DE ENCUERADO EN DE PAPEGAAIEN.—GRINGALET BRENGT EEN GAST
MEDE.—DE PUMA OF AMERIKAANSCHE LEEUW.—DE RIVIER.—DE
PALMBOOMEN-VILLA.—SCHILDPADEIEREN.—DE IBIS EN DE REIGERS.
De papegaaien, die men hoorde babbelen, dienden ons tot wekkers. De zon
rees rood en glansloos op; onmiddellijk werd hare verschijning door een
concert begroet. De chachalacas lieten hun diep geklok hooren, en vogels
van allerlei soort begonnen om ons heen te vliegen. Lucien, die met de
maagdelijke wouden verzoend was, kon niet genoeg de verscheidenheid van
boomen, heesters en struiken en het oneindig aantal gevederde bewoners,
die ze bevolkten, bewonderen. Wij daalden langzaam in de vlakte af; de
warmte drukte reeds op ons en het was onmogelijk lange marschen te doen.
Eene vlucht gekuifde kardinalen dartelde om ons en zette zich op eene
magnolia neer, die daardoor als met purpere bloemen bedekt scheen. Een
weinig verder begroetten papegaaitjes, die weinig grooter waren dan
eene musch, ons met hun luidruchtig geschreeuw. Na verscheidene malen
het hoofd opgericht en de schouders te hebben opgetrokken, bleef de
Encuerado eindelijk staan om hen te antwoorden.
»Kom haar dan halen,” riep hij uit, »kom haar dan halen, en toont dat
gij meer kunt dan een man.”
—Wat biedt ge den papegaaien toch aan?” vroeg Lucien.
—Ze spotten met mijne mars, Chanito; een troep luiaards is het, die
allen te zamen nog niet in staat zouden zijn haar te bewegen!”
Sumichrast drong in het woud door en sloeg met zijne machete de lianen
weg, om ons een pad te banen. In minder dan een uur waren wij vijf of
zes opene plekken doorgetrokken. Eensklaps bemerkte ik, dat Gringalet
verdwenen was. Ik riep hem en een verwijderd geblaf gaf mij antwoord.
»Zou hij eene rivier ontdekt hebben?” vroeg Sumichrast.
Ik ging in de richting van waar het geluid van onzen viervoetigen makker
kwam; eensklaps kwam hij woedend blaffende uit het kreupelhout, vervolgd
door een jongen puma, die, zoodra hij mij zag, staan bleef. Sumichrast
snelde toe, waarop het roofdier in het bosch verdween.
»Waar heb je dien kameraad toch vandaan gehaald, Gringalet?” vroeg de
Encuerado hem vol ernst. »Stel maar niet te veel vertrouwen in die mooie
kennissen; het zou je terdege kunnen opbreken; de leeuwen kunnen niet
liefkoozen of zij moeten iets breken.
—Was dat dan een leeuw?” vroeg Lucien.
—Ja, maar een Amerikaansche leeuw of puma,—de _felis puma_ der
geleerden.
—Wat zou ik hem gaarne hebben willen zien! Had hij manen?
—Neen, de puma heeft geen manen.
Wij trokken juist opnieuw eene opene plaats door, toen Gringalet ons
tusschen de beenen liep. Ik keerde mij om—de leeuw was ons in stilte
gevolgd.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, „zou die knaap ons willen
bewijzen, dat de puma vaak menschen aanvalt.”
De Encuerado, die zich van zijne mars ontdaan had, had reeds op het dier
aangelegd.
»Schiet niet!” riep ik hem gebiedend toe.
De puma kwam niet verder; hij doorboorde ons als 't ware met zijne gele
oogen; zijn staart sloeg met een gelijkmatigen tact tegen zijne zijden;
hij geeuwde, toonde ons eene rij vreeselijke tanden en ging eensklaps,
als om te spelen, op den grond liggen.
Lucien kon op zijn gemak de fraaie bruingele kleur van het roofdier,
welks ooren en staart aan de uiteinden zwart getint waren, beschouwen.
Het dier keek ons met zulk een bedaarden en zachten blik aan, dat het
tot de karavaan scheen te behooren; het dreef de vertrouwelijkheid zelfs
zoover, dat het onder onze oogen zijn toilet begon te maken, door zijn
pooten te likken en er dan mede over zijn snuit te wrijven.
