XXVIII.

HET CAMPÈCHE-HOUT.—DE MIEREN AAN DEN ARBEID.—PARASIETACHTIGE

INSECTEN.—TIJGERKAT EN TAMANDUA.—DE VANIELJE.—ROOSKLEURIGE LEPELAARS

EN KUIFREIGERS.—EEN APENSTREEK.—VERDWAALD.

De zon vond ons reeds overeind. Onze eerste zorg was ons te ontdoen

van het overschot van het vleesch van den vorigen dag; een nacht onder

dit brandende klimaat was voldoende geweest om het in bederf te doen

overgaan. Daarna hield de Encuerado zich bezig vischlijnen langs de

rivier uit te zetten. Toen de maag met een kop koffie gevuld was, ging

de karavaan, worstelende tegen de hitte, de muskieten en de horzels, op

jacht.

De Indiaan geleidde ons door het woud. Elke schrede, die wij zetten,

was voor Lucien eene nieuwe oorzaak van bewondering. Zijn vriend toonde

hem een grooten boom van de familie der leguminosen, en toen hij door

een slag met de machete een stuk bast van den stam had gehouwen,

liet hij hem het bloedroode hout zien. Het was de _haematoxylon_ of

campèche-boom, die in Europa zooveel gebruikt wordt om stoffen zwart of

paarsch te verven en die van den Brazilie-boom verschilt door de dikte

der takken en een zeer merkbaren reuk van viooltjes. Bijna alle schepen,

die naar Mexico komen, lossen hunne waren te Vera-Cruz en begeven zich

dan naar de Campèche-baai, waar deze boom bij iedere schrede wordt

aangetroffen.

Tusschen deze reuzen groeide een klein boompje van dezelfde familie,

door de geleerden _myroxylon_ genoemd en dat eene zwartachtige hars met

sterken vanielje-reuk uitzweet, welke bekend is onder den naam van

Peru-balsem.

Terwijl de Indiaan een vogel met purper gevederte vervolgde, bracht hij

ons bij een groot mierennest. De kolonie scheen het zeer druk te hebben,

ik haastte mij Lucien er vandaan te halen, daar ik hem niet aan de beten

der insecten wilde blootstellen.

—De mieren zijn verwanten van de termieten, is 't niet, mijnheer

Sumichrast?

—Neen, best Zonnestraaltje, de mieren zijn aan de bijen verwant en

behooren derhalve tot de orde der huidvleugeligen of _hymenoptera_. Er

zijn mannelijke en vrouwelijke mieren bij en werksters. De mannelijke en

vrouwelijke worden met vleugels geboren, maar als zij eieren gaan leggen

trekken deze laatsten-zelven hare vleugels af en nemen zij deel aan den

arbeid der werksters, die belast zijn met het bouwen der woning, het

voeden der jongen en het verzamelen van de levensmiddelen, welke voor de

kolonie noodig zijn.

—Zie daar eens! men zou zeggen, dat het gras loopt.

—Dat zijn mieren, die een boom van zijne bladeren beroofd hebben om

ze in hunne voorraadschuren op te stapelen; wat wel een nuttelooze

voorzorg is, want zij vallen gedurende de maanden die met den winter

overeenkomen, in eene soort van slaap.”

Lucien naderde de kolonie, die in twee tegenovergestelde stroomen

verdeeld was; de eene ging met plantendeelen beladen, de andere met

ledige kaken. Niets was belangwekkender dan het schouwspel van die

duizenden kleine wezens, die in eene volmaakte orde liepen, ieder een

last dragende of voortslepende, vijf of zesmaal grooter dan het zelf

was. Lucien volgde hun spoor, de kolonne ging het bosch in en klom op

een sapote, waarvan de onderste takken, reeds geheel van bladeren

ontbloot, er uitzagen als die van een dooden boom. Op alle hoogten

stroomde het van mieren en men zag bijna onder zijne oogen het groen aan

den boom verminderen.

—Hoeveel dagen zullen zij wel noodig hebben om de bladeren van dien

zwaren boom weg te voeren?” vroeg Lucien.

—Hunne taak zal dezen avond reeds af zijn.

—En dan zullen zij morgen zeker een anderen boom aanvallen?

—Neen; zij zullen verscheidene dagen zoek brengen met een anderen boom

in het bosch uit te kiezen. Ik troonde den jongen natuuronderzoeker, die

gaarne den geheelen dag zou hebben willen toezien hoe de mieren haar

last vervoerden, hoe zij twintigmaal omvielen zonder hem los te laten,

hoe zij elkander hielpen om dien weer in evenwicht te brengen en opnieuw

hun marsch in eene bewonderenswaardige orde voortzetten. Gringalet, die

vol vertrouwen eenige schreden achter ons was gaan liggen, had niet

bemerkt dat zich heimelijk vijanden naar zijn kant begeven hadden en

stond nu huilend op.

