XXVI.

MIDDEN DOOR HET WOUD.—GEFORCEERDE MARSCH.—DE BROMELIACEEËN.—EENE

FANTASTISCHE BEEK.—DE MUSKIETEN.—DE MARAIL.—HET BELOOFDE LAND.—EEN

TOCHT VAN APEN.

Het geblaf van Gringalet, het gejank der vossen, de warmte, het sjilpen

der krekels en bovenal het steken der muskieten hadden meermalen onzen

slaap gestoord. Tegen vijf uur verrees de zon schitterend en werd

begroet door de kardinalen, de chachalacas en de papegaaien. Lucien

haastte zich, bij het hooren van die ongewone geluiden, op te staan,

en zijn blik bleef langen tijd gevestigd op den muur van groen, die

den toegang van het woud scheen te verbieden. Een wolk groote en

veelkleurige vlinders trok een wijl zijne aandacht, maar weldra werd die

afgeleid door de vliegenvogeltjes, met hunne smaragdgroene, purpere en

azuurblauwe vederen.

Een vraag, die reeds den vorigen dag behandeld was, hield ons opnieuw

bezig.—Moesten wij den zoom van het woud volgen of er dadelijk in

doordringen? Ons levensonderhoud, dat ons in het Gematigde Land weinig

zorg baarde, werd, zoolang wij geen bron ontdekten, eene zaak van

aanbelang. Met uitzondering van Lucien, wisten wij allen welk een

vreeselijke vijand de dorst is, en ik wilde tot geen prijs mijn

dierbaren kleinen reismakker aan zijne kwellingen bloot stellen. De

Encuerado, die sedert den vorigen dag de vlucht der vogels gadesloeg,

was van gevoelen dat men het woud in rechte lijn moest doortrekken.

Volgens hem waren niet meer dan twee dagen van een flinken marsch

voldoende, om eene beek te bereiken, die ons tot eene rivier zou voeren,

dat wil zeggen tot den overvloed. Sumichrast deelde zijn gevoelen.

Ik, van mijn kant, ried eerder aan de Cordilleras te volgen; deze weg

maakte onzen tocht wel is waar langer en stelde ons bloot in vlakten

zonder wild terecht te komen, en hoewel men beter honger dan dorst kan

verdragen, had die toch ook niets aantrekkelijks. Het grootste bezwaar

dat mijn plan aanbood was, dat het ons na zware beproevingen in de

bergen kon terugvoeren en onze reis derhalve ten halve volbracht zou

laten. Ik gaf dus toe, zonder evenwel overtuigd te zijn dat wij de

wijste partij kozen. Lucien huppelde van blijdschap.

De Encuerado, wiens arm geheel genezen was, nam zijne vracht op en

Sumichrast begon de slingerplanten uit te hakken ten einde ons een

doorgang te banen. Ik loste hem van tijd tot tijd in dezen zwaren arbeid

af en Lucien maakte van de oogenblikken dat wij adem schepten gebruik,

om op zijne beurt te velde te trekken tegen den rijken plantengroei,

dien de natuur bij den ingang der maagdelijke wouden plaatst, als

om aan te duiden, dat daar eene onbekende wereld te veroveren is.

Ongelukkigerwijze maakte zijne geringe grootte zijn arbeid nutteloos;

maar hij nam in elk geval zijn aandeel in het werk.

Eindelijk waren wij den dichten muur doorgeworsteld en bevonden wij ons

in een halfduister, onder reusachtige boomen.

»Zijn wij niet meer in een maagdelijk woud?” vroeg Lucien.

—»Wij treden er integendeel pas binnen,” antwoordde ik.

—Maar de grond is kaal; men ziet er geen slingerplanten en die boomen

schijnen op een lijntje te zijn geplaatst.

—Wat dacht gij dan hier te zullen aantreffen?

—Door elkander gegroeide boomen, vogels, apen, tijgers.