Ik gaf bevel den marsch te vervolgen; de Encuerado gehoorzaamde met
tegenzin. Ik plaatste Lucien, die blijde was het fraaie dier van zoo
nabij gezien te hebben, in 't midden van den troep.
»Als men den leeuw niet eet, eet hij u,” herhaalde de Indiaan; »al
hadden wij hem ook maar gewond, dan zou hij toch aan zijne soort verteld
hebben, dat het niet raadzaam is in de nabijheid van ons vuur te komen.”
—Welnu, als hij terugkomt, moogt gij schieten.
—Ha! 't Is zijne eigene schuld!” riep de Encuerado; »houd stil Tata
Sumichrast; houd uw geweer gereed, Chanito, gij moogt het eerst
schieten.”
Wij waren in een groep gaan staan en mijne blikken zochten tevergeefs
naar het roofdier.
»De rekel is ons vooruitgegaan,” hernam de jager.
»Wij zullen hem ook eens vreemd laten opzien! Kom hier, Chanito, maar
niet hard loopen en niet omzien. Ziet gij dien boom daar voor ons uit?
Zie eens wat vreemde vrucht hij draagt.”
—De leeuw!” riep de knaap uit.
—Drommels, drommels!” mompelde Sumichrast, »zitten er ons dan twee
puma's op de hielen.
—Neen, neen, Tata Sumichrast, 't is dezelfde. Mik tusschen de oogen,
Chanito, vuur, vuur!”
Twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en het dier viel op den
grond, zonder een geluid te geven.
»Niet zoo gauw, Chanito,” vervolgde de Indiaan, »dat is geen waterhond;
laten wij eerst eens te weten komen of de vijand wel dood is, voor en
aleer wij ons onder zijn bereik wagen.”
Gringalet waagde het, om al blaffende om het dier te draaien, ik hield
mij gereed om te schieten, terwijl mijne gezellen voorzichtig naderden.
De puma, in het voorhoofd getroffen, ademde niet meer. Hij was bijna een
meter lang en zijn haar, dat op sommige plaatsen nog gekroesd was,
verried zijne jeugd. De Indiaan hief den zwaren kop van het roofdier op.
»Komaan,” zeide hij, »gij verdiendet als een dappere te sterven. Gij
zijt de eerste van uw ras, die zich zoo dicht bij mijn geweer gewaagd
heeft. Woudt gij dan Chanito verscheuren?”
—Ik geloof veeleer dat hij het op Gringalet gemunt had,” antwoordde
mijn vriend; »hoe jammer, dat men die fraaie katten niet tam kan maken!”
—Katten!” herhaalde Lucien.
—Zeker; zelfs de groote Afrikaansche leeuw is niet anders dan de
grootste en sterkste kat. Wist gij dat niet?”
—Ik meende dat de leeuw een op zich-zelf-staand dier was; maar is hij
wel de koning der zoogdieren?”
—Hij gaat met recht voor het sterkste roofdier door; zijn kop, dien
hij opgeheven draagt en zijne fraaie manen geven hem een koninklijk
voorkomen. Maar ik weet niet op welken grond zijn naam van
edelmoedigheid berust; ik geloof, dat de beroemde leeuw van Androcles
pas een goed maal naar binnen had, toen hij zijn weldoener spaarde.”
Wij konden er niet aan denken de prooi van zijne huid te ontdoen; de
vliegen vielen reeds met geheele zwermen op het nog warme lichaam neder.
De Encuerado wilde Lucien de eer geven, den leeuw gedood te hebben; maar
hoe verlangend de knaap ook was om zulk een heldenstuk te volbrengen,
toch verklaarde hij zelf, dat zijn kogel een verkeerden weg was
ingeslagen.