—Zult ge dan nooit voorzichtig worden?” riep de Encuerado hem toe.

»Men moet wel zoo onnoozel zijn als een pas geboren kind, om langs een

mierennest te gaan liggen! Dat is de tweede keer, dat zulk een ongeval

je overkomt en toch zijt gij geen beest....”

Hier bleef de raadgever plotseling steken, trok een leelijk gezicht,

lichtte de beenen hoog op en liep met groote schrede verder; toen ging

hij op den grond zitten om de mieren te vangen, die langs zijn leeren

broek opklauterden. Ik kon mij niet inhouden om in een schaterlach uit

te barsten.

»Zie nu eens, Gringalet heeft zijne huid vol puistjes!” riep Lucien die

den hond aanhaalde, uit.

—»Dat zijn parasieten,” sprak Sumichrast. »Het zijn teken. Men moet

Gringalet er elken avond van ontlasten.

—Maar ze laten niet los.

—Trek ze maar met geweld er af; hun mond is een zuignap, voorzien van

twee haken, die, als zij eenmaal in de huid zijn doorgedrongen, niet

gemakkelijk loslaten.

—Wat zijn ze leelijk met die twee dicht bij den kop geplaatste pooten;

hier is er een, die geheel plat is.

—Dat komt omdat hij zijn maal nog niet begonnen is.

—Haakt de teek zich alleen aan honden vast?

—Dat wil zeggen, dat de hond eene hem eigene soort heeft; andere komen

voor op vogels, op runderen, op schapen enz.

—Heeft de mensch geen parasieten?

—Helaas, ja, en er zijn er bij, die men nauwelijks durft noemen.

Wij hadden onzen marsch hervat. Een nieuwe opene plek voerde ons naar

een veld, dat geheel en al door de mollen doorwroet was. Een weinig

verder trok de Encuerado Lucien mede, uitroepende: »Een guïro! een

guïro!”

Ik kwam bij hen, terwijl zij voor een klein boompje met een licht

en weinig overvloedig gebladerte en vol groote vruchten van eene

geelachtige kleur stonden. Het was de _crescentia-cujete_, die op alle,

door de zon beschenen plaatsen groeit. De ronde vrucht bevat een

zuurachtig moes, dat vrij aangenaam van smaak is.

Uit het dichte omhulsel, dat dit moes omgeeft, maakt men een aantal

voorwerpen voor huiselijk gebruik, zooals doozen, kammen, borden, lepels

en zelfs hoofdkapjes voor de kinderen.

Sumichrast ging nu vooruit en bracht ons bij het meer, waarvan ik hem

den vorigen dag gesproken had. Wij hadden nauwelijks een honderd passen

gedaan of hij bleef staan. Een fraaie wilde kat, met getijgerde huid,

kroop voort, de oogen op de hooge takken gevestigd houdende. Bij onze

nadering nam zij de vlucht. De Encuerado vatte mijn arm en vestigde

mijne aandacht op een groot dier, dat zich tusschen de takken bewoog.

»'t Is een aap!” sprak Lucien zacht.

—'t Is een beer! antwoordde de Encuerado.

Het dier daalde langzaam naar beneden en wij konden het slechts

weinig zien. Eindelijk had het de onderste takken bereikt; het was

een _tamandua_[40] of kleine miereneter, hij bleef een oogenblik

onbeweeglijk staan, bewoog zijn buitengewoon langen snuit en stak zijn

platte tong uit, die met een kleverige stof bedekt is en dient om de

mieren te vangen, waarmede hij zich voedt. Eindelijk gleed de _beer_

zooals de Indianen hem noemen, langs den stam, waarin zijn groote

klauwen met geraas vasthaakten, terwijl zijn grijpstaart met kracht

tegen den stam aandrukte.

[40] Tamandua tetradactyla. De vijfteenige mierenbeer. (N. v. d. V.)

Lucien drukte zich, bij het zien van dit wanstaltig wezen, dat slechts

een vijftig schreden van ons af was, vol angst tegen mij aan. Sumichrast

had den haan van zijn geweer overgehaald, op het geluid, hierdoor

veroorzaakt, draaide de miereneter zijn kop om en wilde vluchten, maar

bevond zich plotseling tegenover den Encuerado. Hij richtte zich op zijn

achterpooten op, hief den neus omhoog en stak zijn voorpooten uit om den

onvoorzichtigen, die hem zou durven naderen te omvatten.

