de
spoorvleugelige moerasvogels. (N. v. d. V.)
Eene wandeling rondom de opene plaats bracht ons bij een boschje
orleanboomen, _bixa orellana_, een klein boompje, welks zaden eene
fraaie gele kleurstof opleveren, waarvan men zich in Europa bedient om
zijde te verven. Daar Sumichrast Lucien had verteld dat de wilden vuur
maken door twee droge takken van dezen boom tegen elkander te wrijven,
haastte de knaap zich er eenige van te verzamelen. Een weinig naar
achteren vond ik een brijappelboom, _diospyros abtusifolia_, waarvan de
vruchten zeker wel in den smaak van onze menagerie zouden vallen. Een
omgeworpen boom lokte ons naar het woud en op den vochtigen en zwarten
bodem bemerkte Lucien het eerst eene prachtige ratelslang, die verdoofd
scheen te zijn. Sumichrast schoot zijn geweer op het kruipdier af, dat
opsprong, om echter weer dood neer te vallen. Oogenblikkelijk weerklonk
in verschillende richtingen een gesis en drie of vier slangen van
dezelfde familie namen de vlucht, eene door drie jongen gevolgd. Een
aanval vreezende, had ik mijne machete gevat, en ik durfde mij eerst
bewegen, toen het geluid verdwenen was. De door mijn vriend gedoode
slang was meer dan een meter lang, haar huid was met zwarte, bruine en
grijze vlekken gemarmerd; de platte en driehoekige kop had een wreed
uiterlijk. Lucien hieuw met één slag van zijne machete de beweegbare
ratels, die aan de slang haar naam van ratelslang gegeven hebben, af.
Die hoornachtige staartuiteinden, zeven in getal, zouden den Encuerado
zeer verblijden, want evenals al zijne landgenooten schreef hij hun
wonderdadige eigenschappen toe—onder anderen van de guitaren te kunnen
stemmen en te beletten, dat de snaren er van breken.
Ik naderde den omgevallen boom niet dan met de uiterste voorzichtigheid,
uit vrees dat er soms weer eene andere slang uit zou te voorschijn
komen. Ik ontdekte slechts een reusachtigen salamander en zeer groote
kevers, wier kaken met sterke knijpers gewapend waren. Lucien verrijkte
van zijn kant zijne collectie met eenige nieuwe soorten roofkevers. Een
door den Indiaan gelost schot bracht ons naar het bivak terug; onze
makker had eene wilde kat, door de Indiaan _ocotchotly_[44] genoemd,
gedood.
[44] Ozelot (_Felis pardalis_).
»Ziet gij dat mooie dier, Chanito,” riep de Encuerado, die met zijne
hand over het rosse, met zwarte vlekken geteekende vel van zijne buit
streek. »Als het een hert of een wild zwijn heeft gedood, begraaft hij
het onder de bladeren, klimt op den naastbijstaanden boom en begint te
klagen, totdat de andere roofdieren naderbij komen. Als deze verzadigd
zijn, klimt hij naar beneden, en verslindt, wat zij hebben overgelaten.
—En waarom roept hij die gasten dan? vroeg ik.
—Heb ik u dan niet gezegd, dat zijne tong vergiftig is? Als hij het
eerst at, zou hij zijn vergif aan het vleesch mededeelen en de dieren,
welke zich met de overblijfselen verzadigden, zouden sterven.”
Deze fabel, door Hernandez medegedeeld en nu nog door de Indianen
herhaald, moet haar oorsprong in eene nog niet waargenomen gewoonte van
het dier hebben.[45]
[45] Wellicht hierin, dat de ozelot, volgens sommige schrijvers, zeer
bloeddorstig is en zelfs, als hij verzadigd is, nog doodt, alleen
om het bloed uit te zuigen, waarna hij zijne prooi verder
onaangeroerd laat liggen. (N. v. d. B.)
Na het middagmaal en terwijl Lucien zich naar zijne pleeglingen begaf om
hun de brijappelen te brengen, zag ik de ongelukkige Rougette tusschen
de pooten van meester Job, die haar omkeerde, berook, op den grond
zette, of halsstarrig zijne vingers binnen in de schaal stak, welke
aardigheden er niet toe bijbrachten om het melancholische dier op te
vroolijken. Op raad van den Encuerado stak de knaap eenige takken in den
kant van het water en plaatste de schildpad in dit miniatuur-park.
De zon ging onder en de papegaaien vlogen paarsgewijze om ons. Jaunet
en Verdet klapwiekten en snapten met hunne grootere broeders. Een troep
flamingo's kwam bij ons zitten en eene vlucht eenden draaide in de lucht
rond en scheen te aarzelen om neer te strijken. Eensklaps streken twee
ara's, de grootste en fraaiste soort papegaaien, op den top van een
palmboom neer. Sumichrast en de Encuerado verdwenen in het kreupelhout,
terwijl ik met Lucien de bewegingen van de fraaie vogels volgde, wier
staart tweemaal zoolang als het lichaam was. De klimvogels, door de
Indianen _huacamayas_ genoemd, hadden hunne slaapplaats ingenomen, toen
ik zag dat zij blijkbaar ongerust werden. Zij klapwiekten en herhaalden
telkens hun ruw geschreeuw van »ara”, waaraan zij hun naam ontleenen.
Een dubbele losbranding weerklonk, de vogels vielen, de flamingo's en
eenden sloegen met hunne vleugels.
Lucien, die de _huacamayas_, wier gele, groene en roode veeren een
harmonisch geheel vormden, van nabij beschouwde, zou Verdet en Jaunet
gaarne voor een paar jongen van deze soort geruild hebben. Hij liet een
der ara's aan meester Job zien, die hem onder het trekken van allerlei
gezichten betastte en er eindelijk op ging zitten.
De nacht verraste Lucien, terwijl hij zijne vogels nog de namen van
Hortense en Emile voorzegde. Gringalet ging tot onze groote verbazing
naast meester Job liggen, die hem bevrijdde van de teken, welke zich
in zijn haar genesteld hadden; daarna begonnen de twee vrienden
naast elkander te snurken. Tegen negen uur, terwijl ik het vuur wat
aanwakkerde, deed Jaunet een oog open en babbelde eenige woorden; maar
de Encuerado sliep te vast om er op te antwoorden.