Ik bleef bij een locust (_hymenaea_) staan, een boom tot de familie
der hulsdragende behoorende, waarvan de peulen een suikerachtig moes
bevatten en welks stam een zeer gezochte hars laat uitvloeien, die door
de Indianen tegen maagpijn wordt aangewend. Een weinig verder scheen een
_huaje_ den Encuerado, die evenals zijne landgenooten, verlekkerd was
op de in de platte peulen verborgen zaden, te verlokken. De walgelijke
reuk van deze vrucht maakte mij onpasselijk; gelukkig ging mijn bediende
voorbij. Sumichrast, die vooropging, moest ons een doortocht door een
warnet van cobea's met purpere bloemen banen. Ik hielp hem in dat werk,
en toen wij de hinderpaal te boven waren, kwamen wij eensklaps in eene
kleine vlakte uit, in wier midden zich een boschje palmboomen verhief.
Gringalet verdween aan onze linkerhand en kwam weldra met een natten
snuit terug. Lucien, die ons vooruit was, ontdekte het eerst eene
breede, diepe rivier, die langzaam voortvloeide. Op het zien daarvan
maakte de Encuerado drie buitelingen en hief een lofzang aan; onze
dankzeggingen, hoewel minder luidruchtig dan de zijne, waren er niet
minder welgemeend om. Naar zijn loop te oordeelen moesten wij reeds
van af den morgen langs de rivier zijn gegaan en Gringalet had zonder
twijfel den puma ontmoet, toen hij zijne dorst ging lesschen. De Indiaan
sloeg het bivak tusschen de palmboomen op, en ik haastte mij den oever
van het water te bereiken. Twee papegaaien, die onder het schot van mijn
geweer kwamen, werden in den pot gedaan, waar de rijst reeds in kookte.
't Was een zuinig maal, maar uitgeput van vermoeidheid als wij waren en
bezwijkende onder de hitte, gaven wij aan een bad de voorkeur boven al
het wild der wereld.
Lucien plaste gedurende twee uren in het water en ik kan niet zeggen
hoezeer dit langdurige bad ons herstelde. Ik kwam er geheel frisch en
hersteld uit; het bad had het jeuken, door het steken der insecten
veroorzaakt, doen ophouden. Het vleesch der papegaaien scheen ons hard
en taai toe, maar ieder gebruikte, zonder zich te beklagen, het hem
toekomende deel; daarna, en zoodra de zon wat daalde, stelde ik voor
eene wandeling te maken om onze kampplaats, die door Lucien reeds met
den naam van _Palmboomen-villa_ was gedoopt.
Bij de eerste schreden, die wij deden, trok een heester met dun
gebladerte mijne aandacht. Ik wees hem Lucien aan als zijnde de
_Siphonia-elastica_ of caoutchouc-boom.
»En hoe verkrijgt men daaruit den caoutchouc?” vroeg hij mij.
—Men maakt eene insnijding in den stam van den boom en na verloop van
eenige uren druppelt de caoutchouc er van zelf uit.
—Als ik dan vandaag eenige sneden in den bast deed, zou ik dan morgen
een elastieken bal hebben?
—Althans de stof om er een van te maken.
Lucien toog dadelijk aan 't werk en daar hij zijne machete reeds met
veel handigheid wist te gebruiken, had hij spoedig eene spleet van
ongeveer vijftig centimeter lengte in den boom gemaakt.
—Tot welke familie behoort de siphonia?” vroeg de Encuerado, die ook de
gewoonte had aangenomen van ons te ondervragen.
—Tot die van de wolfsmelkboomen,” antwoordde Sumichrast.
—Een wolfsmelkboom! en duldt gij dan dat Chanito hem nadert?
—Deze soort is niet gevaarlijk.
—Wij zullen er maar half vertrouwen in stellen,” mompelde de Indiaan;
en met twee sabelhouwen had hij een kruis aan den voet van den boom
gemaakt.
Ik richtte mij nu naar den stam van een palmboom, die half verrot op den
grond lag; ik vond er groote snuitkevers, die de Indianen _dronkaards_
noemen, omdat zij in de plaatsen dringen, waar de palmwijn bewaard
wordt; het lichaam was van een fraai fluweelachtig blauwzwart, met
grijze plekken bezaaid en de lengte van hun snuit vermaakte Lucien zeer.
De snuitkevers zijn in Mexico niet minder algemeen dan in Europa en eene
bijzondere soort, die vooral de maïs aantast, maakt dat men deze
graansoort onmogelijk van 't eene jaar in 't andere kan bewaren.