Het was een zonderling schouwspel, het dier zoo in eene verdedigende

houding te zien. Eensklaps knalde een schot; de tamandua kruiste zijn

pooten over elkander en viel, als door den bliksem getroffen, neer.

Vroeger was de Encuerado eens bijna door een miereneter gewurgd

geworden. Vandaar zijn onverzoenlijke haat tegen het gansche ras; ik

zou dan ook vergeefs getracht hebben hem te beletten te schieten.

»Nader niet, Tata Sumichrast,” riep de Encuerado, »gij weet dat die

kerels een taai leven hebben, en ik draag op mijne huid nog de indrukken

van zijne nagels. Laat ik hem eerst eens met de punt van mijn machete

kittelen.”

—Waart gij bang?” vroeg ik Lucien.

—Ja, ik had niet het minste denkbeeld van zulk een leelijk dier.”

—De leelijkheid bewijst juist niet, dat het boosaardig is,” voegde

Sumichrast hem toe, »hij valt niemand aan en gebruikt zijne kracht

slechts ter zijner verdediging. Ik hoop, dat gij er een tandarm[41] dier

in zult herkend hebben en een verwante van de tatoes.”

[41] Tandarmen of _Edentata_ noemt men een orde van zoogdieren, die geen

of slechts weinige tanden bezitten. Tot de eerste behooren de

mierenberen.

—Eet hij niets anders dan mieren?

—Mieren en andere insecten. Hij klimt op de boomen en zijn grijpstaart

onderscheidt hem van zijn broeder, den grooten mierenbeer, die den grond

niet verlaat; hij eet meer insecten dan mieren.

—Maar hoeveel heeft hij er wel noodig om genoeg te hebben?

—Duizenden en duizenden, en hij zou van honger omkomen als hij ze een

voor een moest vatten; maar met zijne lange tong schept hij er honderden

tegelijk op.

—Dat is een vreemd maal.

—Weet gij dan niet dat sommige Indianen ook miereneters zijn? In het

Koude Land, bijvoorbeeld, bereidt men de spijzen met de eieren van de

roode mieren en eene kleinere soort scheidt een suikerachtig vocht uit,

waarop de kinderen zeer verlekkerd zijn.

—Ik ken die mieren!” riep de Encuerado uit. »Men zuigt ze als

suikergoed en als wij er ontmoeten zult gij zien, Chanito, dat de

miereneters nog zulk een slechten smaak niet hebben.”

Ik haastte mij mij bij mijn vriend te vervoegen, die zich een weg baande

door de takken van eene soort van kolokwint, met wit en groen gemarmerde

vruchten. Ik moest Lucien beletten de vruchten, die voor vergiftig

gehouden worden, aan te raken. Even te voren had ik vanielje ontdekt en

weldra voerde Sumichrast ons onder een prieel van deze Orchidee, die met

lange groene peulen beladen was.

»Is die vanielje dan nog niet rijp? Zij ruikt niet.”

—Zeker is zij rijp, Chanito; gij behoeft ze slechts te laten drogen,

dan wordt zij zwart en begint lekker te ruiken.

—Wat zijn dat mooie groene bladen! Bestaat er slechts eene soort van

vanielje?

—Er zijn twee of drie soorten,” antwoordde de Encuerado. »Deze, waarvan

de stengel zigzagsgewijze opklimt en die witte bloemen heeft, wordt het

duurst verkocht. Men droogt de peulen door ze elken dag een uur aan de

zon bloot te stellen en daarna in wol te wikkelen. Zie, daar zijn groote

zwarte peulen, maar die weinig waarde hebben. Wij zullen nog wel eene

derde soort tegenkomen, waarvan de reuk zoo weinig beteekent, dat

Gringalet er zich over heen zou rollen.”

Aan den oever van het meer wachtte ons eene nieuwe verrassing. De

rechteroever was bedekt met zilverreigers en de linkeroever met

_lepelaars_, wier gevederte een zachtroode kleur had.

»Wat prachtige vogels!” riep Lucien uit.

—Zie dat gij er een schiet; uwe mama zal blij zijn die prachtige veeren

te bezitten.

De knaap legde langzaam aan en schoot. Een der vogels viel; zijn

kameraden, verbaasd, maar niet verschrikt, lieten een ruw geschreeuw

hooren.