—Die menagerie zal later wel komen. Wat nu de dooreengegroeide planten

aanbelangt, als het woud daarmede opgevuld was, zou men er niet in

kunnen doordringen. De grond is kaal omdat de boomen zulke zware kronen

hebben, dat zij geen zonnestraal laten doordringen, en omdat de planten

in de schaduw verflensen en sterven; maar telkens als wij aan eene open

plek zullen komen, zult gij zien dat de grond met planten en struiken

bedekt is.

—Dan zijn de bosschen van het Gematigde Land mooier dan die van het

Warme Land.

—»Gij oordeelt te voorbarig,” antwoordde Sumichrast, »wacht maar eens

tot wij langs een rivier zullen loopen.”

—»'t Kan zijn,” mompelde mijn zoon, terwijl hij het hoofd schudde en

zich tot zijn vriend wendde; »maar de bosschen, die wij doorgetrokken

zijn, waren levendiger. 't Is hier zoo stil en de takken groeien zoo

hoog, dat men meenen zou in eene kerk te zijn.

De opmerking van den knaap was niet ongegrond. Onder die hooge

gewelven, terwijl men den zwarten grond betreedt, waar de

planten-overblijfselen van wellicht vijf of zesduizend jaren zijn

opgehoopt; in die halve schemering, welke nauwelijks door een dun

zonnestraaltje, dat nu en dan door het gebladerte doorgluurt, wordt

verlicht, gevoelt men zich door eene onbepaalde droefgeestigheid

overmand. De altijd begrensde gezichteinder, de stilte—want de vogels

wagen zich slechts zelden in dien oceaan van groen—vervullen den geest

met sombere gedachten, en bewijzen dat de ziel, evenzeer als het lichaam

behoefte heeft aan licht om zich wel te gevoelen. Eene hitte als van een

oven maakte ons sprakeloos. De boomen volgden elkander met eene doodsche

eentonigheid op, nu eens elkanders zwarte stammen kruisende, dan weer

in lange lanen voortloopende. De vochtige grond verdoofde het geluid

onzer voetstappen en behield er de indrukken van. Boven ons, op eene

duizelingwekkende hoogte, ontplooiden zich de takken en hun somber

gebladerte verborg geheel en al den hemel. Lucien liep purperrood en

zweetende achter mij aan. Ik moedigde hem van tijd tot tijd aan en ried

hem voortdurend niet te drinken; in de eerste plaats omdat wij zuinig op

het water moesten zijn en ten tweede om den dorst niet op te wekken.

»Dan zullen wij maar nooit meer drinken,” zeide hij.

—Wel zeker, Chanito, als wij kampeeren zal ik dadelijk de koffie gereed

maken; dan moet gij uw kom met kleine teugjes uitdrinken en een kwartier

daarna is uw dorst geheel over.

Dat wij er dan maar spoedig komen!”

Op dit oogenblik, en als ik slechts naar mijn hart geluisterd had, zou

ik onmiddellijk het teeken tot rusten gegeven hebben; maar de rede en de

ondervinding hielpen mij er weerstand aan te bieden. 't Was beter, dat

ik Lucien in den beginne een weinig zag lijden dan dat wij ons zouden

blootstellen aan een nutteloos naberouw, door eenige uren te verliezen,

vooral als het water, waarnaar wij op goed geluk zochten, niet zoo

spoedig gevonden werd. Evenals de Wandelende Jood moesten wij zonder

ophouden doorloopen en zoo spoedig als mogelijk het onherbergzame woud,

waarin wij ons gewaagd hadden, doortrekken en niet afwachten tot honger

en dorst ons al onze krachten ontnomen zouden hebben om ons daarna met

eene gebiedende stem het verschrikkelijke woord: loop! toe te roepen.

Het terrein werd golvend; ik versnelde den pas; misschien zouden wij

vinden, waarnaar wij zoozeer verlangden. Eene opene plek, die ons een

zonnestraal liet zien, beurde ons wat op; er vertoonde zich gras, daarna

twee of drie struiken en slingerplanten. Ik riep Lucien en wees hem

eene plant _timbirichis_, de _bromelia pinquin_ der plantenkundigen.