Eene vondst, die den jongen natuuronderzoeker vooral veel genoegen deed,
was die van een fraai met de sprinkhanen overeenkomend insect en
behoorende tot de orde, die de geleerden _Manti_ (spookjes) noemen, en
dat men op 't eerste gezicht voor een stuk van eene plant had kunnen
houden.
Het zonderlinge dier, dat buitengewoon groote oogen en een smal en lang
lichaam had, hief zijn eerste paar pooten omhoog en voegde ze zamen
als om te bidden weshalve de verwante soort in Europa den naam van
_Godaanbidster_—mante religiosa—heeft verkregen. Toen Lucien met een
grashalmpje bij het zonderlinge dier kwam, wierp het er zich met eene
soort woede op en zoodra men het losliet draaide het insect er mee rond
als een ervaren schermmeester op den stok; daarna nam het dadelijk weer
zijne biddende houding aan. Dank zij de verscheidenheid van planten,
verkreeg ik eene groote verzameling insecten. Mijne doos werd verrijkt
met prachtige metaalglanzende goudkevers, snelkevers met zwart en geel
gestreept lichaam, glimkevers met lichtgevenden buik; dan nog met
prachtkevers, vooral de aan Mexico eigene soort, waarvan de schitterend
groene dekschilden met zwarte stippels bezaaid zijn.
Er woei eene kleine koelte en de peulen van de cassieboomen, die tegen
elkander stieten, brachten een vreemdsoortig geluid voort. Wij gingen
met langzame schreden naar ons bivak onder de palmboomen terug, de oogen
geheel afgetrokken door de insecten en de vogels, wier schitterende
kleuren de bladeren versierden, op welke alle tinten van groen zich
harmonisch vereenigden. Niets is in staat om de wilde grootheid van
het ons omringende schouwspel weer te geven. Wij konden ons verplaatst
wanen in een dier wondertuinen, waarover de Arabische vertellers zoo
gaarne spreken. Een gebrul herinnerde ons er aan, dat ons vuur uitging.
Eindelijk gaf ik het teeken om te gaan slapen. Wij waren van plan om
drie of vier dagen op deze plaats, die voor onze opsporingen zoo
gewichtig was, te vertoeven.
»Niemand zal zeggen, dat wij misbruik gemaakt hebben van ons recht om
uit te rusten,” sprak mijn vriend; »wij hebben vandaag den 20 April; wij
zijn dus twee-en-veertig dagen op weg.”
Den volgenden morgen ging ik met het aanbreken van den dag met
Sumichrast op ontdekking uit, Lucien in een diepen slaap achterlatende.
Tegen elf uur kwamen wij terug, beladen met een twaalftal vogels,
waaronder zich een specht bevond van een geelachtig groene kleur en
met een kuif vuurroode veeren, en een tacco (_cuculus vetulus_), eene
soort van koekoek, die zich met hagedissen en jonge slangen voedt.
Gedurende onze afwezigheid had de Encuerado drie palmboomen omgehouwen,
waarvan hij de stammen aan het onderste gedeelte uitholde, om er het
suikerachtige sap van den boom in op te vangen. Met behulp van lianen
vlocht hij van vijf groote stammen een soort van palissaden-omheining,
waartusschen wij, voor elke overrompeling beveiligd, gerust konden
slapen. Lucien had een papegaaiennest ontdekt en er twee jonge groen,
rood en geel gekleurde vogels uitgehaald, die zich uitstekend schenen te
schikken in de zorgen, die de knaap hen bewees.
»Wat wilt gij met die arme weezen doen?” vroeg ik.
—Ze voor mijn broertje en zusje medenemen. De Encuerado zegt, dat zij
wel op den rand van de mand zullen blijven zitten.
—En wat zult ge ze te eten geven?
—Vruchten en zelfs vleesch. Mijnheer Sumichrast heeft mij gisteren
gezegd, dat de papegaaien alles eten wat men hun geeft. Ik heb ze reeds
een naam gegeven; ze zullen Verdet en Jaunet heeten.
—Zij zullen meer dan eens onder het bereik van Gringalet komen, zijt
gij wel zeker dat hij ze niets zal doen?