»Wat een zonderlinge bek,” sprak de jonge jager, zijne prooi, welke

Gringalet was gaan halen, nauwkeurig beschouwende.

—Daaraan hebben deze steltloopers hun naam van lepelaars te danken.

—Kan men hem eten?

—Een weinig taai; maar als men honger heeft!...

Sumichrast bracht een vinger op zijne lippen; er kwamen twee kleine

reigers, die zich dicht bij ons neerzetten.

»Komaan, meester Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »schiet op den vogel

links, terwijl ik op den rechtschen zal aanleggen. Het zijn kuifreigers

en als gij knap zijt, zal uwe zuster fraaie veeren hebben om het haar op

te sieren. Opgelet: een, twee, vuur!”

De twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en de steltloopers

vielen op den grond. Deze dubbele losbranding joeg de lepelaars en

zilverreigers op de vlucht... en het meer bleef eenzaam. Maar twee

kuifreigers, die bij het begin van den hals drie of vier buitengewoon

fijne veeren droegen, verrijkten onze verzameling.

Ik sloeg den weg naar de Palmboomen-villa wederom in. De Encuerado ging

vooruit om zijne vischlijnen op te halen en ik zag er een grooten visch,

_bobo_ genaamd, en aan de Europeesche karpers gelijk, aan spartelen. Een

tweede lijn hield een _bagro_, die de Indiaan, zonder ons te raadplegen,

wegwierp, want zijne landgenooten beschouwden het vleesch van dezen

visch als gevaarlijk, indien men het, alvorens er van te eten, niet met

azijn begoten heeft.

De Encuerado begaf zich, voldaan over zijne vangst, naar het vuur,

terwijl wij op den oever der rivier bleven zitten. Nauwelijks was hij

verdwenen of een reeks hioes, hioes! weerklonken, begeleid van het

geblaf van Gringalet. Het was een gedraaf, wie het eerst in de prairie

zou komen; de Indiaan spoedde zich zooveel hij kon om de Villa te

bereiken, die door een troep apen overvallen was, welke nu hun best

deden om het woud te bereiken.

»Schelmen, schreeuwers, leegloopers!” riep de Indiaan hun na; »laat maar

een van jelui mij afwachten, als hij durft! Laat maar éen Gringalet

durven afwachten.”

De hond, die vlugger dan de apen liep, kreeg er twee of drie tusschen

zijne tanden te pakken, waarvoor hij echter evenveel muilperen terug

ontving. De Encuerado, die zijn visch de vluchtelingen achterna had

gegooid, hield niet op met schelden, vóórdat de vlugge stroopers

verdwenen waren.

De toorn van den Indiaan brak met verdubbelde hevigheid los, toen hij

bemerkte, dat de apen in zijne mars aan 't snuffelen waren geweest. Wij

waren juist bijtijds gekomen, want hunne duivelsche nieuwsgierigheid

had ons duur te staan kunnen komen. De grond was bezaaid met maïskoeken

en de kruitbussen en insectenflesschen, die hier en daar verspreid

lagen, toonden aan, dat de apen ze hadden willen openen. De wanorde werd

spoedig hersteld, maar terwijl de Encuerado den visch gereed maakte,

zwoer hij zich te zullen wreken.

Toen de _bobo_, naar behooren gebraden, op breede bladeren was

voorgediend, verdween de Indiaan met de kalebassen, die bij ons voor

glazen dienden; ik begreep, dat hij ons op een beker palmwijn wilde

vergasten.

Helaas! wij hoorden hem opnieuw vol toorn grommen; de bakken, die hij

met zooveel moeite had uitgehold en zoo goed had dichtgemaakt, waren

ledig; de apen hadden het zoete vocht opgedronken. De wanhopige kok

wilde zich in het bosch begeven en alles vermoorden, wat hij zou

tegenkomen. Het gelukte mij hem tot bedaren te brengen; maar ik

beklaagde reeds bij voorbaat den troep apen, die zich het eerst onder

het bereik van zijn wapen zou bevinden.

De hitte werd drukkend en Sumichrast viel in slaap. Tegen half vier uur

vertrok ik in gezelschap van Lucien en wendde ik mij naar het woud, dat

tegenover de rivier was gelegen, met het doel om insecten te verzamelen.