De lichtroode vruchten van de planten stonden regelmatig in een kring

van groene bladen. Lucien, die neergeknield was, trachtte ze te plukken.

»Trek de middelste er uit, Chanito!” riep de Encuerado, »men kan ze

anders niet los krijgen.”

De knaap vatte de middelste bes, die meegaf, en evenals de steenen

van een gewelf, waaruit men den sluitsteen zou wegnemen, vielen alle

vruchten af. Onder haar dikke huid bevond zich een wit, smeltend en

zuurachtig moes, dat de dorst leschte. Ik ried mijn zoon aan niet meer

dan twee of drie vruchten te eten. Eene tweede plant, die wij een weinig

verder ontmoetten, voerde onze vreugde ten top.

De Voorzienigheid kon geen kostbaarder plant op onzen weg geplaatst

hebben, want de honderden kegelvormige vruchten, die wij bezaten,

stelden ons in staat om gedurende verscheidene dagen de dorst het hoofd

te bieden. De marsch werd nu met minder zware schreden voortgezet, en

Lucien, die weer opgevroolijkt was, bleef moedig aan mijne zijde.

»Wel nu!” sprak ik, »moet gij nu niet toestemmen, dat de ongerepte

wouden ook hunne goede zijde hebben? Hoe vondt gij de vruchten van de

timbirichis?”

—Uitstekend! Tot welke familie behooren zij toch?

—Het zijn verwanten van den ananas, derhalve bromeliaceeën.

—Maar de ananas is eene groote vrucht, die geheel alleen op haar

stengel groeit.

—Ja, als men alleen naar den schijn oordeelt; in werkelijkheid

bestaat zij uit eene vereeniging van aan elkander gegroeide bessen. De

aardbezie, die tot de familie der rozen behoort, verkeert in hetzelfde

geval, en veel lieden, die eene aardbezie proeven, weten volstrekt niet

dat zij dertig of veertig vruchten eten!

Een uur lang werd er geen enkel woord gewisseld; badende in 't zweet

gingen wij verder, met moeite eene gloeiende lucht inademende.

»Men zou zeggen, dat daar eene open plek is,” zeide Lucien eensklaps,

naar links wijzende.

—»Gij hebt gelijk, vooruit, vooruit.”

Vijf minuten later bevonden wij ons in een lichtkring, door de zon

overstroomd en te midden van een warboel van boomvarens en hoog gras. De

boomen, die meer van elkander stonden, lieten reusachtige lianen tot den

grond afdalen en het geluid der chachalacas klonk in onze ooren.

Terwijl ik den grond ruim maakte, namen Sumichrast en de Encuerado

plaats in de struiken. Ik gaf Gringalet, wiens tong op eene

welsprekende wijze buiten zijn bek hing en die met minachting aan de

timbirichis rook, wat water. Twee schoten knalden terzelfder tijd en de

jagers kwamen met zulk een teleurgesteld gelaat terug, dat ik begreep,

dat zij mis geschoten hadden. Ik schertste er mede en beweerde dat droge

maïskoeken evenveel waard waren als de vetste kalkoen. Ik sprak met

zooveel ernst, dat mijne makkers warm werden en het levendigste gesprek

kruidde ons maal. Ik verklaarde dat het lauwe water onzer veldflesschen

in smaak de zuiverste bron overtrof en dat de zure timbirichi de

uitstekendste vrucht is. Langzamerhand gaf ik evenwel toe, en toen

wij gingen slapen was ik geheel bekeerd. Maar ik had mijne medegasten

vermaakt en eene scherts had de plaats van het gebraad ingenomen.

De nacht ging zonder ander ongeval voorbij, dan de aanhoudende beten der

muskieten. De ongelukkige Gringalet maakte ons herhaalde malen wakker

door zich tegen ons aan te drukken, ten einde de pijnlijke steken te

ontvluchten, waaronder wij evenveel leden als hij.