—De Encuerado heeft hem de les reeds opgelezen.”
—Dan vrees ik wel, dat Verdet en Jaunet nog eens treurig aan hun einde
zullen komen.”
Terwijl wij uitrustten gingen Lucien en zijn vriend den caoutchoucboom
opzoeken. De knaap kwam geheel teleurgesteld terug.
»Uw gomelastiek deugt niet,” zeide hij tot Sumichrast, terwijl hij hem
een dik en wit vocht liet zien, dat hij van den boom had gehaald.
—En waarom dat, als ik u vragen mag?
—Omdat de gomelastiek zwart en droog moet zijn.
—Als het oud wordt zal het die twee eigenschappen wel bekomen.
De caoutchouc loopt uit den boom in den vorm van eene melkachtige
vloeistof, gelijk aan die, waarmede gij nu uwe vingers vuil maakt.”
Tegen drie uur, toen de zon loodrecht boven onze hoofden stond, voerde
ik mijne makkers onder het dichte hout, om den loop der rivier te
onderzoeken. Weldra moesten wij ons met de machete een weg banen en
verscheidene slangen namen sissend de vlucht. Langzamerhand werd de
oever der rivier begroeid met boschbessen, begonia's en cederboomen en
kwam ik op een zandachtig strand, waar vijf of zes schildpadden schenen
te slapen. Niettegenstaande de door ons genomen voorzorgen, bereikten
de dieren de rivier. De Encuerado ontdekte twee hoopjes zand, waarvan
het eene, dat nog onvoltooid was, een twintigtal eieren bevatte, die
zoo groot als eene noot en met een witachtig huidje omgeven waren. Een
weinig verder vond Lucien eene kleine roode schilpad, die niet grooter
was dan een rijksdaalder. Daar hij van den Encuerado vernam, dat zij
verscheidene dagen zonder eten kan leven, besloot hij haar mee te nemen
en gaf hij haar den naam van Rougette.
Gringalet begon te grommen; een damhert vertoonde tusschen de takken
zijn verschrikt gelaat. Iedereen verborg zich zoo goed hij kon en toen
het sierlijke dier nader kwam, schoot Sumichrast het morsdood. Ik liet
den Encuerado den jager helpen om het wild te stroopen en ging in
gezelschap van Lucien verder. De rivier werd langzamerhand breeder,
totdat ik mij geheel onverwacht tegenover eene onmetelijke overstroomde
vlakte bevond, waarboven heele zwermen eenden vlogen.
Ik ging op den grond zitten, ten einde op mijn gemak het ruime meer
te kunnen overzien, welks oevers met koningspalmen, waarvan de
stam onderaan zwart en bovenaan fraai groen is, omzoomd waren. De
verschijning van een vischarend met witachtig gevederte dreef de
zwemvogels als bij tooverslag op de vlucht; verscheidene verborgen zich
tusschen het riet, maar de roofvogel vloog verder, zonder, naar het
scheen, acht te slaan op een wild, dat zijner onwaardig was. Plotseling
streek op twintig pas afstands van ons een Mexicaansche Ibis[39] neêr,
ging in de rivier en bleef daar onbeweeglijk staan.
[39] Tantalus Mexicanus. Ik vertaal dit met Mexicaansche Ibis, tot welke
familie de Tantalus behoort.
(N. v. d. V).
»O papa! wat een vreemde vogel is dat! men zou zeggen dat hij een kalen
kop heeft.
—Daarin vergist gij u niet; deze vogel wordt door de Indianen
_galambao_ genoemd.
—Hij is bijna zoo groot als ik.
—Ziet ge niet dat hij op stelten loopt?” antwoordde ik lachend. »'t Is
een broertje van den ooievaar.
—Wij hebben nog geen vogels van deze soort ontmoet.
—De steltloopers bezoeken slechts de boorden van moerassen of de oevers
van groote rivieren. Men herkent de vogels van deze orde aan hunne hooge
beenen, die beneden de knie geheel zonder veeren zijn, zoodat zij in
niet te diepe waters kunnen visschen.
—Gaat die _galambao_ visschen?