Nauwelijks waren wij in het bosch doorgedrongen of vijf à zes toekans

(pepereters) met rooden bek en witte en gele veeren namen de vlucht, en

wij hun achterna. De wantrouwige klimvogels lokten mij ver weg; ik gaf

de vervolging op om twee prachtige soeroekoes met lange staarten, wier

geschreeuw mij scheen uit te dagen, achterna te gaan. Ik hield uit

medelijden met Lucien, die in deze nieuwe jacht even vurig was als ik,

stil. Na een oogenblik rustens zag ik, dat de zonnestralen reeds in

schuine richting naar mij toekwamen; ik stond op, maar nauwelijks had ik

een paar schreden gedaan of eene rilling overviel mij,—ik had vergeten

kerven in de boomstammen te maken.

»Zijn wij verdwaald?” vroeg de knaap vol ongerustheid.

—»Neen,” antwoordde ik, »laat ons voortgaan.”

Ik hield weldra stil; de dag neigde ten ondergang en het woud nam een

doodsch uiterlijk aan. Ik aarzelde twee of drie malen, welke richting ik

in zou slaan en Lucien overstelpte mij met vragen.

»Wij zijn te ver gegaan,” zeide ik, »en misschien zullen wij dezen avond

de Palmboomen-villa niet meer kunnen bereiken. Ik zal eens schieten om

de aandacht van den Encuerado te trekken.”

Mijn schot knalde; ik luisterde met te meer angst toe, daar ik bemerkte,

dat ik nog slechts drie patronen bezat. Lucien, die evenals ik zonder

weitasch was uitgegaan, had niet anders dan de lading, die op zijn

geweer zat.

»Schiet ook eens,” zeide ik hem, »opdat de Encuerado begrijpe, dat wij

hem roepen.”

Ik luisterde opnieuw met ingehouden adem toe, en ik meende het geluid

van een ver verwijderde losbranding te vernemen. Wij liepen snel door;

maar de nacht brak aan.

»Wij zullen zonder avondeten gaan slapen,” sprak ik met eene

opgeruimdheid, die evenwel ver van mij was. »Als wij nog verder gingen

zouden wij kunnen verdwalen.”

—Waarom heeft de Encuerado niet geantwoord?

—Hij meent zeker, dat wij aan 't jagen zijn. Komaan, aan 't werk! Wij

moeten hout hebben.

Ik had sedert lang de gewoonte aangenomen, om mijn vuurslag altijd aan

een kettinkje om den hals te dragen en mij er nooit van te ontdoen. Dat

was nu voor ons een groot geluk. Zoolang als men in een bosch vuur kan

aanmaken, is men slechts half verdwaald. Slechts uitgegaan zijnde om

eene kleine wandeling te doen, had ik noch veldflesch, noch mes bij mij,

en ik had slechts bij toeval een stuk of drie patronen meêgenomen.

Ik richtte het vuur in een halven kring om een boom op. De

zwaarmoedigste voorgevoelens overvielen mij, maar ik veinsde toch de

grootste onverschilligheid, ten einde mijn lieven, jongen reismakker

niet te beangstigen. Allen bijeen en met den reservevoorraad uit de

mars, konden wij ons op goed geluk ergens wagen; maar wat moest ik

alleen, zonder levensmiddelen en niet meer dan vijf ladingen kruit

bezittende, beginnen? Ik sidderde als ik dacht aan de kwellingen en den

vreeselijken doodstrijd, welke den knaap misschien te wachten stonden.

Met den rug tegen den boom zittende ondersteunde ik Lucien, wiens hoofd

op mijn knie rustte. Er woei eene sterke bries en het geraas, door de

takken veroorzaakt, moest mij beletten het roepen mijner vrienden te

hooren, die, ik twijfelde er niet aan, het woud doorliepen om ons te

zoeken. Wij konden niet ver van de Palmboomen-villa af zijn en ik moest

mij telkens verzetten tegen mijne neiging om te schieten.

Tegen middernacht ging de wind liggen; ik sloot de oogen om des te beter

het minste geluid te kunnen opvangen. Herhaalde malen meende ik als 't

ware de laatste trillingen van een dof geraas te vernemen; maar

eindelijk schreef ik dat toe aan een uitwerksel van mijne opgewonden

verbeelding.

Eensklaps deed een vervaarlijk gebrul de lucht daveren, zoodat Lucien

ontwaakte.

»Wat is er? Is Chema daar?

—Neen, mijn kind; daar heeft een tijger gebruld.

—Zou hij naar ons toe komen?

—Ik hoop dat hij zijne nachtelijke jacht zal vervolgen; in elk geval

zijn wij achter ons vuur voor zijne klauwen beveiligd.”

Ik plaatste Lucien tegen den boom en maakte mij tot schieten gereed; op

vijftig schreden van ons vertoonde zich de kop met de glinsterende oogen

van een prachtigen jaguar.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 45 / 54 题