Bij het aanbreken van den dag gaf ik het teeken tot vertrek, en de dag

ging om, zonder dat de minste opening in 't woud ons eenige hoop gaf.

Ik bewonderde Lucien, die, hoewel hij zeer onder den dorst en de

vermoeienis leed, slechts nu en dan een droevigen blik op mij sloeg,

zonder eene enkele klacht te uiten. Twee of driemaal poogde ik hem op te

beuren; de arme kleine schudde dan zijne lastige vracht en glimlachte

op zulk eene pijnlijke wijze, dat ik hem gansch aangedaan omhelsde.

De Encuerado, die bijna onder zijne vracht neerviel, hijgde zwaar

en verklaarde van tijd tot tijd dat hij de rivier en den reuk der

krokodillen rook. Deze kleine fopperij deed den pas versnellen; maar

weldra hervatten wij zwijgend en terneergeslagen onzen marsch. Eindelijk

dwong de vermoeidheid ons stil te houden; Lucien en de Encuerado sliepen

in, zonder aan het avondeten te denken. Ik stelde Sumichrast voor zoo

spoedig mogelijk den weg naar de bergen weer in te slaan.

»Nog één dag,” zeide mijn vriend mij; »wij hebben nog ongeveer vier

flesschen water, en al moesten wij ook aan Lucien en Gringalet er een

ruim gedeelte van geven, dan kunnen wij nog vierentwintig uren er aan

wagen.”

Den volgenden morgen doodde de Encuerado, toen wij op punt stonden van

te vertrekken, een chachalaca. Het vuur werd dadelijk weer aangestoken

en dit wild, met een slokje cognac bespoeld, gaf ons een gedeelte onzer

krachten terug.

Tegen den middag, en toen de hitte op het hevigst was, veranderde de

grond van aanzien, de hoornen begonnen dunner te staan en onze

geestkracht verdubbelde.

»Komaan, meester Zonnestraal,” sprak Sumichrast, »versnel den pas

alsjeblieft een weinig; hoort gij het murmelen eener beek niet?”

—Gij vertelt mij dat reeds drie dagen lang; noch ik noch Gringalet

gelooven iets van uwe beek.

—Hoe zult gij het dan aanleggen als wij de Savannen moeten doortrekken?

—»Zooals nu; ik zal loopen zonder te drinken, ten einde den dorst niet

op te wekken,” antwoordde spottend de knaap, die zich slechts met moeite

door onze bewijsgronden liet overreden.

—Drommels, drommels! nu nog spotternij? Ik dacht dat gij zieker waart.

Komaan, de geest is nog goed en ik zal later kunnen getuigen, dat gij u

als een man gedragen hebt. Wat zeggen de beenen?

—Dat zij gaarne zouden rusten.

—Zoudt gij te Orizava willen zijn?

—Ik zou eerst eene beek, een krokodil en een tijger willen zien.

—»Gij zijt veeleischender dan ik,” sprak ik op mijne beurt, »ik zou met

de beek al tevreden zijn.

—»Gevoelt gij niet, dat de muskieten van het Warme Land harder steken

dan die van het Gematigde Land?” hernam de knaap, zich tot den Encuerado

wendende.

—Neen, Chanito, die rekels geven elkander niets toe, zij behooren tot

dezelfde familie, zooals uw papa zegt.

—Dan zijn zij talrijker, 't is ieder oogenblik een nieuwe steek.

—Klaag nog maar niet, Chanito; gij zult eens zien als wij de beek

zullen gevonden hebben.

—Wat zal er dan gebeuren?

—Dan zullen wij den mond niet kunnen openen zonder eenige van die

bloedzuigers in te slikken.

Weet gij wat muskieten zijn, Chanito?