—De Ibis en bijna alle steltloopers hebben geen ander middel van
bestaan.
Maar zou men niet zeggen dat hij slaapt, als hij daar zoo staat, zijn
grooten bek op de borst latende rusten.
—Wee den visch die eveneens zou denken als gij. Hebt gij zijne beweging
opgemerkt? Hij heeft zijn kop met de snelheid van den bliksem in het
water gedompeld en gij kunt zijne prooi in zijn bek zien. Hij slaat
zijne korte met zwarte veeren omzoomde vleugels uit om weg te vliegen;
hij gaat zeker de opbrengst van zijne vangst met zijne jongen deelen.
—Zie eens wat een mooie blauwe vogel, met een kuif op den kop.
—Dat is de _Ardea-Agami_, een steltvogel tot het geslacht der reigers
behoorende. Maar zie daar een troep van deze laatsten met een prachtig
gevederte, zoo wit als hermelijn,—dat zijn zijdereigers—_ardea
candidissima_. Zij vliegen in groote vluchten en scheiden later om
afzonderlijk te gaan visschen.
Deze vogels hebben een droefgeestig en ernstig uiterlijk; nauwelijks
laten zij nu en dan eens een klagend en wild geschreeuw hooren.
Wij bleven de steltloopers, die droefgeestig op de heesters zaten,
beschouwen, tot dat het _hioe! hioe!_ van den Encuerado aankondigde, dat
mijne gezellen zich gereed maakten om naar den haard terug te keeren.
Ik geleidde Lucien door het bosch terug en beantwoordde zijne vragen
over de steltloopers, toen het geraas, door eene bende apen veroorzaakt,
tot ons doordrong.
Een twintigtal kalkoenen, die zonder twijfel door het geraas verschrikt
waren, kwamen tusschen onze beenen geloopen. Ik liet de arme vogels in
vrede heengaan, want wij hadden reeds meer vleeschvoorraad dan wij
konden gebruiken. Lucien stond verbaasd over het groot aantal levende
wezens, die ons omringden en die levendigheid trof hem te meer, als hij
haar vergeleek bij de doodsche eenzaamheid in het groote woud, dat wij
doorgetrokken waren.
»In het Warme Land,” zeide ik hem, »zijn de oevers der wateren altijd
vruchtbaar en de bewoners van vlakte en bosch komen er bij elkander.
—Maar waarom bewonen de Mexicanen dat zoo afwisselende en fraaie Warme
Land niet?
—Omdat een draak den toegang verbiedt tot deze streken, waar de natuur
hare rijkste schatten zoo kwistig rondspreidt.
—Een draak?
—Ja, de gele koorts. Eene vreeselijke ziekte, die het bloed bederft en
hare slachtoffers onder de sterksten schijnt uit te zoeken. Alleen de
neger kan op dezen brandenden grond werken, waar de Indiaan-zelve
spoedig onder de moeraskoortsen bezwijkt.
—Zouden wij ook die koortsen kunnen krijgen?
—Wij zouden in groot gevaar verkeeren, als wij ons door het
regenseizoen lieten overvallen.
—Wat zit die boom vol met vruchten,” riep Lucien, mij in de rede
vallende, uit.
—Dat zijn Mexicaansche mispelen.—Wij zullen er morgen wat van komen
plukken. Er groeien nog zes of zeven soorten sapotéas in de maagdelijke
wouden. De fraaie boomen van deze soort brengen meer of minder gezochte
vruchten voort. Die, welke uwe aandacht heeft getrokken, de _sapota
achras_, is vooral beroemd. Zijne vruchten worden voor de gezondste
uit de keerkringlanden gehouden en uit zijn stam vloeit die witte gom,
_chicle_ geheeten, welke de bewoners van het warme en van het gematigde
land zoo gaarne kauwen.”
De nacht overviel ons, terwijl wij een bout van het door den Encuerado
gebraden damhert aten. Gebrul herinnerde ons er aan dat wij door wilde
dieren omringd waren; maar onze twee vuren en de door den Indiaan
gemaakte afsluiting, waren voldoende om ons gerust te stellen; wij
sliepen in, maar sprongen meermalen verschrikt wakker, zoo vreeselijk
was het geraas rondom ons.