—Ja, papa heeft het mij gisteren gezegd; het zijn tweevleugelige

insecten; verwanten van de vliegen. Hun snuit is eene scheede, die zes

mesjes bevat, waarmede zij door onze huid steken, om zich vol bloed te

zuigen.

—Maar waar komen die hongerlijders toch vandaan?

—Uit het water, waarin het insect zijne eieren legt. Gij kent die

kleine wormpjes wel, die in de poelen onophoudelijk rijzen en dalen; dat

zijn de larven van de muskieten.

—»Hm, hm!” mompelde de Indiaan, »in 't vervolg zal ik mij niet lang

bedenken om zooveel van die mooie heeren op 't droge te brengen als ik

kan.” De muskiet, die vreeselijke geesel van het Gematigde en het Warme

Land, maakt die streken ontoegankelijk voor de bewoners van het Koude

Land. Men gewent niet aan die steken, die het lichaam met groote roode

puisten bedekken, koorts en slapeloosheid verwekken en hen, die er onder

lijden, doen gelijken op personen, die pas van de pokken hersteld zijn.

Wij marcheerden opnieuw zwijgend voort; de warmte had onze keel

uitgedroogd. Plotseling troffen vreemde kreten onze ooren.

»Het geklok van een marail!”[38] riep Sumichrast uit. De Encuerado zette

zijne vracht neer en mijne beide gezellen gingen op de jacht. Na verloop

van een kwartier uurs kwamen zij terug, ieder beladen met een vogel met

een bruin met witte vlekken geteekend gevederte en bijna zoo groot als

een kalkoen. Het waren inderdaad marails, fraaie hoendervogels, die men

alleen in de bosschen der Nieuwe Wereld aantreft.

[38] Waarschijnlijk wordt hier de Pauw-kalkoen bedoeld.

»Drommels, drommels!” riep Sumichrast uit, »nu hebben wij te eten; maar

deze vogel, die zich gewoonlijk ver van waterstroomen ophoudt, vermaant

ons zuinig met den inhoud onzer veldflesschen om te gaan.

Vijfhonderd schreden verder bemerkte ik met mos begroeide steenen en

eene onmetelijke, als een toren overeind staande rots. Wij groetten den

colossus, zonder ons op te houden en versnelden den pas. Maar allengs

werd het klimmen en dalen veelvuldiger. Gringalet stak telkens zijn neus

in de hoogte om de lucht in te snuiven en de hoop, dat wij eindelijk uit

dit bosch zouden komen, dreef ons met een ongeëvenaarden ijver, die nog

aangevuurd werd door de hoop, dat wij de zoolang begeerde rivier zouden

bespeuren, vooruit. Lucien gevoelde zich ook aangewakkerd en liep met

gloeiende wangen en schitterende oogen mede.

—»Gras! bloemen! Vooruit, vooruit!” riep Sumichrast.

—Vooruit! herhaalde Lucien.

De minder dicht opeen staande groote boomen lieten de zonnestralen

doordringen en de lianen vielen als bloemslingers naar omlaag. Twee

of drie struiken werden, even als de rots, in 't voorbijgaan gegroet.

De klimplanten, de varens, de paullinia's groeiden wild dooreen en

dwongen ons onze machete's te trekken. Eene vrij steile helling, die

met koortsachtige haast beklommen werd, voerde ons op eene hoogvlakte.

Tegenover ons opende zich eene prairie, met kreupelhout doorzaaid en

omzoomd door een bosch van palmen, laurier-, sapote- en acajoeboomen,

waaruit de gezangen der vogels, overheerscht door het krijschen der

papegaaien, opstegen.

Wij waren hijgend, uitgeput, drijvend van 't zweet, en ik stelde voor

op deze hoogte te kampeeren. De zon begon trouwens te dalen; wij hadden

juist nog den tijd om de benoodigde hoeveelheid hout voor het vuur

bijeen te zoeken. Toen dit werk was afgeloopen, ging ik met Lucien

op een vooruitstekend punt zitten. De bergen van het Gematigde Land

teekenden zich aan den gezichteinder af; wij waren er minstens reeds

vijftien uren van verwijderd. Onze blik daalde vervolgens op den top

van het woud, dat wij doorgetrokken waren. De eentonigheid van zijn

donkergroen gebladerte gaf er een zeer doodsch aanzien aan. En terwijl

duizenden vogels aan onze voeten om de ceder- en styraxboomen vlogen,

waagde geen der gevederde gasten zich in die eenzaamheid, waarvan wij de

ongastvrije uitgestrektheid hadden leeren kennen.

»Ik zie onder ons noch beek, noch rivier,” sprak Lucien.

—»Geduld maar,” antwoordde Sumichrast, die bij ons was komen zitten.

»De vogels, die voor u heen vliegen, kunnen niet zonder drinken blijven

en hun aantal wijst er op, dat er veel vruchten in dit bosch zijn.”

—Hioe, hioe, Chanito!

—»Ohe, Ohe!” antwoordde Lucien, terwijl hij naar den kant van het hem

bekende geluid heenijlde.

Ik zag de twee vrienden van den heuvel dalen, de Encuerado droeg zijne

groote veldflesch.

»Zou hij water gevonden hebben?” sprak ik tot mijn makker, en ik ging

naar den haard toe, waar de marails onder de bewaking van Gringalet

braadden.

Ik ging verder, terwijl Sumichrast het oog op de bradende vogels hield,

en kwam bij den Indiaan, op het oogenblik dat hij de bloem van eene

fraaie plant met scharlakenroode bladeren, die als woekerplant op den

stam eener magnolia groeide, omboog. Ongeveer een glas vol helder water

vloeide in de kalebas, die ik ophield.

»Behoeft men dan maar die plant te drukken, om er water uit te krijgen,”

vroeg Lucien zeer verbaasd.

—»'t Is voldoende dat men haar scheef houdt,” antwoordde ik; »zij

bewaart dezen kostbaren schat van dauw tusschen hare scheedevormige

bladeren, en aan haar hebben de Encuerado en ik het te danken, dat wij

op eene onzer reizen niet van dorst zijn omgekomen.

—Waarom groeit zij niet in alle bosschen?

—Als zij overal groeide zou een der grootste hinderpalen, die den

toegang tot de ongerepte wouden belet, niet meer bestaan.

—En hoe heet deze plant?

—De Creolen kennen haar onder den naam van Paaschbloem, 't is een

bromeliacee.

—Dan levert zij ook eene eetbare vrucht op?

—Neen; maar desnoods zouden deze fraaie roode bladeren kunnen dienen om

den honger te stillen.

Wij klommen den heuvel weer op, toen een dof geraas, dat uit den zoom

van het woud opsteeg, tot ons kwam. Een glimlach van den Encuerado liet

ons de dubbele rij van zijne witte tanden zien. »Ziedaar eens,” zeide

hij tot Lucien, naar een hoek van het woud wijzende, van waar de vogels

de vlucht schenen te nemen.

Eene heele bende apen stoeide te midden der slingerplanten.

»Laten wij ze wat dichter bij gaan zien,” riep Lucien luide.

—'t Is te laat, Chanito; ze komen drinken en gaan dan slapen, maar we

zullen er morgen een eten; ons avondeten wacht ons nu.

Wij eindigden ons avondmaal; de zon ging onder, wij zagen de papegaaien

bij paren voorbijgaan en de parkieten op de heesters vliegen, toen een

vreeselijk gebrul ons deed opspringen.

»O, wat een vreeselijke kreet,” riep Lucien uit.

—Een tijger!” sprak de Encuerado, wiens oogen flikkerden.

De Koning der Amerikaansche wouden begroette opnieuw de ondergaande zon.

Gringalet drukte zich, met hangenden staart, tegen ons aan; er werd een

tweede haard opgericht en wij gingen slapen met de zorgeloosheid, die de

gewoonte van de grootste gevaren geeft.

Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker · 第 43 / 54 题